Dit artikel is verschenen in Jaarboek voor Liturgie-onderzoek 17 (2001), 293-304

 

‘UIT DE PRAKTIJK GEBOREN’

 

Plaats en betekenis van de Liturgiek van M.A. Vrijlandt

 

door Klaas-Willem de Jong

 

Op maandag 1 mei 2000 overleed geheel onverwacht op 54-jarige leeftijd Mattheus Arjanus (Theo) Vrijlandt. In een Zeeuws predikantsgezin opgegroeid vertrok hij in 1966 naar Utrecht om aan de Rijksuniversiteit theologie te gaan studeren.[1] Na een onderbreking van een jaar voor studie in Praag (1969-1970) legde hij zijn kandidaats examen af. In het daarop volgend doctoraal richtte hij zich op de studie van de patres, in het bijzonder Origenes. Zijn belangstelling en liefde voor de liturgie ontwikkelde zich aan het begin van de jaren zeventig in het Citypastoraat van J. van der Werf in de Utrechtse Domkerk, al was het aanvankelijk de Schriftuitleg van deze voorganger die hem boeide.[2] Het belang van Van der Werf voor Vrijlandts ontwikkeling blijkt ook uit het feit dat hij hem in 1975 in zijn eerste gemeente, Westervoort, bevestigde. Na de Hervormde Gemeenten te Westervoort en Assen volgde in oktober 1987 Ginneken, een gemeente die altijd nauw verbonden is geweest met de liturgische beweging.[3] Een maand later rolde bij Meinema in Delft Vrijlandts Liturgiek van de persen. Hoewel Vrijlandt op verschillende terreinen van kerk en theologie activiteiten ontplooide, dankt hij zijn bekendheid vooral aan deze uitgave die twee herdrukken beleefde.[4] In dit artikel wil ik om te beginnen de historische context van deze publicatie schetsen, vervolgens een beknopte beschrijving geven van de inhoud van de Liturgiek en de receptie ervan, om tenslotte aan te geven, welke betekenis zij heeft gehad voor de protestantse liturgiewetenschap in ons land.

 

Historische context

 

Vrijlandts Liturgiek verscheen in een periode dat de liturgische beweging in de protestantse kerken snel aan invloed won. Wie echter in die tijd in het Nederlands taalgebied op zoek was naar een protestants standaardwerk op het terrein van de liturgiek, kon nauwelijks een geschikte publicatie vinden. Het meest recente, uit 1976, was het praktijkgerichte en enthousiasmerende Drie maal drie is negen van de Evangelisch-Lutherse hoogleraar J.P. Boendermaker.[5] Dit was echter in eerste instantie bestemd voor gemeenteleden. Onder hen was de belangstelling voor het onderwerp groeiende, zo mag tenminste worden afgeleid uit de herdrukken die volgden. Wat strakker van opzet en toon, maar qua inhoud en beperking vergelijkbaar was de ruim tien jaar oudere Kleine liturgiek van de Utrechtse predikant J. van der Werf.[6] Wie zich verder in de thematiek wilde verdiepen, moest óf taalgrenzen overschrijden, óf verder terug in de tijd, bijvoorbeeld naar de Liturgiek van G. van der Leeuw, die in 1940 het daglicht zag.[7] Ook kon natuurlijk gegrepen worden naar Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten van H.A.J. Wegman, maar dat kende ook in de tweede herziene druk uit 1983 nog de nodige beperkingen inzake de protestantse liturgie.[8]

