Oskamp vraag hernieuwde aandacht voor het biechtritueel

VERLOST VAN DE ZWARE BELADENHEID

De biecht intrigeert. Of liever: het biechtgeheim intrigeert, gelokaliseerd in de biechthokjes die in allerhande vormen in wat oudere rooms-katholieke kerken te vinden zijn. Sommigen hebben er traumatische herinneringen aan overgehouden. Bij anderen slaat de fantasie op hol. De plot van enkele thrillers draait om het biechtgeheim. De priester heeft iets gehoord, weet meer, maar mag er niet mee voor de dag komen. Andere mensenlevens staan op het spel. Wat zal prevaleren?

Wie uitsluitend zó aan de biecht denkt, zal met Vergeef ons onze schulden … bedrogen uit komen. Dit twintigste boekje in de reeks Werkboekjes voor de eredienst is in passend paars gestoken - paars is immers de kleur van boete en inkeer. De ondertitel Riten om in het reine te komen geeft al aan, dat het om meer gaat dan om de klassieke biecht. De auteur, P. Oskamp, zet breed in. Hij begint met de beschrijving van enkele momenten uit de liturgie: doop, avondgebed, toenadering - ofwel het begin - in de zondagmorgendienst en het avondmaal. In het tweede hoofdstuk bespreekt hij een aantal vormen van collectieve boetedoening: onder meer de viering op Aswoensdag - aan het begin van de veertigdagentijd voor Pasen -, de herdenking van de Shoah - moord op de Joden in de laatste wereldoorlog -, en de liturgische markering van een scheiding. Pas aan het slot komt hij te spreken over de privé biecht, het ritueel dat door de eeuwen heen de nieuwsgierigheid blijft opwekken. Het mooie van deze opzet is dat de persoonlijke biecht verlost wordt van de zware beladenheid, die het lange tijd gehad heeft. Schuldbelijdenis en vergeving horen niet exclusief bij de biecht. Heel de christelijke eredienst is er vol van.

Ik wil het voorgaande illustreren aan de hand van een voorbeeld uit mijn praktijk. Het is al weer een aantal jaren geleden, dat een jonger iemand bij mij kwam met de vraag of er in de protestantse traditie ook zoiets bestond als de biecht. Enkele maanden geleden was iets voorgevallen wat maar bleef plagen. Hij moest het vertellen, zodat hij het kwijt was, weg, afgesloten. Ik heb hem toen gevraagd om wat bedenktijd. Daarbij vroeg ik niet alleen na te denken over het afsluiten van de pijnlijke herinnering, maar ook over begin van iets nieuws. Bij de rechtvaardiging hoort ook de heiliging. Hoe zou dat vorm moeten krijgen? Op de tussenliggende zondag vierden we avondmaal. In de avonddienst gebruikten we daarvoor meestal het (verkorte) klassieke gereformeerde formulier. Daarin staat in het eerste deel de zinsnede: 'Aan allen echter, die door de genade van de Heilige Geest zich vanwege hun zonden mishagen en begeren tegen hun ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven, betuigen wij, dat geen zonde of zwakheid, die nog tegen hun wil in hen is overgebleven, kan verhinderen, dat God hen in genade aanneemt en als deelgenoten aan de tafel van zijn Zoon Jezus Christus ontvangen wil.' Een mond vol. Maar toen ik de betrokkene een paar dagen later weer sprak, zei hij dat biechten niet meer nodig was. Hij had met deze woorden zó avondmaal kunnen vieren, dat het delen in brood en wijn hem bevestigde van de vergeving van deze specifieke zonde door de in Christus ontvangen genade. Ontroerend en veelzeggend.

