Dit artikel is gepubliceerd in Jaarboek voor liturgie-onderzoek 15 (1999), 27-53.

 

DE VERHOUDING TUSSEN HET PIONIERSWERK VAN H.W. CREUTZ≠BERG EN DE LITURGISCHE KRING[1]

 

J.F. Lescrauwaet noteert in zijn gedegen studie De liturgische beweging onder de Nederlandse Hervormden in oecumenisch perspectief over het ontstaan van de Liturgische Kring: "Onder deze naam associeerden zich kort na 1920 een achttal predikanten met Creutzberg, onder voorzitter≠schap van G. van der Leeuw".[2] In haar eerste publicatie Inleiding. Waarom Liturgie? Beginsel en practijk, uit 1923, gaf de Kring aan "studie te [willen] maken van het liturgisch vraagstuk en leiding te geven aan het streven naar Liturgie, dat zich sedert een tiental jaren op velerlei plaatsen toont".[3] Tot en met 1930 zouden in totaal nog zes uitgaven volgen, die tezamen de reeks Liturgische Handboekjes vormden. In 1934 verscheen het Handboek voor den Eeredienst waaraan net als aan de handboekjes verschillende leden van de Kring hun medewerking verleenden. Voor het overige is uit de begintijd van de Liturgische Kring weinig bekend.[4]

In dit artikel beoog ik aan dit weinige nieuwe gegevens toe te voegen door de schijnwerper te richten op de reeds genoemde H.W. Creutz≠berg en de onderlinge verhouding tussen zijn vooral praktisch-liturgisch pionierswerk en dat van de Kring te schetsen.[5] Het accent komt daarbij vrijwel automatisch te liggen op de periode tussen 1907 en 1934. In 1907 kwam Creutz≠berg naar IJmuiden en trof hij al spoedig voorbereidingen voor de kerkbouw die hem een zekere bekendheid zou geven. In het in 1934 verschenen Handboek voor den Eeredienst is de bezinning van de Liturgi≠sche Kring voor het eerst duidelijk uitgekristalliseerd, al blijken de auteurs het niet op alle punten volledig eens te zijn. Terwijl voorheen Creutz≠berg en vooral het liturgisch experiment in de Duinoordkerkgemeente een belangrijke inspiratiebron vormden voor de Liturgische Kring, zouden zij in het vervolg niet meer dan een element temidden van vele andere zijn. Bovendien ontstonden naast de Kring andere groeperingen die vergelijkbare doelen nastreefden. De chronologische grenzen zullen in dit artikel overigens niet al te strak getrokken worden. Waar nodig en mogelijk zullen ook de voorafgaande periode en de volgende jaren erbij betrokken worden.

 

1.†††††† Beknopte biografische schets

 

Hendrik Willem Creutzberg werd op 5 juni 1875 geboren te Arnhem als oudste zoon van de predikant K.F. Creutz≠berg (1840 - 1911).[6] Deze heeft de Hervormde Gemeente van de Gelderse hoofdstad meer dan veertig jaar gediend. K.F. Creutzberg behoorde tot de voorgangers van orthodoxe signatuur die er echter in de Doleantie voor kozen aan de vaderlandse kerk verbonden te blijven. Door zijn functies op bovenplaatselijk niveau werd hij gedwongen meer dan eens duidelijk positie te kiezen. Hendrik Willem zal het nodige hebben meegekregen van wat deze kerkscheuring in het leven van zijn vader teweeg bracht, al genoot hij zijn gymnasiale opleiding elders, in Schiedam. In Arnhem ontmoette hij A.S. Talma (1864 - 1916), die niet alleen sociaal bewogen was, maar door Van der Leeuw genoemd wordt als een van degenen die "zonder veranderingen" toch "liturgisch besef gewekt" hebben.[7] Ondanks het leeftijdsverschil zouden ze goede vrienden worden. Maar al een jaar voor Talma naar Arnhem kwam, in 1894, was Creutzberg jr. begonnen aan zijn studie theologie in Utrecht. Aan de universiteit was het vooral de tot de ethische richting behorende oudtestamenticus J.J.P. Valeton (1848 - 1912) die hem theologisch vormde. In 1900 werd Creutzberg als predikant bevestigd in Wijk aan Zee. Hier ook zou hij zijn eerste vrouw huwen, de van het plaatselijk landgoed afkomstige Johanna Isabella del Court van Krimpen (1875 - 1918). Na zeven jaar verruilde hij Wijk aan Zee voor de groeikern IJmuiden. Daarbij moet opgemerkt worden, dat IJmuiden aanvankelijk onder Velsen viel en eerst in 1912 een zelfstandige Hervormde Gemeente kreeg. Creutz≠berg kon in het hier zo noodzakelijke opbouwwerk zijn organisatietalent goed gebruiken. In het najaar van 1920 volgde de Haags-Scheveningse Duinoord≠kerkgemeente die nog geheel vorm moest krijgen. Aanvankelijk werkte hij er als emeritus, aangezien de gemeente geen kerkelijke status had. In 1934 werd hij ten behoeve van Duinoord als predikant verbonden aan de Hervormde gemeente te Scheveningen. Creutzber≠g heeft zich vooral in de Duinoordse jaren breder kunnen ontplooien. Zo lanceerde hij een landelijk plan om de zendingsfinanciŽn op orde te brengen. Toch duurde het tot omstreeks 1930 dat voor Creutzberg op de bekendheid in bredere kring erkenning volgde. De Hervormde synode benoemde hem in de commissie, die de herziening van het gezangboek moest voorbereiden.[8] Deze zou de zogenaamde bundel '38 samenstellen. Tevens kwam Creutz≠berg≠ terecht in de synodale commissie tot herziening van de liturgische formulieren, een van de voorlopers van de latere Raad voor de E[e]redienst.[9] In de jaren dertig zagen ook een aantal zelfstandige, populaire publicaties het licht, waarin Creutzberg op een geheel eigen wijze bijbelse personen of bepaalde bijbelgedeelten nader belichtte. Van belang voor deze periode is verder nog Creutzbergs inzet voor de Oxford-beweging in Nederland. Mede door zijn toedoen heeft deze vernieuwings- en opwekkingsbeweging voor de 'betere' kringen voet aan de grond gekregen in de Duinoordkerkgemeente en is de hofstad het centrum van haar activiteiten geworden.[10] Op oudjaarsdag 1940 overleed Creutzberg, ondanks een zwakker wordende gezondheid, nog≠ vrij onverwacht. In de rouwdienst gingen twee predikanten voor die veel voor hem betekend hebben en goede bekenden waren in de Duinoordkerk: zijn jongere broer J.J. Creutz≠berg (1879 - 1951) en de Groninger hoogleraar G. van der Leeuw (1890 - 1950).

 

2.†††††† Creutzberg in Wijk aan Zee en Duin

 

De kerkeraadsnotulen van de Hervormde Gemeente te Wijk aan Zee en Duin zijn beknopt en handelen vooral over zakelijke, beheersmatige aangelegenheden. Het is dan ook bijzonder dat op 8 december 1903 een liturgische kwestie vermeld wordt en de scriba aantekent: "Wordt besloten de toespraken bij 't Avondmaal te doen veranderen in een korte voorlezing uit God's Woord zooals het formulier aangeeft."[11] Het formele argument - omdat het formulier het zo aangeeft - wijst erop, dat Creutz≠berg - aangenomen dat hij het initiatief nam - de opvatting van A. Kuyper (1837 - 1920) over het geheel lezen en volgen van de liturgische formulieren was toegedaan. Het is opmerkelijk, dat de kerkeraad van deze vanouds vrijzinnige gemeente Creutzberg bereid was te volgen. Voor het overige lijkt het bij het avondmaal bij het oude te blijven. In Wijk aan Zee en Duin was de frequentie van de avondmaalsviering vrij laag, op Goede Vrijdag en ergens in het najaar.[12] Dit zal verklaard moeten worden uit het a-, of soms zelfs anti-sacramentele klimaat van de vrijzinnigheid, die in Noord-Holland sterk vertegenwoordigd was. In de notulen komen we geen pogingen van Creutzberg tegen om verandering te brengen in de avondmaalsfrequentie.

Verder biedt het archief van de Hervormde Gemeente een korte levensbeschrijving die duidelijk maakt, dat Creutzberg zich inzette voor het kerkgebouw: "Hij gaf de eerste stoot tot verbetering en verfraaiing van ons Kerkgebouw."[13] Concreet genoemd worden vervolgens de ramen, het orgel en het plafond. Creutz≠bergs belangstelling voor esthetiek, in het bijzonder voor kerkbouw en kerkinrichting, dateert dus van vůůr de IJmuider periode.

 

3.†††††† Creutzberg in IJmuiden

 

IJmuiden, hemelsbreed slechts enkele kilometers ten Zuiden van Wijk aan Zee gelegen, viel zowel burgerlijk als kerkelijk onder de gemeente Velsen. Het dorp dankte haar ontstaan aan de opening van het Noordzeekanaal in 1876. Niet lang daarna nam ook het kerkelijk leven er een aanvang. Een 'Comitť ter Evangelisatie te IJmuiden' werd opgericht, dat in nauwe samenwerking met de Hervormde Gemeente Velsen 1881 een kerk opende. Binnen enkele maanden na zijn komst pleitte Creutzberg voor een nieuw kerkgebouw en in het vervolg was hij voortrekker in de fondswer≠ving.[14] Gekozen werd voor een ontwerp van de Engelse architect W.A. Forsyth, dat later door Lescrauwaet als volgt beschreven is: "Het gebouw (...) heeft een uitgesproken anglicaans karakter, zelfs het typische poortje van de tuiningang, de 'lichgate' ontbreekt niet. De plattegrond is kruisvormig; drie armen zijn met banken bezet, die alle naar de hoger gelegen koorruimte, met absis gericht staan (...). Achter een lage, houten koorafscheiding bevindt zich een fraaie avond≠maalstafel met opengeslagen bijbel en twee kandelaars; midden achter de tafel, tegen de achter≠wand een waardige zetel. In dit koor staat ter linkerzijde een stenen doopvont en ter hoogte van de koorafscheiding de kansel, aan de rechterzijde (...). De koorruimte is verder opgeluisterd met gebrandschilderde ramen en een tapijt."[15] Over het voorbereidingsproces en de achterliggende motieven is door het verloren gaan van relevante bronnen in de tweede wereldoorlog weinig bekend. Creutz≠berg zelf verhaalt in een terugblik uit 1936 dat "de heer van Velserbeek", baron E.L.L. van Tuyll van Serooskerke, het initiatief genomen heeft.[16] Daar moet dan wel aan worden toegevoegd, dat een enkele aantekening in het archief van de Duinoordkerkgemeente doet vermoeden, dat het verdere contact via Creutzbergs eerste echtgenote gelopen is.[17] Zij dankte haar godsdienstige vorming aan de Anglicaanse kerk en bewoog zich in het gebouw als was het Anglicaans.[18] Inzake het knielen bijvoorbeeld herinnerde Creutz≠berg zich later: "Mijn vrouw en dochter deden het altijd in de kerk in IJmuiden en hadden knielkussens in hun bank liggen."[19]

 

Al in de eerste IJmuider jaren tekent zich iets af van Creutzbergs gedachtenwereld en werkwijze inzake de eredienst. Op 5 maart 1908 informeerde hij op de (bijzondere) kerkeraadsvergadering naar de wenselijkheid van het geregeld lezen van de wet en het Apostolicum. Helaas staan in de notulen geen argumenten vermeld. Algemeen aanvaard was deze klassiek gereformeerde gewoonte in de Hervormde Kerk van die dagen beslist niet, zeker niet waar het ging om een wekelijkse lezing van deze twee onderdelen.[20] De broeders in IJmuiden verwachtten "niet veel goeds" van het voorstel van hun predikant, maar stonden het hem desalniettemin eens per maand toe.[21] Wel slaagde Creutzberg erin de kerkeraad ervan te overtuigen dat een ouderling voor de dienst de afkondigingen zou doen en het eerste lied, de zogenaamde voorzang, opgeven zou. De diakenen wilde hij activeren bij het avondmaal, opdat de viering daarvan stijlvoller zou verlopen.[22] Met enige regelmaat keert het thema van rust en orde in de eredienst terug op de agenda van de kerkeraad.

