Van een kerkelijke naar een persoonlijke keuze

TRENDS IN TOGA’S

Bernard Poelman Maatkleding BV, Den Haag Binnen enkele tientallen jaren is niet alleen de kleding van de kerkgangers in de PKN veranderd, maar ook die van de predikanten. Het traditionele zwart heeft plaats gemaakt voor een bonte veelkleurigheid. Wat zit hier achter?

Enkele jaren geleden verscheen De komst van de toga. Predikant dr. M.J. Aalders schetst daarin de opkomst van de zwarte toga in de 19e eeuw. Hij plaatst zijn observaties in het kader van de betekenis die kleding heeft: ‘Kleding verschaft identiteit, veiligheid, herkenbaarheid, eventueel gezag en prestige. Ze maakt duidelijk wie iemand is, tot welke sociale klasse klasse hij behoort (of zou willen behoren), welke rangorde hij inneemt, welk beroep hij uitoefent. De kleding van de rooms-katholieke geestelijkheid is hiervan bij uitstek een kerkelijk voorbeeld.’ Door een scherpe analyse van de beschikbare gegevens komt Aalders tot de conclusie dat de komst van de zwarte toga alles te maken heeft met de veranderende positie van de predikant in de 19e eeuw. Die stond onder druk. Door de zwarte toga onderscheidden de hervormde, lutherse en remonstrantse predikanten zich nadrukkelijk van aansprekers bij begrafenissen en van voorgangers in afgescheiden kring. Die bleven zich kleden in het traditionele gewaad: mantel en bef, de toenmalige vorige mode van de burgerij. Tegelijk identificeerden de predikanten zich met de klasse van juristen en hoogleraren, die zich bij de uitoefening van hun beroep ook in toga hulden.
De conclusies die Aalders trekt zijn mijns inziens door te trekken naar de 20e eeuw. Predikanten in de Gereformeerde Kerken droegen doorgaans geen toga. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat binnen enkele decennia, hoewel een substantieel deel het burgerpak bleef prefereren. Toeval? Ik vermoed van niet. In Gereformeerde kringen was tot kort na de oorlog de preek vrijwel onaantastbaar. Ouderen kunnen nog vertellen dat kritiek op de preek hun op een reprimande van hun ouders kwam te staan. Maar in de jaren vijftig begonnen Gereformeerden kritische vragen te stellen bij het reformatorische adagium 'praedi­ca­tio verbi Dei verbum Dei est' (de prediking van het Woord van God is het Woord van God). Daarmee kwam de positie van de predikanten ter discussie te staan. Met de toga onderscheidden zij zich nadrukkelijker dan voorheen van hun medeambtsdragers en van de gemeente. Zij versterkten met dit gewaad hun academisch aureool en daarmee hun gezag. Zo boden zij onbewust tegenwicht aan de erosie waaraan hun belangrijkste geesteskind, de preek, onderhevig was.

Witte toga
Een volgende stap is de opkomst van de witte of crèmekleurige toga. Deze werd in het Nederlands protestantisme het eerst in de Hervormde Kerk geïntroduceerd, vermoedelijk ergens halverwege de jaren zestig. Het jaartal ligt dichtbij dat van het Tweede Vaticaans Concilie, waarin de vensters van de Rooms-Katholieke Kerk wijd open gingen. Omgekeerd groeide juist in deze tijd ook in protestantse kring de openheid voor wat er elders in de wereldkerk gaande was. Tot dan toe was de zwarte toga in de Hervormde Kerk nauwelijks een keuze, want welhaast vanzelfsprekend. De overgang van het klassieke zwart naar het oecumenisch wit werd onderbouwd met liturgische en theologische argumenten, al bleef de hoofdlijn dezelfde: de toga als accent van de eigen rol van de predikant in de eredienst, van de predikant als ‘tegenover’, als dienaar van het Woord. De keuze voor wit werd geassocieerd met begrippen als licht, vreugde, bruiloftskleed, doopkleed, priesterschap (!), reine en witte kleren, zuiverheid, Pasen, nieuw leven, en dergelijke. Het type argument verschilt met dat van de eerdere verschuivingen onder Hervormden en Gereformeerden. In de 19e eeuw ontleenden Hervormde de argumentatie voor de zwarte toga vooral aan dat wat bij de predikantenstand zou passen. In Gereformeerde kring verliep de metamorfose ruim een eeuw later vrijwel geruisloos. Inmiddels is de witte toga gemeengoed geworden in een deel van de Protestantse Kerk, in (voormalig) Gereformeerde kring deels ten koste van de zwarte toga en deels ten koste van de burgerkleding. Het is bij dit alles onduidelijk, welke impact de oorsprong van de witte toga heeft: een traditie die sterk gestempeld is door hiërarchisch denken.
Begin jaren zeventig ontstonden ook andere variaties op de zwarte toga. Sommige predikanten bleven de voorkeur geven aan zwart, maar gebruikten wel de bij een wit gewaad horende stola’s in de kleuren van het kerkelijk jaar. Anderen gaven de voorkeur aan het Amerikaanse V-hals-model: de bef verdween en maakte ruimte voor een V-vormige uitsparing die overhemd en stropdas liet zien. Zo kreeg de klassieke toga een eigentijdse snit. Als ik me niet vergis, kwam en komt dit vooral voor onder Gereformeerde predikanten. Verder verbreedde het kleurenpalet van de toga zich: bijvoorbeeld met grijs, omdat zwart zo zwart is en wit zo wit; of met een zandkleur, vanwege de associatie met de woestijn en de profetische stem die daar opklinkt. Van al deze kleuren geldt dat ze óf terug te vinden zijn in de kerkelijke, met name katholieke, traditie, óf daarmee nauw verwant zijn. Met andere woorden: het zijn variaties op een thema.

