Schat aan liturgisch materiaal is moeilijk toegankelijk

ZONDAGMORGEN VOLGENS HET DIENSTBOEK

We hebben de proeve met een kleine 1300 bladzijden een eerste keer doorgebladerd. Duidelijk is dan al wel, dat hier een schat aan liturgisch materiaal opgeslagen ligt. In een uitvoerige toelichting wordt uiteengezet hoe de orden en teksten gebruikt kunnen worden. Maar hoe werkt het nu in de praktijk? Laten we ons eens voorstellen, dat we vanuit een blanco situatie een zondagmorgendienst moeten voorbereiden voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Wat komen we dan zoal tegen?

Eerste verkenning
Wie de proeve openslaat komt na enkele inleidende bladzijden eerst het zogenaamde 'tijdeigen', ofwel 'proprium' tegen. Hier staan per zondag een aantal karakteristieke en daarmee sfeerbepalende gegevens bij elkaar: enkele gebeden, lezingen en liederen, onderscheiden naar verschillende tradities. We zouden met de Luthersen voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar kunnen kiezen voor psalm 50 als introďtus, de eerste psalm. In het veel gebruikte gemeenschappelijk leesrooster (jaar C) zijn de lezingen: Maleachi 4: 1-6 (met als antwoordpsalm 46), Openbaring 3: 7b-12, Lucas 21: 5-19. Maar de gegevens voor deze zondag zijn niet zo makkelijk te vinden. Zoals in een klassiek rooms-katholiek missaal is de reeks zon- en feestdagen na de paaswake onderbroken door de orde(n) van dienst. Op zich een mooie gedachte: alle zondagsliturgie ontspringt aan het feest van de opstanding. Daar klopt het hart van de kerk en haar eredienst. Toch vraag ik me af, of het niet logischer en praktischer zou zijn geweest de orden voorop te laten gaan. Daarop had dan het proprium kunnen volgen, met aanwijzingen voor de invulling van de orden. De toelichting begint overigens wél met de orden.
We gaan verder met een orde, waarbinnen de gegevens van de laatste zondag een plaats kunnen krijgen. Er zijn vier mogelijkheden: een dienst van Schrift en Maaltijd, een dienst zonder de Maaltijd, een leerdienst en een samenkomst van de huisgemeente. Dicht bij de laatste ligt ook de gebeds- of getijdedienst. Hij wordt echter niet als mogelijkheid genoemd. Omdat hij in het tweede deel van de proeve aan bod komt, laten we hem hier maar buiten beschouwing. Datzelfde geldt voor de leerdienst - dat is meer iets voor de middag of avond - en de samenkomst van de huisgemeente - we komen met de hele gemeente samen. De eerste twee orden zijn afgezien van het gedeelte voor de Maaltijd vrijwel identiek. Omwille van de overzichtelijkheid zijn ze echter apart opgenomen. Aan de orden gaat echter nog iets vooraf, de opgang, ofwel de voorbereiding op de eredienst. In deze rubriek is zowel een persoonlijk voorbereidingsgebed als een consistoriegebed opgenomen. Elders zijn voor elk ook nog zo'n tien varianten opgenomen. Zeker de beginnende ouderling van dienst zal de samenstellers hiervoor dankbaar zijn.

Een gewone dienst
Wij kiezen dit keer voor orde II, 'De heilige Schrift, gebeden en gaven'. De intrede, voorheen ook vaak voorbereiding genoemd, kan via twee sporen verlopen. Het eerste draagt met kyrie en gloria een oecumenisch karakter. Het tweede lijkt op het klassiek gereformeerde in ons land met als kenmerk de tien geboden. Tot nog niet eens zo heel lang geleden werd de wet aan het begin van de dienst voorgehouden, als kenbron der ellende. Nieuwe inzichten leidden tot de beslissing de tien geboden ná een verootmoedigingsgebed en de genadeverkondiging te lezen, als regel der dankbaarheid. Die functie heeft de wet ook in de nieuwe proeve: 'lofverheffing, de tien woorden'. Lofverheffing ligt dicht aan tegen het gloria in de oecumenische variant. Met tien woorden is gekozen voor een steeds gangbaarder wordende benaming. Ze komt meer overeen met de bijbelse teksten en is inhoudelijk verantwoorder. Het gaat namelijk niet alleen om geboden, maar ook om verboden, die bovendien alle ook het karakter van een belofte hebben. Als we de voorkeur geven aan de vertrouwde lezing van de tien woorden, dan hoeven we overigens nog iet alles bij het oude te houden. De wet kan gewoon gelezen worden, maar in de hoofdtekst is een variant van de tien woorden opgenomen, waarin de gemeente geregeld antwoordt met 'Geprezen zijt Gij in eeuwigheid'. Elders zijn alternatieven te vinden, onder meer enkele waarin de tekst door het antwoord van de gemeente het karakter van een smeking krijgt. Bijvoorbeeld: 'Verlos ons, Heer, en wijs ons de weg'. Maar ook kan de wet gezongen worden. De proeve biedt een keur aan mogelijkheden. Verder is variatie denkbaar in de plaats van de wet, namelijk als geloofsbelijdenis, en bij de heenzending. De proeve levert de tekst. Die is kort en bondig, zoals vooral bij de heenzending verwacht mag worden. Met al deze variatie krijgt een oud calvinistisch liturgisch karakteristiek nieuwe kansen. De tijd moet leren, of het, en zo ja, wat aanslaat.