Opmerkelijk is verder een pleidooi van Creutzberg op de (bijzondere) kerkeraad van 17 januari 1910 om in de week voor Pasen te vasten. Hoewel er op dit punt geen besluit valt, meldt hij ruim een jaar later in het pas door hem geÔnitieerde Predikbeurtenblad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te IJmuiden: "Over de geheele wereld in alle kerken begint woensdag a.s. de lijdenstijd. (...) Enkelen onder ons" vasten in de eerste week. Creutz≠berg roept in dit en volgende jaren anderen op om mee te doen.[23] Hij verwijst naar Kuyper, die er op schriftuurlijke gronden ook voor gepleit zou hebben.[24] Het valt op, dat Creutzberg de vasten beperkt tot een week, en het ene jaar de week voor Pasen tot vasten oproept, het volgende de eerste week van wat hij de lijdenstijd noemt. In het eerste jaar zal hij teruggegrepen hebben op een gewoonte die in Nederland na de Reformatie opgeld deed, terwijl hij in het tweede jaar de Quatertemperdagen van de vasten als uitgangspunt genomen zal hebben, in het Anglicaanse Book of Common Prayer bekend als de Ember-days.[25] Over de motivatie van deze verschuiving valt niets te achterhalen. Duidelijk is echter wel, dat Creutzberg de eigen Hervormde traditie als enige norm achter zich heeft gelaten. Kort tevoren waren de zondagen voor Kerst in het Predikbeurtenblad al aangeduid als adventszon≠dagen. Vůůr Pasen gaf hij de lijdenszondagen aan. Anders echter dan in de eigen traditie hanteerde hij niet zeven, maar zes lijdenszondagen, overeenkomstig de voorbereidingsperiode op Pasen in bijvoorbeeld de Anglicaanse en Rooms-Katholieke traditie. Hij zal daarmee een van de eerste Hervormde predikanten in het land zijn geweest.

Maar Creutzberg richtte zich niet eenzijdig op de Anglicaanse of Rooms-Katholieke traditie. Ook probeerde hij aansluiting te vinden bij in IJmuiden reeds bestaande activiteiten met een andersoorti≠ge spiritualiteit. Zo bestond in IJmuiden een cultuur van gezamenlijk bidden.[26] Elke zaterdagavond werd door en voor gemeenteleden een bidstond gehouden. Van een vaste orde van dienst was geen sprake. Creutzberg stimuleerde deze gebedssamenkomsten, hoewel hij persoonlijk niet altijd aanwezig was. Verder namen kerkeraad en gemeente deel aan de door de Evangelische Alliantie uitgeschreven week der gebeden in de eerste volle week van januari. Wanneer men hiermee in IJmuiden begonnen is, is onduidelijk. Zeker is, dat de week in 1908 een nieuwe impuls kreeg door de (her)oprichting van een Nederlandse afdeling van de Alliantie in het voorafgaande jaar.[27] Het is goed denkbaar, dat Creutzberg toen, net begonnen in IJmuiden, het initiatief genomen heeft.[28] Het waren overigens kerkeraadsleden, dus niet (alleen) Creutzberg, die in de week der gebeden de leiding hadden.[29] Dit laagkerkelijk element in Creutzbergs gemeenteconcept zullen we ook later weer tegen komen.

1911 wordt gezien als een cruciaal jaar in de liturgiegeschiedenis van het Nederlandse protestanti≠sme. J.H. Gerretsen (1867 - 1923) hield zijn eerste liturgische dienst in de Haagse Kloosterkerk, terwijl toen eveneens zijn brochure Liturgie, Kuypers Onze Eeredienst en M. van Woensel Kooys Oude en Nieuwe zangen verschenen. De feestelijke ingebruikneming van de nieuwe kerk in IJmuiden past prachtig in dit rijtje. In de plechtigheid op 16 juli 1911 vallen vooral enkele voorafgaande en begeleidende ceremoniŽle handelingen op, die verwantschap tonen met hetgeen onder meer in de Anglicaanse kerk bij inwijdingen gebruikelijk was.[30] Na een afscheidsdienst met gebed en dankzegging in de oude kerk brachten drie ouderlingen in processie de kanselbijbel naar het nieuwe gebouw. Daar maakten predikant (nog zonder toga) en kerkeraad een halve omgang onder klokgelui. Daarop volgden drie hamerslagen op de deur, die door de kerkvoogden werd geopend. De dienst zelf bevatte enkele bijzondere elementen, zoals het plechtig neerleggen van de kanselbijbel en het lezen van een inwijdingsakte, maar was overigens sober.[31]Met de inwijdings≠dienst was de 'Nieuwe Kerk' nog niet af. Onder leiding van Creutzberg besteedde de kerkeraad nog veel tijd en geld om het kerkgebouw verder te verfraaien: lopers, kroonluchters, passend meubilair, avondmaalszilver, enzovoort. Zo nodig fourneerde Creutzberg zelf forse bedragen.

 

In hoeverre hadden de liturgische ontwikkelingen in het najaar van 1911 buiten IJmuiden invloed op Creutzberg en zijn gemeente? Over Gerretsen is geen directe aanwijzing te vinden.[32] Kuypers Onze Eeredienst, waarnaar hij later geregeld zou verwijzen, heeft hij naar eigen zeggen pas in het voorjaar van 1915 uitgelezen.[33] Maar voor de kerkelijk meer betrokkenen in IJmuiden zal toen al wel duidelijk geweest zijn, dat Creutz≠berg in zijn streven bepaald niet alleen stond. Op Creutz≠bergs voorstel besloot de kerkeraad op 27 september 1912 tot "het voorlezen van schuldbekentenis en schuldvergiffenis", om de week, aan het begin van de morgendienst. De schuldbelijdenis werd hiermee losgemaakt uit het zogenaamde grote gebed, waar het in die tijd vrij algemeen gebruikelijk was. De schuldvergiffenis of absolutie was nieuw. De raad was echter bereid nog verder te gaan. Anderhalf jaar later ging hij ertoe over "ook in onze Gemeente Liturgische kerkdiensten te (...) houden".[34] Net als in Gerretsens initiatief heeft het liturgisch karakter vooral betrekking op het eerste deel van de dienst. De vernieuwing hield in, dat met ingang van de eerste zondag van de lijdenstijd in elke dienst na votum en groet de predikant de gemeente aanspoort haar schuld te belijden. Vervolgens staat de gemeente op. De predikant gaat dan voor in een gebed, dat de gemeente beantwoordt met 'amen'.[35] Daarop verkondigt de predikant de kwijtschelding der zonden, hetgeen door de gemeente beaamd wordt met het zingen van een gezangvers.[36] Het is niet na te gaan, of en zo ja, waar de eerder door Creutz≠berg gewenste wet en geloofsbelijdenis een plaats hebben gekregen. Allebei in het vervolg misschien, of alleen de geloofsbelijdenis, zoals bij Gerretsen? Het is echter ook mogelijk dat ze vanwege de eerder gesignaleerde tegenstand in het geheel niet meer opgenomen zijn. Creutz≠berg verdedigt de nieuwe gang van zaken door te wijzen op wenselijkheid van de "medewerking onzer gemeente in het heilige werk der aanbidding Gods."[37] Zo doet Creutzberg niet alleen praktisch maar ook principieel aan Gerretsen in diens Liturgie denken. Maar Creutzberg gaat ≠verder. De aanbidding is voor hem niet alleen verbonden met de kerkdienst zelf, maar ook met het kerkgebouw.[38] Dat roept individuele devotie op. Daarom ijvert hij voor het openstellen van de kerk op een doordeweekse dag, al dan niet met orgelbespe≠ling, en maant hij de gemeente tot stilte en inkeer vůůr de diensten.[39]

 

Het avondmaal werd in IJmuiden drie maal per jaar gevierd: in januari, op Goede Vrijdag en in september, terwijl de moedergemeente Velsen een kwartaalsgewijze viering kende. De reden hiervoor is onbekend. Het kan in ieder geval niet aan vrijzinnige invloeden gelegen hebben. Die bestonden in IJmuiden nauwelijks. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat Creutz≠berg het aantal avondmaalsvieringen heeft willen vergroten. In de loop van 1912 zijn de avondmaalsvieringen naar de avonddiensten verschoven. Door lacunes in de bronnen kan niet worden vastgesteld, wanneer deze verandering werd doorgevoerd en waarom.[40] Aangezien avonddiensten minder goed werden bezocht, is het waarschijnlijk dat de kerkeraad, en in het bijzonder Creutz≠berg, met de maatregel de rust en orde van de viering op het oog had. Al eerder had Creutzberg daartoe de nodige maatregelen doen nemen, onder andere door de minimumleeftijd voor aanwezigheid op 18 jaar te stellen. Het ging met andere woorden om veranderingen die de liturgie ten goede kwamen. Misschien voelde Creutzberg zich voor een viering in de avond gesteund door een enkele passage in Kuypers Onze Eeredienst, al had hij dit boek toen nog niet grondig bestudeerd.[41] Ook is het denkbaar dat Creutzberg een voorbeeld genomen heeft aan een situatie elders, waar de bijzondere sfeer hem geraakt heeft.[42]

 

4.†††††† Creutzberg in Duinoord

 

De wijk Duinoord was gelegen aan weerszijden van de grens van 's-Gravenhage en Schevingen en werd vooral bewoond door gegoede burgerij. De kerkelijke betrokkenheid was laag. Een Hervormde kerk ontbrak. In 1912 maakte de emeritus-predikant J.M. Jalink (1861 - 1937) samen met een aantal anderen een plan voor kerkbouw in Duinoord, desnoods buiten de bestaande kerkelijke instanties om.[43] Ook zochten zij na verloop van tijd een predikant die zich aan het project zou willen verbinden. In eerste instantie bedankte Creutzberg. Een tweede poging had meer succes. Creutzberg nam de benoeming aan en kwam per 1 september 1918 in (gedeeltelijke) dienst. Onder de redenen die in Creutz≠bergs ommezwaai een rol hebben gespeeld, moet in het kader van dit artikel in ieder geval ťťn genoemd worden. De initiatiefnemers - intussen geÔnstal≠leerd als bestuur van de Stichting Duinoordkerk - hadden kort na het hernieuwde contact met Creutz≠berg maar nog vůůr diens toezegging, in principe reeds besloten in Duinoord een copie van de IJmuider kerk te doen verrijzen. Uit het feit dat Creutzbergs vrouw vervolgens het contact met de architect onderhield, mag worden afgeleid dat het ook voor haar aantrekkelijk was de stap te wagen. Na haar onverwachte dood enkele maanden later, verklaarde Creutzberg nog eens uitdrukkelijk dat de keuze voor Duinoord "van hem en zijn vrouw uitging".[44] Het zou echter nog tot 26 september 1920 duren voor hij in IJmuiden afscheid nam om zich vervolgens volledig aan het werk in Duinoord te wijden.

