Informatief boek over christelijke feesten en hun geschiedenis

HOUDEN WE EEN CHRISTELIJKE FEESTKALENDER?

Van feest naar feest, over de christelijke feesten - hun geschiedenis en betekenis Wie een willekeurige agenda opslaat, komt ze vrijwel allemaal tegen: de grote christelijke feesten. Hoewel Nederland inmiddels een sterk geseculariseerd land is, blijven deze feesten de kalender domineren. Tegelijk groeit de vraag naar de achtergrond en betekenis. Waarom vieren we ze eigenlijk?

Geregeld verschijnen onderzoeken in de krant naar de bekendheid van de Nederlandse bevolking met een bepaalde christelijke feestdag. De resultaten verbazen niet meer. Een groot deel van de Nederlanders kent de betekenis van de christelijke feesten niet. Toch hebben deze feesten een grote impact op de indeling en beleving van het jaar. Kerst, Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren leveren vrije dagen op. Sinterklaas gaat zelden stilletjes voorbij. De commercie doet haar best om Valentijnsdag te promoten en tot kopen aan te zetten. Dierendag wordt door de dierenliefhebbers in ons midden onder de aandacht gebracht. Ook deze laatste feesten hebben een christelijke achtergrond: ze zijn ontstaan vanuit de zogenaamde heiligenkalender. Sint Nicolaas herkennen we direct als zodanig. Valentijnsdag is genoemd naar de in de 3e eeuw als martelaar omgekomen bisschop Valentinus. In de kerk is zijn naam overigens inmiddels van de kalender geschrapt. Dierendag hebben we te danken aan de heilige Franciscus van Assisi, niet alleen bekend om zijn vertolking van het armoede-ideaal, maar ook om zijn bijzondere omgang met de dieren. Als ergens de christelijke achtergrond van onze cultuur blijkt, dan wel in de feesten die we vieren.

Breed lezerspubliek
Prof. van Leeuwen, remonstrants kerkelijk hoogleraar te Leiden, speelt met het recent uitgegeven Van feest naar feest in op deze ontwikkeling. Hij vertelt, zoals de ondertitel van het boek aangeeft Over de christelijke feesten – hun geschiedenis en betekenis. Een dergelijk boek zou men verwachten bij traditionele uitgevers op het protestantse erf, Kok, Boekencentrum of Ten Have. Het is echter Uitgeverij Balans. Deze heeft een vrij breed fonds met veel boeken op het terrein van geschiedenis en cultuur. Het geeft een progressieve indruk. Zo komen we Hans Visser tegen met Als ik God was in Rotterdam en VARA-presentator Paul Witteman met Hoor en wederhoor. Verder wordt Etty Hillesum er uitgegeven, net zo goed als biografieën van koningin Wilhelmina en van Colijn. Wie het wat elitair vindt: ook de bestsellers van Bill en Hillary Clinton zitten in het fonds. Ik sta hier even bij stil, omdat het van belang is voor het lezerspubliek dat prof. van Leeuwen wil bereiken. Dat is aanzienlijk breder dan de groep van kerkelijk georiënteerde lezers. Als ik de flaptekst goed interpreteer, dan zijn het zelfs eerst de anderen en dan pas christenen. De keuze voor deze doelgroep heeft zijn weerslag op het boek. Ook wie niet zo goed is ingevoerd in de christelijke traditie, kan het lezen. Het is zonder meer van niveau, maar de auteur neemt rustig de tijd om alles goed uit te leggen. Zo maakt hij bij Pasen duidelijk om welke gebeurtenissen het gaat, welke interpretaties daarbij mogelijk zijn en welke accenten in verschillende kerkelijke tradities worden gezet. Ook doet hij de Joodse achtergrond van Pasen, Pesach, netjes uit de doeken. Verder is in de methodiek van het boek rekening gehouden met de lezersdoelgroep. Prof. van Leeuwen begint breed met een algemene beschouwing over feesten en feestkalenders om vervolgens meer specifiek op de christelijke feesten in te gaan. Hierbij dient overigens wel te worden opgemerkt, dat in de moderne liturgiewetenschap deze antropologische benadering steeds meer opgeld doet. Bij dit alles ontdekte ik in de omslag van het boek een kleine knipoog naar de meer ingevoerde lezer: vissen van verschillende vorm en kleur. In een vooraf legt de auteur dit uit.