Complex
Het is echter niet zo simpel al deze mogelijkheden helder op een rijtje te krijgen. Het aantal verwijzingen in de orde is namelijk beperkt, de inhoudsopgave - makkelijk te verwarren met de voorafgaande verantwoording van teksten - matig bruikbaar. In de orde staat aan het slot van de tien woorden: 'varianten: Tien Woorden 1-4'. In het inhoudsoverzicht op de laatste bladzijden van de proeve staat inderdaad 'De Tien Woorden', maar de eerste keer valt dit onder de rubriek 'Liturgische Gezangen': acclamaties en gezongen versies. Zes (!) bladzijden verderop staan pas de gewone tekstvarianten aangeduid. Dan ineens valt op, dat de tien woorden ook als geloofsbelijdenis of bij de heenzending gebruikt kan worden. Wie daar wat meer over wil lezen, heeft de toelichting nodig. Terwijl vele gebedsteksten van soms maar enkele zinnen in de inhoudsopgave apart staan opgesomd, zijn voor de toelichting met meer dan 100 pagina's tekst slechts enkele regels gereserveerd. Met enig bladeren vindt de geďnteresseerde lezer dan wel de gezochte passages over de tien woorden. Het vraagt echter doorzettingsvermogen, vooral waar de plaats in de liturgie een andere is als gebruikelijk: als belijdenis, of voor de zegen. Deze mogelijkheden staan overigens weer niet in de orden zelf vermeld. Dat is een begrijpelijke keuze om het geheel enigszins overzichtelijk te houden. De inhoudsopgave is helaas onevenwichtig. Ze had enerzijds aan overzicht gewonnen door zekere beperkingen. Anderzijds zou de bruikbaarheid van de proeve als geheel zijn vergroot door vooral met betrekking tot de toelichting uitvoeriger te zijn.

Het vervolg van orde II biedt niet veel echte vernieuwingen, of het moet de variabele plaats van de groet zijn. Als de predikant al bij de intrede voorgaat spreekt hij hem dan uit, anders vóór het gebed van de (zon)dag. Ook in de orde zelf wordt hiermee duidelijk de mogelijkheid opengehouden, dat een ambtsdrager of gemeentelid het begin van de dienst doet. Ruimte blijkt op een andere manier ook in het directe vervolg. De rubriek heet wel 'gebed van de dag' (met eventueel de in het tijdeigen opgenomen tekst), in de gecursiveerde aanwijzing is het alternatief 'of het gebed om verlichting van de Heilige Geest'. De toelichting karakteriseert beide soorten gebeden en schetst hun structuur, hetgeen stimuleert om al dan niet met voorbeelden uit de proeve zelf gebedsteksten te schrijven. Ruimte is er ook bij de Schriftlezingen, waar het gebruik van een leesrooster kán, maar geenszins automatisch voorondersteld wordt. Wie dit jaar de laatste zondagen met Kind op Zondag meeleest en dus weinig kan met sommige gegevens uit het proprium, kan ter afsluiting van het kerkelijk jaar dit keer dus rustig I Corinthe 15: 50 - 58 als uitgangspunt nemen. Na de preek kan gekozen worden uit de geloofsbelijdenis (Nicea) of een lied. Vreemd vind ik hier, dat elke verwijzing ontbreekt. De toelichting helpt wel wat verder, maar alleen wie beter bekend is, weet dat hij voor een gezongen geloofsbelijdenis bij de liturgische gezangen op verschillende plaatsen moet zoeken: bij de zogenaamde ordinaria én onder 'geloofsbelijdenis'. Een uitleg over het verschijnsel ordinarium heb ik niet gevonden, maar misschien heb ik erover heen gelezen.
Aan het slot van de dienst is de hoofdlijn in veel kerken tegenwoordig gebruikelijk: gebeden, collecte, slotlied en zegen. Volgens de gecursiveerde toelichtende tekst in de orde kan het ook andersom: eerst collecte en daarna gebed over de gaven, overige gebeden; eerst zegen en dan slotlied. Volledigheidshalve moet het er wel allemaal instaan, maar was het hier niet verkieslijker geweest één lijn te trekken en in de grote toelichting enkele overwegingen en mogelijkheden aan te reiken om het eventueel anders te doen? Zoals bij de tien woorden. Het is de vraag, in hoeverre in de orde zélf nog sprake is van eenheid. Zeer instructief vind ik opnieuw de toelichting, vooral waar het de voorbeden betreft. Wie zich wil bezinnen op hun inhoud en vormgeving, kan met het gebodene direct aan de slag.
Wie de orde van zijn keuze heeft doorgenomen, zal veelal ontdekken dat er doorgaans niet veel hoeft te veranderen aan hetgeen hij gewend is. Maar het kán wel. Ook degene die het traditioneler wil houden kan de suggesties in de proeve gebruiken om de oude gebruiken op te frissen. De proeve heeft daardoor een brede groep in de kerk iets te bieden. Tegelijk is al dat moois moeilijk toegankelijk, ondanks interne verwijzingen, toelichting en inhoudsopgave. Geplande toerustingsbijeenkomsten zullen dat slechts ten dele kunnen verhelpen. Slechts een selecte groep zal de geheimen van deze proeve leren kennen.

Dit artikel is als tweede in een reeks over Dienstboek, een proeve gepubliceerd in Centraal Weekblad 46 (1998), nr. 47 (20 november).