 

4.1†††† Het liturgisch vertrekpunt

 

Niet alleen voor het kerkgebouw werd het IJmuider model gecopiŽerd. Ook voor hetgeen er in dat gebouw zou gebeuren, nam Creutzberg de IJmuider situatie tot voorbeeld. Aan de inrichting van de kerk werd veel tijd en geld besteed. Een rustig en ordelijk verloop van de erediensten zou ook in Duinoord een aangelegen punt zijn en regelmatig op de kerkeraadsagenda staan. De inwijdings≠dienst op 17 december 1920 had met enkele toevoegingen nog veel weg van die in IJmuiden een kleine tien jaar eerder. Hij mag dan door het Duinoordbestuur "zeer bewonderd" zijn, origineel was de orde niet.[45] Op liturgische gebied begon Creutzberg in Duinoord, waar hij in IJmuiden opgehouden was. De bidstonden op zaterdagavond, de gebedsweek van de Evangelische Alliantie, de openstelling van de kerk door de week, het kerkelijk jaar, het vasten, de tijdstippen en frequentie van de sacramentsbediening, het functioneerde na verloop van enige tijd in Duinoord bijna allemaal volgens het reeds in IJmuiden bekende patroon.

 

4.2†††† De eerste orde van dienst ('s morgens)

 

Bij het aantrekken van Creutzberg zal het bestuur van de Stichting Duinoordkerk zich bewust zijn geweest van zijn liturgische aspiraties.[46] De invoering van een liturgie, een vastgestelde orde van dienst, lag in de lijn der verwachting. Vreemd was een vastgestelde orde in het Haagse niet meer, aangezien met enige regelmaat in de Haagse Grote Kerk nog steeds de door Gerretsen geÔnitieerde liturgische diensten werden gehouden. Hoe de orde in Duinoord eruit zou zien, was evenwel nog onduidelijk. In het najaar van 1920, dus zo'n twee jaar voor de oprichting van de Liturgische Kring, begon Creutzber≠g zich daarop te oriŽnteren. De bestuursnotulen melden: "Ds. Creutzberg deelt mee, dat hij een oude katholieke liturgie in't middeneeuwsche latijn in studie heeft genomen. Zed. noemt de liturgie een lastige quaestie in verband met het Nederlandsche volkskarakter."[47] Het onttrekt zich aan onze waarneming wat of wie Creutzberg verder heeft geraadpleegd. Maar van deze katholieke bron in het voorbereidingsproces is in ieder geval weinig meer terug te vinden in de orde die de gemeente in gedrukte vorm zou worden voorgelegd en die er als volgt uitziet:[48]

 

Votum

Zegen [groet], beantwoord door de gemeente

Opwekking tot schuldbelijdenis, de gemeente gaat staan

Schuldbelijdenis, beantwoord door de gemeente

Schuldvergeving, beantwoord door een loflied van de gemeente

Wetsvoorlezing (Oude of Nieuwe Testament)

Vrij gebed

Voorlezing uit de Schrift

Collecte:

- kort gebed vůůr de collecte,

- collecte (met doorgeefzakjes),

- aanbieding van de ingezamelde collectezakken op een zilveren schaal

- lied

Preek

 

De schuldbelijdenis bestond uit een vaste tekst, die reeds in IJmuiden door Creutzberg gebruikt werd: een compostie van bewoordingen uit de Nederlandse Liturgie, van Calvijn en uit het Book of Common Prayer.[49] De antwoorden door de gemeente op zegen en schuldbelijdenis waren vaste, gezongen responsoria. De liederen, vrijwel van het begin af aan ritmisch gezongen, werden al spoedig niet meer door de voorganger opgegeven, maar slechts vermeld op de liedborden.[50] De gemeente zou ze dan als het ware spontaan aan kunnen heffen.[51]

Aan de hand van deze orde wil ik enkele kenmerken van de Duinoordkerkgemeente in relatie tot de Liturgische Kring nader bespreken. In de eerste plaats de orde zelf. Zij is niet af: het gedeelte na de preek ontbreekt. Ze is echter al aanzienlijk uitvoeriger dan vroegere vernieuwingspogingen van Creutzberg in IJmuiden, of van iemand als Gerretsen. Uit latere orden blijkt, dat er na de preek ook niet veel meer volgt. Afgezien van de liederen alleen Onze Vader en zegen. Creutzberg verdedigde dit met een klassiek argument: men is "te moe. Men wil niet meer."[52] De voorbeden kwamen daarom net als in een traditionele dienst vůůr de preek. Dit zou tot ver na Creutzbergs dood zo blijven in de Duinoordkerkgemeente. Op dit punt was er dus geen sprake van vernieu≠wing.

Een tweede punt van bespreking is de rol van de gemeente. Niet de predikant bepaalde de orde van dienst, maar het stichtingsbestuur. Vrijwel alle liturgische zaken in de Duinoordkerk werden in het bestuur tot in detail voorbesproken. Het bestuur zag er op toe, dat het dit recht ook na verloop van tijd behield.[53] Veelal raadpleegde het bestuur ook de gemeente zelf over voorgenomen vernieuwingen, hoewel het zeer beslist geen directe invloed van de gemeente op zijn samenstelling en beleid wenste.[54] De zeggenschap van bestuur en gemeente is deels te verklaren vanuit de positie van de Duinoordkerk: er was geen kerkverband dat regels stelde. Toch heeft ze eveneens een meer principiŽle achtergrond. Toen Creutzberg de eerste concept-orde aan het bestuur voorlegde, sprak een aantal leden zich uit "voor eene uitbreiding van de rol, die de Gemeente (...) vervult."[55] Voorganger en gemeente zijn gelijk, zo blijkt ook uit de inzet van de gedrukte orde van dienst: "De dienstdoende predikant leidt den dienst niet vanaf de preekstoel, maar vanaf het koor, hierin niet boven de gemeente staande." Bij de collecte wordt de verantwoordelijkheid van de gemeente nog eens onderstreept: "Deze collecte geschiedt zoveel mogelijk door de gemeente zelve, als haar eigen daad, zij het dan ook onder leiding." Verdere bezinning leidde tot de vraag aan de Liturgi≠sche Kring, of een niet-ambtsdrager in noodgevallen de liturgie mocht verzorgen, al dan niet in toga.[56] De gemeente zelf had behalve haar beide emeritus-predikanten immers geen ambtsdragers. Het beraad in de Liturgische Kring schijnt een dag geduurd te hebben. De inhoud is ons bekend door een artikel van Van der Leeuw in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur, dat als volgt kan worden samengevat.[57] Wezenlijk verschil tussen ambtsdrager en 'leek' is er niet. Het ambt, een opdracht van de geloofsgemeenschap, is door de traditie bepaald. Als door een noodgeval de ambtsdrager ontbreekt, kan de gemeente achter de traditie teruggaan en kan elk gemeentelid voorgaan. Het gebruik van een toga valt daarbij zelfs aan te bevelen, opdat het persoonlijk element terugtrede. Hoewel het de vraag is, of we in het artikel kennis nemen van de conclusies van de Kring of van die van Van der Leeuw, is wel zeker dat gedachten als deze in de Kring leefden.[58] Voorzover het Van der Leeuw zelf betreft is hij mede als gevolg van de specifieke vraagstelling explicieter dan zijn inleidende bijdragen in Waarom liturgie?. En voorzover hij het is, blijkt hij in zijn benadering van de liturgie vrijwel naadloos aan te sluiten bij de liturgische situatie van de Duinoordkerkgemeente en de problemen die hieruit voortkwamen. Wat betreft de rol van de gemeente was de opvatting overigens in de kern van de zaak al door onder anderen Gerretsen verwoord.[59] Het zal echter nog tot de uitgave van zijn Liturgiek duren, dat Van der Leeuw het ambtelijk handelen van de gemeente in de liturgie nader uitwerkt, dat wil zeggen niet alleen vanuit de traditie, maar ook theologisch en christologisch fundeert.[60]

In verband met de collecte moet een derde thematiek nader worden belicht, die in de Liturgische Kring van belang zou worden, namelijk die van het offer in de liturgie. De orde van dienst brengt dit in het kader van de collecte zo onder woorden: "Die de inzameling geleid hebben, bieden de collecte zakjes aan den dienaar die ze op een zilveren schaal Gode aanbiedt op de avondmaalstafel als de offerande der gemeente." Voorafgaand aan het collecteren werd door de voorganger een gebed uitgesproken, waarvan de tekst helaas niet bewaard is gebleven. Na bezwaren van een gastvoorganger - "omdat de mensch geen gave aan God kan geven, maar Hem in het bezit stelt van het Zijne"[61] - werd dit gewijzigd in bewoordingen ontleend aan 1 Kronieken 29: 14. De Liturgische Kring zou in het Handboek voor den Eeredienst in 1934 een apart hoofdstuk wijden aan de offerande en dit onderdeel van de dienst nader onderbouwen: "Het hoogtepunt is het oogenblik, waarop de Dienaar de gaven van de Diakenen ontvangen hebbend deze op de Avondmaalstafel plaatst. Hier wordt volbracht wat gansch het wezen der offerande aanduidt: geven aan God daar, waar God ons altijd voor oogen stelt zijn gave aan ons."[62] Het is in dit verband opmerkelijk, dat Van der Leeuw in 1919 in een eerste model van een liturgische dienst de offerande geheel achterwege liet.[63] De boven weergegeven orde heeft een kleine twee jaar gefunctioneerd. Na verloop van tijd besloot de kerkeraad tot enkele wijzigingen, deels na over de voorstellen advies te hebben ingewonnen bij de Liturgische Kring.[64] De zegen bijvoorbeeld moest beantwoord worden met een driewerf "amen" en na de Schriftlezing sprak de voorganger: "Zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren (...)." Daarop antwoordde de gemeente dan met het zingen van drie maal "Hallelujah!".

 

Eind 1923 verscheen in de serie Liturgische Handboekjes tegelijk met het eerste het tweede deel, dat de titel Hoofd-(predik-)dienst droeg.[65] De orde in dit boekje bevat de volgende elementen: votum en groet, introÔtus, wet, schuldbelijdenis en genadeverkondiging, Schriftlezing, belijdenis des geloofs, gebed bij de opening van het Woord, offerande, preek, voorbede, zegen. In de hoofdtekst wordt in een variant de mogelijkheid geboden schuldbelijdenis en genadeverkondiging te laten volgen door de wet. Voor de orde als geheel kunnen tenminste drie bronnen worden getraceerd. De basis is vermoedelijk gevormd door de reeds genoemde schets van Van der Leeuw uit 1919, die duidelijk Anglicaanse en Lutherse trekken vertoont.[66] De tweede bron is de orde van Duinoord. Hieraan is de rubriek "Offerande" ontleend en mogelijk ook de beschreven variant in het gebruik van de wet. In de derde plaats hebben bestaande gereformeerde gewoonten en tradities sporen nagelaten. Het voorop laten gaan van de wet - als kenbron der ellende - is daarvan een voorbeeld.[67] Ook het plaatsen van het gebed bij de opening van het Woord vlak voor de preek behoort daar toe. De invloed van Duinoord is echter groter dan op basis van het voorgaande vermoed mag worden. Zo is in de toelichting de Duinoordse gewoonte voor de gebeden gesugge≠reerd, zij het in zuinige bewoordingen: "Zoo men na de prediking den dienst spoedig wil sluiten en dus afzien van den zelfstandigen Dienst der gebeden (...). In de plaats daarvan komt dan het Gebed des Heeren."[68] Ook de gedachte van een wetslezing in oud- of nieuw-testamentische bewoordingen zou wel eens uit Duinoord afkomstig kunnen zijn.[69] Overigens moet bij dit handboekje gesproken worden van een wisselwerking. Niet alleen zijn in het handboekje voorbeel≠den aan de liturgie in Duinoord ontleend, ook het omgekeerde is het geval. Toen de uitgave nog in voorbereiding was, werden in Duinoord alvast de formule van de schuldbelijdenis en het antwoord op de wet aangepast.[70]

