Dit artikel is verschenen in Jaarboek  voor liturgieonderzoek 13 (1997), 67-91.

 

 

HET OORSPRONKELIJK ELEMENT IN KUYPERS 'ONZE EEREDIENST'

 

"Stellig is het geen overtolligheid te achten, dat ook over onze Eeredienst nader de gedachte ga."

(A. Kuyper, Onze Eeredienst, Kampen 1911, 7)

 

 

Enkele jaren geleden schreef ik voor het Jaarboek een bijdrage over de brochure Liturgie van J.H. Gerretsen die in het najaar van 1911 verscheen, enkele weken na de eerste zogenaamde liturgische dienst in de Haagse Kloosterkerk op 12 november.[1] Kort tevoren was Onze Eeredienst van de hand van A. Kuyper van de persen gerold, samen met Gerretsens brochure door G. van der Leeuw gerekend tot de "twee classieken" op liturgisch terrein in ons taalgebied.[2] Indertijd toonde ik reeds aan, dat Gerretsen in ieder geval praktisch sterk afhankelijk is geweest van Kuyper.[3] Diens denkbeelden bepaalden de inrichting van zijn liturgische dienst. Dit wijst erop, dat Kuypers invloed op de liturgische beweging in ons land niet gauw onderschat kan worden. Het is derhalve de moeite waard zijn werk nog eens aan een nader onderzoek te onderwerpen, in het bijzonder Onze Eere­dienst. Ik wil daarbij in het bijzonder ingaan op de achtergronden­ van dit werk en dit toespitsen op de vraag naar welke nieuwe gedachten Kuyper in de artikelen voor Onze Eeredienst heeft neergelegd. Nu is Onze Eeredienst een bundel van artikelen die vanaf 1897 in De Heraut verschenen en in 1911 met een aantal nieuwe bijdragen werd aangevuld. Ik maak daarom onderscheid tussen de artikelenreeks en de bundel.[4]  Een aantal zaken heb ik reeds aan de orde gesteld in mijn vorig jaar verschenen proef­schrift Ordening van dienst.[5] Hier en daar is herhaling niet te vermijden. Waar mogelijk zal ik echter verwij­zen.

 

 

1.       De artikelenreeks

 

1.1          Aanleiding

 

Kuyper publiceerde zijn eerste artikel in De Heraut van 6 juni 1897. Kuyper was in deze jaren op tal van terrein actief. In de journalistiek: enkele maanden tevoren was het 25-jarig bestaan van De Standaard en Kuypers hoofdredacteurschap van de krant gevierd. In de politiek: als leider van de Anti-Revolutionairen nam hij een vooraanstaande positie in in de verkiezingsstrijd die gaande was. In de theologie: in 1894 was Kuypers driedelig Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid verschenen en nog steeds doceerde hij aan de Vrije Universiteit en publiceerde hij over theologische onderwerpen. In de Gereformeerde Kerken: een jaar tevoren had hij op de synode van Middel­burg de trend gezet voor de opvattingen over de zending. Met andere woorden: Kuypers invloed was groot en deed zich op tal van terreinen gelden. In 1901 minister-president geworden concentreerde zijn aandacht zich noodgedwongen op de politiek. Dit nam niet weg, dat hij in het bijzonder na zijn (tijdelijke) politieke aftocht in 1905 ook als journalist en theoloog werkzaam bleef.

"Stellig is het geen overtolligheid te achten, dat ook over onze Eeredienst nader de gedachte ga", zo begint Kuyper zijn eerste artikel in De Heraut schijnbaar argeloos.[6] Het is evenwel zeer waarschijnlijk dat Kuyper bewust juist nu over deze kwestie wil handelen in het toonaangevende periodiek.[7] Enkele maanden later, in september 1897, zou een kerkboek verschijnen "in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland", dat alles bevatte wat nodig was voor het inrichten van de eredienst: psalmen en gezangen, belijdenisgeschriften, liturgische formulieren en formuliergebeden. Het slot van de titel gaf de pretentie van dit kerkboek aan: "Naar den door die Kerken vastgestelde tekst."[8] De Gereformeerde Kerken in Nederland waren historisch te identificeren met de kerken die in 1619 de tekst van dit kerkboek hadden vastgesteld. Kuyper had het voorwoord in deze (her)uitgave samen met de Kamper hoogleraar H. Bavinck en de samensteller, de aan de VU docerende kerkhistoricus F.L. Rutgers, van een aanbeveling voorzien. De artikelen in De Heraut kunnen eveneens als een ondersteuning van Rutgers' werk worden gelezen. Indirect doelend op Rutgers' uitgave noteert Kuyper tevreden in het zevende artikel, op 30 oktober 1897: "Reeds zijn we een goed eind weegs weer op het rechte spoor gekomen."[9] Toch is deze aansluiting bij het verleden niet een eind-, maar een beginpunt, zo blijkt: wie de kerken op wil bouwen "poge langs dien natuurlijken weg de Gemeente weer een oog voor waardiger vormen te doen krijgen; en late het dan aan de doorwerking der zuivere beginselen over, of ons liturgisch geheel zich nog verder, nog breeder, nog juister, en nog schooner ontwikkelen zal." Rutgers' kerkboek is voor Kuyper een belangrijke mijlpaal. Of de liturgie werkelijk vernieuwd wordt, kan echter pas in de praktijk van de plaatselijke kerken blijken.[10]

 

1.2          Uitgangspunt en opzet

 

Kuyper begon zijn artikelenreeks de titel "Eeredienst" mee te geven.[11] Dat komt ook nog naar voren in de eerste regel van het eerste artikel, dat ik als motto boven mijn bijdrage heb geplaatst. Het woord 'eeredienst' is daarin gecursiveerd. Vanaf het hierboven geciteerde artikel op 30 oktober 1897 heette de reeks "Onze Eeredienst", maar na een langdurige onderbreking in 1900 werd het weer "Eeredienst", de laatste keren met de toevoeging "Tweede reeks". De eerste verandering in de titel, op 30 oktober 1897, kan een bewuste zijn geweest. De eredienst is met het nieuwe kerkboek 'onze' eredienst geworden: de lezers, voor het overgrote deel leden van een Gereformeerde Kerk, hebben de taak toe te zien op de verantwoorde inrichting van de eredienst in hun gemeente. In het vervolg lijkt Kuyper weinig waarde meer te hebben gehecht aan de titel. Afgezien van de eerste verschuiving bevat hij geen sleutel voor het verstaan van de artikelenreeks.

Reeds in het eerste artikel presenteert Kuyper het uitgangspunt voor zijn verhandeling: de eredienst draagt het karakter van de vergadering der gelovigen. In het tweede artikel werkt hij dit nader uit. Onder vergadering verstaat hij "een college of corporatie, waarvan de leden op een rol staan, zóó dat ze naar vasten regel, door een aangewezen bestuur, kunnen worden opgeroepen, om saâm te handelen, saâm te beraadslagen of saâm te besluiten."[12] Voor de kerkdiensten betekent dit, dat zij zijn "publieke vergaderingen, van de corporatie genaamd: de Gemeente, waarvan de leden bekend zijn, en die, door den kerkeraad opgeroepen, onder leiding van een der leeraren als voorzitter, samen zijn, niet om te beraadslagen, maar om te handelen, d.i. om uitvoering te geven aan den eeredienst waartoe ze geroepen zijn; en zulks wel onder toelating van het publiek, opdat die eeredienst zelf tevens middel van propaganda zij."[13] Niet ten onrechte acht G.C. van de Kamp het vreemd, dat "de algemene idee van een vergadering" de gedachtengang domineert.[14] Kuypers kanttekening, dat de vergadering der gelovigen "volstrekt niet met elke gewone vergadering op één lijn mag gesteld worden", en andere relativerende opmerkingen kunnen deze indruk niet wegnemen.[15]

De vraag dringt zich op, waarom Kuyper het begrip vergadering centraal heeft gesteld. De verklaring dat hij hiermee aansluiting heeft gezocht bij de verenigings- en vergadercultuur van zijn gereformeerde lezerspubliek is plausibel.[16] Maar er is meer. Kuyper zelf geeft in “Eeredienst” een enkele aanwijzing. De historicus Kuyper wijst er in "Eeredienst" op, dat de term van "oudsher" voor het verschijnsel eredienst is gebruikt, maar in onbruik is geraakt.[17] Toch is deze oude betekenis van het woord vergadering voor Kuyper geen argument het nu weer in gebruik te nemen. Blijkbaar voelde hij wel aan, dat te betwijfelen valt of van "oudsher" wel werd gedacht aan een vergadering in de vorm, zoals Kuyper die als basis voor de eredienst hanteert. Ook een verwijzing naar de Heidelbergse Catechismus helpt niet verder. Kuyper attendeert op de daar gegeven uitleg van het sabbatsgebod, waar gesproken wordt over het "naarstiglijk komen tot de Gemeente".[18] Maar met die verwijzing is de gelijkstelling tussen gemeente en vergadering geenszins verantwoord. Kuyper laat alleen zien, dat het een het ander niet bij voorbaat uitsluit.

