Nieuwe liturgische proeve voor SoW-kerken verschenen

VIEREN STAAT VOOROP IN DIENSTBOEK

Enkele weken geleden, op zaterdag 31 oktober, werd in Utrecht de liturgische proeve Schrift, Maaltijd, Gebed gepresenteerd. Dit is de gecombineerde aflevering 4 en 5 van een reeks die uiteindelijk de basis moeten bieden voor een dienstboek in de SOW-kerken. Deze aanbieding mag met recht een mijlpaal worden genoemd. Al enkele decennia bereiden de deelnemende kerkgenootschappen een gezamenlijk dienstboek voor. Het is al weer meer dan tien jaar geleden, dat de eerste proeve, Liturgie in dagen van rouw, verscheen. Daarop volgden bijdragen voor de bevestiging van ambtsdragers, doop en belijdenis. Op de nu gepresenteerde proeve zal er zeker nog een moeten volgen, namelijk voor trouwdiensten. De weg naar liturgievernieuwing blijkt lang te zijn. De presentatie van de jongste proeve geeft aanleiding een tussenbalans op te maken. Wat is het doel van de liturgische vernieuwingen en hoe moeten die gezien worden in het licht van recente ontwikkelingen in kerk en maatschappij?

Liturgische beweging
Het lijkt nu vanzelfsprekend dat de SOW-kerken aan een nieuw dienstboek werken. Een eeuw geleden echter dacht men daar heel anders over. De Gereformeerde Kerken grepen bewust terug op de formulieren die de synode van Dordrecht 1618-19 had vastgesteld. Ze stonden erop, dat die letterlijk gebruikt zouden worden, ook als de omstandigheden gewijzigd waren, zoals door de invoering van het burgerlijk huwelijk. In de Hervormde Kerk werden de oude formulieren ook gebruikt, maar predikanten mochten ze naar eigen inzicht hanteren: weglaten, toevoegen en/of wijzigen. Algemeen echter was het gevoelen, dat de preek het hoogtepunt en doel van elke dienst vormde. Daar kwam verandering in door de liturgische beweging, die in de eerste decennia van deze eeuw attendeerde op de noodzaak in de eredienst de aanbidding een centrale plaats te geven. Kerkgang was niet alleen om te horen, te ontvangen, maar ook om te geven. Sterker nog, dat diende de eredienst te bepalen. Alles moet er in de eredienst op gericht zijn, dat wij God lof en dank brengen.
Het zal duidelijk zijn, dat deze nieuwe benadering gevolgen moest hebben voor de visie op de rolverdeling in de dienst. Het was steeds de predikant geweest, die al dan niet in overleg met de kerkeraad bepaalde wat goed was voor de gemeente. Hoewel de gemeente natuurlijk wel geacht werd mee te doen, te luisteren, te zingen, mee te bidden, kwam dat in de liturgie nauwelijks tot uiting. Om de aanbidding tot zijn recht te laten komen, moest zij geactiveerd worden. De predikant mocht dan in veel gevallen wel voorgaan, zij moest diens woorden en handelingen bewust beamen. Bijvoorbeeld door op bepaalde momenten te gaan staan, of een liturgische acte met 'amen' (zingend) te beantwoorden. Bezinning op de liturgie ging dus gepaard met een pleidooi voor een liturgisch actieve gemeente.
De liturgische beweging ging aanvankelijk gepaard met een herwaardering van het eigen reformatorisch liturgisch erfgoed. Calvijn en Luther hadden zich veel intensiever met de eredienst bezig gehouden dan uit de overgeleverde formulieren bleek. Datzelfde gold voor de nalatenschap van de eerste Nederlandse kerken, vooral vluchtelingengemeenten, die grote schatten bleek te bevatten. Al spoedig, nog tijdens het interbellum, ging de liturgische beweging achter de grens van de Reformatie terug naar de vroeg-christelijke gemeente. Zij werd zich bewust van het feit, dat Rome en Reformatie deze gezamenlijke wortel hadden. Liturgische en oecumenische beweging hebben elkaar zo wederzijds bevrucht. De liturgische bewoordingen mochten dan nog uiteenlopen, een oecumenische structuur moest tot de mogelijkheden behoren.