 

Afgezien van enkele kleine wijzigingen en toevoegingen heeft de orde van dienst in Duinoord gedurende enkele decennia geen structurele veranderingen ondergaan.[71] Een uitzondering vormen lofprijzing en psalmlezing, die in 1932 ingevoegd werden na de genadeverkondiging en voor de wetslezing.[72] Het element van de aanbidding zou in de oude orde onvoldoende tot zijn recht gekomen zijn.[73] Uit de notulen valt niet op te maken, wie het initiatief nam. Het kan Creutz≠berg zelf geweest zijn. In de uitwerking is in ieder geval intensief samengewerkt met de Liturgische Kring.[74] Van het oorspronkelijk acht-regelig responsorium uit het Book of Common Prayer blijft na overleg en beproeving in de Duinoordkerk uiteindelijk een bewerkt vier-regelig versikel over: 'Heer, open onze lippen', enzovoort. Dan volgen loflied, psalm en gloria patri. Het in 1934 door de Liturgische Kring uitgegeven Eeredienst kenmerkt zich door hetzelfde patroon, met een enkel ondergeschikt verschil in de tekst.[75]

 

Eťn punt is tot op heden goeddeels buiten beschouwing gebleven, maar verdient nog wel enige aandacht: het kerkelijk jaar. Vanuit de gemeente kwamen al vrij snel initiatieven antependia en leeslinten in de kleuren van het kerkelijk jaar te gaan gebruiken.[76] Het accent lag vooral op de feestdagen en de voorbereidingsperioden daarop. Opmerkelijk genoeg zou pas in 1934 het groen het roodpaars - te onderscheiden van het gedekt paars in advent en lijdenstijd - op de gewone zondagen vervangen. Andere stappen waren het aanbrengen van kleine variaties in de liturgie, bijvoorbeeld het in de lijdenstijd vervangen van het "Halleluja" door "Hosannah in den Hooge", en het geregeld gebruik van de klassieke zondagsnamen in de Duinoord-Kerkbode.[77] Het is echter onduidelijk, of dit laatste zijn weerslag heeft gehad op de keuze van de Schriftlezingen. Getuige de aankondigingen in de Duinoord-Kerkbode en Creutzbergs prekenbundel Hoogtij vieren heeft het klassieke pericopenstelsel in ieder geval op de preekteksten niet of nauwelijks invloed gehad. Maar dat hoefde volgens de Liturgische Kring ook niet: "Met de preek staat de Schriftlezing in geen verband." En: "De textkeuze blijve volstrekt vrij."[78]

 

4.3†††† De gebedsdiensten

 

Toen Creutzberg in september 1921 naar het voorbeeld van IJmuiden bidstonden startte op de zaterdagavonden, gaf hij hiervoor twee motieven. De activiteit moest duidelijk maken "dat de methodisten bij ons welkom zijn" en zou gemeenteleden de gelegenheid bieden zelf iets te doen voor de uitbreiding van het Koninkrijk.[79] Het eerste motief is niet geheel vrij van opportunisme. Het staat in het kader van Creutzbergs streven zoveel mogelijk mensen aan de Duinoordkerk te binden. Ruim een maand later stelde hij namelijk in het bestuur, "dat wij steeds weer aansluiting bij en dus strijd met de Gereformeerden moeten zoeken, onder wien zoo vele vrome zielen te vinden zijn."[80] Bij de start van de bidstonden moet bedacht worden, dat de Duinoordkerkgemeente primair gericht was op de omliggende wijk, ook al droeg ze al spoedig in feite een categoriaal karakter. Zoveel mogelijk mensen moesten zich in de gemeente thuis kunnen voelen. Een zekere verscheidenheid in het liturgisch aanbod was daartoe een middel.

De orde van de bidstonden was vrij. Maar ook Creutzberg zelf moet op termijn hebben aangevoeld dat ze daarom in de Duinoordkerk een 'FremdkŲr≠per' aan het worden waren. In 1929 bepleitte hij in de kerkbode een vaste lijn in de bidstonden: lied(eren); Schriftlezing, eventueel gevolgd door een toespraak; lied(eren); voorbeden; stil gebed; Onze Vader. Maar Creutzberg haastte zich wel bij dit voorstel te vermelden: "zonder dat evenwel de vrijheid van de leider [van de samenkomst] belemmerd wordt."[81] Hoewel Creutzberg in 1935 in het bestuur nog eens informeerde naar een vaste liturgie voor de bidstond, bijvoorbeeld de orde voor het avondgebed van G.W. Oberman, bleven de bijeenkomsten op de oude voet doorgaan.[82] De belangstelling voor dit type samenzijn verminderde evenwel gestaag. Het door jeugdpredikant P. Fagel (1907 - 1990) vlak voor Pasen 1936 geÔnitieerde dagelijkse, naar de inzichten van de Liturgische Kring vormgegeven morgenge≠bed mocht zich daarentegen in meer enthousiasme verheugen. Dat lag dan ook veel dichter bij het liturgisch profiel dat de gemeente in de loop der jaren ontwikkeld had.

 

4.4†††† De viering van het avondmaal

 

De eerste avondmaalsviering in Duinoord vond plaats op Goede Vrijdag 25 maart 1921 als "een zuiver liturgischen dienst", zonder preek.[83] Dat laatste was niet ongewoon in de Hervormde Kerk van die dagen. De orde van dienst in Duinoord werd bepaald door het klassiek-gereformeerde avondmaalsformulier, met dien verstande, dat de geloofsbelijdenis "overeenkomstig de wil van onze vaderen" hardop door de gemeente werd gezegd.[84] Ook de andere avondmaalsdiensten, altijd 's avonds, verliepen op deze wijze. Toen het vierde liturgisch handboekje Avondmaalsdienst begin 1925 verscheen, werd de daarin aangeboden orde vrijwel integraal overgenomen. Dat betekende vooral een uitbreiding, aangezien in deze orde volgens de inleiding het formulier behouden was, "doch in overeenstemming gebracht met de oud-christelijke bestanddeelen, waar die met de gereformeerde correspondeerden", ťn steeds onderbroken door een reactie van de gemeente.[85] Toch nam het bestuur uit zorg voor de onrust in de gemeente niet alle aanwijzingen uit het handboekje over, zoals bijvoorbeeld het handen wassen van de voorganger vůůr de avondmaalsvie≠ring.[86] PrincipiŽle bezwaren tegen elementen uit de katholieke traditie waren er nauwelijks. De motivatie de dienst een bepaalde vorm te geven was niet vrij van een zekere romantiek. De electrische verlichting bijvoorbeeld werd bij de avondmaalsviering vervangen door kaarslicht.[87]


De op 22 oktober 1928 vastgestelde herziening van de avondmaalsliturgie wordt gekenmerkt door de toenemende invloed van de ethische sacramentsbeschouwing ten koste van de orthodox gereformeerde. Zo vervalt in het zelfonderzoek de zinsnede, dat "de toorn Gods tegen de zonde zoo groot is" en wordt de terugwijzing der onboetvaardigen geheel geschrapt. De vergadering nam hiermee vrijwel ongewijzigd het concept over van de predikanten Jalink en Creutzberg, dat ingegeven was door respectievelijk "dogmatische" en "aesthetische" bezwaren tegen het oude formulier. Door de wijzigingen in het formulier krijgt de avondmaalsdienst een andere kleur en sfeer: minder dreigend, meer uitnodigend, en bepaald door dankzegging. Het esthetische motief van Creutzberg heeft daarmee ook duidelijk een dogmatische kant. Bij Jalink heeft het dogmatische bezwaar een liturgisch aspect, als hij bijvoorbeeld op een gegeven moment stelt, "dat in een gebed geen dogmatische bespiegeling voor moet komen". Daarom verdwijnt uit het avondmaalsgebed de zinsnede "ja met Hem, waarachtig God en mensch", waar gesproken wordt over lichaam en bloed van Christus. Afschaffing van het formulier, althans in een aantal diensten, was vervolgens nog slechts een kwestie van tijd. Verschuiving van een aantal avondmaalsdiensten naar de morgen in de zomer van 1932 vormde de aanleiding. Na een gewone morgendienst was er voor wie dat wilde avondmaal met een sterk verkorte liturgie, zonder de onderwijzende gedeelten uit het formulier.[88] Bij deze verkorting zijn geen concrete aanwijzingen te vinden van enige invloed van of op de Liturgische Kring. Die kwam begin 1934 in de uitgave Eeredienst met een geheel nieuw ontwerp, waarin het formulier met zijn stramien en bewoordingen werd losgelaten, maar een nieuwe naar verhouding korte orde werd gepresenteerd.[89] Nieuw was daarin de prefatie, compleet met beurtspraak tussen voorganger en gemeente. Hierop konden dan de voorbeden volgen, waarop dan weer een epicletisch gebed en inzetting aansloten. De prefatie kreeg in Duinoord vreemd genoeg wel een plaats in de uitgebreide avondmaalsliturgie voor de avonddiensten, nŠ inzetting, avond≠maalsgebed en geloofsbelijdenis, en vůůr nodiging en offerande. Het is duidelijk, dat Kring en Duinoordgemeente hier heel eigen wegen gegaan zijn. In de Duinoordkerk veranderde de avondmaalsliturgie tot zeker vlak na de oorlog nauwelijks meer. Het avondmaal behield haar relatieve zelfstandigheid. Van de door de Kring in 1934 voorgestane integratie in de hoofddienst kwam vooralsnog niets terecht.[90] Dat is mede een gevolg van de aanvankelijke viering op de zondagavond, een copie van de IJmuider situatie en mogelijk ingegeven door het verlangen naar een rustig en ordelijk verloop zonder kinderen en jongeren. Een van origine vooral praktisch punt heeft zo in het licht van nieuwe liturgische inzichten een principiŽle lading gekregen.

 


Het was vooral de voorzitter van het Duinoordbestuur, de jurist L. Litaert Peerbolte, die bij herhaling heeft aangedrongen op een verhoging van de frequentie van de avondmaalsviering, liefst een maandelijkse. Dit leidde tot een besluit op 13 oktober 1924 om van september tot en met mei over te gaan tot een maandelijkse viering. De verhoging zou negen vieringen per jaar betekend hebben, maar het aantal zou in de praktijk op zijn meest zeven keer per jaar bedragen, vaak minder.[91] Het onderwerp bleef het bestuur bezig houden, maar pas toen de vraagstelling op 26 september 1932 principiŽler werd, zag het zich gedwongen actie te ondernemen: "De voorz. stelt thans aan de orde de vraag, of de Duinoordkerk niet een roeping heeft om het H. Avondmaal meer te maken tot het centrale punt van den godsdienst." Uit de notulen komt naar voren, dat Litaert Peerbolte geboeid was door de Rooms-Katholieke liturgie. Gelet op de geciteerde formulering is het zeer wel mogelijk dat zijn initiatieven tot verhoging van de frequentie uit deze interesse voortkwamen. In de vergaderingen kreeg de voorzitter bijval van Jalink, die wees op het bijbels gebod het avondmaal dikwijls te vieren.[92] Anderen waren echter beducht voor sleur en verslap≠ping, wensten de bestaande situatie te handhaven of de avondmaalsviering te beperken tot de Goede Vrijdag, of meenden dat voor frequentieverhoging eerst een beter geestelijk klimaat moest worden gerealiseerd. Dat laatste standpunt was ook Creutzberg toegedaan, hoewel hij in het verleden had vastgesteld dat de situatie in Duinoord "zoo geheel anders is dan in andere kerken" en wel mogelijkheden had gezien voor een frequentieverhoging.[93] Ondanks een besluit van vier morgen- en vier avonddiensten op 7 november 1932 kwam het ook nu tot nooit meer dan zes diensten per jaar. Aan het einde van de jaren dertig waren het er vijf. De vraag rijst waarom de Duinoordkerkgemeente zo achterbleef, terwijl de Liturgische Kring in 1934 opriep tot zelfs een wekelijkse viering.[94] Problemen met de ambtelijke afvaardiging bij sacramentsbediening waren er vanaf dat jaar toch niet meer, omdat de gemeente toen werd opgenomen in het Hervormde kerkverband. Afgezien van weerstanden in de gemeente zelf, wijst veel erop, dat Creutzberg zelf weinig op had met een frequentere viering.[95] Hij nam geen initiatieven in deze richting en het is tekenend dat hij er in bijvoorbeeld de Duinoord-Kerkbode nooit over geschreven heeft. Hoewel de notulen wat zijn positie betreft onduidelijk zijn, lijkt het erop, dat hij zich bekende tot de groep die "wil dat bij elken maaltijd thuis Chr.' laatste avondmaal wordt herdacht" en aan de viering in de kerk slechts beperkte waarde hecht.[96] De aarzelingen van Creutzberg en de gemeente zouden tevens kunnen samenhangen met de door tafelviering respectabele lengte en met de sombere sfeer van de avondmaalsdiensten.[97]