Bij de zoektocht naar de oorsprong van Kuypers gebruik van de vergadering als grondvorm van de eredienst moeten we teruggaan in de tijd. In zijn oudere geschriften komt Kuyper weliswaar op voor het democratisch recht van de gemeente inzake het vaststellen van de gang van de eredienst, de term "vergadering der geloovigen" komen we nauwelijks tegen, in het geheel niet in de betekenis die Kuyper in "Eeredienst" aan het begrip vergadering geeft.[19] Het mag dan vrij ondoenlijk zijn Kuypers omvangrijke oeuvre op dit punt geheel door te lichten, het lijkt erop dat hier eerst met Kuypers uitvoerige bespreking van de Heidelbergse Catechismus verandering in komt. De reeks startte in het vroege najaar van 1886 en eindigde in de loop van het voorjaar 1894, om vervolgens onder de titel E Voto Dordraceno in boekvorm te worden uitgegeven.[20] E Voto bestrijkt alle mogelijke terreinen van de theologie en het is eigenlijk voor het eerst dat Kuyper zijn theologie in een zekere samenhang beschrijft. Op 18 november 1888 begon Kuyper de behandeling van Zondag 21 (vraag en antwoord 54) over de kerk.[21] De Doleantie was toen bijna drie jaar oud. Haar aanhangers bezonnen zich op het wezen en de taken van de onderscheidene ambten en spraken zich op hun synode uit ook het ambt der gelovigen aan een nader onderzoek te onderwerpen.[22] Deze wens stond echter niet op zich. Enkele maanden tevoren, op 15 juni 1888, was door een uitspraak van de Hoge Raad duidelijk geworden dat de dolerenden geen aanspraak konden maken op de kerkelijke goederen. Hun pretentie de voortzetting van de kerk der Reformatie te zijn was daarmee afgewezen, althans door de overheid. Geestverwante predikanten die in de Hervormde Kerk waren gebleven keerden zich steeds feller tegen degenen die met de Doleantie mee waren gegaan en zich voorlopig Nederduitsche Gereformeerde Kerken waren gaan noemen. Het werd steeds duidelijker dat van deze geestverwanten en van hun kerkeraden weinig meer te verwachten viel. De dolerenden gingen hun aandacht nu richten op de gelovigen, die in de Hervormde Kerk gebleven waren. Vanuit het ambt der gelovigen moest op hen een appèl worden gedaan om te breken met de Hervormde hiërarchie die dat ambt niet tot zijn recht liet komen. Tegen deze achtergrond schreef Kuyper een korte serie polemisch getoonzette artikelen over het ambt der gelovigen.[23]

 

Intussen ging Kuyper gewoon verder met zijn uiteenzetting over de Catechismus. Op de eerder genoemde vraag 54, "Wat gelooft gij van de heilige algemeene Christelijke Kerke?", luidt het antwoord van de Cathechismus: "Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht zich eene gemeente (...) door zijnen Geest en Woord (...) vergadert, beschermt en onderhoudt".[24] In verband met het werkwoord vergaderen onderstreept Kuyper, dat de kerk uit personen bestaat.[25] Hij zet, heel modern, in bij het individu. Individuen komen samen. Van deze individuen mag actief iets worden verwacht, juist ook in de vergadering der gelovigen. Dat wordt in het bijzonder duidelijk, als Kuyper komt te spreken over de collecte: "En eindelijk, omdat de Dienst des Woords de geloovigen saâmbrengt en ze als saâmvergadering tot actie van offerande en liefde dringt, is van den Dienst des Woords evenzoo de Inzameling onafscheidelijk."[26] Vrijwel ongemerkt verschuift het subject van het vergaderend werk en de aard ervan. In het antwoord uit de Catechismus is het Christus, die de leden van zijn kerk samenbrengt. Nu staat ook voor Kuyper Christus aan het hoofd, maar tevens is de gemeente de handelende, als ze door Hem bijeengeroepen is en actie onderneemt.[27] Dat wordt enkele weken later nog eens expliciet gemaakt, als Kuyper komt te spreken over de Dienst des Woords. Dat is voor hem overigens meer dan de eredienst, namelijk heel het door het Woord gekwalificeerde kerkelijk leven. Nog steeds handelend over vraag en antwoord 54, onderstreept Kuyper nog eens dat de Dienst des Woords geïnitieerd moet worden "door allen saâm. Dit kan niet, of het moet uitgemaakt zijn, wie handelen zullen en op wat wijs ze samen zullen handelen."[28] Hoewel als zodanig ongenoemd staat hier het ambt der gelovigen centraal. We zagen reeds, dat dit onderwerp Kuyper en zijn kerkverband in de periode van deze verhandeling na aan het hart lag.

In zijn Encyclopaedie uit 1894 komt Kuyper al dicht bij de uitwerking die hij in "Eeredienst" van de vergadering der gelovigen geven zou. De eredienst wordt net als een vergadering "op wettige wijze door het Kerkbestuur saamgeroepen. Alle leden der Kerk hebben recht, en zijn verplicht, om te verschijnen."[29] Eenieder verschijnt "in zijn qualiteit, de geloovigen in hun qualiteit van opgenomenen in het Genadeverbond, en de verschillende ambtsdragers, bovendien, om in naam van den Koning der Kerk te doen wat hun bevolen is." Komt vervolgens in de Encyclopaedie de nadruk op het ambt te liggen, in de artikelenreeks "Eeredienst" wordt op 27 juni 1897 het eigenaardig karakter van de vergadering in meer algemene termen beschreven: de gemeente moet zijn samengeroepen (1); er dient een ontmoeting plaats te vinden tussen deze vergaderde gemeente en haar God (2); deze beide elementen dienen te staan onder het voorteken van het verzoend zijn der gemeente (3).[30] Een kleine negen jaar tevoren begon Kuyper over de vergadering der gelovigen te schrijven in een periode waarin de Nederduitsche Gereformeerden zich bezonnen op de vraag, hoe zij de gelovigen die in de Hervormde Kerk gebleven waren konden overtuigen alsnog de overstap te maken. Nu stond hij voor de opgave aan de leden van zijn 'eigen' Gereformeerde Kerken duidelijk te maken, dat zij de plicht hadden ernst te maken met de inrichting van de eredienst. Daarbij moeten twee kanttekening worden geplaatst. Een: het ambt functioneert bij Kuyper in belangrijke mate als een tegenover van de gemeente en heeft in die zin ook een zelfstandige positie.[31] Twee: Kuyper legde de hoofdverantwoordelijkheid voor het kerkelijk vaststellen van liturgische teksten bij de landelijke synoden – ambtelijk gekwalificeerde organen! -  en verwachtte daarvan binnen afzienbare tijd de nodige actie.[32]

 

In zijn Encyclopaedie had Kuyper de volgende opzet gegeven voor de opbouw van een wetenschappelijk verantwoorde liturgiek:

 

          "I.      De Kunsttheorie der Liturgiek.

                   a. De generale kunsttheorie.

                   b. De speciale kunsttheoriën, Euchetiek, Psalmodiek, Sacramentiek, Architecto­niek, enz.

          II.      De geschiedenis der Liturgie.

          III.     De letterkundige bestudeering der Liturgiën.

          Waarbij dan ook hier komt de geschiedenis der Liturgiek en haar methodologie."[33]

 

Hoewel Kuyper in de artikelenreeks "[Onze] Eeredienst" strikt genomen geen wetenschappelijke verhandeling wilde bieden, zijn de belangrijkste trekken van deze opbouw in de bundel te traceren. Na zeven hiervoor getypeerde artikelen met een inleidend karakter, komt Kuyper te spreken over de kunsttheorieën, zij het dat door zijn enigszins associatieve manier van werken de volgorde wijzigt. In de inleiding heeft hij geopteerd voor een kerkelijk vastgestelde liturgie. Vervolgens gaat hij over op de formuliergebeden, kerkelijk geijkte gebedsteksten (vgl. I.b, euchetiek). Daarna komt onder het gezichtspunt van het (formulier)gebed de kerkzang aan de orde (vgl. I.b, psalmodiek), en vervolgens in dat kader weer het orgelspel. De sacramentiek blijft vooralsnog onbesproken. Dan handelt Kuyper alsnog over de kunsttheorie in het algemeen (vgl. I.a), om daarna weer de orde volgens de Encyclopaedie te hernemen en een serie artikelen te wijden aan diverse zaken met betrekking tot het kerkgebouw (vgl. I.b, architectoniek). Met dit alles vult Kuyper ongeveer eenderde van hetgeen uiteindelijk de bundel Onze Eeredienst zal vormen. Een iets groter deel besteedt hij aan de orde van dienst, om tot slot naar verhouding de meeste ruimte te besteden aan de sacramenten en de zogenaamde kerkelijke plechtigheden (ban en wederopneming, bevestiging in het ambt, bevestiging in het huwelijk). Kuyper volgt hierbij in grote lijnen Rutgers' uitgave, maar vraagt ook geregeld aandacht voor bijvoorbeeld A Lasco en Calvijn.[34] De beschrijving van de geschiedenis van de Liturgie (vgl. II) paart hij aan de letterkundige bestudering ervan (vgl. III). De geschiedenis en methode van de liturgiek kunnen vanwege het populaire karakter van de reeks achterwege blijven. Een enkele keer doorbreekt Kuyper de gang van zijn artikelen. Na terugkomst van een reis naar Noord-Amerika verschijnt ineens de naam van I.R. Sankey in het tweede artikel over de benedictie en wijdt Kuyper vervolgens een aparte bijdrage aan het verschijnsel solozanger. Hij maakt dit dienstbaar aan het geheel. Toch heeft het er alle schijn van dat de reis Kuyper opnieuw attent heeft gemaakt op dit verschijnsel en de beweging waar het uit voortkomt.[35] Kuyper had zich in het midden van de jaren zeventig tot deze beweging en haar methoden sterk aangetrokken gevoeld, hetgeen nog in de laatste alinea van het artikel te merken valt: "Maar (...) het feit blijft, dat die onduldbare solo-zanger ongemerkt en vrij sterk weêr de grootsche gedachte tot het besef der Gemeente heeft gebracht, dat bij den Eeredienst niet alleen wij tot God, maar ook God tot ons te spreken heeft".[36]

 

1.3          Uitwerking

 