Als een gemeente de mogelijkheid tot biechten wil openen, dan kunnen voorganger en kerkenraad goed uit de voeten met derde hoofdstuk uit het werkboekje. Ik noem nadrukkelijk ook de kerkenraad. Het lijkt me goed dat hij mede verantwoordelijkheid neemt voor het biechtritueel, al zal ze doorgaans praktisch op de achtergrond blijven. Maar ik acht het zeker niet uitgesloten dat bijvoorbeeld een ouderling de biecht afneemt. Oskamp kiest overigens een iets andere benadering. Hij stelt dat biechthoren een charisma is, dat niet iedereen in huis heeft, ook ambtsdragers niet. Onduidelijk blijft dan, hoe de biecht is ingebed in het geheel van de gemeente. Het lijkt mij verstandig de 'kwaliteit' van de biecht ook formeel in te kaderen: het in enigerlei vorm geven - of in uitzonderlijke gevallen ook weigeren (blz. 28) - van de absolutie, en de geheimhouding, om twee belangrijke aspecten naar voren te halen. Het gaat immers om tere dingen.
De lijn die Oskamp verder uitzet is helder. Biechthoren is een vorm van geritualiseerd pastoraat. Gelovigen kunnen daar vrijwillig gebruik van maken. In het biechtgesprek kunnen zij vergeving ontvangen. Dat kan overigens nog in verschillende vormen, afhankelijk van de situatie (blz. 25). Middels een wensvorm: 'Moge God zich over u ontfermen (…)'; de aantonende wijs: 'Ik ontsla u van uw zonden (…)'; de verkondigende vorm: 'Jezus zegt: Houd moed mijn kind, uw zonden worden u vergeven'; of de conditionele vorm, met een restrictie: 'Als u oprecht berouw hebt (…). Dat laatste brengt ons nog op een ander punt, het voornemen om het anders te gaan doen. Primair moet dan gedacht worden aan een nieuwe levenshouding, maar ook aan vormen van boetedoening. Oskamp geeft het voorbeeld van een opticien die van een onbekende geld kreeg gestort. Later bleek dit de genoegdoening te zijn voor de diefstal van een dure verrekijker.
Het zal duidelijk zijn, dat de biecht nauw verwant is met het pastoraal gesprek. Lezing van een bepaald Schriftgedeelte en/of een gebed om vergeving leunt tegen de absolutie aan. Het verschil ligt in de locatie en de liturgische vormgeving. Wat het eerste betreft: voor de biecht liever niet iemands huiskamer of de studeerkamer van de pastor, maar de consistorieruimte of een kapel, met een brandende paaskaars als verwijzing naar de Verrezene. In de vorm is variatie mogelijk, maar bepaalde aspecten zullen vaak terugkomen: inleidende bijbelteksten, formulering van de zonde al dan niet in specifieke zin, absolutie en pastorale raadgeving. Bij de absolutie worden de handen opgelegd. Dikwijls zal de pastorant knielen. De pastor kan dat ook doen. Soms zijn er situaties waarin oogcontact beter kan worden vermeden, omdat iemand zich dan makkelijker uitspreekt. Oskamp is overigens terughoudend in het geven van één rite: 'De ideale biechtorde bestaat niet. Een dergelijke rite vraagt bijna altijd om maatwerk en niet om confectie' (blz. 26). Ik wil dat onderstrepen. Juist bij de biecht luistert het persoonlijk element nauw. Tegelijkertijd is herkenbaarheid nodig, juist vanwege het rituele aspect. Het lijkt me daarom wel dienstig dat een gemeente die gelegenheid tot biechthoren wil geven, in grote lijnen vaststelt wat daaronder praktisch verstaan wordt. Vergeef ons onze schulden … is daarbij een prima aanknopingspunt. Net als in andere werkboekjes daagt een literatuuropgave uit tot verdere studie.

Er rest mij nog wel een vraag. Met de biecht raken we wezenlijke noties van de reformatorische traditie. Ik denk onder meer aan Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus: 'Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen tezamen en ieder persoonlijk, verkondigd en openlijk verzekerd dat al hun zonden hun door God, ter wille van Christus' verdiensten waarlijk vergeven zijn (…).' Ik denk dat de biecht zoals die door Oskamp wordt voorgesteld prima past in het 'ieder persoonlijk'. Tegelijk vraag ik me af, of het 'allen tezamen' voldoende tot zijn recht komt. Opvallend vind ik, dat Oskamp de preek niet noemt als plaats waar vergeving wordt aangezegd. Dat had goed in het eerste hoofdstuk gepast. Tegelijk is het misschien wel symptomatisch voor veel preken in het 'midden' van de SoW-kerken. In hoeverre komen zonde, schuld en vergeving daar concreet aan de orde? Of zijn deze woorden zo persoonlijk geworden, dat ze alleen nog langs de weg van persoonlijk pastoraat en eventueel ook de biecht nog kunnen functioneren?

De biecht intrigeert. Een tipje van de sluier van het biechtgeheim is opgelicht. Maar het wonder van vergeving en verzoening van Godswege blijft fascineren. En dat is maar goed ook.

P. Oskamp, Vergeef ons onze schulden …. Riten om in het reine te komen (Zoetermeer 2000; 36 blz.; ISBN 90 239 0713 2; fl. 9,50).

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 48 (2000), nr. 37 (15 september).