RITUEEL BESTEK: EEN ANTROPOLOGISCHE BENADERING VAN DE LITURGIE

Ritueel bestek Op 14 september 1957 schreef een van de toenmalige redacteuren, prof. K. Dijk, in dit blad een hoofdartikel onder de kop ‘Korte preek en korte dienst?’. Centraal Weekblad richtte zich toen nog uitsluitend op de Gereformeerde Kerken. Ook daar groeide de steun voor de ‘moderne’ opvatting dat een kerkdienst niet langer dan één uur mocht duren en het amen van de preek binnen een half uur moest klinken. Dijks kritiek betrof niet alleen de lengte van de preek, maar ook de inhoud. Hij moest niets hebben van ‘korte preekjes’die één enkele gedachte uit de tekst “uitlichten”, en in een sensationele vorm vertolken (heel graag met ’n paar verhaaltjes geïllustreerd en enkele pikante actualiteiten pittig gemaakt)’. Om zijn bezwaren kracht bij te zetten verhaalt Dijk van een ervaring in de ‘Münster’, de kathedraal van Bern. Daar had hij een maand eerder de begaafde pastor loci, Walther Lüthi, meer dan drie kwartier horen preken over een heel bijbelhoofdstuk, zónder gewilde verhaaltjes en krantenverslagen. De aanwezige gemeente was gemêleerd van samenstelling, maar had ademloos geluisterd. Achteraf kunnen we makkelijk stellen, dat Dijk een behoudend man was, die na zijn emeritaat in Kampen nog steeds op gezag kon rekenen, maar ook duidelijk op zijn retour was. Tegelijk vind ik dit een prachtig voorbeeld, om te illustreren dat de preek een ritueel is. Meestal denken wij bij ritueel aan alles in de liturgie, behalve de preek. Toch heeft de preek tal van rituele aspecten. Prof. G. Immink, hoogleraar praktische theologie in Utrecht, laat dat zien in zijn bijdrage ‘Preken’ in de bundel Ritueel bestek. Antropologische kernwoorden van de liturgie. Ik citeer enkele zinnen: ‘Met de aanhef, bijvoorbeeld “gemeente van Jezus Christus”, wordt het gehoor op een treffende en herkenbare manier geconstitueerd. Het rituele karakter komt niet alleen aan het begin en bij het slot naar voren, maar ook in de structuur van de preek en in de herkenbaarheid van de woorden en zinsneden. Het geijkte patroon, de herhaling van een vaste woordenschat, de vertrouwdheid van de stem van de voorganger, de terugkerende retorische vragen, het zijn allemaal onderdelen van een wekelijks terugkerende rite.’ Wie zo kijkt naar Dijks tirade, beseft dat een belangrijk deel van diens moeite gelegen is in een verandering van het ritueel dat wij preken noemen. Prof. M. Barnard, hoogleraar liturgiek, geeft ons in het hoofdstuk ‘Dynamiek van cultus en cultuur’ van de bundel inzicht in de verhouding tussen ritueel en culturele context. Op basis daarvan durf ik de stelling wel aan, dat de door Dijk gesignaleerde veranderingen in het preken niet los gezien kunnen worden van de veranderingen die zich na de tweede wereldoorlog in de Gereformeerde Kerken begonnen te voltrekken. Barnard onderscheidt met de antropoloog R. Rappaport vier dimensies in de rituele verandering. De eerste dimensie is die van de ‘Ultimate sacred postulates’, de hoogste en heiligste formuleringen. In de christelijke kerk behoren de geloofsbelijdenissen daartoe. Ze zijn vrijwel onveranderlijk. De vierde en meest veranderlijke dimensie is die van de factoren van buitenaf: ‘Binnen de liturgische orde van synagoge en kerk kunnen we denken aan gebeden en de preek die in hoge mate actueel en wisselend zijn. De contemporaine sociale, psychische en fysieke omstandigheden van de spelers in het rituele spel en van hun omgeving zijn belangrijke factoren die dit niveau bepalen.’ Vertaald naar de Gereformeerde Kerken in de jaren vijftig: met de opening naar de omringende cultuur en de daarmee gepaard gaande verminderde aandacht voor de eigen cultuur moest ook de gestalte van de prediking wel veranderen.

Met dit voorbeeld wil ik aangeven welk gereedschap Ritueel bestek ons aanreikt en hoe we het zouden kunnen hanteren. De bundel onderscheidt vier themavelden: A) Symbolische orde, B) Dimensies, C) Spelvormen, D) Typen van heilig spel. De kring wordt steeds ruimer getrokken. Aan het slot is nog een deel ingeruimd voor E) ‘Et cetera …’: enige thema’s. Bij het eerste themaveld komen we de basisbegrippen tegen, onder meer in het al genoemde hoofdstuk van Barnard. Onder de dimensies vallen achtereenvolgens tijd, ruimte en mensen. Tot de spelvormen behoren hoofdstukken over bewegen, zien, spreken en horen, musiceren en luisteren, en zwijgen. Bij typen van heilig spel komen we onder meer, feest, bidden, offeren en het al aangehaalde preken tegen. Elk hoofdstuk bestaat uit twee componenten, een inleidend en een exemplarisch deel. In het hoofdstuk preken wordt als voorbeeld een preek gegeven. Helaas ontbreekt een toelichting, waarom deze preek exemplarisch genoemd mag worden voor het fenomeen. Bij cultus en cultuur komt Barnard met ‘Een kerkdienst in een museum’, een experimentele viering op tweede paasdag 1998 in het Rotterdamse museum Boymans van Beuningen. Barnard beschrijft, hoe hier de ontmoeting plaatsvindt tussen een door traditie gevormde liturgie en hedendaagse kunstuitingen. Voor elk hoofdstuk van Ritueel bestek zijn een of twee kundige auteurs aangetrokken.