Kuyper kon voor de reeks "[Onze] Eeredienst" geregeld terugvallen op eerdere publicaties, alsmede op studies te behoeve van colleges. Ik loop een aantal artikelen langs. In de zesde, inleidende bijdrage handelt hij over het altaar. In de Encyclopaedie had hij daarover reeds in een enkele zin gezegd: "Reeds de enkele vraag, of er in de Kerk een altaar zal geplaatst worden, (...) levert stof tot zeer omvangrijke studiën."[37] In E Voto had hij op dit thema al een principiële voorzet gegeven.[38] Het onderwerp spiritualisme, dat vervolgens aan de orde komt, was Kuyper al evenmin vreemd. Bij een bespreking van het Onze Vader had Kuyper al eerder tegen spiritualistische tendenzen in de eredienst gewaarschuwd.[39] Hoewel hij zich eveneens verre wil houden van een formalistische of ritualistische benadering, hield hij in E Voto een bescheiden pleidooi om naast vrije gebeden ook van formuliergebeden gebruik te maken. Dat keert terug in "[Onze] Eeredienst", zij het dat Kuyper zich daar iets kritischer lijkt op te stellen ten opzichte van het formuliergebed.[40] Ook voor de gedachte dat het psalmgezang te karakteriseren is als een formuliergebed kan hij terugvallen op de artikelenreeks die aan E Voto ten grondslag lag.[41] Kuypers hartelijke woorden met betrekking tot het geknield bidden waren in "[Onze] Eeredienst" bepaald niet oorspronkelijk. In E Voto had hij zich al uitvoerig met het onderwerp beziggehouden en zich er positief over uitgelaten.[42] De artikelen over de kunst zijn in belangrijke mate gebaseerd op de colleges aesthetica die Kuyper aan de Vrije Universiteit gegeven had.[43] In dat kader had hij zich al uitgesproken over de (kerk)bouw­kunst. In "[Onze] Eeredienst" keert dat deels terug en gaat hij uitvoeriger in op de inrichting van het kerkgebouw.[44] Ook bijvoorbeeld het orgelspel was in de colleges ter sprake geweest. Kuyper wees op het gevaar dat kunstuitingen de eredienst zouden beheersen in plaats van hem ten dienste te staan.[45] Vanuit poëtisch oogpunt had Kuyper zich op de universiteit uitgelaten over de psalmberijmingen van onder andere Marnix en Datheen. Dat doet hij in "[Onze] Eeredienst" niet nog eens, maar wel wordt aan de hand van een reeks kritische opmerkingen de waarde van de staatsberijming uit 1773 gerelativeerd.[46] In het verband van deze paragraaf moet er overigens op gewezen worden dat de situatie waarin de Gereformeerde Kerken zich op enig moment bevonden, medebepalend is geweest voor Kuypers standpunten, althans voor de wijze waarop hij die voor het voetlicht bracht. Dit komt in het bijzonder tot uiting, toen Kuyper in 1902 over de doop te spreken kwam.[47] De situatie was gespannen. De partijvorming in de kerken vond deels langs de oude scheidslijnen van Afscheiding en Doleantie plaats, ook waar het de doop betrof. Kuyper verdoezelde zijn persoonlijke, door de van oorsprong dolerenden gedeelde visie niet, maar zette die in welgekozen, voorzichtige bewoordingen uiteen. Bijna tien jaar later, toen de verschillen al lang zo scherp niet meer lagen, werd deze kiesheid nog opgemerkt en gewaardeerd.[48]

Samenvattend. Veel van hetgeen in "[Onze] Eeredienst" schreef, was niet oorspronkelijk. Kuyper had over tal van liturgische onderwerpen al eerder een oordeel uitgesproken, maar doorgaans in een beknoptere vorm dan in "[Onze] Eeredienst". Van opzienbare verschuivingen in Kuypers gedachtengoed is geen sprake.

 

1.4          Afronding       

 

Kuyper licht zijn lezers in het voorwoord op Onze Eeredienst kort in over het ontstaan van de bundel. Hij opent met de zin: "Toen ik in juli 1901 in Staatsdienst werd geroepen, zag ik mij tot mijn leedwezen verplicht, de onderscheidene reeksen, die in de Heraut  onderhanden had, af te breken."[49] Hieruit is afgeleid, dat de artikelenreeks in De Heraut in 1901 is afgebroken. Bakhuizen van den Brink deed dat bijvoorbeeld in 1945: Onze Eeredienst "bestaat uit Heraut-artikelen, die tusschen 1897 en 1901 reeds wekelijks het licht zagen."[50] Velen zouden hem met vergelijkbare bewoordingen volgen. De geciteerde woorden van Kuyper zijn evenwel misleidend - net als de rest van het voorwoord, zoals nog duidelijk zal worden. Een blik in De Heraut leert, dat Kuypers reeks artikelen daar niet in 1901, maar ruim een jaar later in september 1902 afbreekt. Kuyper zou - als zijn eigen weergave van de feiten klopt - ook kunnen bedoelen, dat hij met de kabinetsformatie in juli 1901 gestopt is met het schrijven van nieuwe artikelen. Alleen wat reeds in portefeuille was, is vervolgens nog gepubliceerd. Toch is een dergelijke gang van zaken niet waarschijnlijk, aangezien hij in het vervolg de serie over de onderdelen van de gewone orde van dienst net niet afmaakte. Hij vergat de collecten en het slot van de dienst, hetgeen goed verklaard kan worden uit de grote werkdruk als gevolg van zijn ministerschap. Dat Kuyper bleef schrijven kan voortkomen uit het belang dat hij erbij had de interesse voor de liturgie in de Gereformeerde Kerken nog even warm te houden. Hun aanstaande synode van Arnhem zou handelen over Rutgers' editie van het kerkboek, waar het Kuyper ooit om begonnen was. Toen de synode daarover eenmaal een uitspraak had gedaan, schreef Kuyper op 14 september 1902 zijn laatste, 87e, artikel in de reeks voor De Heraut.[51] De synode had zich weliswaar positief uitgelaten over Rutgers’ kerkboek als zodanig, maar geweigerd het tot de hare te maken. Niets wees erop, dat een opvolgster daar op korte termijn verandering in zou brengen. Kuyper zelf mag dan het beëindigen van de serie wijten aan zijn politieke verpichtingen als minister-president, tevens zal bij de afwegingen van invloed zijn geweest dat hij geen kerkpolitiek belang meer had bij voortzetting.

 

 

2.       De bundel

 

2.1          Aanleiding

 

Als aanleiding tot de uitgave van Onze Eeredienst meldt Kuyper in het reeds genoemde voorwoord: "Na mijn aftreden als minister (in 1905; KWdJ) ontving ik van onderscheidene zijden aanzoek, om deze reeks zoo mogelijk af te maken." Dit gegeven is moeilijk te verifiëren. In de correspondentie in het Kuyper-archief valt geen bevestiging te vinden, maar onmogelijk is het daarmee nog niet. De feitelijke aanleiding voor het afronden van de reeks zou wel eens gelegen kunnen zijn in Gerretsens plannen voor een zogenaamde liturgische dienst.[52] Gerretsen was daar in ieder geval al in mei 1911 mee bezig, terwijl Kuyper eerst op 26 juni van dat jaar een contract sloot met uitgever J.H. Kok te Kampen.[53] Maar waarom een gebundelde uitgave en geen vervolg in De Heraut? Kuyper zegt zelf daarover: "In de Heraut kon ik hieraan niet voldoen, daar Prof.Dr. H.H. Kuyper de dusgenaamde leaders in dit weekblad voor goed van mij had overgenomen, en ik hem liever niet in zijn geregelden gang stoorde." Dit is een afdoende verklaring, maar is dit het enige? In het contract betreffende Onze Eeredienst is een honorarium overeengekomen van ¦ 1950,--. Het is een voor die tijd zeer aanzienlijk bedrag, aantrekkelijk voor Kuyper die gesteld was op een royaal inkomen en zeker in vroeger jaren financieel nogal eens in de problemen was geraakt.[54] De schier eindeloze stroom zelfstandige publicaties leek op te drogen. In 1910 was wat dat betreft niets meer van Kuypers hand verschenen. Naast het ideële motief om gebruik makend van de publiciteit rond Gerretsens plannen het liturgisch vraagstuk ook in de Gereformeerde Kerken weer op de agenda te plaatsen, kan derhalve eveneens een materieel motief Kuyper hebben bewogen Onze Eeredienst uit te geven.

Aan het realiteitsgehalte van het ideële motief kan getwijfeld worden. Auteur en uitgever lijken van mening te hebben verschild over de verkoopmogelijkheden van het boek. Volgens het contract koopt J.H. Kok "het recht van eene eerste uitgave" van het boek en zal er 2000 exemplaren van drukken voor een winkelprijs van ¦ 4,50. Kuyper van zijn kant verplicht zich geen nieuwe uitgave te doen verzorgen vóór 1 januari 1930. Vergelijking met andere contracten uit dezelfde periode biedt enkele aanwijzingen voor de interpretatie van de overeenkomst. De oplage toont aan dat er een redelijk vertrouwen was in het succes van Onze Eeredienst. Een derde druk van zes van Kuypers preken uit de jaren 1867 - 1873, Predicatiën, enkele jaren later, betrof 1500 exemplaren.[55] Daarbij was het beding, dat Kuyper niet tot een nieuwe uitgave zou overgaan vóór 1 januari 1925. Deze bundel van Kuyper had echter al zijn succes bewezen. Opmerkelijk is de bepaling dat Kok door het contract alleen het recht op "eene eerste" uitgave had. Deze toevoeging ontbreekt in het standaardcontract en komt ook in andere contracten van Kuyper niet voor. Het kan erop wijzen dat Kuyper een vlotte verkoop verwachtte. Uitgever Kok was vermoedelijk minder optimistisch. Het verbod op een spoedige heruitgave (voor 1 januari 1930) elders wijst daar tenminste op. Uiteindelijk werden 2100 stuks van Onze Eeredienst gedrukt, waarvan 100 als presen- en recensie-exemplaren. Tot een herdruk is het nooit gekomen. Over de verkoop valt verder helaas niets te melden. De uitgeverij kon daarover geen nadere gegevens verstrekken.[56]

 

Een enkel woord in deze paragraaf nog over de nieuwe artikelen in de bundel. In het vervolg van het voorwoord deelt Kuyper over het voltooien van de artikelenreeks mee: "Ik heb (...) den rusttijd, die een ernstige keelongesteldheid mij in het voorjaar bracht, gemeend niet beter te kunnen gebruiken, dan om dit onderwerp (...) af te handelen."[57] Kuyper duidt in deze regels op de kou die hij op 26 april 1911 in de omgeving van Wiesbaden heeft gevat. Deze was hem op de keel geslagen. Toen thuisgekomen herstel maar niet wilde intreden, reisde hij af naar het kuuroord Weiszer Hirsch bij Dresden. Hij mocht gedurende zijn kuur daar niet spreken. De periode van dit verblijf, juli en augustus 1911, maakt het onwaarschijnlijk dat hij op 1 augustus in 's-Gravenhage was, zoals de ondertekening van het voorwoord suggereert. Wel is het in het verlengde van het voorgaande goed denkbaar dat Kuyper op die datum zijn werkzaamheden voor Onze Eeredienst afsloot. In het reeds aangehaalde contract is anders dan gebruikelijk geen bepaling opgenomen, wanneer de copy bij de uitgever binnen moet zijn. Blijkbaar was voor Kuyper op de 26e juni het einde nog lang niet in zicht. Een substantieel deel van de bundeling van en de aanvulling op de artikelenreeks zal in de maand juli in Duitsland zijn verricht, tenminste als aangenomen wordt dat de datum van 1 augustus onder het voorwoord wel correct is. Deze gegevens lijken echter van weinig belang te zijn. Er zijn namelijk geen aanwijzingen gevonden, dat de plaats van schrijven invloed heeft gehad op de inhoud van het geschrevenen.

