Met preken alleen redt een dominee het niet

DIENSTBAAR AAN HET WOORD

‘De dominee: manager of verkondiger?’ Dat is de uitdagende titel boven een artikel van prof. dr. A. van de Beek in Kerkbeheer, het periodiek van de landelijke organisaties van kerkvoogdijen en commissies van beheer. Het behaalde zelfs enkele landelijke dagbladen. Van de Beek pleit ervoor dat de predikant terugkeert naar zijn eigen taak, de prediking des Woords. Organisatie, wat moderner management, zou meer op het terrein liggen van de ouderling-kerkvoogd. Een belangrijke consequentie is voor Van de Beek de terugkeer naar het klassieke beroepingswerk. Profielen en advertenties leggen teveel nadruk op de agogische kwaliteiten van de predikant en doen tekort aan het eigenlijke werk, de Woordverkondiging.

Op het eerste gezicht doet Van de Beeks betoog sympathiek aan. Met de landelijke predikantenbegeleiding ziet hij predikanten in toenemende mate in de verdrukking komen. Altijd al werd verwacht, dat hij of zij het spreekwoordelijke schaap met de vijf poten was. Maar het aantal poten is in de afgelopen decennia alleen maar groter geworden. Het moet vooral ‘fijn’ zijn in de kerk. Maar kan dat wel? Vraagt het Woord juist ook niet om een tegenover, dat cultuur en kerk onder kritiek zet? Voorganger en gemeente voelen zich er wellicht goed bij, als hij of zij ‘een van ons’ is, maar het gevaar is groot dat het Woord en daarmee ook God Zelf door de gemeente geannexeerd is. Van de Beek wil voorganger en gemeente tegen zichzelf in bescherming nemen.

Bij alle sympathie roept Van de Beek bij mij ook veel vragen op. Het begint al met de verwijzing naar de kerkorde en het daarbij behorende handboek van P. van de Heuvel, De Hervormde Kerkorde. Van de Heuvel leidt uit de Hervormde kerkorde af, dat bij de eigen taken van de predikant het accent sterk ligt op de eredienst. Hij concludeert: ‘De kerkorde maakt er ernst mee dat hij predikant is, geroepen tot de prediking’. Met andere woorden: de kerkorde neemt dit bijzonder serieus, maar er is meer. Van de Beek versmalt dit en neemt zonder meer tot zijn uitgangspunt ‘dat de predikant geroepen is tot de prediking’. Ik vind dat Van de Beek hiermee tekort doet aan de andere taken die ook genoemd worden. Ik laat dan gemakshalve nog maar buiten beschouwing dat eredienst méér is dan prediking alleen. De formuleringen van de kerkorde suggereren dat bijvoorbeeld herderlijke zorg en catechese voor een belangrijk deel onder de verantwoordelijkheid van de predikant vallen. Maar ook als we Van de Beek in zijn accent op de prediking volgen, lopen we mijns inziens snel vast. Naar zijn idee heeft in de kerk de sociologie teveel de plaats ingenomen van de theologie. Hij verzet zich dan ook tegen profielschetsen en advertenties met typeringen als ‘iemand die kinderen op een zinvolle wijze actief bij de dienst weet te betrekken’, ‘in ons een verlangen naar een geloof van alledag weet aan te spreken’ en ‘een warm mens die onze gemeente kan inspireren op haar weg’. Ik ben het met Van de Beek eens dat we met dit soort wensen inhoudelijk voor de prediking niet zoveel verder komen. Tegelijk zijn dit soort eigenschappen niet onbelangrijk voor het welslagen van de prediking. Verkondiging staat niet op zich. Het Woord moet ook gehoord, verstaan kunnen worden, door mensen heen kunnen gaan. Dan is het bepaald niet onbelangrijk, dat een predikant de leefwereld van kinderen kent en ook hen binnen het krachtveld van het Woord weet te brengen. Dan moet een voorganger wel over kunnen brengen, dat het Woord relevant is voor het alledaagse. Dan is het nodig dat in de verkondiging tot uiting komt dat een predikant ook zelf geraakt wordt. De vraag ‘Wie preekt er vandaag’ gaat veel verder dan in eerste instantie lijkt.

