Inspirerende artikelen van liturgiekenner Wegman gebundeld

HERKENBAAR VERLANGEN NAAR ECHTHEID

Liturgische beweging kan niet zonder inspirators. Vrijwel elk in de brede oecumene participerend kerkgenootschap kan er in de afgelopen decennia wel een of meer noemen. De Hervormde Kerk heeft veel te danken aan W. Barnard, die met zijn eigen benadering van liturgie en kerklied velen heeft ge´nspireerd en tot verdere studie aangezet. In de Gereformeerde Kerken moet vooral de naam van G.N. Lammens genoemd worden. Door zijn enthousiasme kwam het vraagstuk van de eredienst hoog op de gereformeerde agenda te staan en werden vanuit de liturgie bruggen geslagen naar andere kerken. In de Evangelisch-Lutherse Kerk heeft J.P. Boendermaker een leidende rol gespeeld die met zijn vele malen herdrukte Drie maal drie is negen ook elders velen een liturgische weg gewezen heeft. In dit rijtje mag bij de Rooms-Katholieke Kerk in ons land H. Wegman niet ontbreken. Hij werd niet moe in de dreigende verstarring te wijzen op de ruimte die de traditie en de liturgische boeken boden, steeds pleitend voor een levende liturgie. Bekend zijn zijn standaardwerken over de geschiedenis van de christelijke eredienst. Vernieuwend is daarin vooral de inbedding van de liturgiegeschiedenis in het geheel van kerkelijke en profane geschiedenis. Van Wegman verscheen onlangs posthuum een bundel met artikelen die eerder in tijdschriften, feestbundels en dergelijke gepubliceerd zijn: Voor de lange duur. Bijdragen over liturgie en spiritualiteit. De samenstellers menen dat ze niet aan actualiteit hebben ingeboet. Ik voeg daar nadrukkelijk aan toe, dat ze ook voor niet-katholieke lezers buitengewoon informatief kunnen zijn.

Bevlogenheid
Inspirators lopen nogal eens tegen de grenzen van het kerkelijk bedrijf op. Barnard liep meer dan eens op tegen alle synodale bemoei- en regelzucht en vond uiteindelijk een liturgisch thuis in de Oud-Katholieke Kerk. Lammens liep ooit een benoeming tot hoogleraar mis. Wegman kon niet uit de voeten met de restauratie die vanaf de zeventiger jaren in de Nederlandse kerkprovincie haar intrede deed. Zijn denken ontwikkelde zich in een andere richting. In december 1988 trad hij af als rector van de Katholieke Theologische Universiteit, zag hij af van het priesterambt dat hij vervulde en nam hij afstand van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij schreef daar over: 'Als ik mijn publicaties overzie, dan is er het proces van vervreemding uit af te lezen. Kortom: ik ben steeds meer gaan ervaren dat er een kloof bestaat tussen de spiritualiteit van het geloof en de kerkideologie.' (9) Na zijn afscheid van kerk en academie is dat laatste alleen maar sterker geworden. Een bijdrage uit 1991 onder de titel 'Oecumenische liturgie. Er zijn meer mogelijkheden om de gezamenlijke viering van de maaltijd van de Heer gestalte te geven' (136 - 139), getuigt daarvan. Ze heeft na het huwelijk van Maurits en MarilŔne een jaar geleden, en zeker na alle commotie en hernieuwde studie die daarop volgde, nog steeds zeggingskracht. Wegman zoekt over en weer openingen voor toenadering. Gescheiden vieren van avondmaal/eucharistie wil hij vooralsnog accepteren, maar dan moet er wel actief gezocht worden naar mogelijkheden om naar een gezamenlijke maaltijd toe te werken. Bijvoorbeeld door in de Romana om te beginnen eens per maand duidelijk meer werk te maken van de Woorddienst. Tevens pleit Wegman ervoor de eucharistische maaltijd meer te integreren in het 'gewone' gemeente- en parochieleven. Net als in het Joodse gezin het familiaire sabbatsmaal nauw verbonden is met de dienst in de synagoge. Een bevlogenheid als deze missen we in het oecumenisch gesprek van dit moment. Maar in de huidige officiŰle kerkelijke verhoudingen kan ze eigenlijk van niemand meer verlangd worden. Binnen de kortste keren zou dit enthousiasme stuk breken op de harde realiteit.