Het hierboven genoemde contract biedt ook enkele gegevens over de verwachtingen die schrijver en uitgever koesterden over de verkoop van het boek.

 

2.2          Bewerking

 

Toen Kuyper de artikelen in 1911 aanvulde en bundelde, was zijn positie een geheel andere dan toen hij ze in De Heraut publiceerde.[58] Hij was na 1896 niet meer op de synode aanwezig geweest en al tien jaar geen predikant meer. Hij hoopte gewone gemeenteleden voor liturgische vraagstukken te kunnen interesseren. Zij zouden de kerkelijke vergaderingen met hun bevindingen moeten confronteren. Van die vergaderingen zelf had Kuyper weinig verwachtingen meer.[59] Zo mogelijk nog sterker dan in de artikelenreeks over de Heidelbergse Catechismus en in "[Onze] Eeredienst" deed Kuyper een beroep op de gewone gelovigen en kerkgangers.

Kuyper mag dan in zijn voorwoord geschreven hebben, dat zijn artikelenreeks de titel "Onze Eeredienst" droeg, in het voorafgaande is reeds duidelijk geworden dat dit niet (altijd) het geval was. De reeks begon en eindigde als "Eeredienst" en heette in een lange tussenliggende periode "Onze Eeredienst". Hoewel de meerderheid van de artikelen zo gepubliceerd was, ligt de keuze voor "Onze Eeredienst" als titel van de bundel op het eerste gezicht niet voor de hand. Nergens geeft Kuyper in Onze Eeredienst een definitie van het begrip eredienst, wel van Liturgie. En om dat laatste is het hem begonnen. Waarom noemde hij artikelen en boek dan niet Onze Liturgie? Definities uit de Encyclopaedie kunnen helpen dat te verklaren. Kuyper stelt daar, dat "in den eeredienst de gemeenschappelijke cultus der gansche gemeente tot uitdrukking komt." De Liturgie heet elders in dit standaardwerk de "vastgestelde vormen voor den openlijke eeredienst".[60] Kuyper behandelt in Onze Eeredienst méér dan de vastgestelde vormen en moet soms tot zijn leedwezen vaststellen dat bepaalde vormen in de Gereformeerde Kerken (nog) niet waren vastgesteld. Een titel als Onze Liturgie zou derhalve de lading niet dekken. Rest nog de vraag, waarom Kuyper koos voor Onze Eeredienst en niet voor Eeredienst. Twee elkaar aanvullende redenen kunnen hierbij een rol hebben gespeeld. In de eerste plaats kan Kuyper zich zo duidelijk hebben willen profileren ten opzichte van de uit 1890 daterende Onze Eeredienst van J.H. Gunning J.Hz., opgedragen aan de dienaren des Woords in "onze vaderlandsche Gereformeerde kerk" (dit is de Nederlandsche Hervormde Kerk).[61] Kuyper richtte zich daarentegen op de praktijk van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een tweede reden voor het opnemen van het 'onze' kan zijn gelegen in de verkoop van het boek. Onze Eeredienst appelleert sterk op de potentiële lezers en hun betrokkenheid bij de eigen eredienst.

Naast de titel van het boek moet nu ook een enkel woord aan de titels boven de artikelen gewijd worden. Voorzover ze boven de gebundelde artikelen staan zijn ze niet oorspronkelijk. In De Heraut stond alleen de kop van de reeks vermeld - "Eeredienst", "Onze Eeredienst" of "Eeredienst. Tweede reeks" - aangevuld met een volgnummer. De omschrijvingen in Onze Eeredienst zijn verschillend van aard. In een groot aantal gevallen zijn ze neutraal en geven ze het onderwerp aan, dat besproken wordt: "De Formuliergebeden" (VIII-X), "Het Gezang" ((XI-XII), enzovoort. Uit een klein aantal, vooral boven latere artikelen, komt een duidelijke positiebepaling van Kuyper naar voren: "Valsch Spiritualisme" (VII), "Geen biecht" (LVII-LV), en andere. Soms dekt een titel maar een deel van de inhoud, bijvoorbeeld in het geval van . "De prediker zelf geroerd" (LXXIII).. Het is niet duidelijk, wie de titels heeft bedacht. Het kan Kuyper zelf zijn geweest. Hij gaf in ieder geval aan de aanvullende artikelen een omschrijving mee (zie onder). Daar koos hij echter voor een neutrale en globale betiteling, ook als het wat specifieker had gekund. In het algemeen echter zijn de titels niet bepalend geweest voor het schrijven van de artikelen, maar vormen ze een interpretatie achteraf en dienen ze als zodanig gebruikt en beoordeeld te worden.

Een volgende aspect van de bewerking betreft de wijziging van de oorspronkelijke tekst. Kuyper is daarin zeer terughoudend en ook inconsequent geweest. Aan de ene kant wijzigt hij een kleinigheid aan het slot van een artikel, waar het in De Heraut over een volgende maal gaat: "Doch hierover in ons volgende artikel."[62] Aan de andere kant spreekt hij in 1911 nog steeds in de toekomende tijd over de toen al lang verschenen door zijn zoon H.H. Kuyper bezorgde Post-acta of Nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden.[63] En zo zijn er meer voorbeelden te geven. De bundel maakt mede hierdoor toch een wat slordige indruk. Dit wordt versterkt door de gehandhaafde gedurige herhaling van wat al eens gesteld is - waarvan Kuyper zich overigens bewust is.[64] Dit had in de soms lange tijd onderbroken oorspronkelijke reeks een duidelijke zin, maar in de bundel niet meer.

 

Enkele wat ingrijpender aanpassingen verdienen een aparte plaats. De eerste lijkt van weinig betekenis, maar geeft enig inzicht in Kuypers werkwijze. Kuyper breekt in Onze Eeredienst het derde artikel eerder af dan in de oorspronkelijke reeks. In de eerste zin van het vierde stond onder meer het bijwoord “alzoo”, maar dat hing in de lucht.[65] Enkele alinea’s uit het derde artikel, over het samenkomen met haar God van de vergaderde gemeente, geeft Kuyper een plaats in het vierde. Hij moet gevoeld hebben dat ze daar goed pasten als introductie op het aangesneden thema: de condities waarvaan de vergadering moet voldoen om met recht eredienst te mogen heten. Vermoedelijk schreef Kuyper voor De Heraut verscheidene artikelen van “[Onze] Eeredienst” in één keer en werkte hij daarbij nogal associatief. Alleen zo kan verklaard worden, dat het slot van het derde artikel inhoudelijk beter aan het begin van het vierde paste. Een en ander bevestigt mijn observaties over Kuypers associatieve werkwijze aan het slot van paragraaf 1.2.

De tweede aanpassing is een toevoeging en betreft het zingen van gezangen in de eredienst. Kuyper had zich in De Heraut ten aanzien van deze kwestie nog terughoudend opgesteld, maar laat in Onze Eeredienst in een enkele nieuwe zin weten, dat verantwoorde gezangen “dringend van noode” zijn.[66] Gelet op het feit dat hierover in de Gereformeerde Kerken beslist niet eensluidend gedacht werd, is dit een interessante verschuiving. Kuyper zou in 1914 de daad bij het woord voegen en op de Gereformeerde synode een verzoek om onderzoek te doen naar mogelijke nieuwe gezangen ondersteunen. De synode wees dit evenwel af.

De derde aanpassing betreft de laats van art. LXVI. Dit behandelt de verhouding tussen de Schriftlezing en de preek. Kuyper onderstreept hoezeer beide elk “een eigen beteekenis hebben, en toch in onderling verband staan.”[67] In “[Onze] Eeredienst” volgde dit artikel op dat over de geloofsbelijdenis en vormde het de inleiding op het vervolg, dat handelde over de Schriftlezing. In Onze Eeredienst komt Kuyper na de geloofsbelijdenis eerst op de Schriftlezing, om vervolgens te bespreken in hoeverre de preek een liturgisch thema is. Eerst daarna komt de lezer art. LXVI tegen. Deze volgorde is logischer. Eerst bespreekt Kuyper de Schriftlezing, dan de preek, om vervolgens aan te tonen hoezeer beide als één geheel bekeken moeten worden. Zo trekt Kuyper sterker dan voorheen consequenties uit het feit dat het uitgangspunt van Onze Eeredienst liturgisch van karakter is. Vooral de zorg voor de eredienst blijkt hem na aan het hart te liggen. De aandacht voor de pree is minder dominant dan voorheen.