 

De verhoging van de frequentie, hoe bescheiden ook, had gevolgen voor de voorbereiding op het avondmaal. Deze werd aanvankelijk vůůr elke avondmaalsdienst gehouden, eveneens in een zondagavondbeurt. Na de verhoging van de frequentie beperkte het aantal voorbereidingsdiensten zich al spoedig tot ťťn per jaar. In 1934 behoorde deze ene gelegenheid op de morgen van Goede Vrijdag - waarop ook avondmaal gevierd werd! - tot het verleden. Daarna vond er alleen inciden≠teel nog eens voorbereiding plaats.[98] Het bestuur lijkt zich in de loop der jaren niet al te zeer om de voorbereidingsdiensten bekommerd te hebben. Dat past in het grotere geheel van zijn beleid. In 1928, toen er ťťn overbleef, herzag het de avondmaalsliturgie en verwijderde de belangrijkste drempels die deelname zouden kunnen verhinderen. De zin van een aparte voorbereiding vervloog.

 

4.5†††† De bediening van de doop


De doopliturgie is nauwelijks onderwerp van nadere bestudering geweest in het Duinoordbestuur, terwijl de doop net als elders in grote steden vaak en in aparte diensten bediend werd. Niet lang na de opening van de kerk stelde het bestuur de orde voor een doopdienst vast, waarin het klassiek-gereformeerde doopformulier hoofdbestanddeel was, omgeven door votum, groet, Schriftlezing en enkele gebeden.[99] Het duurde tot het voorjaar van 1927 dat de Liturgische Kring haar ontwerp het daglicht deed zien. Daarin was het oude formulier uiteengelegd over de dienst.[100] Het is niet duidelijk wanneer deze opzet in Duinoord is ingevoerd. Dat is wel het geval bij het onderdeel over de bevestiging van nieuwe leden, namelijk op Palmpasen 1927, zij het in licht "gewijzigd ontwerp".[101] Op ťťn punt is de orde van de Kring gestempeld door Creutzbergs opvatting, namelijk om bij volwassenendoop eerst de doop en dan pas de belijdenis te doen plaatsvinden. Al in 1922 had hij geschreven: "Het lijkt mij meer gereformeerd, meer in de lijn der verbondstheologie, meer op het standpunt van ons recht op kinderdoop, deze vooraf te laten gaan."[102] In een toelichtende bijdrage op de orde van de Kring spreekt hij van "het verzuim van den kinderdoop".[103] Creutzberg zette hiermee de trend in de Liturgische Kring, hoewel zijn standpunt later door Van der Leeuw aanzienlijk genuanceerd zou worden.[104]

 

4.6†††† Gedachtenis van de overledenen

 


In de serie Liturgische Handboekjes van de Liturgische Kring valt er qua thematiek een in het bijzonder op, namelijk (...) Herdenking der gestorvenen (1928).[105] De aanleiding voor deze uitgave ligt in de Duinoordkerk. Daar werd in het voorjaar 1923 op een gemeenteavond om een "dooden≠zondag" gevraagd, waarop het bestuur besloot "aan de Liturgische Commissie [Kring] advies te vragen".[106] Nog voor de Liturgische Kring haar concept zou publiceren, hield de Duinoordkerkge≠meente haar eerste dodenzondag. Blijkbaar wilde ze niet langer wachten. Daarbij oriŽnteerde ze zich overigens verregaand op het voorlopig ontwerp van de Kring, dat in twee voorgangers voorzag: op 7 november 1926 gingen 's avonds Creutzberg en Snethlage voor in de eerste gedachtenisdienst.[107] De reacties waren soms ongemeen fel.[108] Ook in het bestuur bestonden de nodige reserves, die zelfs na verloop van jaren niet verdwenen.[109] Toch waren er ook nu weer gemeenteleden die verder wilden gaan. Iemand vroeg: "Bekendmaking van het leven der Heiligen om te komen tot een AllerHeiligendag." Het bestuur antwoordde kortweg, dat ieder zelf kon lezen en concludeerde: "een AllerHeiligendag is voorloopig nog niet aan de orde."[110] Anderen wensten in de gedachtenisdienst tevens avondmaal te vieren.[111] Hoewel associaties met een Roomse requiemmis niet denkbeeldig zouden zijn, reageerde het bestuur nuchter, net als toen bleek dat in de dienst ongewijzigde Rooms-Katholieke teksten werden gebruikt.[112] Het bestuur sloot uitbreiding met een avondmaalsviering op termijn niet uit, maar meende dat de gemeente eerst maar eens met de huidige gang van zaken vertrouwd moest raken. Soberheid was in de besprekingen over de vormgeving van de gedachtenisdienst steeds het trefwoord.


Het is de vraag of de keuze voor een gedachtenisdienst op de eerste zondag na 1 november aanvankelijk wel zo'n bewuste is geweest. Pas in 1929 was het Snethlage die de zaak aan de orde stelde, en gesteund door collega Jalink 1 november wilde aanhouden, op wat voor dag die ook viel.[113] Als alternatief stelde hij de eerste zondag na de 1e november voor. Vanwege de solidariteit met Anglicanen en Rooms-Katholieken zou hiermee de "Katholiciteit" beter tot uitdrukking worden gebracht.[114] Het bestuur, Creutzberg incluis, zag daarentegen meer in de laatste zondag van het kerkelijk jaar en was niet overtuigd door de argumenten van Snethlage: het vond dat allerheiligen bij de Rooms-Katholieken een ander karakter had en achtte de eerste zondag na 1 november een zwak compromis. Uit diverse stukken valt bovendien op te maken, dat Creutzberg persoonlijk de gedachtenis van de overledenen verbond met noties als de gemeenschap der heiligen door de eeuwen heen en de verbinding tussen de kerk in hemel en op aarde.[115] Thematisch kwam dat zijns inziens aan het einde van het kerkelijk jaar beter tot zijn recht. De Liturgische Kring bood de uiteindelijk gekozen variant naast de twee door Snethlage voorgestelde als gelijkwaardig aan, daarbij verwijzend naar de Lutherse kerk in Duitsland.[116] In de praktijk van de Duinoordkerk wisselde de datum nog wel eens, tot in 1935 definitief voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar gekozen werd, om de eenvoudige reden dat Het jaar onzes Heeren het zo aangaf.[117] Dit met de Liturgische Kring verwante periodiek over de inrichting van het kerkelijk jaar was Advent 1934 voor het eerst verschenen. Ook in zake de zogenoemde dodenzondag is de Duinoordkerkgemeente van trendsetter tot trendvolger geworden.

 

4.7†††† Overige zaken

 

Ter aanvulling op het voorgaande nog enkele initiatieven uit de dertiger jaren. Het laten luiden van de klok tijdens het Onze Vader werd vrijwel zonder discussie aangenomen.[118] Het voorstel om dit gebed hardop door de gemeente te laten zeggen stuitte daarentegen om ons onbekende redenen op weerstand.[119] Maar het bestuur stemde in met een aparte viering van Trinitatis, ook al moest daarvoor een liturgie gedrukt worden, hetgeen extra drukkosten met zich meebracht.[120] Onder protest ging het bestuur daarentegen accoord met de afschaffing van het consistoriegebed vůůr de dienst, dat door Creutzberg als een teveel ervaren werd.[121] Bezwaren hield het bestuur tegen het voornemen van Creutzberg om bevestigde lidmaten niet meer toe te spreken.[122] Hij stelde dat het ook bij de aanneming al gebeurde en in de liturgie geen plaats diende te krijgen. Al met al lijkt het moeilijk geweest te zijn bestaande gewoonten en tradities te wijzigen. Ging het om iets geheel nieuws dan was de reactie toeschietelijker, zoals bij de orde voor het leggen van de eerste steen van de jeugdkapel. Deze gebeurtenis werd op voorstel van Creutzberg als een kerkdienst opgevat, waarvoor de orde volgens de Duinoord-Kerkbode aan het Rituale Romanum was ontleend.[123] Gelet op het ontbreken van enige reactie in het bestuur, zal de gemeente geen moeite hebben gehad met dit type van plechtigheid, haar mogelijk zelfs positief gewaardeerd hebben. Het betrof hier echter een eenmalige gebeurtenis.

 

5.†††††† Conclusies

 


De bijdrage van Hendrik Willem Creutzberg aan de Liturgische Kring heeft vooral bestaan uit een vernieuwing van de liturgische praktijk. In de eerste plaats moet daarbij gedacht worden aan het kerkgebouw. Het is niet meer dan speculatie, dat zijn vrouw hem op dit spoor heeft gezet. Wel bestaan er aanwijzingen, dat zij zich bijzonder betrokken heeft gevoeld bij kerkbouw, kerkinrich≠ting en kerkgebruik en vanuit haar godsdienstige opvoeding daarbij een Anglicaanse richting koos. In het verlengde van deze kerkbouwkundige lijn, die een sterk esthetische component heeft, ligt Creutzbergs belangstelling voor de liturgie, in het bijzonder voor de liturgische orde. Creutzberg heeft daarbij net als Gerretsen tevens inspiratie geput uit het werk van Kuyper. Verder was hij net als op zeker moment de liturgische voorlopers Kuyper en Gerretsen, gevoelig voor methodistische invloeden.[124] Dit kan hun en zijn visie op de actieve rol van de gemeente, ook in de eredienst, gevoed of versterkt hebben. Voor Creutzberg werd in de periode in Duinoord het esthetische element, dat zijn oorsprong had in de waardering van het kerkgebouw, overheersend voor heel de eredienst. Deze ontwikkeling valt bij nadere beschouwing samen met een verbreding van Creutz≠bergs theologisch blikveld. Terwijl hij bijvoorbeeld aanvankelijk in Duinoord nog bruggen probeerde te slaan naar methodisten en gereformeerden, wilde hij later met name naar vrijzinnigen openingen maken.[125]≠ De aandacht verschuift van de gereformeerde naar de ethische theologie, van het dogma naar de geloofservaring, waarin ook de esthetiek een zekere plaats krijgt toebedeeld. Niet onbelangrijk is in deze verbreding de ruimte die de Duinoordgemeente Creutzberg bood. Na verloop van tijd ging een zeker pragmatisme de besluitvorming bepalen. Enerzijds bood dat ruimte. Over de invoering van Trinitatis wordt bijvoorbeeld nauwelijks gediscussiŽerd. Anderzijds bood dat beperkingen. Zo is over het tijdstip van de avondmaalsvieringen nooit principieel gesproken. De aanvankelijk zo vernieuwingsgezinde Duinoordkerkgemeente bleek al spoedig conservatieve trekken te vertonen. Behoudens een enkele uitzondering werd de liturgie in de jaren twintig ontwikkeld en vastgelegd, om pas na enkele decennia opnieuw in studie te worden genomen. Hoewel de verstarring ongetwijfeld te maken heeft met de houding van de gemeente, is ook Creutzbe≠rg zelf hier debet aan geweest. Meer dan eens blijkt Creutzberg in de jaren dertig niet te voelen voor verandering, bijvoorbeeld waar het gaat om een verzoek een kruiswegstatie bij de kerk aan te brengen, of de wens de gemeente meer invloed te geven in het bestuur.[126] Het aantal meldingen van een zwakker wordende gezondheid en een te zware werkdruk nam toe. Mogelijk probeerde hij te anteciperen op te verwachten tegenstand. Tevens zal een rol hebben gespeeld, dat Creutzber≠gs verplichtingen elders toegenomen waren. Zo kreeg hij landelijke functies op het terrein van liturgie en kerklied, begon hij te publiceren en engageerde hij zich met de zogenaamde Oxford-beweging. Het zwaartepunt in Creutzbergs werkzaamheden had zich verlegd.