De interesse van gemeenteleden stond niet op zich. Een groeiende groep predikanten had vanaf het einde van de zestiger jaren in hun opleiding oog gekregen voor het belang van de liturgie in de opbouw van het gemeenteleven, ook al was de beschikbare tijd in de studie zonder uitzondering zeer beperkt.[9] In Groningen had A.C. Honders tezamen met het team van zijn Liturgisch Instituut daar het nodige aan gedaan. In Kampen en aan de Vrije Universiteit had G.N. Lammens zijn sporen nagelaten, terwijl in dit verband ook Boendermakers naam niet onvermeld mag blijven.[10] Blijkens enkele publicaties was de liturgische beweging ook niet geheel aan de Leidse en Utrechtse faculteit voorbij gegaan.[11] Maar in Utrecht bestond eveneens de inspirerende liturgische praktijk van Van der Werf, die behalve op Vrijlandt ook op andere theologiestudenten indruk heeft gemaakt. Advent 1977 ging De eerste dag, het oecumenisch leesroosterproject van de Raad van Kerken, van start. Dat won gestaag aan deelnemers, met name in protestantse kringen. Liturgisch breder van opzet was het periodiek Eredienstvaardig, dat in 1985 voor het eerst was begonnen te verschijnen en door diverse subsidies aan duizenden predikanten en musici toegezonden kon worden.

In beleid en bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland kreeg de aandacht voor de liturgie een impuls door een bundeling van krachten in het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst. Enkele maanden voor de publicatie van Vrijlandts Liturgiek, dus ook in 1987, maakten de kerken kennis met de eerste proeve van dit orgaan, Liturgie in dagen van rouw. In het daarop volgende jaar presenteerde het Samenwerkingsorgaan een   ambitieus plan voor een gezamenlijk dienstboek.

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn, dat de tijd rijp was voor een nieuwe studie die een verantwoorde inleiding gaf in de protestantse liturgie en haar achtergronden. Dit wordt nog eens onderstreept door de aanleiding tot het schrijven van de Liturgiek, een verzoek van de Commissie Kerkmuziek van het eerder genoemde Samenwerkingsorgaan. Vrijlandt doceerde aan een van de cursussen kerkmuziek van deze commissie en werd gevraagd om zijn kennis en ervaring ook voor cursisten elders toegankelijk te maken. Vrijlandt stelde zelf, dat zijn boek in eerste instantie bestemd was voor wat hij noemde het tweede en derde niveau, het beroepsonderwijs (van kerkmusici) en de toerusting van gemeenteleden. Op het eerste, academisch niveau zou het als ‘leesboek’ kunnen dienen, terwijl het ook op het vierde niveau, de geïnteresseerde basis van de gemeente, als bron van informatie kon dienen.[12]

 

Inhoud

 

Vrijlandts Liturgiek bestaat uit drie delen: A, de geschiedenis van de liturgie; B, systematische gang door de liturgie; C, overlegsituaties in de praktijk. Van de ongeveer 340 pagina’s hoofdtekst beslaat de helft deel A, ongeveer veertig procent deel B en tien procent deel C. In het kader van de geschiedenis van de liturgie bevat deel A een overzicht van de bijbelse gegevens, waarbij de aandacht gelijkelijk verdeeld is over oude en nieuwe testament, in zijn geheel ongeveer tien procent van het boek. Ruim de helft van deel A wordt besteed aan de Reformatie, met name aan de liturgische beweging in Nederland in de 20e eeuw.

