MEER DAN BURGERLIJKE TROOST

Geloven gaat verder De burgerlijke gemeente Utrecht organiseert een Troostdag voor nabestaanden van overledenen. Dat is opmerkelijk. Troost behoorde vanouds tot het domein van de kerk. Hoe moet de kerk op een dergelijk initiatief reageren?

De burgerlijke gemeente Utrecht organiseert op zaterdag 18 december op de gemeentelijke begraafplaats Daelwijck een Troostdag. Deze is bestemd voor een iedereen die een overledene wil herdenken. Er is van 11.00 tot 16.00 uur een afwisselend programma met liveoptredens, een rouwkunstmarkt, verwerkingsrituelen, enzovoort. Iedereen die dat wil wordt in de gelegenheid gesteld iets over een overledene te vertellen, zijn of haar naam te laten klinken, een CD-nummer te draaien of een passend gedicht voor te dragen. Tot het programma behoren verder ‘Bootjes van gedachten’, papieren bootjes om gedachten op te schrijven en op de vijver uit te laten varen. Maar bijvoorbeeld ook ‘Engelenpost’, een persoonlijke boodschap naar boven, en een workshop ‘Herinnering op keramiek’. Om 12.00 uur neemt burgemeester Aleid Wolfsen op symbolische wijze afscheid van alle inwoners van Utrecht die in 2010 zijn overleden.
Terwijl ik alles zo nog eens op een rijtje zet merk ik bij mezelf opnieuw een stijgende verbazing. Toch is dit geen grap. Het is echt. Behoort dit tot het takenpakket van de burgerlijke gemeente? Naar opvatting van de gemeente Utrecht blijkbaar wel. Op zich valt het te waarderen dat de burgerlijke gemeente ook aandacht heeft voor deze kant van het leven van haar inwoners. Terecht staat op de website boven de aankondiging van de dag: ‘De dood hoort bij het leven’. Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. Een substantieel deel van de Nederlandse bevolking herdenkt haar doden met eigen religieuze rituelen, bijvoorbeeld in de kerk. Zij zullen doorgaans geen behoefte hebben aan zo’n breed opgezette herdenkingsdag. Sterker nog, menigeen zal zich door de algemene, vaag-religieuze opzet buitengesloten voelen. Toch wordt er gemeenschapsgeld aan besteed. Daarnaast zijn er meer principiële vragen te stellen. De burgemeester annexeert de taak van de dominee en de priester. Hij gaat voor in het afscheid nemen. Hij doet dat op symbolische, rituele wijze. Namens wie of wat doet hij dat? Dit optreden valt strikt genomen buiten zijn bevoegdheden.

Protest
De organisatie van een Troostdag staat niet op zich. In Alphen a/d Rijn werd in 2008 begin november voor het eerst op de begraafplaats een ‘Lichtjesavond’ gehouden, om overledenen te gedenken. Dat was een particulier initiatief. Het zou me niet verbazen als ook elders vergelijkbare activiteiten bestaan, soms in het verlengde van bestaande plaatselijke gebruiken rond Allerzielen/Allerheiligen. Het is al langere tijd duidelijk dat de behoefte aan rituelen niet wezenlijk is afgenomen. Kerken weten met hun aanbod van rituelen echter steeds minder mensen aan te spreken. Onlangs meldde een kerkelijk werker over een uitvaart dat de aanwezigen vrijwel onbewogen naar ‘Blijf bij mij, Heer’ luisterden, terwijl diepe emoties geraakt werden door ‘Afscheid nemen bestaat niet’ van Marco Borsato. Daarom past in de reactie van de kerk op een initiatief als dit in de eerste plaats bescheidenheid. Natuurlijk zouden kerken tegen de Troostdag kunnen protesteren. Maar zij zullen ook dan het eigen onvermogen onder ogen moeten zien. Anders wordt het onwaarachtig.

Positieve actie
Een positieve actie is beter. Dat kan op verschillende manieren. Kerken kunnen, liefst gezamenlijk, kijken of ze op een of andere manier een aandeel kunnen hebben in het programma van een Troostdag. Het is daarbij de vraag of dat moet met een concrete activiteit. Iets als ‘Engelenpost’ hebben we niet. Een groep rouwverwerking verdraagt zich slecht met het incidentele karakter van de gelegenheid. Het meest voor de hand ligt de beschikbaarheid voor een gesprek. We weten maar al te goed dat omgaan met sterven en verlies maatwerk vergt. Daarnaast kan bijvoorbeeld het boekje ‘Rond de dood’ (een uitgave van de Protestantse Kerk en het tijdschrift Open Deur) worden neergelegd ‘om mee te nemen’. Het bevat literatuurverwijzingen. Aan het boekje kunnen contactgegevens ter plaatse worden toegevoegd.

Een andere vorm van positieve actie is een herbezinning op onze bestaande herdenkingsrituelen. Hoeveel ruimte kunnen en willen we bieden op bijvoorbeeld de zondag waarop de overledenen worden herdacht? Dat hangt mede af van hoe we kerk definiëren. Wie bedoelen wij met de gedachtenis van ‘allen die ons zijn voorgegaan’ (Dienstboek I, p. 929)? Zijn die ‘allen’ uitsluitend degenen die als lid van de kerk stonden ingeschreven? Dat zou kunnen betekenen dat wie ingeschreven stond maar op geen enkele wijze vorm gaf aan het lidmaatschap genoemd zou mogen worden. Maar wie niet in de registers (meer) voorkwam maar toch betrokkenheid bij geloof en kerk toonde, komt niet in aanmerking. Dat is veilig en overzichtelijk, maar formeel en ongewenst, zeker als we in de gedachtenis willen vieren vanuit de schare die niemand tellen kan. De grens mag wat mij betreft ruim liggen. Maar als iemand zelf tijdens zijn leven duidelijk heeft aangegeven zich verre van deze schare te willen houden, dan is het niet aan nabestaanden of ons om dat te ‘corrigeren’. Hoewel, ook dan. God alleen kent de harten van de mensen.

Alternatief
Maar misschien moeten kerken het wel vooral buiten de geijkte kaders zoeken. Ook kerken kunnen een vorm van gedachtenis op of bij een begraafplaats organiseren. Het begint alleen met ruimte bieden. Menigeen zal niet verder komen dan daar gebruik van te maken. Daarnaast hebben kerken in trouw aan hun opdracht de plicht de grenzen op te zoeken, vormen te onderzoeken waar het evangelie van Gods liefde mensen raken kan. Laten we niet te snel denken en zeggen dat wij daar onze eigen taal voor hebben. Neem nu het eerder genoemde ‘Afscheid nemen bestaat niet’ van Borsato. Alleen al de titel intrigeert me. In dit lied zitten volop aanknopingspunten om bruggen te slaan en – als dat kan – net iets meer te zeggen.
Een paar jaar geleden las ik iets in de trant van: ‘iedereen heeft er recht op te weten dat het Koninkrijk van God ook hem/haar nabij is’. Dat is zeker het geval voor mensen die verdriet hebben en troost goed kunnen gebruiken. De kerk mag hen niet in de kou laten staan.

Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 58 (2010), nr. 51 (17 december)



http://www.kwdejong.info

© 2010, KWdJ