Preekschrift biedt confessionelen maar weinig vernieuwende preken

KLASSIEKE THEMA'S EN TRADITIONELE EXEGESE

Het is het schrikbeeld van menig ouderling van dienst: dat een predikant niet op komt dagen, of op het laatste moment afzegt. In de meeste consistories ligt wel een mapje met wat papieren die dan te gebruiken zijn. Ik zag eens een mapje hangen waar met grote letters ‘noodpreek’ op geschreven was. Voor die preek zijn verschillende bronnen denkbaar. Een plaatselijk predikant heeft eens iets voor de gelegenheid gemaakt. Of er zijn een of meer preken uitgezocht uit lopende reeksen. Ook het Confessioneel Gereformeerd Beraad geeft sinds enkele jaren een eigen serie uit onder de titel PreekSchrift. Ik vermoed dat men in confessionele kringen onvoldoende meer uit de voeten kon met het lange tijd toonaangevende Menigerlei Genade. Maar wat heeft PreekSchrift de kerken nu voor nieuws te bieden?

Voor me ligt het tweede deel van de derde jaargang. Volgens de omslag heeft de inhoud betrekking op ‘Bidstond, lijdenstijd, pasen en tijd na pasen’. Dat bevreemdt enigszins, want voor de bidstond is geen preek opgenomen. Wel komen de tijd voor Pasen, Pasen zelf en de periode na Pasen aan bod. Tevens worden twee catechismuspreken aangeboden. Verder draagt er een het thema ‘Gespitste oren’, over geroepen worden. Als die al ergens specifiek in het kerkelijk jaar geplaatst moet worden, dan de in eerste weken na Epifanie, dunkt me.

Bij elke preek wordt een beknopte orde van dienst geleverd. Dat geeft voor het eerste deel van de dienst direct een heel gevarieerd beeld. De eerste heeft ‘voorbereidingsgebed’ – bedoeld zal vermoedelijk iets zijn als ‘verootmoediging’ – en ‘leefregel’. De volgende heeft alleen de ‘leefregel’, gelet op het erop volgende gezang (449) waarschijnlijk op te vatten als kenbron der ellende. Een dergelijke aanpak is na de liturgische vernieuwingen van de jaren zestig in de Gereformeerde Kerken marginaal geworden. In het derde geval blijft het bij een ‘gebed van verootmoediging’. De vierde orde van dienst laat al dit soort onderdelen weg. Zij is dan ook bedoeld voor Pasen en er staan drie Schriftlezingen van een behoorlijke lengte genoteerd. Maar of deze liturgische opzet strookt met de opvattingen van de gereformeerde traditie … ? Wel is aan het begin van de dienst een gedicht opgenomen, maar de tekst daarvan of – vanwege de auteursrechten – alleen een verwijzing, ontbreekt. Curieus is de liturgie bij een catechismuspreek over Zondag 8, die handelt over de drie-eenheid. Deze volgt de orde voor een morgendienst, terwijl de prediking van de catechismus doorgaans altijd in de middag plaats gevonden heeft. De eerste zin van de preek wijst daar ook op. Nu is de tweede dienst in veel plaatsen zo goed als verdwenen, maar enige toelichting zou wel op zijn plaats zijn geweest. Dat geldt eigenlijk voor alle liturgische suggesties. Ze zijn hopelijk weloverwogen, maar de gebruiker zou er zijn voordeel mee kunnen doen als hij deelgenoot zou kunnen worden van de achterliggende overwegingen. Wie onverkort de aanwijzingen volgt, maakt er gauw een rommeltje van. De preeklezer hoede zich er voor de zegen uit te spreken zoals aangegeven. Dat is kerkordelijk in de eredienst slechts voorbehouden aan de predikant. Anderen dienen een zegenbede te gebruiken.

Een van de kenmerken van de gereformeerde liturgische traditie is de belangrijke plaats van de psalmen. In tweederde van de gevallen wordt in dit PreekSchrift voorgesteld uit tenminste twee psalmen te zingen. In de andere blijft het bij één. Zonder uitzonderingen liggen de melodieën makkelijk in het gehoor. Uit de gezangen van het Liedboek kiezen de voorgangers vooral de bekende, al vallen bij de jongere predikanten naar verhouding wat meer nieuwe nummers te ontdekken. Opvallend bij ds. A.S. Rienstra is, dat alle liederen op een of andere manier ook al in de oude bundel 119 gezangen voorkomen.