De vierde aanpassing die hier aangehaald wordt, is relatief klein. Sprekend over de hoorders van de preek, eindigt hij een artikel met de woorden: “Hij mag niet over de hoofden heen spreken, maar moet zich tot de Gemeente richten, om tot haar hart te spreken. De eigenlijke idee der Homilie.”[68] In Onze Eeredienst heeft Kuyper de tweede volzin geschrapt. Hij zal iets te haastig geschreven zijn. De homilie is immers primair gerelateerd aan de behandelde bijbeltekst. Kuyper zal niet graag op de evidente onjuistheid in het vroegere artikel betrapt zijn. 

 

2.3          Aanvulling

 

In de oorspronkelijke artikelenreeks "ontbrak nog aan de Liturgie van de Bediening des Doops, over de toelating tot het H. Avondmaal, van de Bediening des H. Avondmaals, over den Ban en de Wederopneming, over de Bevestiging in het Ambt en van de Bevestiging in het Huwelijk. Deze zes onderwerpen zijn hierom in een vijftigtal nieuwe artikelen aan hetgeen verschenen was toegevoegd", aldus Kuyper in het voorwoord.[69] Hij vergeet melding te maken van de twee hierboven reeds genoemde artikelen over de collecten en het slot van de dienst.[70] Deze en een deel van de andere nieuwe artikelen bevinden zich als manuscript in het Kuyper-archief. Het betreft vier artikelen over "Bediening van den heiligen Doop", de volledige serie over "Bediening van het heilig Avondmaal", de "De Bevestiging in het Ambt" en "De Bevestiging in het Huwelijk".[71] Gelet op de aangebrachte provisorische nummering en het gebruikte papiersoort, zijn de artikelen over de sacramenten vermoedelijk op een ander moment geschreven dan die betreffende de overige kerkelijke plechtigheden alsmede de de collecten en het slot van de dienst. Waarschijnlijk zijn ze van later datum. De nummering van deze laatste twee bijdragen uit het archief is die van de bundel. Kuyper heeft op dat moment al ontdekt, dat er enkele fouten geslopen waren in de nummering van De Heraut. Gelet op de voorlopige nummering boven de resterende artikelen over de doop, was hij toen van die fouten nog niet op de hoogte. Gehanteerde nummering en gebruikte papiersoort doen vermoeden, dat Kuyper eerst een begin heeft gemaakt met de aanvulling, vervolgens de bewerking heeft aangevat om zich daarna opnieuw te zetten aan het restant van de aanvulling. Dit kan betekenen dat Kuyper zeker aanvankelijk  niet planmatig heeft gewerkt. Hij begon gewoon daar, waar hij ooit gestopt was. Een en ander valt echter niet sluitend te bewijzen, omdat van een aantal artikelen geen spoor in het archief is terug te vinden. Het betreft de laatste vier over de doop, "De overgang van den heiligen Doop tot het heilig Avondmaal", "De Ban en Wederopneming" en "Ten Besluite". In afwijking van het door Kuyper gesuggereerde vijftigtal bedraagt het totaal aantal nieuw voor de bundel geconcipieerde artikelen 43. Samen met de 87 uit "[Onze] Eeredienst" zijn dat er 130.

Inhoudelijk doet zich in de aanvullende artikelen artikelen hetzelfde verschijnsel voor als in de oorspronkelijke: bepaalde onderwerpen heeft Kuyper al eerder in een andere samenhang behandeld. Bijvoorbeeld over het gebruik van het doopformulier, in het bijzonder van het dankgebed daarin.[72] Of over de symboliek van het doopwater en de doophandeling.[73] Of over de met elkaar samenhangende vraagstukken wanneer een kind ten doop gehouden moet worden en wie dat dan doet.[74] En ook over de nooddoop had Kuyper al eerder een uitspraak gedaan.[75] Bij het avondmaal kwam Kuyper nog eens terug op de noodzaak een tafel te gebruiken.[76] Onderwerpen als de verhouding tussen kerk en overheid inzake de huwelijkssluiting en het huwelijk als sacrament waren evenmin nieuw.[77] Ook in dit deel van de bundel doen zich genuanceerde verschuivingen voor ten opzichte van vroeger ingenomen standpunten. Sprak Kuyper in E Voto nog vergoeilijkend over de sombere inzet van het klassiek-gereformeerde huwelijksformulier, in Onze Eeredienst ging hem dit toch te ver: "Dat de kerk aanstonds met hoogen ernst inzet (...) is niet alleen goed, maar plichtmatig; maar die ernst vraagt geen somberheid. Ook in de Voorhoven des Heeren kunnen blijde toonen weerklinken".[78]

Hierboven werd al even aangestipt, dat Kuyper kerkelijk en maatschappelijk in 1911 een andere positie innam dan toen hij de eerste reeks artikelen schreef. Tussen het eerste artikel en de uitgave van Onze Eeredienst zat dan ook een periode van meer dan 14 jaar. Het is niet moeilijk een aantal verschillen te ontdekken, niet alleen tussen de bijdragen uit het tijdvak 1897 - 1902 en die uit 1911, maar ook tussen de artikelen onderling uit de eerste vijf jaren. Dat laat zich niet alleen verklaren door Kuypers drukbezette leven, maar ook door zijn liturgisch vaak genuanceerde opstelling, tussen spiritualistische en ritualistische eenzijdigheden in.[79] Kuyper blijft evenwel trouw aan het beginsel dat hij heeft geïntroduceerd, de eredienst beschouwd onder het oogpunt van de vergadering. Dit wordt onder meer zichtbaar bij de viering van het avondmaal of de bevestiging in het ambt.[80] Kuyper erkent de waarde van een veelvuldige avondmaalsviering, maar acht de deelname van de gelovigen vanuit het beginsel van wezenlijk belang. Een te geregelde viering doet de deelname afnemen. Kuyper kan daarom instemmen met het in de Nederlandse Reformatie ontstane gebruik van een twee- of driemaandelijkse avondmaalsbediening. In het slotartikel wekt Kuyper de individuele lezers op via de kerkelijke weg het liturgisch vraagstuk aan de orde te stellen. Vreemd genoeg komt hij niet expliciet terug op zijn liturgisch beginsel, waarmee hij in de eerste artikelen juist zo direct appelleerde op de betrokkenheid en activiteit van de lezers.

 

 

3.          Conclusies

 

1        Kuyper heeft met Onze Eeredienst een oorspronkelijk stuk werk geleverd.[81] Dat heb ik in mijn proefschrift geconcludeerd en zie ik met de gegevens uit dit artikel nog eens onderstreept. Kuyper heeft het veld van de eredienst min of meer systematisch beschreven met als uitgangspunt de samenkomst van de gemeente het karakter van een vergadering draagt. Dit uitgangspunt is mede ontsproten aan Kuypers omgang met de gereformeerde confessie, waar het begrip vergadering enkele malen – zij het in een primair andere betekenis dan Kuyper het in Onze Eeredienst hanteert – voorkomt.

2        Kuypers uitgangspunt staat in nauw verband met Kuypers motief voor zowel de artikelenreeks “[Onze] Eeredienst” als de bundel Onze Eeredienst, het mobiliseren van het gereformeerde kerkvolk om te komen tot een verantwoorde eredienst. Enerzijds sloot Kuyper hiermee aan bij de ervaring van zijn lezers met verenigingen en vergaderingen. Anderzijds maakte Kuyper door de eredienst als vergadering voor te stellen duidelijk, dat het kerkvolk inzake de eredienst een eigen plicht en verantwoordelijkheid had.

3        In het verlengde van het gekozen uitgangspunt behandelt Kuyper de stof vanuit het geheel van de eredienst, in het bijzonder waar het de orde van dienst betreft.[82] Waar anderen een sterke nadruk legden op de verantwoordelijkheid van de predikant en in hun visie vooral hem op het oog hadden, heeft Kuyper met zijn uiteenzetting principieel de gemeenteleden op het oog, zij het dat ook bij hem het ambt een positie als tegenover van de gemeente blijft behouden.[83] Een streng theologische bespreking van de liturgie ontbreekt, maar dit is een welhaast onvermijdelijk gevolg van de welbewust gekozen populaire invalshoek.[84] 

4          Overigens moet bedacht worden, dat naast het ideële motief voor de uitgave van de bundel Onze Eeredienst ook een financieel motief een rol kan hebben gespeeld.

5        Kuyper heeft bij het schrijven van Onze Eeredienst, zowel in de periode 1897 - 1902 als in 1911, in veel gevallen kunnen teruggrijpen op eerdere studies. Op tal van punten had hij reeds eerder in principe een standpunt bepaald. Dit is wellicht mede een verklaring voor het feit dat Onze Eeredienst zo welwillend door de gereformeerde wereld is ontvangen.[85] De bundel bevatte weinig verrassende elementen.

6        Kuyper heeft bij het schrijven van de bijdragen in de onderscheidene perioden vrij sterk associatief gewerkt. Uit het een vloeide het ander voort. Dit was alleen mogelijk, omdat hij een grote kennis van zaken bezat en zodoende in staat was een logische orde in zijn betoog aan te brengen. Een en ander bood tevens de gelegenheid in te spelen op persoonlijke ervaringen, zoals na een reis naar Noord-Amerika, of op de kerkelijke actualiteit. Het afbreken van de reeks in De Heraut kan mede geweten worden aan de inschatting dat voortzetting op korte termijn geen wezenlijke veranderingen teweeg zou brengen in het synodaal beleid.

7        Het voorwoord uit Onze Eeredienst is in meerder opzichten onbetrouwbaar en het gebruik ervan als historische bron moet worden ontraden. De belangrijkste correcties zijn opgenomen in de annotatie van bijlage A.

8        Voor het lezen, interpreteren en waarderen van de eerder gepubliceerde teksten uit Onze Eeredienst is het van belang zich rekenschap te geven van de historische context waarin ze oorspronkelijk geschreven zijn.

9        Bij het gebruik van Onze Eeredienst moet voor het eerder gepubliceerde deel rekening gehouden worden moet de mogelijke verschillen tussen de oorspronkelijke tekst in De Heraut en de tekst in de bundel. Inhoudelijk hebben de verschillen doorgaans weinig betekenis.

