Groot aanbod aan vormen en woorden voor huis- en getijdedienst

HET GEBED VOLGENS HET DIENSTBOEK

De dienst van Schrift en Maaltijd gaan in de jongst verschenen gecombineerde proeve 4/5 van het dienstboek voorop. Achterin bevindt zich proeve 5, die de titel Het dagelijks gebed. Getijden en huisdiensten draagt. Ze staat zo achterin wat verscholen. En ook de omvang is met nog geen 250 bladzijden lang niet die van het deel over Schrift en Maaltijd. Getijden en huisdiensten nemen tot op de dag van vandaag liturgisch een bescheiden plaats in. In de gereformeerde traditie is aan de liturgie van het dagelijks gebed nauwelijks aandacht besteed. Er bestond wel degelijk iets als een huisdienst met lezing uit de bijbel, gebed en geestelijke liederen, maar liturgisch had dit geen plaats. Het hoorde primair bij het persoonlijk geloofsleven, bij wat wij nu de persoonlijke spiritualiteit zouden noemen. Elk richtte de huisdienst op eigen wijze in. Op zijn best waren er wat praktische tips. De theologische discussies gingen over de zondagse eredienst, over de inhoud en inrichting van de preek, over de opvattingen aangaande doop en avondmaal. Historisch en dogmatisch gezien is dat allemaal best te begrijpen. Geheel te rechtvaardigen is het niet. De huisdienst als liturgie in het klein draagt de liturgie in het groot, de eredienst op zon- en feestdagen. Met de huisdiensten hebben we nog maar een gestalte van het dagelijks gebed te pakken. Een tweede is die van de getijdediensten. Dit zijn gebedsdiensten op verschillende momenten van de dag. Al in de vroege kerk vinden we ze in de vroege morgen, op de middag en aan het begin van de avond. Als het christendom bredere erkenning krijgt, beperken de getijden zich hoe langer hoe meer tot de geestelijkheid, in het bijzonder tot de kloosters. In de Reformatie zijn nog wel pogingen ondernomen ze geschikt te maken voor de gehele gemeente, maar die zijn grotendeels mislukt. Vervolgens is het een sprong van vele eeuwen. In ons taalgebied heeft in de jaren zeventig vooral het avondgebed grotere bekendheid gekregen door de televisievespers. Katernen en het gemeenteboekje Onze Hulp bevatten orden voor morgen- en avondgebed. In verreweg de meeste gevallen werden deze echter op zon- en feestdagen gebruikt, bijvoorbeeld voor de avonddiensten in de Advent of de (morgen)dienst op Hemelvaartsdag. Zeker in het begin is het voor kerkgangers wennen geweest. Een gebedsdienst leek vooral op een verkorte kerkdienst, te meer daar de meditatie of Schriftuitleg doorgaans veel weg had van een preek. Het specifieke gebedskarakter kwam meestal nauwelijks tot zijn recht. Ik heb de indruk, dat voorgangers en voorbereidingsgroepen al te klakkeloos de aangeboden orden volgden en zich te weinig rekenschap gaven van het eigene van een gebedsdienst. Alleen de titel van de proeve, Het dŠgelijks gebed, geeft al aan, dat dit type dienst geen uitsluitende binding met de zondag heeft. Het is bedoeld voor ŗlle dagen. Tussen huisdienst en getijdedienst wordt geen onderscheid meer gemaakt. Voor beide worden in principe dezelfde orden aangereikt, met varianten voor persoonlijk gebruik, het openen en sluiten van vergaderingen. Ook die laatstgenoemde momenten kunnen nu een verantwoorde liturgische gestalte krijgen.

Verstilling
Laten we Het dagelijks gebed eens nader bekijken. Het hart wordt natuurlijk gevormd door de orden met de bijbehorende (voorbeeld)teksten. Daaraan vooraf gaat een 'Leeswijzer', daarop volgen 'Oefeningen voor inkeer en verstillen' en 'Uitgangspunten en toelichting'. In het deel betreffende proeve 4, over Schrift en Maaltijd, liet de overzichtelijkheid te wensen over. Dat is hier eveneens het geval. De onderdelen op zich zijn duidelijk en hebben elk hun waarde, over de onderlinge samenhang is onvoldoende nagedacht. Dat zal gevolgen hebben voor het gebruik. Anders dan proeve 4, wordt Het dagelijks gebed weliswaar toegankelijk gemaakt door een 'Leeswijzer'. In de eerste regels wordt bijvoorbeeld direct uitgelegd, wat het verschil is tussen huis- en getijdediensten, maar ook dat voor beide dezelfde orden worden voorgelegd. Wat betreft de orden en teksten weten we na lezing in grote lijnen direct waar we aan toe zijn. Maar een verwijzing naar de hoofdstukjes 'Oefeningen voor inkeer en verstillen' en 'Uitgangspunten en toelichting' komen we hooguit een enkele keer tegen. Dat is vooral jammer voor de 'Oefeningen'. De hier gegeven aanwijzingen mogen dan 'willekeurig' heten, ze zullen voor velen welkome suggesties bevatten. Ze hadden eigenlijk best wat meer nadruk mogen krijgen door aan het begin, in de 'Leeswijzer', opgenomen te worden. Daar wordt eveneens over (andere) praktische zaken als ruimte, lichaamshouding en zingen gesproken. Een zekere mate van verstilling lijkt me voor de gebedsdiensten niet alleen een praktische noodzaak, maar is ook principieel te onderbouwen. Hoe zouden we zonder stilte en verstilling ontvankelijk worden voor de stem van God?