Handelend over de oprichting van de Liturgische Kring stelt Lescrauwaet, dat acht voorgangers zich "associeerden" met Creutzberg.[127] Formeel gezien mag dat juist zijn, inhoudelijk is dat slechts in beperkte mate het geval. De Liturgische Kring ging al spoedig een eigen koers varen. De inbreng van Creutzberg lag vooral op het terrein van wat de klassieke liturgische dienst genoemd kan worden: de invoering van schuldbelijdenis en genadeverkondiging, alsmede daarmee verbon≠den vaste gezangen in de gewone zondagmorgendienst. Daar was hij uitvoerig op ingegaan in de kerkbladen in zowel zijn IJmuider als zijn Duinoordse periode. Dat waren ook de onderwerpen die hij in het eerste deel van de Liturgische Handboekjes en in het latere Handboek besprak. Hoewel de Liturgische Kring andere en verdergaande opvattingen ontwikkelde, is Creutzberg ook later een gewaardeerd lid geweest. In Orden van den Eeredienst, een uitgave van de Kring die in het najaar van 1941 verscheen, staat zijn naam als eerbetoon nog vermeld.[128]

In de Duinoordkerkgemeente bestond een grote verscheidenheid aan opvattingen, ook ten aanzien van de eredienst. De kern mocht dan ethisch zijn, daarnaast werden confessionele, vrijzinnige en Rooms-Katholieke (anglo-katholieke) accenten gevonden. Dit neemt niet weg, dat de gemeente zeker in de beginperiode invloed heeft gehad op de agenda van de Kring. Leden van de gemeente voelden zich mede door haar zelfstandigheid in hoge mate verantwoordelijk voor de gang van zaken, ook in de eredienst. Hoewel een directe relatie tussen deze bijzondere situatie en het standpunt van de Liturgische Kring over de gemeente als draagster van de liturgie niet kan worden aangetoond, is wel zeker dat de Duinoordkerkgemeente de Liturgische Kring bewust heeft gemaakt van de problematiek. Verder is er sprake van wisselwerking tussen Kring en gemeente bij het ontwerpen van de orden voor zowel Hoofd-(Predik-)dienst als Eeredienst en ligt aan het ontwerp van een liturgie voor de dodenzondag een vraag van de Duinoordkerkgemeente ten grondslag. In de jaren dertig is de gemeente misschien nog wel een voorbeeld, maar in afnemende mate een inspiratiebron voor de Kring. Zo verandert er ondanks de verschijning van Eeredienst niets in de avondmaalsliturgie van de Duinoordkerk. Zij gaat, mogelijk mede door de in dit opzicht van de Kring afwijkende opvatting van haar predikant, op de oude voet verder. Bij de start van een dagelijks morgengebed in 1936 wordt gebruik gemaakt van reeds aanwezig materiaal uit de sfeer van de Liturgische Kring. Hoewel de Duinoordkerkgemeente ook later nog met ere gememoreerd zal worden, is ze haar voorsprong kwijt.

 

 

Summary

 

The subject of this article is the relationship between H.W. Creutzberg (1875 - 1940) and the 'Liturgische Kring'. The 'Liturgische Kring' was founded in Creutzberg's parish church, the 'Duinoordkerk', most probably a year after its consecration in December 1920. Apart from some publications, up to now little was known about the first decades of the 'Liturgische Kring'. The archives of Creutzberg'≠s parish, the 'Duinoordkerkgemeente', however, afford an insight into this period now.

Just like the pioneer J.H. Gerretsen, in his view on liturgy Creutzberg was influenced by the orthodox reformed A. Kuyper as well as by the methodist tradition. In addition a strong aesthetical accent can be determined, especially in his approach of church buildings and church interiors. In the 'Duinoordkerk' aestheticism got the upper hand. Initially Creutzberg left a strong mark on the liturgy of the 'Duinoordkerk', but after some time his influence decreased and the liturgy froze. Though the congregation of 'Duinoord' was known for its innovative spirit, it showed itself to be quite traditional in the second decade of its existence. Creutz≠berg himself also became reluctant in the last years of his life. As his reputation grew, the number of occupations outside his parish increased, but his health worsened.

Without any doubt the liturgy of the 'Duinoordkerk' has inspired the 'Liturgische Kring'. Its ideals were put into practice here and the congregation of the 'Duinoordkerk' regularly put questions to the 'Liturgische Kring', for example about the nature of the office or about the layout of a service in remembrance of the deceased. Within a decade, however, each went his own way. A compari≠son of the in 1934 published Handboek voor den Eeredienst with the actual liturgical practice of the 'Duinoordkerk' shows us the latter is not trendsetting anymore. Though the congregation of the 'Duinoordkerk' was still uncommon in many respects, its leading role in the renewal of the liturgy had been finished.



[1]†††††††††† Met dank aan G. (Gilbert, Gijs) Creutzberg, zoon van wijlen ds. H.W. Creutz≠berg, alsmede aan K. van der Duin, archiefbeheerder van de Hervormde Gemeente IJmuiden-West, die zo vriendelijk waren dit artikel kritisch door te nemen en van commentaar te voorzien.

[2]†††††††††† (Bussum 1957) 90. Het waren zeker geen acht predikanten. Een van het achttal, M. van Woensel Kooy, was namelijk evangeliste. Over de oprichtingsdatum en de personele samenstelling van de Kring in de eerste jaren van haar bestaan hoop ik binnen afzienbare tijd te publiceren in de Lectiones van de Liturgische Kring.

[3]†††††††††† Inleiding. Waarom Liturgie? Beginsel en practijk, uitgegeven van wege den Liturgische Kring (= Liturgische Handboekjes I) (Baarn 1923) V.

[4]†††††††††† Vergelijk Archief Liturgische Kring - Algemeen Rijksarchief ('s-Gravenhage), Tweede Afdeling. Naar verwachting zal dit archief eind 1999 of begin 2000 naar het Rijksarchief Utrecht worden overgebracht.

[5]†††††††††† Zie voor de verhouding tussen Duinoordkerk, Kring en Creutzberg een enkele opmerking van G. van der Leeuw in Vijf-en-twintig jaren Duinoordkerk 17 December 1920 - 17 December 1945 (Den Haag 1945) 32. Creutzberg schreef naar verhouding weinig over liturgische zaken: Eentonigheid, Gevaar voor Sleur, Waarom de Schuldbelijdenis een afzonderlijke acte, De Beteekenis van den Zegen, in Inleiding respectievelijk 26vv, 28v, 38v en 49v; Een questie in den dienst tot bevestiging van jonge lidmaten, in Heilige Doop en Bevestiging van Nieuwe Leden, uitgegeven van wege den Liturgischen Kring (= Liturgische Handboekjes V) (Baarn 1927) 27vv; De eeredienst tot aan de offerande, in Handboek voor den eeredienst in de Nederlandsche Hervormde Kerk, samengesteld door den Liturgische Kring (Rotterdam 1934) 91 - 104; De preek in den eeredienst (Serie: wat doen wij in de kerk) (Baarn 1937); Het gebed des Heeren (Baarn 1938).

[6]†††††††††† Zie voor H.W. Creutzberg in het algemeen: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme 4 (Kampen 1998) 108v. Ik heb geen persoonlijk archief van hem kunnen vinden. Zie voor K.F. Creutzberg: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek X, 221. Vergelijk voor verdere gegevens betreffende hem, zijn voor- en nageslacht ook: CBG 's-Gravenhage, diverse collecties onder de familienaam Creutzberg; Nederland's Patriciaat 43 (1957) 105 - 114.

[7]†††††††††† Kerkopbouw 3 (1934-35) 83.

[8]†††††††††† Handelingen Synode Hervormde Kerk 1930, bijlage B (169). Zie over de totstandkoming van de bundel: W.F. DANKBAAR: De Hervormde Psalmen- en Gezangenbundel van 1938, in A.C. HONDERS (red.) Klinkend geloof. Uit de geschiedenis van het Nederlandse kerkelijk en geestelijk lied ('s-Gravenhage 1978) 63 - 77.

[9]†††††††††† Vergelijk Handelingen Synode Hervormde Kerk 1931, bijlage B (166). Het werk van deze commissie heeft niet tot resultaat geleid.

[10]†††††††† Vergelijk: H.D. DE LOOR: Nieuw Nederland loopt van stapel. De Oxford Groep in Nederland, een sociale beweging van het interbellum (Kampen 1986) 60 - 63. Zie voor de verdere inzet van Creutzberg en de Duinoordkerkgemeente het personenregister.

[11]†††††††† Notulen van de kerkeraad d.d. 8 december 1903 - GA (= Gemeentearchief) Beverwijk, Archief Hervormde Gemeente Wijk aan Zee en Duin, nr. 503. Vergelijk A. KUYPER: Onze Eeredienst (Kampen 1911) 486v en 494v (met betrekking tot de doop: 9). Vergelijk J.H. GUNNING J.Hzn.: Onze Eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den gereformeerden cultus (Groningen 1890) 123v, die echter een inhoudelijk argument hanteert.

[12]†††††††† Vergelijk voor de frequentie in de Hervormde gemeenten: Handelingen Synode Nederlandse Hervormde Kerk 1900, 233: 761 keer vier maal, 133 keer drie maal, 321 keer twee maal en 106 keer een maal per jaar: 1321 opgaven. Vergelijk ook KRUIJF: Liturgiek, 155 - noot 1.

[13]†††††††† "Ds. H.W. Creutzberg 1900 - 1907" d.d. januari 1941 - GA Beverwijk, Archief Hervormde Gemeente Wijk aan Zee en Duin, nr. 540.

[14]†††††††† Notulen Comitť ter Evanglisatie te IJmuiden d.d. 29 november 1907 - Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, aanvulling.

[15]†††††††† LESCRAUWAET: De liturgische beweging 82. Lescrauwaets beschrijving is zodanig aangepast geciteerd, dat ze overeenkomt met de werkelijkheid. Het lijkt er echter op, dat hij bij de beschrijving van de IJmuider kerk deels de Duinoordkerk voor ogen heeft gehad. Anders dan in IJmuiden liep daar een pad in het midden der banken naar het liturgisch centrum en stond de kansel links. Vergelijk ook 1911 - 1981. 70 jaar Nieuwe Kerk (IJmuiden 1981 (gestencild)). De Nieuwe Kerk staat sinds 1987 op de provinciale monumentenlijst (vergelijk Kerken in Noord-Holland 1800 - 1940 (Haarlem 1991) 144 - 147).