Het lijkt er nu op, alsof ik niets van Van de Beek moet hebben. Toch denk ik, dat hij wel een punt heeft. De secularisatie gaat ook aan de kerk niet voorbij. De verleiding is groot om de gemeente als een bedrijf of vereniging [non-profit organisatie] te leiden, inclusief de bijbehorende moderne managementstechnieken. Bijbellezen, bidden, een spiritueel moment: het is er vaak wel, maar de biddende omgang met het Woord speelt nauwelijks meer een echte rol. Dat geeft te denken. Van verschillende kanten hoor ik – en ik weet het ook uit eigen ervaring – dat beroepingswerk vaak beperkt blijft tot de persoonlijkheid van de predikant. Een gesprek over de inhoud, over haar of zijn persoonlijke omgang met het Woord, komt nauwelijks van de grond. Ik vermoed, dat hierbij in veel gemeenten ook een grote verlegenheid meespeelt. Als het gesprek wél van de grond zou komen, komt in gemeenten, kerkenraden en beroepingscommissies een grote verscheidenheid aan gedachten en belevingen naar voren. Het blijkt moeilijk om daar goed mee om te gaan. In het beroepingswerk verscherpt zich dat: als in de commissie de verscheidenheid al zo groot is, hoe zal van daaruit dan tot een verantwoord oordeel over de opvattingen van een predikant gekomen kunnen worden? Daarom blijft het meestal bij een aanvoelen over en weer. Van de Beek biedt geen reëel alternatief. Ik krijg de indruk, dat hij te optimistisch is over de eenheid scheppende kracht van het Woord. Dat is een prima uitgangspunt, maar de praktijk is weerbarstig.

De aanleiding voor Van de Beeks artikel is de moeilijke positie van menig predikant. Die zou zich overvraagd voelen. Een belangrijke oplossing ziet hij in de terugkeer naar de vragende gemeente. Een duidelijke argumentatie ontbreekt. Eerlijk gezegd begrijp ik Van de Beek hier niet. Als het alleen gaat om de positie van de predikant, dan zal die meer baat hebben bij de advertentiecultuur, dan bij het klassieke beroepingswerk. Met Kerkinformatie of andere bladen in de hand kan hij of zij zelf het initiatief nemen. Het komt dan op meer aan dan de eredienst alleen, vroeger zonder uitzondering het eerste en belangrijkste aanknopingspunt voor een beroep. Natuurlijk moet ook bij een advertentie de reflectant maar afwachten of hij tot de eerste selectie behoort, maar hij of zij kan in ieder geval een stap zetten. De oplossing van Van de Beek heeft voor mijn gevoel niet zoveel te maken met de problemen waarmee menig predikant geconfronteerd wordt, maar veeleer met zijn keuze om de voorganger primair prediker te laten zijn. Vooral predikanten die op de kansel een goede pers hebben, gooi(d)en in het klassieke beroepingswerk hoge ogen. Wat op pastoraal bezoek, in het catechisatielokaal en op straat in de ontmoeting met niet-kerkelijken gebeurt, blijft sterk onderbelicht, terwijl ook die zaken in de kerkorde hoog genoteerd staan. Sterker nog: we doen tekort aan het Woord zélf als we die in het predikantswerk behandelen zoals wel gedaan is. Als het gaat om het welzijn van predikant en gemeente zou ik al met al meer zien in een intermediair, zoals nu het landelijk beroepingswerk, maar dan met een sterker profiel en meer bevoegdheden. Een ‘pastor pastorum’, een soort van bisschop misschien? Een dergelijke aanpak biedt meer bescherming voor de predikant en doet tegelijk recht aan het feit dat hij of zij in de volle breedte van het gemeentewerk dienstbaar dient te zijn aan het Woord. Predikant en gemeente komen in een gelijkwaardiger positie te verkeren en er is volop ruimte voor wat Van de Beek als de éne taak van de predikant omschrijft: ‘dienen van het Woord van God en daarin de gemeente op te bouwen en als gemeente opgebouwd te worden’.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel verscheen in Centraal Weekblad 50 (2002), nr. 16 (19 april), onder de door de redactie gekozen titel 'Met preken alleen redt een dominee het niet'


© 2002, KWdJ