Stapje terug
Prof. van Leeuwen dwingt de gelovige lezer om even een stapje terug te doen. Als ons door willekeurig wie gevraagd zou worden, waarom we bijvoorbeeld Pasen vieren, dan beginnen we waarschijnlijk te vertellen over Jezus’ dood en opstanding, over de droefheid en de vreugde van Zijn discipelen. Zo wordt echter nog niet duidelijk, waarom we dat jaarlijks op een bepaalde dag vieren. We zouden kunnen wijzen op bepaalde Bijbelse gegevens – hoewel die wat betreft een opdracht om de specifiek christelijke feesten te vieren spaarzaam zijn. We zouden de traditie kunnen noemen. Maar ook dan blijft de vraag liggen, waarom mensen überhaupt een feest willen vieren. Van Leeuwen wijst er op, dat mensen met feesten ooit de steeds weer terugkerende gang van het jaar hebben willen verbinden met een hogere macht. Op een gegeven moment ontwikkelde zich naast deze cyclische beleving van de tijd een meer lineaire manier van kijken: ‘er is een lijn van het verleden via het heden naar de toekomst. Een godsdienst als het christendom gaat uit van zo’n lineair beeld van de tijd: die is een geschiedenis die zich ontvouwt tussen een begin en een einde of, in godsdienstige termen, tussen schepping en voleinding.’ Een derde functie van het feest ziet Van Leeuwen in de onderbreking van het alledaagse. Feesten stellen zich teweer tegen drie ervaringen die het leven bedreigen: routine, vergeefsheid en vluchtigheid. Samenvattend: feesten helpen de mens om greep te krijgen te houden op de wereld om hem heen.

Treffende observaties
Van feest tot feest heeft een sterk beschrijvend karakter. De lezer krijgt veel informatie. Geprononceerde standpunten en welgemeende adviezen blijven achterwege. Maar waar staat de auteur nu zelf? Ik proef iets van een persoonlijke inzet in de keuze om de kleur van de feesten mede te beschrijven aan de hand van liederen in het Liedboek voor de kerken. Dat duidt op liefde voor deze liederenschat. Verder komt Van Leeuwen zelf aan het woord in treffende observaties. Een voorbeeld. Na het exposé over feesten in het algemeen bezint Van Leeuwen zich op de zondag. In navolging van de joodse wijsgeer Franz Rosenzweig typeert hij dan de christelijke zondag als ‘feest van het begin’. De joodse sabbat legt het accent op de voltooiing. ‘De christen’, zo citeert Van Leeuwen Rosenzweig, ‘is een eeuwige beginner; het voltooien is niet zijn zaak’. Deze observatie zet aan tot een opnieuw kijken naar de christelijke kalender. De diverse feesten kunnen bezien worden vanuit het gezichtspunt van het nieuwe begin, elk met hun eigen kleur. In een kort hoofdstukje met de titel ‘Slotopmerking’ komt Van Leeuwen hier nog eens op terug en relativeert hij dit principe. Hij denkt nog even mee met de lezer die alle informatie tot zich genomen heeft. Valt hierin een rode draad te ontdekken? Dat is uiteindelijk nog maar de vraag. Van Leeuwen suggereert christenen (!) om maar te erkennen dat zij in het vatten van al de thematieken die de feesten met zich mee brengen slechts beginnelingen zijn. Bij christenen plaats ik een uitroepteken. Ik kan niet goed plaatsen, waarom Van Leeuwen hen/ons hier ineens zo specifiek noemt. Of moet dit verstaan worden als een oproep tot bescheidenheid in de omgang met de feesten? Met name de liturgische beweging heeft zich er in het nabije verleden nogal eens zeer expliciet over uitgelaten.

Vraag
Na lezing van het boek bleef bij mij een belangrijke vraag onbeantwoord. Hoe komt het nu, dat de christelijke kalender zo goed geconserveerd blijft? Er is wel eens een enkele aanval gedaan op minder prominent aanwezige feestdagen, zoals Hemelvaartsdag of de zogenaamde tweede feestdagen met Kerst, Pasen en Pinksteren. Het inleveren van een of twee dagen zou, zo werd dan gesteld, ruimte kunnen bieden voor de feesten van andere religies. Het is zelfs niet eens tot een serieuze, breed gevoerde discussie gekomen. Hoe komt dat, terwijl de oorspronkelijke inhoud slechts voor een ruime minderheid van het volk leeft? En in het verlengde daarvan: hoe zal de (feest)kalender zich in de komende jaren verder ontwikkelen?

Marius van Leeuwen, Van feest naar feest. Over de christelijke feesten – hun geschiedenis en betekenis (Balans, Amsterdam 2004; ISBN 90 5018 634 3; € 17,50).

Klaas-Willem de Jong.

Dit artikel is licht bewerkt gepubliceerd in Centraal Weekblad 53 (2005), nr. 2 (14 januari).

© 2005, KWdJ