Beschouwen we het boek nader, dan blijkt Vrijlandt de volgende lijnen uit te zetten. Liturgie vieren wordt in de inleidende pagina’s samengevat met: ‘Voorop staat, dat we telkens weer opnieuw de grote daden van de Heer in gedachtenis zullen brengen, zoals Hij deed aan zijn volk Israël in zijn zoon Jezus de Messias met het oog op alle mensen.’[13] Met die ‘we’ is de gemeente bedoeld. In deel A beschrijft Vrijlandt vervolgens allereerst, hoe plaats, tijd en ritueel zelf in de oudtestamentische periode gestalte kregen, alsmede hoe de boeken van het oude testament een plek kregen in het ritueel. Hij concludeert: ‘Zo liggen dus in het Oude Testament (Tenach) de wortels van de liturgie van synagoge én christelijke kerk.’[14] In de presentatie van de nieuwtestamentische gegevens valt vooral het zoeken naar rudimenten van (latere?) christelijke tradities op: Gloria, Sanctus, Agnus Dei, responsies en uitroepen, groet en zegen. De conclusie verbaast dan ook niet: ‘De schriften kunnen funktioneren in de liturgie, maar zijn als lezing en doorweven lied ook zelf al liturgie.’[15] In de kerkgeschiedenis ziet Vrijlandt ‘hoe een aantal fundamentele grondlijnen van de synagogale liturgie in de kerk bewaard worden’, maar tevens stelt hij vast hoe ‘in een concrete spanning met de wereld rondom’ ook ‘nieuwe ontwikkelingen en vormen waar te nemen zijn.’[16] De benadering doet denken aan die van Wegman die in zijn reeds aangehaalde Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten liturgische ontwikkelingen beschreef binnen het raamwerk van historische en culturele data. 

In de systematische gang door de liturgie van deel B neemt Vrijlandt zijn uitgangspunt in het Oecumenisch ordinarium (1968), uitgewerkt in Onze hulp (1978): een dienst van Woord én Tafel. Voor het proprium wijst hij op het oecumenisch leesroosterproject De eerste dag (gestart in 1977) en de lijnen die daarin samenkomen.[17] In de oecumenische vorm ‘ontdekken velen weer de rijkdom van de eredienst in een geseculariseerde samenleving’, aldus Vrijlandt, die zich juist in het kader van deze vorm veel kerkelijke creativiteit ziet ontwikkelen.[18] Hier blijkt een sterk apostolair motief, in lijn met de Hervormde kerkorde van 1951, maar tevens passend bij de beweging die Vrijlandt in de liturgiegeschiedenis had gesignaleerd: de wisselwerking tussen kerkelijke traditie enerzijds en meer algemene culturele tendensen anderzijds.[19] In het kader van de oecumenische orde voor de zondagmorgendienst bespreekt Vrijlandt niet alleen de daarin steeds terugkerende onderdelen, maar ook de orde voor de doop, de bevestiging van ambtsdragers en de bevestiging en inzegening van een huwelijk. Deze orden komen ter sprake in het kader van het Credo, ingeleid door een paragraafje met de titel ‘De invoeging op de weg van het geloof’. Aparte hoofdstukken zijn ingeruimd voor de omgang met het kerkelijk jaar, de getijden, de gedachtenis van overledenen, de huisdienst en de gedachtenisdienst bij begrafenis of crematie.

In deel C wordt praktisch uitgewerkt, dat liturgie een zaak is ‘van heel de gemeente’.[20] Ook al hebben ambtsdragers, de kerkenraad, een speciaal aandeel in de eredienst, het is daarom zaak dat de gemeente er goed over is geïnformeerd en blijft: ‘In die plaatselijke gemeente is het de kerkeraad die de taak is toevertrouwd om alles wat de Geest in de gemeente wakker roept ruimte te geven in een nuchtere, zinvolle en verder inspirerende lijn.’[21] Dit deel bevat voor het merendeel praktische informatie. Het meest is niet nieuw, maar vóór de verschijning van de Liturgiek is het nog nooit zo duidelijk in onderlinge samenhang bijeen gezet. Het gaat over het (liturgisch) beleid van de kerkenraad, een werkgroep eredienst, het overleg tussen predikant en cantor en/of organist, het overleg over diensten met het oog op kinderen en jongeren, de verhouding tussen liturgie en actie, en de publiciteit rond de eredienst.

Het is verleidelijk om verder in te gaan op de inhoud, nader te bestuderen op welke onderdelen Vrijlandt zich in het bijzonder heeft geconcentreerd en wat hij daarover te melden heeft. Het moet in het kader van dit artikel echter blijven bij een globale weergave.

