KLEDING VAN DE VOORGANGER IN DE EREDIENST: NIET OM HET EVEN

De komst van de toga Welke kleding draagt de voorganger in de protestantse eredienst en wat is daar uit af te leiden? Globaal zijn er in ons land drie mogelijkheden: zwarte toga, witte toga en 'in burger'. Vervolgens zijn er variaties en ik denk dan nog niet eens aan de verschillende modellen toga's. Zo zijn er predikanten die bij hun zwarte toga altijd de baret meenemen. Anderen hebben ervoor gekozen op hun zwarte toga stola's in de kleuren van het kerkelijk jaar te dragen. Die stola's worden altijd gebruikt bij de witte toga. Waarvoor de voorganger ook kiest, hij of zij maakt altijd een bepaalde indruk met die kleding. Zwart kan heel feestelijk zijn, maar heeft tegelijk ook iets sombers. Wit heeft iets vrolijks, maar roept ook associaties op met priesterschap en paus. Burgerkleding kan heel informeel zijn maar is in waardering sterk afhankelijk van persoonlijke smaak, zowel van degene die het draagt als van degene die ertegen aan moet kijken. Het zal niet verbazen, dat de kleding in de eredienst iets zegt over het kerkgenootschap en de ligging van de predikant. De zwarte toga is per traditie nog steeds dominant in de Nederlandse Hervormde Kerk, hoewel er zeker onder de oudere Gereformeerde predikanten veel zijn die haar dragen. De witte toga wordt in het algemeen gekozen door wat progressiever ingestelde voorgangers met een bijzondere interesse voor de liturgie. Voorgaan in gewone - zij het altijd ook 'nette' en daarmee zeker geen doordeweekse - kleding komt vooral voor in kringen met een uitgesproken laagkerkelijke ambtsvisie. Onder Gereformeerden heeft die lijn altijd bestaansrecht gehad en ook hedendaagse evangelicalen zijn ervan geporteerd. Het is dus bepaald niet om het even, hoe een predikant in de samenkomst der gemeente voorgaat.

In tegenstelling tot wat dikwijls gedacht wordt, heeft de zwarte toga in de protestantse kerken van ons land maar een korte geschiedenis. De Hervormde synode beval pas in 1854 het gebruik van toga (met witte bef en baret) aan. Ongeveer tien jaar eerder waren Remonstranten en Lutheranen de Hervormden daarin voorgegaan. Tot dan toe was het gebruikelijk in mantel en bef te preken, maar door verschillende omstandigheden verloren deze kledingstukken in de eerste helft van de 19e eeuw snel aan populariteit. M.J. Aalders beschrijft in zijn onlangs verschenen studie De komst van de toga precies hoe dat gebeurde. Hij maakt in zijn beschrijving duidelijk, dat bij invoering van de zwarte toga opmerkelijk genoeg liturgische en theologische argumenten zo goed als geen rol hebben gespeeld. De toga is in belangrijke mate een standsgewaad (geweest). De predikant onderscheidde zich van aansprekers bij begrafenissen en van voorgangers in afgescheiden kring, die mantel en bef nog wel droegen. Hij identificeerde zich met de klasse van juristen en hoogleraren, die zich bij de uitoefening van hun beroep ook in toga hulden.

Met Aalders' conclusie is natuurlijk niet gezegd, dat elke predikant zich bewust door dergelijke motieven liet of laat leiden. Tegenwoordig zal menigeen zich vooral voor de vraag gesteld zien, of hij of zij zich in een bepaalde traditie wil voegen. Overigens is ook de keuze voor een witte toga historisch belast. Ook in dit type gewaad onderscheidt de voorganger zich van de rest van de gemeente. Eeuwenlang is het gedragen door priesters die in een hiŽrarchische verhouding stonden tot zowel hun meerderen als hun parochiegemeenschap. Voorstanders van het gewone pak moeten zich verder nog maar eens afvragen, hoe gewoon hun kleding nu is. Onderscheiden ze zich niet net zo goed van andere kerkgangers? En als ze vergelijkbaar gekleed gaan, wat zegt dat dan over de verhouding van die kerkgangers tot de rest van de samenleving? Zijn zij doorsnee, of horen ze juist tot het establishment?

Aalders heeft een historische studie geschreven. Het aardige is echter, dat de lijnen zich door zijn aanpak heel makkelijk naar het heden door laten trekken. Het boek zet de lezer aan het denken over wat vandaag de dag in kerkelijke kleding geboden is.

M.J. Aalders, De komst van de toga. Een historisch onderzoek naar het verdwijnen van mantel en bef en de komst van de toga op Nederlandse kansels, 1796 - 1898 (Delft 2000); ISBN 90-5166-857-0, Ä 17,90.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 50 (2002), nr. 5 (1 februari).


© 2002, KWdJ