Proefschrift over zondvloedgebed

ZONDER VERBOND GEEN KINDERDOOP

Voor ons de zondvloed Kinderdoop valt niet zomaar uit de bijbel af te leiden. Maar met de verbondstheologie als basis had de kerk een theologisch argument. De laatste jaren is die verbondsgedachte naar de achtergrond gedrongen. Ten onrechte concludeert Dick van Arkel in zijn proefschrift.

Waarom dopen we kinderen? Een lastige vraag. Het Nieuwe Testament geeft nauwelijks antwoord. Dopen is een dopen op belijdenis, en daarmee een zaak van volwassenen. In een vijftal gevallen horen we dat ook ‘het gehele huis’ van de volwassene wordt gedoopt. Het blijft dan echter nog onduidelijk, of daarin ook zonder meer de kinderen zijn begrepen. Ook kunnen primair de huisslaven worden bedoeld, al roept dat zeker voor de moderne lezer nieuwe onduidelijkheden op. Kunnen de slaven niet voor zichzelf spreken? Bij de fundering van de kinderdoop spreek ik nogal eens de woorden van een van mijn leermeesters, prof.dr. G.P. Hartvelt: in de vroeg-christelijke kerk is de kinderdoop bedacht, dat is iets anders dan verzonnen. Met andere woorden: de kinderdoop is in de traditie van de kerk terug te voeren op de Schrift, ook al is hij daar niet direct als zodanig terug te vinden. Door de eeuwen heen hebben theologen gewezen op het Oude Testament: op de besnijdenis en het daarachter liggende begrip verbond. In de afgelopen decennia is deze verwijzing onder druk komen te staan, omdat in de geschiedenis geregeld vrijwel tegelijkertijd de consequentie werd getrokken dat de (kinder)doop in plaats van de besnijdenis was gekomen en de besnijdenis daarmee had afgedaan. Ook het begrip verbond is hiermee suspect geworden. Al te snel is soms de parallelle conclusie getrokken, dat het verbond met het Joodse volk had afgedaan. De volgende stap, naar antisemitische uitingen is dan niet ver meer. De vraag rijst bij dit alles, hoe de kinderdoop dan wel bijbels onderbouwd kan worden.

Voor me ligt het proefschrift Voor ons de zondvloed. Een onderzoek naar de ontwikkelingen in de doopliturgie aan de hand van het zondvloedgebed van Dick van Arkel, Hervormd predikant te Voorthuizen. Centraal staat de ontwikkeling van het zondvloedgebed in de doopliturgie. Ouderen zullen zich ongetwijfeld flarden van dit gebed herinneren, met uitdrukkingen als ‘de verstokte farao’ en de bede dat de dopeling ‘zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, blijmoedig dragen moge’. Onze kennis van het zondvloedgebed gaat niet verder terug dan Maarten Luthers verduitste tekst van de doopliturgie uit 1523, al wordt het bestaan van oudere versies vermoed. De Zürichse Leo Judae gaf in hetzelfde jaar een doopliturgie uit die wat het zondvloedgebed betreft de basis vormt voor het klassiek-gereformeerde doopformulier in ons land. Judae schrapte onder meer de zinsnede, waarin verwezen werd naar de doop van Jezus in de Jordaan. In een enkel woord lag hierin namelijk de suggestie opgesloten van een heiliging van het (doop)water. Dat was voor zwinglianen en calvinisten niet acceptabel. Van Arkel probeert aan te tonen, dat nòg een motief heeft meegespeeld. De zogenaamde Jordaan-passus kan sterk christelijk-triomfantalistisch worden geïnterpreteerd, in de zin van: pas met de doop van Jezus … . Dat zou de gereformeerde reformatoren tegen het zere been zijn geweest. Zij gingen uit van de eenheid van het verbond in Oude en Nieuwe Testament. Een al te sterk accent op de doop van Jezus zou kunnen suggereren dat met Hem het oude verbond had afgedaan. Ik besef, dat ik hiermee slechts één aspect uit het geheel ligt, al is het in dat geheel van wezenlijk belang. Van Arkel volgt voor ons bijvoorbeeld ook de ontwikkelingsgeschiedenis van het zondvloedgebed zelf op de voet. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de liturgische Proeve Doop en Belijdenis uit 1993. Verder onderzoekt Van Arkel de bijbelse beeldspraak die in het zondvloedgebed gebruikt wordt. Hij gaat uitvoerig in op de dogmatische overwegingen van de reformatoren bij het begrip verbond. Enzovoort. De kwaliteit van deze dissertatie die aan de VU verdedigd werd, ligt naar mijn idee echter vooral in het dogmatische, meer in ieder geval dan in het historische of liturgische.

Wat kunnen de SoW-kerken in de praktijk met dit proefschrift? Meer dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Een van de meest substantiële kritiekpunten op de genoemde Proeve Doop en Belijdenis is het vrijwel laten wegvallen van de notie van het verbond. Het speelt vrijwel geen rol van betekenis meer in de liturgie en haar onderbouwing. De verantwoording van de kinderdoop is daarmee minimaal geworden. De argumenten voor de gekozen aanpak zijn begrijpelijk. Het begrip verbond geeft aanleiding tot misverstanden, zeker in de relatie tot het Joodse volk. Van Arkel laat zien, dat deze voorzichtigheid weliswaar begrijpelijk, maar theologisch gezien beslist niet nodig is. Sterker nog, Van Arkel bepleit dat dit begrip nadrukkelijker wordt ingebracht in het oecumenisch gesprek over de doop dan tot op heden het geval is geweest. De werkgroep die de proeve Doop en Belijdenis herziet, zal zich van dit pleidooi zeker rekenschap moeten geven. Als dat gebeurt, zal het nu naar mijn inschatting vrij smalle draagvlak voor Doop en Belijdenis aanzienlijk verbreed kunnen worden.

Klaas-Willem de Jong.

Dick van Arkel, Voor ons de zondvloed. Een onderzoek naar de ontwikkelingen in de doopliturgie aan de hand van het zondvloedgebed (Boekencentrum Zoetermeer 2001); 388 blz.; ISBN 90-239-1310-8; fl. 69,90

Dit artikel is geplaatst in Centraal Weekblad 49 (2001), nummer 24 (15 juni).


© 2001, KWdJ