 

Reacties

 

De reacties op het boek waren wisselend. De meeste Hervormde collega’s uitten zich positief. Zo miste Y. Akkerman wel een zaakregister en een verklarende woordenlijst, maar kon hij toch concluderen: ‘Al met al is het een compleet boek’.[22] C.P. van Andel stelde: ‘Samenvattend kan worden opgemerkt dat Vrijlandts Liturgiek een uitstekend overzicht geeft van de herkomst, achtergronden en ontwikkelingen van de liturgie door de historie heen. De studie is katholiek in de goede zin van het woord, maar sluit tevens aan bij de beste tradities van de reformatie.’[23] B. ter Haar Romeny deed er nog een schepje bovenop: ‘want het hoort in veler bezit als handboek, zelfs standaard voor de laatste ontwikkelingen, en historiografie vanaf het begin.’[24] Deze Hervormden herkenden blijkbaar de sfeer vanwaar uit Vrijlandt schreef en zijn uiteenlopende kanttekeningen plaatste. De dikwijls afwezige verantwoording vormde voor hen althans geen barrière om zich in te leven en te begrijpen waar het om te doen was.  De Rooms-Katholieke recensenten daarentegen waren aanmerkelijk kritischer. Zij wezen op concrete fouten, gebrek aan kennis en overzicht, en achtten de aandacht voor de reformatie en de protestantse invalshoek overmatig.[25] Onder de katholieken legde H.A.J. Wegman net even andere accenten. Hij had de bespreking van het boek steeds weer uitgesteld en gaf aan: ‘Ik voelde een vorm van ambivalentie: enerzijds achting voor de durf en de prestatie, die geleverd is (…), anderzijds kritiek op de manier waarop het boek is gecomponeerd.’[26] Hij vond Vrijlandt te stellig en te dirigistisch.[27] Wegman stelde verder de vraag naar de eigen beleving van de gemeente, waarvoor zijns inziens in Vrijlandts Liturgiek nauwelijks ruimte bestond.[28] Tevens wees hij op belangrijke omissies. In al deze kritiek kwam hij opmerkelijk genoeg overeen met de Gereformeerde J.J. van Nijen, toen docent praktische theologie aan de Vrije Universiteit. Die spitste het laatstgenoemde kritiekpunt verder toe: ‘De vraag lijkt me gerechtigd of zoveel in één boek past en of zoveel door één auteur te beschrijven is. Ik heb zo mijn twijfels.’[29] Waar Rooms-Katholieke critici moeite hadden met de beperkte plaats die hun traditie in Vrijlandts boek had, wees Van Nijen op de weinige bladzijden die voor de Gereformeerde Kerken waren ingeruimd. Het zal duidelijk zijn, dat alle scherpe kritiek een hard gelag was voor Vrijlandt, de waarderende woorden die ook gesproken werden ten spijt.[30]

 

Beoordeling

 

We kunnen vaststellen dat Vrijlandt zich in zijn Liturgiek veel gelegen liet liggen aan de traditie. Dat heeft hem in meerdere opzichten parten gespeeld. Hoezeer hij ook aandacht vroeg voor het heden, hij wekte tenminste de indruk uit te zijn op een liturgische restauratie. Hij paste daarmee in de liturgische beweging die in de vorige eeuw is opgekomen in de Nederlandse Hervormde Kerk, en later ook in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het accent heeft daar lange tijd gelegen op de historische gegevens en niet zelden is dat nog steeds het geval. Vrijwel steeds zijn er echter ook andere geluiden geweest en is er gewezen op het eclectische in de omgang met de liturgisch traditie. Maar concrete alternatieven die een duidelijk normerend kader konden bieden voor de liturgische praktijk, bleven uit. Dit neemt niet weg, dat Vrijlandt uitvoeriger verantwoording had kunnen afleggen van recente ontwikkelingen. Zo was ook in 1987 uit liturgiehistorisch onderzoek al wel duidelijk, dat de christelijke liturgische traditie van het begin af aan veelvormig is geweest.[31] Niet alleen aan de bijbel, maar ook aan de historie kunnen niet zonder meer eenduidige voorschriften worden ontleend.