[16]†††††††† De Vuurtoren. Hervormd Weekblad voor Beverwijk (...) & Santpoort Herv. Evang. 9 (1935-36), nr. 41 (11 juli 1936).

[17]†††††††† Vergelijk notulen bestuur d.d. 4 november 1918 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[18]†††††††† Zie voor de vaak genoemde Anglicaanse vorming van mevrouw Creutzberg de waarschijnlijk enige oorspronkelijke bron: S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel: In Memoriam Ds. Creutzberg, in: Vijf-en-twintig 27 - 31, p. 29 (eerder gepubliceerd in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur van 10 januari 1941).

[19]†††††††† Duinoord-Kerkbode 4 (1924), nr. 43 (31 oktober).

[20]†††††††† Vergelijk voor dat laatste met de gereformeerde orthodoxie sympathiserende theologen als: GUNNING: Onze Eeredienst 46 - 51; KRUIJF: Liturgiek 76 - 83.

[21]†††††††† Notulen (bijzondere) kerkeraad d.d. 5 maart 1908 (vergelijk 14 december 1908) - Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, aanvulling.

[22]†††††††† Notulen (bijzondere) kerkeraad d.d. 5 februari 1909 (vorige regel) en 4 september en 14 december 1908 (deze regel) - Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, aanvulling.

[23]†††††††† Jaargang 2 van het Predikbeurtenblad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te IJmuiden (1911-12) ontbreekt in het archief (Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, aanvulling, doos 8). In 1913 liet Creutz≠berg zijn oproep na, maar kwam daar in 1914 naar aanleiding van reacties uit de gemeente op terug (Predikbeurtenblad 4 (1913-14), nr. 27 (20 februari 1914)), ook in volgende jaren.

[24]†††††††† Later zou blijken dat Creutzberg doelde op: A. KUYPER: Uit het Woord. Stichtelijke BijbelstudiŽn. Tweede serie - derde bundel. Practijk der Godzaligheid (Amsterdam z.j.) met name 221 - 258.

[25]†††††††† Voor het eerste, vergelijk G.D.J. SCHOTEL: De openbare Eeredienst der Nederlandsch Hervormde Kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw (2e dr. Leiden z.j.) 263.

[26]†††††††† Deze bestond reeds in de tijd van evangelist Wesseldijk die van 1892 tot 1902 in IJmuiden werkzaam was (C.J. NAEREBOUT: Schetsen uit het leven van W. Wesseldijk. Evangelist der N.E.P.V. (Utrecht z.j.) 157v). Vergelijk de opmerking van Creutzberg die in 1913 stelt: "al 15 jaar" (Predikbeurten≠blad 3 (1913-14), nr. 42 (30 mei 1913). In 1921 heet het echter: "In IJmuiden is het meer dan dertig jaar gedaan." (Duinoord-Kerkbode 1 (1920-21), nr. 39 (16 september 1921))

[27]†††††††† Creutzberg in de Duinoord-Kerkbode (9 (1929), nr. 1 (4 januari)): "Ik leerde het in 1908 in IJmuiden en heb nooit meer een jaar overgeslagen." Vergelijk: Christelijke Encyclopedie (2e druk) 2, 677. Bij navraag bleek, dat de Evangelische Alliantie, thans gevestigd te Driebergen, geen archief bezit dat nadere gegevens kan verschaffen.

[28]†††††††† Afgezien van Creutzbergs eigen verklaring is er alleen een eerste vermelding in het Predik≠beurtenblad 1 (1910-11), nr. 20 (30 december 1910). Daaruit blijkt, dat zeker al in 1910 de week der gebeden in IJmuiden werd gehouden.

[29]†††††††† Notulen kerkeraad d.d. 19 december 1913 - Archiefdienst Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, nr. 14.

[30]†††††††† Vergelijk W.K. LOWTHER CLARKE, CHARLES HARRIS (eds.) Liturgy and Worschip. A Companion to the Prayer Books of the Anglican Communion (London 1959) 708 - 713. Vergelijk voor inwijdingsdiensten ook KRUIJF, Liturgiek, 198vv.

[31]†††††††† Predikbeurtenblad 1 (1910-11), nr. 44 (16 juni 1911); nr. 49 (20 juli 1911).

[32]†††††††† Ook is Creutzbergs naam niet te vinden op de lijst van hen die in 1912 reageerden op een oproep van L.W. Bakhuizen van de Brink om de liturgische bezinning aan te vatten (vgl. K.W. DE JONG: Gerretsens 'Liturgie' in perspectief, in Jaarboek voor Liturgie-onderzoek 9 (1993) 25 - 63, p. 48v).

[33]†††††††† Predikbeurtenblad 5 (1914-15), nr. 39 (21 mei 1915).

[34] ††††††† Notulen kerkeraad d.d. 21 februari 1914 - Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, nr. 14. Vergelijk voor de uitwerking: Predikbeurtenblad 4 (1913-14), nr. 28 (27 februari 1914).

[35]†††††††† Na protesten zou het door de gemeente gezegde 'amen' worden afgeschaft (vergelijk notulen kerkeraad d.d. 13 maart 1914 - Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, nr. 14).

[36]†††††††† Namelijk gezang 52: 10.

[37]†††††††† Predikbeurtenblad 4 (1913-14), nr. 28 (27 februari 1914). Vergelijk J.H. GERRETSEN: Liturgie (Nijmegen 1911) 5 - 7.

[38]†††††††† Vergelijk: GERRETSEN: Liturgie 9 en 11. Gerretsen beschouwt het kerkgebouw in functie van de liturgie.

[39]†††††††† Openstelling: notulen kerkeraad d.d. 19 september 1913 (vergelijk 8 augustus 1913) - Archiefdienst Kennemerland, Haarlem, Archief Hervormde Gemeente IJmuiden-West, nr. 14. Stilte en inkeer voor de diensten: bijvoorbeeld Predikbeurtenblad 4 (1913-14), nr. 5 (12 september 1913).

[40]†††††††† De kerkeraadsnotulen maken geen melding van de verandering. Jaargang 2 (1911-12) van het Predikbeurtenblad ontbreekt in het archief.

 

[41]†††††††† Zie noot 33. Vergelijk KUYPER: Onze Eeredienst 481 - 483. Minder vergaand in: E Voto Dordraceno. Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus (Amsterdam 1894) 88v.

[42]†††††††† Vergelijk voor het avondmaal 's avonds: R.A. BOSCH: Rouwsluier over de Tafel van de Heer? Over de herkomst van de avondmaalsviering op de Goede Vrijdag, in Eredienstvaardig 15 (1999) nr. 1, 7 - 11, p. 9.

[43]†††††††† Zie: J.M. JALINK: Herinneringen uit de eerste jaren der Duinoordkerk (z.p. z.j.); Vijf-en-twintig jaren.

[44]†††††††† Notulen bestuur d.d. 27 januari 1919 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51. Voor het contact met de architect: notulen bestuur d.d. 4 november 1918.

[45]†††††††† Vergelijk notulen bestuur d.d. 15 november 1920 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[46]†††††††† Het kan in de benoemingsprocedure zelfs een positieve rol hebben gespeeld. Vůůr Creutzberg was contact gezocht met J.H. Gunning J.Hzn. (1858 - 1940), eveneens bekend vanwege zijn belangstelling voor liturgische zaken.

[47]†††††††† Notulen bestuur d.d. 8 oktober 1920 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[48]†††††††† Zie bijvoorbeeld: Duinoord-Kerkbode 1 (1920-21), nr. 1 (17 december 1920).

[49]†††††††† Duinoord-Kerkbode 2 (1922), nr. 3 (13 januari).

[50]†††††††† Notulen bestuur d.d. 10 januari 1922 en 18 september 1923 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[51]†††††††† Vergelijk ook de door de Franse liturgioloog E. Bersier geÔnspireerde 'chants spontanťs' in Gerretsens concept uit 1911 (DE JONG: Gerrestsens 'Liturgie' 44).

[52]†††††††† Duinoord-Kerkbode 3 (1923), nr. 19 (4 mei).

[53]†††††††† Notulen bestuur d.d. 28 mei 1934 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[54]†††††††† Creutzberg vreesde kerkpolitieke manipulaties die het bestuur vleuggellam zouden maken (zie bijvoorbeeld notulen bestuur d.d. 7 maart 1938 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52).

[55]†††††††† Notulen bestuur d.d. 22 november 1920 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51. Vergelijk notulen d.d. 10 januari 1922, 5 mei 1922 en 18 september 1922 (doos 52).

[56]†††††††† Notulen bestuur d.d. 25 februari 1924 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52 (vergelijk ook G. van der Leeuw aan bestuur Duinoordkerkgemeente d.d. 1 februari 1925 - doos 19).

[57]†††††††† Vergelijk Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur 1 (1924-25), nr. 21 (27 maart 1925). Titel: "Een futiele Quaestie".

[58]†††††††† Vergelijk J. ROLDANUS: Plaats en rechten volgens de vroege Liturgische Beweging in Nederland, in M. BONS-STORM en L.A. HOEDEMAKER: Omwegen door de woestijn. Reflecties over de theologie van prof.dr. G.D.J. Dingemans bij zijn afscheid als kerkelijk hoogleraar (Kampen 1993) 57 - 74.

[59]†††††††† Bijvoorbeeld: GERRETSEN: Liturgie 9: "In de liturgie aanbidt en belijdt de gemeente."

[60]†††††††† ROLDANUS: Plaats en rechten 62v.

[61]†††††††† Notulen bestuur d.d. 23 mei 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51. De oorspronkelijke tekst zou ontleend kunnen zijn aan het Book of Common Prayer, waar een passage in het gebed over de gaven luidt: "We humbly beseech thee most mercifully [to accept our alms and oblations, and] to receive these our prayers, which we offer".

[62]†††††††† P. Blaauw in: Handboek 116.

[63]†††††††† Vergelijk Bergopwaarts 2 (1918-19), nr. 13 (25 januari 1919). Vergelijk P. Blaauw in Handboek 108: "Wij kunnen begrijpen, dat in een ontwerp van liturgischen dienst, dat wij eens lazen, gťťn poging werd gedaan, om de collecte te releveeren." Impliciete kritiek op Van der Leeuws ontwerp uit 1919?

[64]†††††††† Notulen bestuur d.d. 18 september 1922 (vergelijk 10 januari 1922, 5 mei 1922, 6 juni 1922) - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52).

[65]†††††††† Uitgegeven van wege den Liturgische Kring (= Liturgische Handboekjes II) (Baarn 1923). Voor deel I, zie noot 3.

[66]†††††††† Vergelijk Bergopwaarts 2 (1918-19), nr. 13 (25 januari 1919). Opvallend is de centrale positie van de geloofsbelijdenis in elke dienst, in de bewoording van het Apostolicum (feestdagen: Nicaenum). In de toelichting van het handboekje (27): "het hoogtepunt van den dienst, de gemeenschappelijke geloofsuiting der gansche gemeente".

[67]†††††††† In de Liturgische Kring heersten duidelijke bezwaren tegen dit accent, bijvoorbeeld bij Eggink (Inleiding 41v) en ook op langere termijn nog bij Creutzberg (Handboek 94vv, 99v). Toch zou ook op die termijn in de Kring een (lichte) voorkeur blijven uitgaan naar het voorop doen gaan van de wetslezing (Eeredienst (Rotterdam z.j. [1934]) 4, 7vv). Het laten volgen van de wet op schuldbelijdenis en genadever≠kondiging kreeg vorm in een variant (Hoofd-(predik-)dienst 11 - 14, 24, 26; Eeredienst 4, 9).