Spiegel
Wegman weet ons als protestanten ook op een aardige manier de spiegel voor te houden. Ik denk dan in de eerste plaats aan zijn beschouwing over de eerste twaalf jaar van het leesrooster 'De eerste dag' (1977 - 1989), integraal in de bundel opgenomen (140 - 147). Dit rooster was niet dan na veel inspanning en met een flinke dosis creativiteit tot stand gekomen. Slechts langzaam had het ingang gevonden bij predikanten en gemeente. Het werd pas echt een succes toen met de NZV en haar periodiek Kind op Zondag goede afspraken konden worden gemaakt. Tegenwoordig behoort het in het midden van de SoW-kerken veelal tot de verplichte nummers. Nu stamt Wegman uit een traditie met een strak leesrooster. En hoewel hij ongetwijfeld bekend zal zijn geweest met de moeizame voorgeschiedenis en weerbarstige praktijk van het rooster, is juist hij het die niet nalaat zeer kritische kanttekeningen bij de nieuwe orde in de Schriftlezingen te plaatsen. Hij zei: ik 'leg u wel de vraag voor naar het subject van het leesrooster. Zijn wij dat, de theologen en predikanten?' (146) En even later vervolgt hij: 'zullen de makers van leesroosters in de toekomst, op ruime of smalle oecumenische basis, niet meer rekening moeten houden met het subject: de gelovige gemeente en haar verwachtingen en vroomheid? Zullen we niet naar grotere eenvoud, minder theologische perfectie moeten streven (...), waarin niet alleen de jaarcyclus maar ook de levenscyclus van de mensen en de thema's die hen bezighouden Ún hun diepste vroomheid en spiritualiteit aan bod komen en worden gevoed?' (147) Ik proef in stellingnames als deze een herkenbaar verlangen naar directheid en echtheid.

Liturgiegeschiedenis
Ik stipte Wegmans verdiensten voor de liturgiegeschiedenis al even aan. Ook daarvan zijn sporen terug te vinden in de bundel. Zo schetst hij in enkele bladzijden de ontwikkelingsgang van de Goede Vrijdag (220 - 227). Een typisch 19e eeuws protestants kenmerk als de viering van het avondmaal op die dag, vergeet hij daarbij niet. Het is zijn keuze niet, maar op sympathieke en invoelende wijze weet hij het in zijn betoog een plaats te geven. Heel anders in ieder geval dan de hautaine afwijzing die deze traditie door sommige predikanten ten deel valt. Typerend vind ik ook het slot, waarin Wegman laat merken dat liturgie niet in de lucht hangt, maar gestalte dient te krijgen in de actualiteit. Naast de liturgische elementen en symbolen van de dienst op de Goede Vrijdag noemt hij bijna terloops 'een foto van een volgeling van Jezus van Nazaret, ergens op de wereld' (227).
Zo passeren in dit boek de belangrijkste feestdagen met hun eigen achtergrond alle de revue. De historische gegevens zijn net even anders dan de bekende ge´jkte. Dat maakt het lezen vrijwel zonder uitzondering tot een genoegen. Het dwingt respect af. Tegelijk valt het me op, dat de traditie voor Wegman een belangrijke, maar geen doorslaggevende factor is. Hij beseft hoe relatief de data zijn en geeft dat ook aan zijn lezers door. Bijvoorbeeld: 'Uit de bronnen is dus in ieder geval op te maken dat de veertigdagentijd zoals wij die kennen, niet vˇˇr de vierde eeuw bekend is en op een telkens andere manier is berekend.' (183)
Een foto met een vriendelijk, maar tegelijk ietwat bedachtzaam en uitdagend kijkende Wegman siert het boek. Het typeert, denk ik, de ontmythologiserende manier van werken van de historicus Wegman: zet eerst eens alle feiten geduldig op een rijtje, dan zullen we tot verrassende resultaten komen.

Aarzeling
Naast alle lof in het voorafgaande is ook een kritische kanttekening op zijn plaats. De samenstellers hebben een selectie gemaakt uit een interview dat Rex Brico korte tijd na Wegmans terugtreden van de universiteit met hem had. Wegman beschrijft daarin de overtuiging, dat het christendom Gods Geest is kwijtgeraakt. 'We praten over God alsof we van alles over hem weten. En we gebruiken daar Jezus voor' (...). Maar wat weten we eigenlijk van Jezus buiten datgene wat is verderverteld door mensen die daartoe ge´nspirreerd werden door de Geest Gods?' Vervolgens komt het dan op de bijbel: 'in het Nieuwe Testament hebben de evangelisten hun geloofservaringen ten aanzien van een persoon die ze niet eens uit de eerste hand kenden, opgeschreven. Hoe kan zo'n geschrift nu werken als een waarheidsdocument? Dat kan eenvoudig niet. Waarheid is niet van gisteren. Waarheid kan nooit alleen gevonden worden door terug te kijken, die staat niet los van de situatie waar de mens hier en nu in verkeert.' Het onderwerp gaat dan over op de kerk. Wegmans stellingname zal uit de absolute aanspraken van zijn kerk en uit zijn slechte ervaringen daarmee begrepen moeten worden. Dat neemt niet weg, dat ik zijn visie op de bijbel mager vind. De Schrift is voor mij meer dan een neerslag van geloofservaringen. Dit bezwaar gaat echter niet ten koste van mijn waardering voor Wegman op het liturgisch vakgebied.
Een klein minpuntje bij de uitgave is de bronvermelding van de artikelen. Die is te vinden bij de inleiding op elk van de vier delen ('Spiritualiteit', 'Betekenis van de liturgie', 'Feesten' en 'Eucharistie'). Dat kost nogal wat bladerwerk. Ook de lay-out bij de inleiding op het derde deel laat door onoverzichtelijkheid te wensen over.

H. Wegman, Voor de lange duur. Bijdragen over liturgie en spiritualiteit (Gooi en Sticht-Baarn 1999); 335 bladzijden; ISBN 90 304 0973 8; Ž 65,--.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 47 (1999), nr. 42 (22 oktober).