Verschillende lengte
Dan de preken zelf. De lengte verschilt aanzienlijk. De langste beslaat bijna twee keer zoveel ruimte als de kortste. De leestijd varieert naar ik vermoed van ongeveer een kwartier tot een klein half uur. Preken als deze staan per definitie op gespannen voet met de actualiteit. De gebeurtenissen van de afgelopen week kunnen er slechts indirect in doorklinken. Ds. J. Winter lijkt daar in zijn catechismuspreek over Zondag 8, heel aardig in geslaagd. Op verschillende momenten laat hij de kerkgangers merken dat hun kerkgebouw en hun leven niet ergens achteraf staat, maar midden in de wereld. Hij komt dichtbij, als hij de hoorders voorhoudt: ‘Hij heeft zijn schepping aan ons toevertrouwd.’ En in de laatste alinea’s: ‘Wanneer de wereld ons toeroept, dat zij uitziet naar gerechtigheid, naar vrede, naar ware menselijkheid, mogen wij antwoorden met Gods Woord in de hand en in het hart, dat Hij werkelijk álles gedaan heeft ter wille van deze wereld. De Schepper …’ enzovoort. Bijna tegenovergesteld is de aanpak van collega Rienstra in zijn preek over de koperen slang (Numeri 21: 9). Deze preek heeft veel weg van een betoog. Hij zoekt nauwelijks aanknopingspunten in de gemeente die voor hem zit. Hij presenteert het heil, in het bijzonder zoals dat geopenbaard is in Jezus Christus. Op een reactie wordt niet wezenlijk gerekend. Ook sommige andere preken lijden aan dat euvel. Nu ontstaat er bij preeklezen in het algemeen wel een probleem. Hoe direct kan de preeklezer zijn hoorders aanspreken met ‘u’ of ‘jullie’? Het zijn immers niet zijn eigen woorden die hij leest. Persoonlijke aanspraak vereist directe betrokkenheid van degene die aanspreekt. Anders klinkt het al gauw onecht, onzuiver. Dat is ook het geval met vlot taalgebruik, zoals ik die in de preek van ds. K.J. Bijleveld aantrof. Als het past bij de persoonlijkheid van deze predikant, dan kan dat best. Of een voorlezer de juiste toon zal treffen, is nog maar de vraag. Iets dergelijks bespeur ik aan het begin van de paaspreek in de reeks. De predikant verhaalt van een wenkende verkeersagent en meldt: ‘Een aantal weken geleden heb ik dat laatste weer eens ervaren. Een mooi geel papiertje erbij …’. Dat kun je een ander toch zo niet laten zeggen?! Stevige bewerking van de aangeleverde preken zou een goede zaak zijn.

Vernieuwend?
Aan het begin van deze bijdrage stelde ik mezelf de vraag wat PreekSchrift de kerken voor nieuws te bieden heeft. Dat is beperkt helaas. Het periodiek biedt preken over klassieke thema’s en met een traditionele exegese, die zo verwoord elders nauwelijks meer verschijnen. Of het moet zijn vanuit de Gereformeerde Bond, maar in die kringen is de toonzetting dan gauw weer een stuk zwaarder. Zo is er een preek opgenomen over het thema wedergeboorte. De catechismuspreken kwamen al aan de orde. Ondanks Johannes 3: 14 zal menigeen in de SoW-kerken aarzelen in de koperen slang van Mozes een directe heenwijzing naar Jezus te zien. In PreekSchrift gebeurt dat wel. Vanuit de Schrift is voor de aanpak van PreekSchrift het nodige te zeggen. Ik vind ook dat hij aandacht verdient. Maar het bevreemdt wel dat in veel preken het confessioneel gezien cruciale thema zonde vrij diffuus blijft, zelfs in de periode van voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Het wordt niet of nauwelijks geconcretiseerd. Hoewel PreekSchrift ook naar de burelen van Centraal Weekblad is gestuurd, zal het primair voor intern gebruik zijn bedoeld. Als buitenstaander denk ik, dat de confessionele beweging in de Gereformeerde Kerken zich wel wat steviger en belijnder mag presenteren. Dat zal haar betekenis en invloed ten goede komen.

PreekSchrift III (jaargang 2000-2001), deel 2 (Bidstond, lijdenstijd, pasen en tijd na pasen); ISSN 1388-8943. Een abonnement kost fl. 27,50 per jaar.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel verscheen in Centraal Weekblad 49 (2001), nr. 14 (6 april).
© 2001, KWdJ