Traditie
De orde van de aangeboden getijdediensten is sterk geŽnt op die van de westelijke traditie. De opstellers zijn zich daarvan bewust. Hun keuze lijkt me goed te verdedigen. Waarom zouden we iets veranderen, dat in de loop van vele eeuwen zijn waarde bewezen heeft? Toch kan hier en daar ook de vraag gesteld worden: waarom niet anders? Meer dan eens worden in de 'Leeswijzer' en de toelichting termen gebezigd als 'vroeg-christelijk', 'vanouds' en 'van oudsher'. Hoewel de geboden ruimte in het gebruik van de teksten veelal royaal is, kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat aan de ouderdom autoriteit ontleend wordt. Moet bijvoorbeeld bij het zogenaamde canticum altijd een bijbelse lofzang gezongen worden, of mag het ook een ander loflied zijn?

Basisstructuur
De twaalf aangeboden orden hebben alle dezelfde basisstructuur:
- stilte
- openingsvers
- lofprijzing
- [schuldbelijdenis, in de dagsluiting (completen)]
- lied
- psalm
- [korte inleiding op de lezing]
- lezing
- moment van inkeer en verstilling
- [bijbels loflied (canticum), in morgen- en avondgebed, in de dagsluiting]
- gebeden, inclusief zegenbede
Voor de orde als zodanig maakt het dus nauwelijks uit, of welk moment van de dag ze gebruikt wordt. De verschillen ontstaan door de invulling, bijvoorbeeld in de keuze van het lied en de psalm. Wat het lied betreft geeft het Liedboek voor de kerken al een aardige keuze aan morgen- en avondliederen. Verder wordt in de 'Leeswijzer' gewezen op alternatieven in de bundel Zingend Geloven. Ook is het denkbaar de sfeer van het lied meer te laten bepalen door de tijd van het kerkelijk jaar. Overigens kan de gebruiker in veel gevallen aangereikte roosters hanteren. Wie het psalmrooster volgt en dagelijks drie maal een getijdedienst houdt, brengt in zeven weken het hele psalmboek tot klinken. Met het lezingenrooster neemt de gelovige bij eenzelfde frequentie in twee jaar vrijwel de gehele bijbel door. Voor de gebeden kan natuurlijk de spontane vorm gebruikt worden, maar ook kunnen voorganger of liturgiecommissie bij een reeks van voorbeeldteksten terecht. Deze kunnen eveneens ondersteunend en inspirerend werken bij een meer spontane vorm, die op den duur niet zelden sporen van sleur en slijtage vertoont. Wie heeft er wel eens aan gedacht gebeden te laten bepalen door de kleur van de weekdag? In het zondagse gebed klinkt dan iets door van het licht dat op de eerste scheppingsdag tot aanzijn wordt opgeroepen. Op vrijdag worden dan de sferen van het lijden en de duisternis geraakt. En zo zijn er meer mogelijkheden denkbaar. De proeve heeft de meeste op een rijtje staan.

Zingen
De verschillen tussen de orden voor een (soort van) gemeenteviering en die voor persoonlijk gebruik zijn klein. De eerste zijn iets uitgebreider en er is muzikaal meer aan te beleven. Toch kan ik me voorstellen, dat het eenvoudiger tweede type heel goed in een grotere kring gevolgd wordt. En omgekeerd, vooral voor de gelovige die van zingen houdt. Wat dat zingen betreft zal menigeen trouwens in proeve 5 een voor hem of haar vrijwel onbekende praktijk aantreffen: die van het recitatief zingen van de psalmen en de bijbelse lofzangen. Om dat goed en stijlvol te laten verlopen zal voor de ongeoefende nog wel heel wat inspanning vereist zijn. Pas als het ontspannen gaat, zal blijken dat deze manier van zingen verstillend werkt en in de gebedsdiensten een toegevoegde waarde heeft. Voor grotere groepen is het recitatief zingen ongeschikt.

In een vorige bijdrage heb ik de vrees geuit, dat Schrift Maaltijd Gebed slechts in handen zal komen van een selecte groep in de SOW-kerken. Zeker wat betreft het laatste deel hoop ik, dat een breder publiek er kennis van kan nemen en er in thuis zal raken. Het dagelijks gebed kan door een groot aanbod aan vormen en woorden de persoonlijke omgang met God stimuleren. Toegegeven dat dat niet zonder studie en oefening gaat. Maar dat is met alle nieuwe dingen zo, in de kerk net zo goed als elders. Hoewel een kritische omgang ook met proeve 5 noodzakelijk is, behoort deze afgezien van de sterk historiserende toelichting mijns inziens tot het betere wat het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst tot op heden gepubliceerd heeft.

Dit is het laatste artikel in een serie over de laatst verschenen proeve voor het nieuwe Dienstboek.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 47 (1999), nr. 3 (22 januari).