Inspirerend onderzoek naar jonge stadskerken

Jong, stadsbewoner en kerkganger

YUP YUP. Niet de yup die wij kennen – young urban professional –, maar een glossy over de Young Urban Protestant. Ofwel een kleurrijk verslag over jeugdige protestantse stadsgemeenten. Een leesverslag van Klaas-Willem de Jong.

YUP is een positieve glossy. Het biedt een verslag van een onderzoek onder vijf stedelijke wijkgemeenten van de Protestantse Kerk waar tenminste 50 % van de betrokken kerkgangers tussen de 20 en 35 jaar is. Dat op zich stemt al tot optimisme. Bij velen zal namelijk het beeld bestaan dat in de stad het kerkelijk licht het eerst zal worden uitgedaan. Maar ook buiten de stad is het veelal somberen en tobben met de kerk. Daarom is het goed in te zoemen op situaties waar het wel goed gaat. Mogelijk kunnen we er wat van leren.

Karakteristieken
Het eerste dat mij opvalt is een demografisch gegeven. De samenstelling van de stadsbevolking is in de afgelopen tien jaar veranderd. Migranten vertrekken uit de grote steden. Studenten en starters vestigen zich in de stad, meer dan voorheen. De Utrechtse Jacobikerk meldt: ‘Al enkele jaren is de trend dat gezinnen ook langer in de stad blijven’. De Jeruzalemkerk in Amsterdam noteert: ‘De nieuwe aanwas komt vooral van (ex-)studenten die zich in de stad vestigen.’ Steden verjongen. Dat is een belangrijke basis voor een zich verjongende kerk. Daarbij zal het niet toevallig zijn dat de vijf jonge wijkgemeenten te vinden zijn in Rotterdam, Utrecht en Amsterdam, en niet in Den Haag. Den Haag heeft geen universiteit, terwijl in de vijf gemeenten meer dan twee-derde van de 20-35-jarigen een wetenschappelijke opleiding heeft. Dat brengt direct al bij een tweede opvallend feit: het hoge opleidingsniveau. Meer dan 96 % heeft HBO of WO. Dat is twee keer zoveel als het Nederlandse gemiddelde.
Een derde punt dat mij in het oog springt is de kerkelijke achtergrond van de 20-35-jarigen. Die ligt voor tenminste 75 % in de protestants-orthodoxe sfeer. Ik vermoed dat dat een belangrijk gegeven is. Mijn ervaring is dat veel nieuw ingekomenen in deze leeftijd zich direct laten uitschrijven. De kerk in hun nieuwe woonplaats krijgt zelfs geen kans meer. Ik vermoed dat naarmate de opvoeding orthodoxer is geweest, de kerk op voorhand meer kans maakt. Eén van de geďnterviewden vertelt: ‘Toen we ons settelden in Rotterdam zijn we bij een aantal kerken gaan buurten. Niet te lang, want het is nergens perfect.’ Een ander: ‘Mijn ouders zijn in de Jeruzalemkerk getrouwd, ik ben er gedoopt en dit voorjaar heb ik er belijdenis gedaan. Dat is best speciaal ja, voor zo’n stadskerk (…). Uiteindelijk kwam ik na wat zwerftochten weer bij de Jeruzalemkerk uit.’
Een vierde karakteristiek is dat een belangrijk deel van de gemeenten al geruime tijd een missionair werker of predikant heeft. Gelet op de aantallen betrokkenen zullen die voor een (belangrijk) deel gefinancierd worden door externe geldschieters. Het gaat blijkbaar niet allemaal vanzelf, hoezeer kerkgroei ook gezien wordt als het werk van de Geest. Er moet geďnvesteerd worden, materieel en geestelijk.

Vijf sleutels
De onderzoeker van YUP, Niels de Jong, komt op basis van ingevulde vragenlijsten en interviews tot een vijftal sleutels om twintigers en dertigers kerkelijk te boeien. Hij vermeldt er nadrukkelijk bij dat het gebruik van deze sleutels geen garantie vormen. Wel pretendeert hij: ‘Ik kan het ook omdraaien: zonder deze sleutels, is het mijns inziens zeer onwaarschijnlijk dat jonge mensen langdurig bij een kerk betrokken raken.’ De eerste sleutel is: ‘Het moet wel ergens om gaan.’ De gevonden wijkgemeenten zijn orthodox te noemen. Het valt op dat in zeker drie van de vijf de vormen redelijk traditioneel zijn. Geen beamers of overwegend opwekkingsliederen. Maar dat laatste mag ook weer niet helemaal vastliggen, zo blijkt uit de tweede sleutel: ‘Er moet wel ruimte zijn’. Dat geldt de liturgie maar ook het persoonlijk leven: ‘ruimte voor jezelf’. Toch kent het individuele element duidelijk zijn beperkingen: ‘Er moet wel een plek voor me zijn’. Dat betekent: gezien en gewaardeerd worden. De vierde sleutel lijkt vanzelfsprekend: ‘De sfeer moet goed zijn’. De vijfde luidt: ‘Er moet wel wat gedaan worden’. De twintigers en dertigers willen wat doen, hun geloof handen en voeten geven, meer dan alleen door geregelde kerkgang. Een geďnterviewde: ‘Via het informele circuit ben ik een paar benaderd om vanuit de kerk mensen te helpen (…). Ik vind het mooi om zulke belangeloze hulp te geven, vanuit je christen zijn.’ Een ander: ‘Op dit moment leid ik een Alpha-cursus en heb ik samen met een kerkgenoot een keer in de maand een Fair Trade winkeltje na de dienst.’

Waarde
YUP heeft alleen al een waarde in zichzelf: een positief beeld van enkele jonge stadsgemeentes. Dat inspireert. Nergens zet YUP zich af tegen gemeentes met een hoger leeftijdsgemiddelde. Wel zou ik persoonlijk hier en daar wat meer reliëf willen hebben. Waar lopen deze gemeentes en met name jongeren in hun midden tegenaan? Wat valt er nog te wensen?
De waarde van het onderzoek als zodanig is volgens mij beperkt. Twintigers en dertigers met een orthodoxe achtergrond gedijen in deze gemeenten uitstekend. Voor anderen is er zeker ook aantrekkingskracht, maar een stuk minder. Niels de Jong heeft het vermóeden dat de vijf sleutels altijd van belang zijn voor het kunnen binden van de onderzochte leeftijdsgroep. Maar het onderzoek als zodanig bevat daarvoor geen bewijs.
Wat ik wel denk (maar eveneens zonder bewijs): een doorleefde gelovige en kerkelijke ondergrond in de opvoeding is van belang, willen twintigers of dertigers op enig ogenblik uit zichzelf op zoek gaan naar een passende kerkelijke gemeente. Maar ook dan geldt: geen garantie.

Klaas-Willem de Jong

YUP kan tegen een bescheiden bedrag besteld worden op www.izb.nl



Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 60 (2012), nr. 21 (25 mei)



http://www.kwdejong.nl

© 2012, KWdJ