10      De titels boven de artikelen in Onze Eeredienst zijn hoogstwaarschijnlijk alle uit 1911.

 

 

Zusammenfassung

 

Dieser Artikel befasst sich miet dem Buch Onze Eeredienst von A. Kuyper (1911), eine Sammlung von schon (1897 – 1902) im Wochenblatt De Heraut veröffentlichten sowie von im Jahr der Ausgabe geschriebenen und hinzugefügten Beiträgen über den reformierten Gottesdienst. In meiner Dissertation, Ordening van dienst, habe ich mich bereits teilweise mit diesem Buch beschäftigt. Jetzt habe ich versucht, die ursprünglichen Elementen auf die Spur zu kommen. Es stellt sich heraus, dass die ganze Arbeit stark geprägt worden ist von Kuypers Zweck mit dieser Ausgabe. Kuyper hoffte, sowohl mit seiner ursprünglichen Folge von Aufsätzen als seiner Veröffentlichung im Jahre 1911, den Kirchengänger zu erreichen und sie von ihrer Verantwortlichkeit für die Gestaltung des Gottesdienstes zu überzeugen. Er stellte den Gottesdienst dar als Versammlung, in der jeder, auch die einzelne Kirchengänger, seine eigene Rolle spielt und deshalb eine eigene Verantwortung hat. Vorher hat Kuyper den Gottesdienst nicht so ausführlich als Versammlung beschrieben, obwohl er dazu schon in seiner Encyclopaedie (1894) eine Ansatz gegeben hat. Auch in frühereren Betrachtungen der reformierten Bekenntnisschriften sind Anknüpfungspunkte zu finden. Abgesehen von dem Ausgangspunkt konnte Kuyper in vielen Fällen direkt zurückgreifen auf eher eingenommene Standpunkte. Er liess beim Schreiben Raum für persönliche Einfälle und ging auf aktuelle Entwicklungen ein, aber behielt immer seine kirchenpolitischen Interessen im Auge. Beim Lesen von Onze Eeredienst soll man sich zu jeder Zeit davon Rechenschaft ablegen (vgl. Beilage B, wo die ursprünglichen Veröffentlichungsdaten der Aufsätze zu finden sind). Forscher seien übrigens auf der Hut bei der Benutzung des Vorwortes von Kuyper: Es ist in vielen Hinsichten unzuverlässig (vgl. Beilage A).


B I J L A G E   A

 

[Uit: A. Kuyper, Onze Eeredienst, Kampen 1911, 5; geannoteerd]

 

VOORWOORD

 

Toen ik in Juli 1901 in Staatsdienst werd geroepen, zag ik mij tot mijn leedwezen verplicht, de onderscheidene reeksen, die ik in de Heraut onderhanden had, af te breken.[86] Hieronder behoorde ook een reeks die ten titel droeg: Onze Eeredienst[87], waarvan toentertijd ruim zeventig artikelen verschenen waren.[88] Na mijn aftreden als minister ontving ik van onderscheidene zijden aanzoek, om deze reeks zoo mogelijk af te maken.[89] In de Heraut kon ik hieraan niet voldoen, daar Prof. Dr. H. H. Kuyper de dusgenaamde leaders in dit weekblad voor goed van mij had overgenomen, en ik hem liever niet in zijn geregelden gang stoorde.[90] Ik heb daarom den rusttijd, die een ernstige keelongsteldheid mij in het voorjaar bracht, gemeend niet beter te kunnen gebruiken, dan om dit onderwerp buiten de Heraut af te handelen. Er ontbrak nog aan de Liturgie van de Bediening des Doops, over de toelating tot het H. Avondmaal, van de Bediening des H. Avondmaals, over den Ban en de Wederopneming, over de Bevestiging in het Ambt en van de Bevestiging in het Huwelijk.[91] Deze zes onderwerpen zijn hierom in een vijftigtal nieuwe artikelen aan hetgeen verschenen was toegevoegd.[92] Het geheel verschijnt thans in afzonderlijke uitgave en komt hiermee onder het bereik ook van hen die geen lezers van de Heraut waren, terwijl ook den lezers van de Heraut thans deze, tien jaren onafgewerkt gebleven reeks, in voltooiden vorm wordt aangeboden.[93]

 

's Gravenhage, 1 Augustus 1911.[94]       KUYPER.

 

 


B I J L A G E   B

 

Overzicht van de publicatie van de oorspronkelijke artikelen uit Onze Eeredienst. In de eerste kolom worden de nummers gegeven, die de artikelen in Onze Eeredienst gekregen hebben.

De tweede kolom geeft de reekstitel, waartoe het artikel in De Heraut behoorde, gevolgd door het nummer dat het artikel daar kreeg. De aanduiding E betekent "Eeredienst", OE "Onze Eeredienst" en E-2 "Eeredienst. Tweede reeks".

In de derde en vierde kolom staan resp. het nummer van De Heraut waarin het oorspron­kelijke artikel verscheen en de datum van dat nummer.

 

 

Artikelnr. OE                         Titel                        Nummer De Heraut                        Datum de Heraut

 

I                        E (I)                        1015                        6 juni 1897

II                        E (II)                        1016                        13 juni 1897

III                        E (III)                        1017                        20 juni 1897

IV                        E (IV)                        1018                        27 juni 1897

V                        E (V)                        1019                        4 juli 1897

VI                        E (VI)                        1020                        11 juli 1897

VII                        OE (VII)                        1036                        30 oktober 1897

VIII                        OE (VIII)                        1038                        14 november 1897

IX                        OE (IX)                        1042                        12 december 1897

X                        OE (X)                        1043                        19 december 1897

XI                        OE (XI)                        1044                        26 december 1897

XII                        OE (XII)                        1045                        2 januari 1898

XIII                        OE (XIII)                        1046                        9 januari 1898 

XIV                        OE (XIV)                        1047                        16 januari 1898

XV                        OE (XV)                        1048                        23 januari 1898

XVI                        OE (XVI)                        1049                        30 januari 1898

XVII                        OE (XVII)                        1050                        6 februari 1898

XVIII                        OE (XVIII)                        1051                        13 februari 1898

XIX                        OE (XIX)                        1052                        20 februari 1898

XX                        OE (XX)                        1053                        27 februari 1898

XXI                        OE (XXI)                        1054                        6 maart 1898

XXI                        OE (XXII)                        1055                        13 maart 1898

XXIII                        OE (XXIII)                        1056                        20 maart 1898

XXIV                        OE (XXIV)                        1057                        27 maart 1898

XXV                        OE (XXV)                        1058                        3 april 1898

XXVI                        OE (XXVI)                        1059                        10 april 1898

XXVII                        OE (XXVII)                        1060                        17 april 1898

XXVIII                        OE (XXVIII)                        1061                        24 april 1898

XXIX                        OE (XXIX)                        1062                        1 mei 1898

XXX                        OE (XXX)                        1063                        8 mei 1898

XXXI                        OE (XXXI)                        1064                        15 mei 1898

XXXII                        OE (XXXII)                        1065                        22 mei 1898

XXXIII                        OE (XXXIII)                        1066                        29 mei 1898

XXXIV                        OE (XXXIV)                        1067                        5 juni 1898

XXXV                        OE (XXXV)                        1068                        12 juni 1898

XXXVI                        OE (XXXVI)                        1069                        19 juni 1898

XXXVII                        OE (XXXVII)                        1070                        26 juni 1898

XXXVIII                        OE (XXXVIII)                        1071                        3 juli 1898

XXXIX                        OE (XXXIX)                        1072                        10 juli 1898

XL                        OE (XL)                        1075                        31 juli 1898

XLI                        OE (XLI)                        1076                        7 augustus 1898

XLII                        OE (XLII)                        1077                        14 augustus 1898

XLIII                        OE (XLIII)                        1099                        15 januari 1899

XLIV                        OE (XLIV)                        1100                        22 januari 1899

XLV                        OE (XLV)                        1102                        5 februari 1899

XLVI                        OE (XLVI)                        1105                        26 februari 1899

XLVII                        OE (XLVII)                        1107                        12 maart 1899

XLVIII                        OE (XLVIII)                        1109                        26 maart 1899

XLIX                        OE (XLIX)                        1110                        2 april 1899

L                        OE (L)                        1111                        9 april 1899

LI                        OE (LI)                        1112                        16 april 1899

LII                        OE (LII)                        1113                        23 april 1899

LIII                        OE (LIII)                        1114                        30 april 1899

LIV                        OE (LIV)                        1118                        28 mei 1899

LV                        OE (LV)                        1119                        4 juni 1899

LVI                        OE (LVI)                        1120                        11 juni 1899

LVII                        OE (LVII)                        1140                        29 oktober 1899

LVIII                        OE (LVIII)                        1142                        12 november 1899

LIX                        OE (LIX)                        1143                        19 november 1899

LX                        OE (LX)                        1146                        10 december 1899

LXI                        OE (LXI)                        1148                        24 december 1899

LXII                        OE (LXII)                        1150                        7 januari 1900

[LXVI, zie onder                        E (LX)                        1187                        30 september 1900]

LXIII                        E (LXI)                        1188                        7 oktober 1900

LXIV                        E (LXII)                        1190                        21 oktober 1900

LXV                        E (LXIII)                        1193                        11 november 1900

LXVI                        E (LX)                        1187                        30 september 1900

LXVII                        E (LXIV)                        1194                        18 november 1900

LXVIII                        E (LXV)                        1197                        9 december 1900

LXIX                        E (LXVI)                        1202                        13 januari 1901

LXX                        E (LXVII)                        1205                        3 februari 1901

LXXI                        E (LXVIII)                        1208                        24 februari 1901

LXXII                        E (LXIX)                        1212                        24 maart 1901

LXXIII                        E (LXX)                        1217                        28 april 1901

LXXIV                        E (LXXI)                        1219                        12 mei 1901

LXXV                        E (LXXII)                        1221                        26 mei 1901

LXXVI                        E (LXXIII)                        1223                        9 juni 1901

LXXVII                        E (LXXIV)                        1226                        30 juni 1901

LXXVIII                        E (LXXV)                        1237                        15 september 1901

LXXIX                        E (LXXVI)                        1242                        20 oktober 1901

LXXX                        -                        -                        -

LXXXI                        -                        -                        -

LXXXII                        E-2 (I)                        1252                        29 december 1901

LXXXIII                        E-2 (II)                        1253                        5 januari 1902

LXXXIV                        E-2 (III)                        1255                        19 januari 1902

LXXXV                        E-2 (IV)                        1256                        26 januari 1902

LXXXVI                        E-2 (V)                        1272                        18 mei 1902

LXXXVII                        E-2 (VI)                        1274                        1 juni 1902

LXXXVIII                        E-2 (VII)                        1275                        8 juni 1902      

LXXXIX                        E-2 (VIII)                        1289                        14 september 1902

 

 

 



     [1]         Zie: K.W. de Jong, "Gerretsens 'Liturgie' (1911) in perspectief", in: Jaarboek voor liturgie-onderzoek 9 (1993), 25 - 63.