Geen enkele recensent kritiseerde Vrijlandts uitgangspunten op zich, mogelijk omdat ze slechts in beperkte mate waren uitgewerkt. Hoe dat ook zij, de inzet bij de vierende gemeente werd breed onderschreven. Toch lag hier bij onder anderen Wegman en Van Nijen een verwijt, namelijk dat Vrijlandt niet consequent was. In de praktijk van zijn Liturgiek lag het primaat dikwijls bij de gegeven liturgische traditie, terwijl de beleving van de gemeente daaraan ondergeschikt was. Wellicht had de antropologie hier waardevolle aanvullingen kunnen bieden, maar de toepassing van de antropologische methode op het terrein van de liturgiek stond nog in haar kinderschoenen. Vrijlandt was overigens wel op de hoogte van het bestaan van deze vernieuwende aanpak. In een noot noemde ik al de studie van G.J. Hoenderdaal, die aanknopingspunten zocht in de verschijnselen van spel en feest. E.H. van Olst werkte in zijn Bijbel en liturgie  in deze lijn verder.[32] Ook met dit werk was Vrijlandt bekend. Hij ontleende er zijn beschrijving van bijbelse gegevens aan.

Vanuit de invalshoek dat de opdrachtgevende commissie ingesteld was door de Hervormde Kerk én de Gereformeerde Kerken had Van Nijen op zich gelijk met zijn formele kritiek, dat Vrijlandt in zijn beschrijving te weinig rekening had gehouden met de Gereformeerde partner in het Samen-Op-Weg proces. Het is echter de vraag, of daar vanuit het typisch Hervormde accent op het apostolaire element in de eredienst ook inhoudelijk voldoende ruimte voor was. Vrijlandt zelf heeft zich van die eigen inzet en van de historische ontwikkelingen in beide kerkgenootschappen onvoldoende rekenschap gegeven. Anders had hij nooit kunnen stellen, dat de liturgische ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken ‘eenzelfde beeld’ vertoonden als die in de Nederlandse Hervormde Kerk.[33]

De tot op dit punt geconstateerde omissies zouden wel eens mede het gevolg kunnen zijn van Vrijlandts gedrevenheid. Zijn inzet is hoog: ‘Daarmee is liturgie vieren geen hobby, maar een zorgvuldige discipline, een voortdurende training van levensbelang.’[34] Sommige tekstgedeelten hebben een stichtelijk of prekerig karakter. Dat kan storend werken. Maar het is volgens mij bij een niet-wetenschappelijke uitgave als deze acceptabel zolang het in overeenstemming is met de uitgezette principiële lijnen.[35] Anders ligt het als de stellingname niet of nauwelijks verantwoord wordt en een zekere willekeur optreedt, te meer daar met regelmaat gepleit wordt voor ruimte en openheid. Ook daarvan zijn in het boek voorbeelden te geven.[36]

Velen zijn Vrijlandt voorgegaan om in één enkele band een inleiding op de liturgie te schrijven. De populaire uitgaven van Boendermaker en Van der Werf kwamen al ter sprake, evenals de wetenschappelijk verantwoorde Liturgiek van Van der Leeuw. In ons taalgebied zouden aan de laatste onder meer de Liturgiek van de Doopsgezinde W.F. Golterman en de sterk theologisch-dogmatisch gekleurde Inleiding tot de liturgie van de Rooms-Katholiek A. Verheul kunnen worden toegevoegd.[37] Sterker dan bij Vrijlandt is bij hen echter sprake van een rustig opgebouwde visie, die vervolgens op het gehele bereik van de liturgiek wordt toegepast. De ontwikkelde visie zelf is belangrijker dan dat elk onderdeel van de liturgiek aan de orde komt. Bij Vrijlandt krijgt de volledigheid een groter accent. Dat gaat echter ten koste van een helder kader. Het lijkt erop, dat Vrijlandt zich heeft verkeken op de omvang die het terrein van de liturgiek in de voorafgaande decennia had aangenomen. In alle redelijkheid kon in de tweede helft van de jaren tachtig ook niet meer verwacht kon worden, dat één persoon alles zou overzien. Het standaardwerk De weg van de liturgie, door zijn redacteuren gezien als een opvolger van Vrijlandts Liturgiek, kent daarom ook meerdere auteurs, elk op een of meer deelterreinen deskundig.