Ritueel bestek daagt uit om op een andere manier naar bijvoorbeeld onze liturgie te kijken. Lange tijd is de omgang met de liturgie bepaald door een historische invalshoek. Voor de een was de Reformatie het ijkpunt, voor een ander was dat de vroeg-christelijke kerk. Op beide lag de claim bijbels te zijn. Intussen zijn we er wel achter, dat historische argumenten nauwelijks te hanteren zijn. Aan welke periode denken we, als we het hebben over vroeg-christelijk? En waarom is de ene keer de tweede eeuw normerend en in een ander geval het jaar van de bekering van keizer Constantijn? Betekent teruggaan op de Reformatie dat de toen ontstane teksten ongewijzigd gebruikt moeten worden? In feite blijkt steeds weer, dat aan de oriëntatie op een bepaalde periode bepaalde inhoudelijke keuzes vooraf gaan. In eerste instantie helpt trouwens ook de antropologische methode uit Ritueel bestek niet bij het maken van deze keuzes. Het boek heeft een sterk beschrijvend karakter: duidelijk wordt, hoe het ‘werkt’ bij het liturgisch ritueel.

Toch gaan de auteurs soms verder. De intentie en impact van beeldende taal is een andere dan de definiërende taal van de dogmatiek, zo betoogt A. Govaart in het hoofdstuk ‘Spreken en horen’. Het dogmatisch taalveld staat voor hem op gespannen voet met het eigene van het ritueel en wordt daarom als ongeschikt voor het ritueel afgewezen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat dit te maken heeft met een inhoudelijk uitgangspunt. Bij een gebed uit de Rooms-Katholieke uitvaartliturgie constateert hij: ‘Het is taal die louter bedoeld is voor mensen die deze geloofswaarheden, op deze wijze geformuleerd kunnen beamen.’ Het stoort hem, dat dit gebed niet kan worden meegebeden ‘door twijfelende mensen, door verdrietige mensen, door wanhopige mensen, door opstandige mensen’. Daar kan ik me best iets bij voorstellen, maar vanuit een het gezichtspunt van het kerkelijk leergezag is het de vraag, hoeveel men zich bij het opstellen van gebeden gelegen wil laten liggen aan bijvoorbeeld ‘twijfelende mensen’. Elders krijgt, omgekeerd, de vorm nauwelijks kans. Immink verliest na één pagina fenomenologie de antropologie helemaal uit het oog in een sterk theologisch getint verhaal. De praktische consequenties die hij uiteindelijk trekt, hebben weinig meer te maken met de antropologie. De redacteuren van de bundel, de hoogleraren P. Post en M. Barnard, zijn zich bewust van het probleem van ‘de relatie tussen enerzijds de fenomenologische, antropologische en culturele contextuele basis van de christelijke riten en anderzijds de christelijke identiteit ervan.’ Al te snel concluderen ze echter: ‘Het gaat hier (…) om twee zeer uiteenlopende perspectieven!’ Wil de antropologische benadering voor de verdere ontwikkeling van de christelijke liturgie zin hebben, dan zullen ze echter wel nauw op elkaar betrokken dienen te worden. De antropologische benadering op zichzelf is niet waardevrij. Het boek wil weliswaar een eerste verkenning zijn, maar voor mijn gevoel houden de redacteuren op, waar het spannend wordt. Het probleem van prof. Dijk aan het begin van dit artikel kan uitstekend beschreven worden vanuit het perspectief van een veranderende kerkgemeenschap in de relatie tot de haar omringende cultuur. Vanuit de communicatiewetenschap hadden de vernieuwers een punt. Maar waar zij dachten vanuit de hoorders, redeneerde Dijk veel sterker vanuit de boodschap. Dat is terug te voeren op een verschil in theologische keuze.

Ritueel bestek daagt uit en roept vragen op. Dat hoort bij het relatief nieuwe terrein dat verkend wordt. Antropologie en theologie mogen uiteenlopende perspectieven genoemd worden, in Ritueel bestek zijn ze nog niet evenwichtig op elkaar betrokken. Hopelijk zal bij de verdere ontwikkeling van deze benadering daar meer aandacht aan worden geschonken. Het eigene van het christelijk geloof staat in deze tijd teveel onder druk om dat te veronachtzamen.

M. Barnard en P. Post (red.), Ritueel bestek. Antropologische kernwoorden van de liturgie (Zoetermeer 2001), 319 blz., ISBN 90 211 3796 8

Dit artikel verscheen in bewerkte vorm in Centraal Weekblad 49 (2001), nr. 45 (9 november).


© 2001, KWdJ