Positief
Bekijken we de nieuwe proeve vanuit het oogpunt van de aanbidding, dan kunnen we vaststellen, dat deze grondhouding de sfeer van het aangeboden materiaal bepaalt. Het lerende element is tot een minimum teruggebracht, ten gunste van het vierende. Het krijgt vooral zijn plek in de preek, maar zij is slechts een onderdeel van het grotere geheel van de eredienst. De liturgie en haar orde vragen natuurlijk om uitleg. Die zal echter niet in de dienst zelf moeten plaats vinden, maar vooraf in het kerkblad, of op een toerustingsavond. Geen 'gebabbel' in de dienst zelf.
De proeve gaat in meer dan een opzicht uit van een actieve gemeente, het tweede kenmerk van de liturgische beweging. Alleen al de uitgave van een dienstboek vergroot de mogelijke inbreng van de gemeente. Een voorbereidingsgroep kan sámen met de predikant uit het rijke aanbod de bouwstenen voor een dienst kiezen. Zij is nu veel minder afhankelijk van hetgeen de voorganger en een enkele deskundige liefhebber aandragen. Een helaas enigszins verscholen opgenomen, maar meer dan honderd pagina's tellende toelichting vergroot de deskundigheid van eenieder die er meer van wil weten. Maar ook in de dienst is door middel van responsies op alle mogelijke momenten gerekend op het actieve aandeel van de gemeente. Niet toevallig is de opname van een hoofdstuk 'De gemeente viert' in de toelichting. Daarin staan de mogelijkheden voor deelname nog eens netjes op een rijtje.
De samenstellers hebben evenals degenen die hen inspireerden, gekozen voor een oecumenische structuur in de orde van dienst. Alles is samengebracht in één orde, een dienst van Schrift en Tafel. Afgezien van de getijdendiensten, die een hoofdstuk apart vormen, is al het andere daarvan afgeleid. Ook wie kiest voor een klassiekere viering van het avondmaal, met een onderwijzend formulier, blijkt binnen het patroon van de ene orde te kunnen blijven. Alle nadruk ligt op wat verbindt, niet op wat scheidt. Dat is winst in een kerkverband, waarin de verscheidenheid groot is.

Kritisch
Met alle waardering voor de nu gepresenteerde proeve zijn er ook vragen te stellen bij de gemaakte keuzes. Ik beperk me tot enkele van de belangrijkste.
Onder invloed van onder meer het methodisme geven evangelische kringen een eigen invulling aan het begrip aanbidding. Ook in de SOW-kerken zijn lofprijzings- of praise-diensten in opkomst, die een eigen patroon en taalveld hebben. Daarvan is in de proeve zo goed als niets terug te vinden. Dit raakt ook de problematiek van het taalgebruik in de eredienst. Ik vermoed dat de discussie over dit thema naar aanleiding van de nieuwe proeve opnieuw zal oplaaien. In de veelheid van materiaal worden prachtige, poëtisch-literair verantwoorde en ook zeer aansprekende teksten gevonden. Woorden die het op den duur willen houden, moeten een geheim bevatten, anders zijn ze binnen de kortste keren versleten. Maar zou toch ook niet wat meer tegemoet gekomen kunnen worden aan de legitieme wens van een wat directer taalgebruik? Het argument dat een dienstboek enige duurzaamheid dient te bezitten, vind ik niet zo sterk. Gelet op de snelle ontwikkelingen in het huidig tijdsgewricht verwacht ik niet, dat welk dienstboek dan ook het op dit moment tientallen jaren zal uithouden.

De proeve biedt veel, bijna alles. Ik stelde al, dat dit de betrokkenheid van de gemeente kan verhogen. De keerzijde van de veelheid is echter de complexiteit van de materie. Zal de gewone kerkganger in dit dikke, niet altijd even overzichtelijke boek nog wel zijn weg vinden? Het gevaar van vervreemding ligt op de loer. Daar valt met deskundige instructie natuurlijk best het nodige aan te doen. Maar zal een breder, in doorsnee minder geďnteresseerd publiek kennis maken met deze uitgave? Een samenvatting met de meest gangbare orden en gebeden in een soort van katern zou in dit verband dienstig kunnen zijn. Misschien kunnen kerkeraden en liturgiecommissies daar met behulp van de proeve(n) plaatselijk mee komen.
Een derde opmerking wil ik maken bij het oecumenisch karakter van de proeven. Dit overheerst in structuur en inhoud. Terecht, velen in de SOW-kerken kijken met nieuwsgierigheid over de eigen kerkgrenzen heen. Toch vraag ik me af, wat nu het eigene van het dienstboek gaat worden. Sluit het aan bij de identiteit van de deelnemende kerken en hun gemeenten? Of moet het dienstboek juist identiteitsvormend worden? Dan mag nog wel eens kritisch gekeken worden, of de kerken zich wel kunnen vinden in de spiritualiteit van de proeven. Verder is mijn indruk, dat het gereformeerde erfgoed minimaal vertegenwoordigd is. Verdient de eigen traditie niet wat meer aandacht? En is dit het gewenste signaal naar een niet onbelangrijke stroming in de SOW-kerken?

Dienstboek. Een proeve. Schrift Maaltijd Gebed, Zoetermeer 1998 (ISBN 90 239 0378), VIII + 1288 blz. Kosten: ¦ 37,50.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 46 (1998), nr. 46 (13 november).