Persoonlijke keuze
Een onderzoek uit de tweede helft van de jaren tachtig geeft aan, dat in die tijd praktische en esthetische argumenten toenamen ten koste van meer principiële overwegingen. Dat heeft onder meer te maken met een gestage groei van het aantal vrouwen in het ambt. Kleding luistert bij hen nauwer dan bij mannen. De keuze voor zwart had in die tijd te maken met het verlangen niet op te vallen, serieus genomen te worden en gelijkwaardig te zijn aan doorgaans in het zwart gestoken mannelijke collega’s. Afwijking in kleur en model toga werd ingegeven door een gevoel van vrijheid: de rol van de predikant was voor vrouwen nog niet zo vast omschreven in dit traditionele mannenberoep. Gereformeerde predikanten die niet zoveel op hadden met specifieke ambtskleding kregen nog wel eens te maken met verwachtingen en wensen uit de gemeente, zeker als die Samen op Weg was. Hervormden hechtten aan de toga.
In het laatste decennium van de vorige eeuw heeft naar mijn idee nog een nieuwe trend ingezet. De kleurenvariatie neemt toe. Zo worden er toga’s gesignaleerd in bijvoorbeeld rood of blauw, los van een bepaalde kerkelijke traditie. Een predikant die voor de laatste kleur heeft gekozen vertelt hierover: ‘Toen ik een toga kocht vond ik de zwarte toga teveel de allure van de wetenschappelijke opleiding en de sfeer en het gezag van de rechterlijke macht uitstralen. Te weinig onderscheid. De witte toga is mij te wit want te priesterlijk en in verband met het priesterschap van alle gelovigen te veel onderscheidend. Grijs zag ik ook al niet wat in, teveel “ik wil geen wit en geen zwart”. Uiteindelijk heb ik gebruik makend van de kleervrijheid gekozen voor een donkerblauwe toga. Blauw als kleur van de hemel, die mij neerzet als dienaar des Woords.’ De argumentatie van deze voorganger draagt primair een persoonlijk karakter. Het past in een tijd, waarin het predikantsambt heel verschillend wordt ingevuld en de persoon van de predikant een belangrijk deel van het ambt moet dragen. Voor mijn gevoel wordt de vraag naar het waarom van een toga door een keuze als deze pregnanter. Uitleg is noodzakelijk, hetgeen de symboolwaarde van de toga als zodanig vermindert. Verder verzwakt de binding met een bepaalde kerkelijke traditie en daarmee ook de herkenbaarheid van de kerk als geheel. Ook dat weerspiegelt dit tijdsgewricht, waarin de contouren van het kerkprofiel veelal niet erg scherp zijn.

Tot besluit enkele kanttekeningen in vraagvorm bij de ontwikkelingen van de afgelopen decennia. Het is opmerkelijk dat predikanten in het brede midden van de kerk in het algemeen op gelijke voet met hun gemeenteleden omgaan, maar zich in de eredienst nadrukkelijk (blijven) onderscheiden. Is de eredienst de laatste plaats, waar ze hun specifieke, eigen rol vervullen en wordt het eigene op deze wijze onderstreept? Verder valt op, dat predikanten met de alles behalve zwarte toga een gewaad kiezen dat tegenwoordig exclusief kerkelijk is. De zwarte toga was dat als geleerdengewaad immers niet. Kan aan deze exclusieve kerkelijkheid nog een bepaalde betekenis worden gegeven? Het laatste woord is over de jongste ontwikkelingen nog niet gezegd. Trends in toga’s: wordt vervolgd.

Klaas-Willem de Jong.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 53 (2005), nr. 25 (24 juni).

http://www.kwdejong.info

© 2005, KWdJ