Te veel overigens hebben recensenten de publicatie als wetenschappelijk werk beoordeeld. Al gaf de titel van het boek, Liturgiek, daar wel aanleiding toe, Vrijlandt had die pretentie beslist niet.[38] Voor theologen bedoelde het een ‘leesboek’ te zijn, daarin nadrukkelijk te onderscheiden van de opvolger De weg van de liturgie, dat in het woord vooraf als ‘wetenschappelijk leerboek’ getypeerd wordt.[39]

 

Conclusies

 

‘Dit boek is uit de praktijk geboren’, zo meldt de achterflap van Vrijlandts Liturgiek. Vrijlandt doelt dan op de praktijk van het predikantschap en van het docentschap voor kerkmusici en geïnteresseerde gemeenteleden. Hij stelt zich tot doel de liturgische vragen die daar opkomen te beantwoorden. Het is echter niet alleen de plaatselijke liturgische praktijk van een deel van de Nederlandse protestantse gemeenten die de basis vormt voor Vrijlandts Liturgiek. Dat geldt ook voor de praktijk van de protestantse liturgiek in Nederland in het midden van de jaren tachtig. Die praktijk was 1) fragmentarisch en binnen het geheel van de theologie marginaal, 2) sterk bepaald door een historische benadering, 3) maar zoekend naar een duidelijker profiel, direct dienstbaar aan de gemeentepraktijk.  Bij elk van deze punten plaats ik een enkele kanttekening. 1) Het is tekenend dat afgezien van enkele beknopte en populaire uitgaven na Van der Leeuw en Golterman lange tijd niemand het aandurfde een Liturgiek te schrijven. Hoewel Vrijlandt een uitdrukkelijk verzoek kreeg voor zijn studie, getuigt zijn poging daarom van moed. Het is zijn verdienste, dat hij veel verspreid materiaal samenvatte en in één band bijeenbracht. 2) Het is derhalve de vraag, of nu uitgerekend van Vrijlandt aanzetten tot methodische vernieuwing verwacht mochten worden, zeker in een boek dat in feite geen wetenschappelijke pretentie had. 3) Het heeft in dit perspectief iets tragisch, dat Vrijlandt zo duidelijk probeerde te denken en te schrijven vanuit de gemeentelijke praktijk, maar er niet in is geslaagd de beleving van die gemeente een structurele plaats te geven. Dit neemt niet weg, dat Vrijlandts Liturgiek in een duidelijke behoefte heeft voorzien en de opstap heeft gevormd voor een wetenschappelijk handboek liturgiek, De weg van de liturgie.



[1] Voor de persoonlijke gegevens in deze alinea maakte ik onder meer gebruik van E. VAN OMMERING: ‘De lofzang moet doorgaan’, in: Bisdomblad Breda september 2000, 18v en van een brief van F.J. Vrijlandt-Postma d.d. 30 mei 2001 aan mij gericht.

[2] Zie voor Van der Werf: Afgaande op het Koninkrijk. Herinneringen aan -, artikelen, lezingen en een levensschets van dr. J. van der Werf, bijeengebracht en ingeleid door M.G.L. den Boer (’s-Gravenhage 1980).

