Een oude discussie: de predikant als zelfstandige of als werknemer

Wie dient de predikant?

*** Wie dient de predikant? Is hij werknemer van de gemeente? Of ligt het toch anders en moet dat ook in zijn status tot uiting komen? Heeft hij een job of draagt hij een ambt? Klaas-Willem de Jong signaleert ontwikkelingen in de Protestantse Kerk die de vraag lijken te beantwoorden.

Menigeen zal er niet bij stilstaan of de gemeentepredikant nu werknemer is of een kleine zelfstandige. Het lijkt vooral een technische kwestie. Het is maar net of de predikant al dan niet binnen de regels valt die de samenleving heeft opgesteld om te bepalen of sprake is van een arbeidsovereenkomst: arbeid, tegen vergoeding, in een gezagsrelatie, voor een zekere tijd. Toch speelt op de achtergrond een principiële kwestie. De gedachte is vanouds dat de predikant als dienaar van het Woord juist in zijn uitleg van het Woord onafhankelijk dient te zijn. Hij moet de gemeente op geen enkele wijze naar de mond hoeven praten. Christus is het Hoofd van de kerk. Nu ligt het in de praktijk een stuk genuanceerder. De predikant kan in zijn ambt en uitleg een ‘tegenover’ zijn van de gemeente. Maar dat heeft zo zijn grenzen. Als er geen draagvlak bestaat voor de boodschap, is op termijn het verbreken van de band tussen predikant en gemeente onvermijdelijk. Iedere kerkorde kent daarvoor zorgvuldig opgestelde regels. Ook als de predikant werknemer met een arbeidsovereenkomst zou worden, ligt de situatie genuanceerd. Volgens de wet dient er sprake te zijn van een gezagsrelatie tussen werknemer en werkgever. In het verleden had dat betrekking op vorm én inhoud. In de afgelopen jaren is het inhoudelijke aspect minder belangrijk geworden. Het is daarom in principe denkbaar de verhouding tussen kerk en predikant zo in te richten dat hij primair dienaar van het Woord is, geen horige van de gemeente. Toch denk ik dat er gevoelsmatig wel iets gaat veranderen: ‘onze’ dominee wordt nog meer ‘van ons’. De predikant wordt een werknemer. Hijzelf en de gemeente zullen zich naar die status gaan gedragen.

Werknemer
Ik kan me voorstellen dat veel predikanten en gemeenteleden zich nu al zo opstellen. In de afgelopen jaren zijn in de Protestantse Kerk tal van maatregelen genomen die van de predikant een soort werknemer hebben gemaakt. Zo moeten er evaluatieve jaargesprekken gevoerd worden. Ze mogen nadrukkelijk geen functioneringsgesprekken worden genoemd, maar inhoudelijk zullen ze daar dicht tegenaan liggen. Een andere tendens is dat kerkelijk werkers in de nabije toekomst bevoegdheden krijgen in de bediening van Woord en sacrament die per traditie aan predikanten waren voorbehouden. Kerkelijk werkers zijn per definitie in loondienst, werknemers dus. Als zij en predikanten in hun functioneren in hoge mate uitwisselbaar zijn, waarom in dit opzicht dan onderscheid maken? Verder rukt het verschijnsel van de interimpredikant op. Ook hij is in loondienst, bij de dienstenorganisatie van de landelijke kerk. De dienstenorganisatie heeft in haar recente beleidsplan ‘Met Hart en Ziel’ (2013-2016) het voornemen een landelijke predikantenpool op te zetten voor kleine gemeenten. De dienstenorganisatie zet dit in het beleidsplan af tegen het ‘werkgeverschap’ van de gemeente. Voor haar is de predikant kennelijk al werknemer geworden. Een andere ontwikkeling is het overhevelen van de emeritaatsvoorziening van een eigen predikantenfonds naar het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Dat is vanouds een werknemersfonds. Het opent nu ook de deuren voor andere beroepsgroepen, maar toch. Zo heel apart staat de predikant in dit opzicht niet meer. Dat geldt eigenlijk voor alle materiële zaken. De pastorie als ambtswoning verdwijnt. De traktementsopbouw weerspiegelt wat in de samenleving algemeen gebruikelijk is.

Centralisering
In alle veranderingen die gaande zijn valt één kenmerk in het bijzonder op: centralisering. Naast de opkomst van de interimpredikant en de toekomstige start van een predikantpool geldt dat voor de wijze waarop de omslag van emeritaatsgelden plaats gaat vinden. Hiervoor kon gekozen worden uit twee modellen. Het werd de optie waarin de landelijke kerk een groter deel van de traktementen gaat administreren en uitkeren. Dit was uit praktisch oogpunt de meest aantrekkelijke, maar ze past – mijns inziens niet toevallig – prachtig in de centraliseringstendens. In dit kader wijs ik verder op de verplichte Permanente Educatie voor predikanten. Dit was in het studieverlof een zaak van plaatselijke gemeente en classis. Nu ligt het primaat bij de landelijke kerk.

Conclusie
Het is de vraag of de Protestantse Kerk over de bijzondere positie van de predikant als zelfstandige nog veel in te brengen heeft. Ze heeft door een reeks van maatregelen duidelijk voorgesorteerd. De burgerlijke rechter zal constateren dat de verhouding tussen kerk en predikant de zogenaamde materiële kenmerken draagt van een arbeidsovereenkomst. Hij houdt zich daarbij zoveel mogelijk buiten zaken van geloof en theologie. Het lijkt me onvermijdelijk: de predikant als werknemer. Het doet er nauwelijks toe wat de kerk zelf zal stellen, ook niet als ze zich beroept op het recht op godsdienstvrijheid.
Hoe ernstig is dit? Het grootste probleem vind ik dat de Protestantse Kerk en haar predikanten zelf geen visie hebben ontwikkeld. Kerk en geloof hebben het door politieke en maatschappelijke ontwikkelingen niet makkelijk hun eigen bereik af te bakenen. Op dit punt kunnen ze door andere besluiten wel degelijk invloed op de gang van zaken uitoefenen. Misschien kan dat alsnog, al zou het een hele scherpe koerswijziging vergen.
Eén punt ligt zeker in de handen van de kerk zelf. Hoe gaat ze haar eventuele werkgeverschap inrichten? De tendens is uit het voorgaande duidelijk. Dat wordt een centraal werkgeverschap. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit kent dit al. Het hoeft niet ten koste te gaan van de zelfstandigheid van plaatselijke gemeenten en van predikanten. Toch zou het me heel wat waard zijn als we hier met elkaar een stevig gesprek over voeren. Voor- en nadelen, zowel op emotioneel als zakelijk vlak, moeten daarbij aan de orde komen. Maar ook de theologische vragen mogen we niet uit de weg gaan.

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 60 (2012), nr. 43 (26 oktober)



http://www.kwdejong.nl

© 2012, KWdJ