     [2]         G. van der Leeuw in: J.H. Gerretsen, Liturgie, 's-Gravenhage 1941, 4 (citaat).

     [3]         De Jong, "Gerretsens 'Liturgie'", 41 - 44 en 52.

     [4]         Bij citeren gebruik ik de bundel, tenzij anders aangegeven. Daarbij vermeld ik waar relevant steeds tevens het nummer van het artikel in Romeinse cijfers. Met behulp van bijlage B is dan vrij eenvoudig het origineel in De Heraut terug te vinden.

     [5]         K.W. de Jong, Ordening van dienst. Achtergronden van en ontwikkelingen in de eredienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Baarn 1996, met name 66v, 70 en 74 - 82. Vgl. verder ook: J.C. Rullmann, Kuyper-Bibliogrphie III (Kampen 1940), 375 – 378.

     [6] Kuyper, Onze Eeredienst, 7 (art. I; citaat).

     [7]         Vgl. De Jong, Ordening, 64 - 70, 83.

     [8]         Citaten in deze en de vorige regel uit de volledige titel, die luidt: De berijmde Psalmen, met eenige Gezangen, in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Neder­land; alsmede hare Formulieren van Eenigheid, met de drie oude Geloofs­be­lijdenissen, en hare Liturgie, met het Kort Begrip en den Zie­ken­troost. Naar den door die Kerken vastgestelde tekst, uitgegeven door F.L. Rutgers, onder medewerking van H. Bavinck en A. Kuyper, Middelharnis 1897. In werkelijkheid waren het niet zozeer Bavinck en Kuyper die meewerkten, maar was het Kuypers zoon H.H. Kuyper die een substantieel aandeel in de uitgave had (De Jong, Ordening van dienst, 65v).

     [9]         Kuyper, Onze Eeredienst, 40 (art. VII; citaat; citaat in de volgende zin: ibidem).

[10]  Voor Kuyper is elke plaatselijke gemeente een volwaardige kerk. Het in 1892 ontstane kerkverband heette daarom ook Gereformeerde Kerken in Nederland. Voor plaatselijke kerken moet derhalve in principe plaatselijke kerken gelezen worden.

     [11] Vgl. voor deze alinea bijlage B.

     [12] Kuyper, Onze Eeredienst, 14 (art. II; citaat).

     [13]        Ibidem, 16 (art. II; citaat). Vgl. Woordenboek der Nederlandsche Taal XIX-2, k. 1888 (sub 3).

     [14]        G.C. van de Kamp, "Liturgische bewustwording in de gereformeerde kerken", in: M.E. Brinkman (red.), 100 jaar theologie. Aspecten van een eeuw theolo­gie in de Gerefor­meerde Kerken in Neder­land (1892-1992), Kampen 1992, 161 - 210, p. 168 (citaat).

     [15]        Kuyper, Onze Eeredienst, 18 (art. III; citaat). Vgl. ibidem, 12 - 30 (art. II en III).

  [16]        J. Roldanus, “Plaats en rechten van de gemeente volgens de vroege Liturgische Beweging in Nederland”, in: M. Bons-Storm en L.A. Hoedemaker (red.): Omwegen door de woestijn. Reflecties over de theologie van prof.dr. G.D.J. Dingemans bij zijn afscheid als kerkelijk hoogleraar (Kampen 1993), 57 – 74, p. 68.

     [17] Kuyper, Onze Eeredienst, 17 (art. III; citaat). Vgl. Woordenboek, k. 1886.

     [18]        Kuyper, Onze Eeredienst, 18 (citaat, met cursivering van Kuyper; art. III). Kuyper citeert echter niet exact. Volgens zijn eigen uitgave van de Catechismus luidt het antwoord: "(...) en dat ik (...) tot de gemeente Gods naarstiglijk kome" (De Drie Formulieren van Eenigheid, met de Kerkorde, gelijk die voor de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn vastgesteld in haar laatgehouden Nationale Synode, voor kerkelijk en huislijk gebruik uitgegeven door dr. A. Kuyper, Amsterdam 1883, 55v (citaat)).

     [19] Zie De Jong, Ordening van dienst, 41 - 48.

     [20]        A. Kuyper, E Voto Dordraceno. Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus, 4 dln., Amsterdam 1892 - 1895.

     [21]        De Heraut nr. 569 (18 november 1888). De behandeling van Zondag 21 sloot Kuyper af in De Heraut nr. 587 (24 maart 1889).

     [22]        Acta Nederd. Geref. Kerken 1888 (Utrecht), art. 98 (29 juni 1888). Vgl. ibidem 1890 (Leeuwarden), art. 92 (27 juni 1890).

     [23]        De Heraut nr. 574 (23 december 1888) - nr. 585 (10 maart 1889).

     [24] De Drie Formulieren, 43 (citaat; curs. KWdJ).

     [25]        Vergelijk: "De kerke Christi toch bestaat uit personen. Dit ligt in de uitdrukking dat ze vergaderd wordt. Deze personen worden in deze kerk saâmgevoegd tot een vast kader, tot een onverbrekelijk korps of lichaam." Zo Kuyper in  E Voto II, 113.

     [26]        Kuyper, E Voto II, 137 (citaat). De "Dienst des Woords" omvat voor Kuyper meer dan de eredienst alleen, maar heeft er hier expliciet betrekking op.

     [27]        Hoewel het niet de bedoeling is na te gaan, of Kuypers redenering juist is, wil ik in dit verband wijzen op de artikelen 27 en 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar is de kerk een "heilige vergaderinge" (27, 28). Elk is "schuldig" zich met haar te verenigen, "onderhoudende de eenigheid der kerke, zich onderwerpende der onderwijzinge en tucht derzelve, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwinge der broederen, naar de gaven, die hun God verleend heeft" (28; citaten: De Drie Formulieren, 19v). Het gaat hier evenwel om een belijdenis, niet om een verklaring van de uitdrukking "heilige vergaderinge". Het woord vergadering heeft overigens in dit verband de betekenis van (godsdienstige) gemeenschap en moet dus weer duidelijk onderscheiden worden van de omschrijving die Kuyper eraan geeft (vgl. Woordenboek, k. 1895v (sub 6a)).  Overigens heeft Kuyper in een eerdere publicatie de term vergadering uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis uitgewerkt met behulp van het werkwoord verga(de)ren, in de zin van verzamelen. Al het werk van de kerk voert Kuyper terug op het bijeenvergaderen van de ware gelovigen (te onderscheiden van de uitverkiezing die buiten de kerk omgaat) (A. Kuyper, Uit het Woord. Stichtelijke Bijbelstudiën. Tweede Serie. Derde Bundel. Practijk der Godzaligheid (Amnsterdam/Pretoria z.j. [1886]), 14 – 18; het bedoelde gedeelte was al in november 1881 in De Heraut verschenen).

     [28]        Kuyper, E Voto II, 147 (citaat; vgl. De Heraut nr. 576 (6 januari 1889).

     [29]        Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid III, Amsterdam 1894, 515 (citaat in deze en in de volgende regel).

     [30]        De Heraut nr. 1018 (27 juni 1897; dit is: Kuyper, Onze Eeredienst, 21 - 26 (art. IV), met name 25). Het derde punt vat Kuyper samen met de woorden "onder de besprenging van het bloed Christi". Hij haakt hiermee aan bij het spraakgebruik van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar het gaat om het sacrament (sic!)  van de doop (artikel 34). Vgl. ook de artikelen 33 (over de sacramenten in het algemeen) en  27 (over de kerk).

  [31]   Roldanus, Plaats en rechten, 66v.

     [32]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 174 (art. XXXVIII) en 278 (art. LXVI).

     [33] Kuyper, Encyclopaedie III, 518.

     [34] De Jong, Ordening van dienst, 77v.

  [35]    Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt, dat Kuyper Sankey of diens geestverwanten in het geheel

niet noemt in zijn Varia Americana (Amsterdam/Pretoria z.j. [1899]), een bundel met beschouwingen naar aanleiding van zijn reis naar Amerika. Deze waren geplaatst in De Standaard en De Heraut.

     [36]        Kuyper, Onze Eeredienst, 202 (citaat; art. XLIV). Vgl. H. Krabbendam, "Zielenverbijzelaars en zondelozen. Reacties in de nederlandse pers op Moody, Sankey en Pearsall Smith, 1874 - 1878", in: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis van de 19e eeuw 34 (1994), 39 – 55; J. Smelik, “The Gospel Humn in the Low Countries”, in: G. Harinck and G. Krabbendam (eds.), Sharing the Reformed Tradition: The Dutch-North American Exchange, 1846 – 1996 (= VU Studies on Protestant History 2), 79 – 96.

     [37] Kuyper, Encyclopaedie III, 518 (citaat).

     [38]        Ibidem III, 93 - 100, 200v.