[3] Voor wat betreft Ginneken: B. ter Haar Romeny (predikant aldaar 1916-1947) behoorde als een van de eersten tot de eind 1921 of begin 1922 opgerichte Liturgische Kring. Zijn opvolger A.C.D. van den Bosch (in Ginneken 1947-1980) was eveneens lid,  net als Vrijlandt zelf. P.A.E. Elderenbosch (in Ginneken 1980-1987) was geen lid, maar blijkens zijn publicaties was ook hij kundig op het terrein van de liturgie. Zie K.W. DE JONG: Inventaris archief Liturgische Kring, in: Lectiones 4 (2000) 75 –  94.

[4] 1e dr. Delft 1987, 2e dr. ‘s-Gravenhage 1989, 3e dr. Zoetermeer 1992. De enige andere in de NCC te vinden zelfstandige publicatie is: M.A. VRIJLANDT: Laat eens wat van je horen! Over responsies in de eredienst (Zoetermeer 1995) (= Werkboekjes voor de eredienst 8). Verder verschenen van Vrijlandts hand met enige regelmaat korte bijdragen in het tijdschrift In de Waagschaal (waarvan hij ook redactielid was) alsmede een enkel artikel in Eredienstvaardig.

[5] J.P. BOENDERMAKER: Drie maal drie is negen. Liturgie voor gemeenteleden (’s-Gravenhage 1976).

[6] J. VAN DER WERF: Kleine liturgiek (’s-Gravenhage 1965).

[7] G. VAN DER LEEUW: Liturgiek (1e dr. Nijkerk 1940, 2e dr. Nijkerk 1946).

[8] H.A.J. WEGMAN: Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten (1e dr. Hilversum 1977; 2e herz. dr. Hilversum 1983). Zie voor de herziene druk ook noot *.

[9] Voor de stand van zaken aan het begin van de tachtiger jaren, zie: F. BROUWER: Liturgie- en hymnologie-onderwijs in Nederland en de kommunikatiestoornis tussen predikant en kerkmusikus, in Mededelingen van het Instituut voor Liturgiewetenschap van de Rijksuniversiteit te Groningen 18 (1984) 5 – 9. Vergelijk VRIJLANDT: Liturgiek 151v.

[10] Zowel Lammens als Boendermaker hebben duidelijk school gemaakt in de liturgie(k), zoals blijkt uit de feestbundels die hen zijn aangeboden (J. FIRET e.a. (ed.): ‘Houdt dan de lofzang gaande …’. Opstellen over kerk en eredienst aangeboden aan Prof.dr. G.N. Lammens ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag (Kampen 1983); K. VAN DER HORST e.a. (ed.): Voor de achtste dag. Het oude testament in de eredienst. Een bundel opstellen voor prof.dr. J.P. Boendermaker ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag (Kampen 1990)).

[11] In Leiden had G.J. Hoenderdaal, de kerkelijk hoogleraar vanwege de Remonstrantse Broederschap gepubliceerd: Riskant spel. Liturgie in een geseculariseerde wereld (’s-Gravenhage 1977). In Utrecht was het de Hervormde H. Jonker die liturgische vragen op de agenda van zijn studenten zette (vergelijk zijn: Liturgische oriëntatie. Gesprekken over de eredienst (Wageningen z.j.)).

[12] VRIJLANDT: Liturgiek 7v.

[13] VRIJLANDT: Liturgiek 6.

[14] VRIJLANDT:         Liturgiek 25.

[15] VRIJLANDT: Liturgiek 38v.

[16] VRIJLANDT: Liturgiek 40.

[17] Terzijde zij hier opgemerkt, dat het boek wemelt van kleine fouten. Twee van de drie jaartallen in deze en de voorgaande zin staan in het boek foutief vermeld (namelijk met betrekking tot de publicatie van Onze hulp en de start van De eerste dag). Vergelijk VRIJLANDT: Liturgiek 171 (en ook 9).