[68]†††††††† Hoofd-(Predik-)dienst 28 (vergelijk 30).

[69]†††††††† Suggesties in deze richting zijn ook te vinden bij Gunning (Onze Eeredienst 47) en Kruijf (Liturgiek 78). Bij invloed van Duinoord kan ook gedacht worden aan de vervanging van de wet door de geloofsbelijdenis op feestdagen (waarbij de eigenlijke rubriek geloofsbelijdenis vervalt) (Hoofd-(predik-)dienst 36).

[70]†††††††† Notulen bestuur d.d. 18 september 1922 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Toevoeging in de schuldbelijdenis: "en daar is geene kracht in ons." Deze zinsnede is terug te vinden in het Book of Common Prayer (Hoofd-(predik-)dienst 8, 25). Antwoord op de wet: vergelijk de melodie van psalm 119: Hoofd-(predik-)dienst muziekbijlage 7.

[71]†††††††† Dat wordt duidelijk uit de liturgieŽn (orde van dienst op zon- feestdagen, maar ook voor doop en avondmaal) in de 'nieuwe' spelling (zie onder meer: GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, dozen 18 en 19).

[72]†††††††† Duinoord-Kerkbode 12 (1932), nr. 43 (4 november): definitief met ingang van zondag 13 november.

[73]†††††††† Vergelijk notulen bestuur d.d. 11 januari 1932 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[74]†††††††† Bijvoorbeeld: notulen bestuur d.d. 22 februari 1932 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[75]†††††††† Vergelijk Eeredienst 12v. Vergelijk H.W. Creutzberg in Handboek 100, waar zich in de laatste alinea indirecte verwijzingen naar de ontwikkeling van dit onderdeel in de Duinoordkerk bevinden.

[76]†††††††† Notulen bestuur d.d. 22 april 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51. Om praktische redenen gebeurde dit slechts geleidelijk (Duinoord-Kerkbode 1 (1920-21), nr. 52 (16 december 1921); 2 (1922), nr. 46 (24 november); 14 (1934) nrs. 36 (21 september) en 43 (9 november)).

[77]†††††††† Vergelijk voor het eerstgenoemde Duinoord-Kerkbode 5 (1925), nr. 10 (6 maart). Voor het tweede: in 1921 telde de lijdenstijd nog zeven zondagen, in 1922 daarentegen zes. Vanaf Duinoord-Kerkbode 3 (1923), nr. 8 (16 februari) verschenen in de lijdenstijd klassieke zondagsnamen, slechts in sommige jaren herhaald, bijvoorbeeld 1929 en 1935 (N.B. Advent 1934 was Het jaar onzes Heeren van start gegaan).

[78]†††††††† Hoofd-(predik-)dienst respectievelijk 27 en 28. Vergelijk Waarom liturgie? 44v (iets genuan≠ceerder).

[79]†††††††† Notulen bestuur d.d. 5 september 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[80]†††††††† Notulen bestuur d.d. 19 oktober 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[81]†††††††† Duinoord-Kerkbode 9 (1929), nr. 7 (15 februari).

[82]†††††††† Notulen bestuur d.d. 14 juli 1935 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. C.B. van Haeringen in Vijf-en-twintig jaren 14.

[83]†††††††† Notulen bestuur d.d. 12 februari 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[84]†††††††† Notulen bestuur d.d. 12 maart 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[85]†††††††† Avondmaalsdienst, uitgegeven van wege den Liturgischen Kring (= Liturgische Handboekjes IV) (Baarn 1925), 4.

[86]†††††††† Notulen bestuur d.d. 6 april 1925 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[87]†††††††† Notulen bestuur d.d. 23 februari 1925 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[88]†††††††† 'Verkortr[e] avondmaalsliturgie. Avondmaalsdienst Duinoordkerk' - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 18. Dit stuk dateert vermoedelijk uit 1938 (notulen bestuur d.d. 26 september 1938 - doos 52). De orde van de verkorte liturgie is echter in vrijwel dezelfde vorm reeds in 1932 vastgesteld (notulen bestuur d.d. 20 juni en 10 oktober 1932 - doos 52).

[89]†††††††† Eeredienst (Rotterdam z.j. [1934]). Eeredienst werd enkele maanden eerder zelfstandig uitgegeven, maar tevens als bijlage in het Handboek opgenomen.

[90]†††††††† Vergelijk J.N. Bakhuizen van den Brink in Handboek 144; G. van der Leeuw in Vijf-en-twintig jaren 33.

[91]†††††††† Vergelijk notulen bestuur d.d. 3 november 1924 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[92]†††††††† Notulen bestuur d.d. 10 oktober 1932 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[93]†††††††† Notulen bestuur d.d. 6 oktober 1924 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Voor de geestelijke situatie van de gemeente en een dalend avondmaalsbezoek, zie: notulen bestuur d.d. 3 november 1930. Vergelijk voor verminderde kerkgang in het algemeen: notulen bestuur d.d. 17 mei 1926.

[94]†††††††† Vergelijk J.N. Bakhuizen van den Brink in Handboek 145v.

[95]†††††††† Voor weerstanden in de gemeente, zie: notulen bestuur d.d. 7 november 1932 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[96]†††††††† Vergelijk notulen bestuur d.d. 10 oktober 1932 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[97]†††††††† Zo suggereerde G. Creutzberg in een gesprek op maandag 12 oktober 1998.

[98]†††††††† In 1939 bijvoorbeeld, ruim een maand (!) voor de avondmaalsviering op Goede Vrijdag (vergelijk Duinoord-Kerkbode 19 (1939), nr. 9 (3 maart)).

[99]†††††††† Notulen bestuur d.d. 14 juni 1921 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[100]†††††† Vergelijk Heilige Doop.

[101]†††††† Notulen bestuur d.d. 21 maart 1927 (vergelijk 7 maart 1927) - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Volgens Duinoord-Kerkbode 7 (1927), nr. 13 (1 april 1927) is alleen het gedeelte betreffende de bevestiging van nieuwe lidmaten ingevoerd.

[102]†††††† Duinoord-Kerkbode 2 (1922), nr. 18 (28 april). Geheel nieuw was de gedachte te dopen vůůr de bevestiging overigens niet (vergelijk KRUIJF: Liturgiek 153 - met name noot 2).

[103]†††††† Heilige Doop 28. De Kring is echter niet geheel helder. In de toelichting (25) biedt ze zowel de mogelijkheid eerst te dopen en dan belijdenis af te leggen, als andersom. Maar in het eerste geval redeneert ze dan vreemd genoeg: "De belijdenis, waarop wordt gedoopt, is voorafgegaan bij de aanneming." Voor Creutzberg evenwel is de aanneming een onderzoek naar "kennis van zaken" (Heilige Doop 29).

[104]†††††† Vergelijk Bakhuizen van den Brink in: Handboek, 89. Van der Leeuw onderscheidt a) de overkomst uit niet-kerkelijke groeperingen, en b) het door de gebrekkige band van de ouders met de kerk niet gedoopt zijn (Liturgiek (2e dr. Nijkerk 1946) 64v). In het eerste geval handhaaft hij de klassieke doop op belijdenis, in het tweede geval volgt hij de lijn van Creutzberg. Het is overigens frappant, dat in de Liturgische Handreiking I ('s-Gravenhage 1967) deze lijn wordt voortgezet - eerst dopen, dan vragen stellen - maar met een tegengesteld argument: Anders "wordt onwillekeurig de suggestie gewekt, dat er destijds (...) een verzuim is gepleegd" (2-3; cursivering KWdJ).

[105]†††††† Hernieuwde bezinning. Herdenking der gestorvenen, uitgegeven van wege den Liturgische Kring (= Liturgische Handboekjes VI) (Baarn 1928).

[106]†††††† Notulen bestuur d.d. 14 mei 1923 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Vergelijk ook G. van der Leeuw aan bestuur Duinoordkerkgemeente d.d. 1 februari 1925 - doos 19.

[107]†††††† De orde is tezamen met die van andere bijzondere diensten bewaard gebleven: GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 19.

[108]†††††† Bijvoorbeeld in: De Reformatie 7 (1926-27) 63, 70 en 79. Ook in de eigen gemeente had een enkeling principiŽle bezwaren: vergelijk notulen bestuur d.d. 22 november 1926 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[109]†††††† Zo in notulen bestuur d.d. 25 oktober 1926 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoord≠kerk (bij de stemming over de dienst 1 blanco). Vergelijk notulen bestuur d.d. 2 december 1929 (een lid zou liever "een goede preek hooren"); d.d. 5 november 1934 (geen behoefte aan de dienst bij een drietal bestuursleden).

[110]†††††† Notulen bestuur d.d. 10 januari 1927 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[111]†††††† Notulen bestuur d.d. 2 december 1929 en 3 februari 1930 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[112]†††††† Vergelijk voor het laatste: notulen bestuur d.d. 9 november 1931 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[113]†††††† Notulen bestuur d.d. 30 september en 2 december 1929 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[114]†††††† Zie voor deze uitdrukking: H.A.C. Snethlage aan bestuur Duinoordkerkgemeente d.d. 16 september 1929 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 31.

[115]†††††† Vergelijk Duinoord-Kerkbode 6 (1926) nr. 41 (29 oktober); 10 (1930) nr. 42 (31 oktober).

[116]†††††† Hernieuwde bezinning 45v.

[117]†††††† Vergelijk Duinoord-Kerkbode 15 (1935), nr. 43 (8 november).

[118]†††††† Notulen bestuur d.d. 24 september 1934 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Wel was het al langer gebruik bij de jaarwisseling de klok na drie slagen (Vader, Zoon en Heilige Geest) te luiden (notulen bestuur d.d. 21 december 1927).

[119]†††††† Notulen bestuur d.d. 15 april, 13 mei 1935, 10 februari 1936 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52; Duinoord-Kerkbode 16 (1936), nr. 8 (21 februari) en nr. 11 (13 maart).

[120]†††††† Notulen bestuur d.d. 27 mei 1935 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Vergelijk voor soortgelijke reactie op de invoering van een oogstdienst: notulen d.d. 21 september 1936.

[121]†††††† Notulen bestuur d.d. 24 januari 1938 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[122]†††††† Notulen bestuur d.d. 13 maart 1939 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52.

[123]†††††† Duinoord-Kerkbode 16 (1936), nr. 42 (30 oktober).

[124]†††††† Vergelijk DE JONG: Gerretsens 'Liturgie' 30 (Gerretsen was in zijn studietijd geboeid door het Leger des Heils); H. KRABBENDAM: Zielenverbrijzelaars en zondelozen. Reacties in de nederlandse pers op Moody, Sankey en Pearsall Smith, 1874-1878, in Documentatieblad voor de Nederlandse kerkge≠schiedenis van de 19e eeuw 34 (1994) 39 - 55 (Kuyper en de Brighton-beweging).

[125]†††††† Voor het laatste bijvoorbeeld: notulen bestuur d.d. 16 januari 1939 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52. Waar Creutzberg in IJmuiden zich actief had ingezet voor het christelijk onderwijs, relativeert hij later het belang hiervan (vergelijk notulen bestuur d.d. 4 maart 1935).

[126]†††††† Bezwaar van Creutzberg tegen het eerste "omdat hij er te conservatief voor is" (notulen bestuur d.d. 22 november (vergelijk 15 februari) 1937 - GA 's-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 52) en tegen het tweede met het argument: "ouderwetsche dingen zijn altijd nog het best" (notulen bestuur d.d. 7 maart 1938).

[127]†††††† Vergelijk noot 2 en het daar gestelde.

[128]†††††† Vergelijk Orden van den Eeredienst voor de Nederlandsche Hervormde Kerk (Amsterdam-Haarlem 1941) 1.