     [39]        Kuyper, E Voto IV, 390v (vgl. ibidem, 396 - 404).

     [40]        Kuyper, Onze Eeredienst, 40 - 52 (art. VIII - X; vgl. E Voto III, 570v en met name IV, 396 - 404). Voor de subtiele verschuiving in opvatting: Kuyper, E Voto IV, 403; Onze Eeredienst, 49v (art. X; zie voor de achtergronden: De Jong, Ordening van dienst, 62v). Vgl. ook de kritiek op het gebruik van het Onze Vader en van formuliergebeden in de Anglicaanse kerk: Kuyper, E Voto IV, (388), 390 en 418; Onze Eeredienst, 42 (art. VIII).

     [41]        Vgl. Kuyper, E Voto IV, 417v (vgl. Onze Eeredienst, 52 (art. XI)).

     [42]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 228 - 241 (art. LII - LV); E Voto IV, 404 - 409.

     [43]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 73 - 91 (art. XVI - XIX). Aantekeningen colleges aesthetica (periode 1884/5 - 1895) - HDC, Archief Kuyper, LB, P2. Vgl. ook dictaat aesthetica - HDC, VU-collegedictaten, colleges A. Kuyper opgetekend door F.W. Grosheide. Dit dictaat dateert echter op zijn vroegst uit 1899, het jaar dat Grosheide zich inschreef als student, dus van na de publicatie van de desbetreffende artikelen in de reeks "[Onze] Eeredienst". Vgl. eveneens van na die datum: A. Kuyper, Calvinism. Six Stone-lectures, Amsterdam-Pretoria z.j. [1899], 189 - 230 ("Calvinism and Art").

     [44]        Kuyper, Onze Eeredienst, 103 - 155.

     [45]        Vgl. ibidem, 69 - 73 (voor het dienend en heersend karakter van de kunst ook: 86v); E Voto III, 570.

     [46]        Kuyper, Onze Eeredienst, 61 – 69 (art. XIII – XIV).

  [47]       Vergelijk ibidem, 359 – 384 (art. LXXXIV – LXXXIX).

  [48]       De Jong, Ordening, 79v.

     [49] Kuyper, Onze Eeredienst, 5 (citaat). Het voorwoord is in extenso opgenomen in bijlage A.

     [50]        J.N. Bakhuizen van den Brink, "Uit de geschiedenis der liturgische beweging in Nederland", in: Kerk en Eredienst 1 (1945-46), 12 - 17 (citaat). Hoe Bakhuizen van den Brink aan gegevens als het jaartal 1897 en de verschijningsfrequentie van wekelijks kwam, is onduidelijk. Dat laatste gegeven is in ieder geval ook onjuist. De artikelen verschenen soms wekelijks, maar over de gehele periode gezien onregelmatig, soms met grote tussenpozen (zie bijlage B).

     [51]        Vgl. voor de behandeling ter synode: De Jong, Ordening, 69v.

     [52] Vgl. ibidem, 74v.

     [53]        Contract tussen J.H. Kok en A. Kuyper d.d. 26 juni 1911 - Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantsime (1800- heden) te Amsterdam (= HDC), Archief Kuyper, F 1.

     [54]        Vgl. C.H.W. van den Berg, "Kuyper en de kerk", in: C. Augustijn, J.H. Prins en H.E.S. Woldering, Abraham Kuyper. Zijn volksdeel, zijn invloed, Delft z.j., 146 - 178, met name 167v (vgl. ook 147v, 152 en 169v). Zie voor het contract de vorige noot.

     [55] Contract tussen J.H. Kok en A. Kuyper d.d. 25 maart 1913 - HDC, Archief Kuyper, F 1.

     [56]        A.C. van Dam (namens Uitgeversmaatschappij J.H. Kok B.V.) aan K.W. de Jong d.d. 3 december 1993 - particulier bezit K.W. de Jong.

     [57] Kuyper, Onze Eeredienst, 5. Zie bijlage A.

     [58] De Jong, Ordening van dienst, 75.

     [59]        Kuyper, Onze Eeredienst, 513v en 556v.

     [60] Kuyper, Enclopaedie III, resp. 514 (citaat vorige regel) en 510 (citaat deze regel).

     [61]        J.H. Gunning J.Hz., Onze Eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den gereformeerden cultus, Groningen 1890, 1 (citaat). Vgl. de apologetische reactie van Kuypers zoon, H.H. Kuyper, die na het verschijnen van J.H. Gerretsens Liturgie in De Heraut een rubriek startte onder de titel "Onze liturgie" (De Heraut, nr. 1769 (26 november 1911).

     [62] Kuyper, Onze Eeredienst, 61 (art. XII; citaat). Vgl. ook iets inhoudelijker: “Hoe meer de predicatie uitgewerkt is, des te meer werkt ze uit.” (in: “[Onze] Eeredienst”) met: “(…), des te meer werkt ze op de gemeente” (zo: Kuyper, Onze Eeredienst 301 (art. LXXII)).

     [63]        Vgl. ibidem, 174 (art. XXXVIII). De Post-acta verschenen in 1899 (Amsterdam). De Post-acta verschenen in 1899 (Amsterdam). Vgl. ook de niet bewerkte opmerking “gelijk Dr. H.H. Kuyper in December in de Heraut aantoonde”, Kuyper, Onze Eeredienst 212 (art. XLVII); op dezelfde pagina staat in een volgend artikel als verwijzing naar H.H. Kuypers bijdrage in De Heraut nog steeds foutief  “no. 1902”, terwijl dit 1092 moet zijn.

     [64]        Kuyper, Onze Eeredienst, 557.

  [65]       Vgl. ibidem, 21 (art. IV). Ongeveer tweederde van de pagina (“En dan zij er in de eerste plaats (…)  

            tevens samenkomst met haar God.”) behoorde oorspronkelijk tot art. III.

  [66]       Vgl.  ibidem, 60v (het betreft art. XII). Vgl. De Jong, Ordening van dienst, 87v.

  [67]       Kuyper, Onze Eeredienst, 279 (art. LXVI). Het is het tweede en laatste artikel onder de titel “De

            predikatie”.

  [68]       De Heraut nr. 1223 (citaat; 9 juni 1901); vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 329 (art. LXXVI).

  [69]       Kuyper, Onze Eeredienst, 5 (citaat). 

     [70] Zie: HDC, Archief Kuyper, LG, P7. Vgl. De Jong, Ordening van dienst, 77 - noot 88.

     [71]        Zie: HDC, Archief Kuyper, LE, P1a. De titels in het manuscript verschillen enigszins van die in de bundel: "De Heilige Doop", "Het Heilig Avondmaal", "Bevestiging in het Ambt", en "Bevestiging in het Huwelijk".

     [72] Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 407v; E Voto III, 48v.

     [73]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 359 - 363, 401 - 403; E Voto II, 529 - 533.

     [74]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 379v en 385v (wanneer), 372 - 375, 377v en 385v (wie); E Voto III, 61vv (wanneer), 61, 63vv (wie).

     [75]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 413 - 417; E Voto II, 487vv.

     [76]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 466 - 472 (vgl. ook ibidem, 30 - 35 (art. VI) en 124 - 132 (art. XXVIII XXIX); E Voto III, 98 - 100.

     [77]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 547 - 550 (kerk en overheid) en 546 - 551 (huwelijk als sacrament?); E Voto IV, 141 - 144 (kerk en overheid), 134v (huwelijk als sacrament?; vgl. ook E Voto II, 134v).

     [78]        Kuyper, Onze Eeredienst, 553 (citaat). Vgl. E Voto IV, 139v.

     [79] De Jong, Ordening van dienst, 78v.

     [80]        Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 461 en 463 (avondmaal), 533 (bevestiging in het ambt).

     [81] Vgl. De Jong, Ordening van dienst, 79.

     [82]        Vgl. ibidem, 79.

     [83]        Zie voor die anderen bijvoorbeeld: Gunning, Onze Eeredienst; E.F. Kruijf, Liturgiek. Ten dienste van dienaren der Nederlandsche Hervormde Kerk, Groningen 1901 (vgl. ook De Jong, Ordening van dienst, onder meer 46 en 81v, 364vv).

  [84]       Vgl. Roldanus, Plaats en rechten, 68.

           [85] Vgl. voor die ontvangst: De Jong, Ordening van dienst, 79vv.

[86]             Het laatste artikel in de reeks verscheen in: De Heraut, nr. 1289 (14 september 1902). Vgl. voor de annotaties steeds bijlage B.

[87]             De reeks heette aanvankelijk “Eeredienst”, vervolgens “Onze Eeredienst”, daarna weer  “Eeredienst” en de laatste keren “Eeredienst. Tweede reeks”.

[88]             Wat is bedoeld met “toentertijd”? Indien “Juli 1901”, dan betrof het 77 artikelen; indien het tijdstip van het daadwerkelijk afbreken, dan 87.

[89]             Dit is mogelijk. Van schriftelijke verzoeken is echter in het Archief Kuyper niets terug te vinden.

[90]             Kuyper bleef tot aan zijn dood in 1920 hoofdredacteur van De Heraut. Eerst toen volgde zijn zoon H.H. Kuyper hem als zodanig op. Hoewel deze geregeld bijdragen aan het periodiek had geleverd en in 1901 de rubriek kerkelijk leven was gaan verzorgen, was het pas in 1911 dat hij definitief een meer leidinggevende positie bij het blad kreeg. Een en ander wijst er op, dat Kuyper niet vóór 1911 overwogen heeft de serie “[Onze] Eeredienst” af te maken.

[91]             Tevens ontbraken artikelen over de collecten en het slot van de dienst.

[92]             In 1911 schreef Kuyper in totaal 43 artikelen, waarvan 40 over de onderhavige onderwerpen.

[93]             Voor wat betreft de termijn van tien jaar: dit is negen jaar (zie ook noot 86).

[94]             Kuyper verkeerde op 1 augustus 1911 naar alle waarschijnlijkheid in Dresden.