[18] VRIJLANDT: Liturgiek 172.

[19] Vergelijk voor het apostolaire motief bijvoorbeeld ook VRIJLANDT: Liturgiek 7 en 353.

[20] VRIJLANDT: Liturgiek 324.

[21] VRIJLANDT: Liturgiek 326.

[22] Y. AKKERMAN in Woord & Dienst 37 (1988) 248.

[23] C.P. VAN ANDEL in Kerk en Theologie 39 (1988) 166v. Citaat op p. 167. Van Andel was mede door zijn eigen Tussen de regels. De samenhang van kerkgeschiedenis en kerklied (’s-Gravenhage 1968) goed bekend met de historische en kerkmuzikale achtergrond van waaruit Vrijlandt schreef.

[24] H.J. TER HAAR ROMENY: Liturgiek, in In de Waagschaal 17 (1988-89) 111 – 114, 149 – 152, 185 – 188. Citaat op p. 188. TER HAAR ROMENY schreef een proefschrift onder de titel De geschiedenis van de eerste oecumenische raad in Nederland – ook in zijn internationale context – 10 mei 1935 – 10  mei 1946 (’s-Gravenhage 1989), waarin hij ook een paragraaf wijdde aan de liturgische beweging (190 – 203). Voor wie de overeenkomst in naam opvalt: de voormalig predikant van Ginneken, B. ter Haar Romeny (zie noot *), was een neef van zijn vader.

[25] Zo A.J.M. BLIJLEVENS (Praktische Theologie 1989/1, 84v) en J. VANDER SPEETEN (Tijdschrift voor Liturgie 72 (1988) 177). Vergelijk ook de Oud-Katholieke K. OUWENS (Eredienstvaardig 4 (1988) 163v).

[26] H.A.J. WEGMAN in Nederlands Theologisch Tijdschrift 43 (1989) 260v. Citaat op p. 260. Wegman voegde daaraan toe: ‘Ik spreek uit ervaring: wellicht was het beter geweest, dat de auteur nog een jaar of twee aan zijn manuscript had geschaafd.’ Hij doelde daarmee waarschijnlijk op zijn eigen Geschiedenis van de christelijke eredienst (zie voor verdere gegevens van deze uitgave noot *).

[27] In deze tijd trok Wegman consequenties uit de afkeer die hij in de voorgaande jaren ontwikkeld had tegen het  centralistische beleid van de Rooms-Katholieke Kerk: hij legde het rectoraat van de KThUU neer en nam afstand van het priesterambt (vergelijk ook zijn beschrijving van de voorafgaande twintig jaar in: Riten en mythen. Liturgie in de geschiedenis van het christendom (Kampen 1991) 354v en 358).

[28] De vraag naar de beleving van de gemeente hield Wegman in deze jaren bijzonder bezig. Vergelijk ook zijn kanttekeningen bij het oecumenisch leesrooster van de Raad van Kerken: ”De eerste dag” na twaalf jaren, in: Eredienstvaardig 5 (1989) 66 – 71, 71.

[29] J.J. VAN NIJEN in Centraal Weekblad 36 (1988) nr. 8 (26 februari) 3. In dezelfde lijn als Wegman en Van Nijen ook bijvoorbeeld de (Hervormde) S.L.S. de Vries in Trouw (12 januari 1988).

[30] G.J. SMIT: Theo, adieu, in In de Waagschaal 29 (2000-01) 195v, 196. Smit heeft inmiddels de door Vrijlandts overlijden ontstane predikantsvacature in Ginneken opgevuld.

[31] Vergelijk  VRIJLANDT: Liturgiek 11, en P.F. BRADSHAW: The Search for the Origins of Christian Liturgy: some methodological Reflections, in Studie Liturgica 17 (1987) 26 – 34.

[32] Voor Hoenderdaal, zie noot * (vergelijk VRIJLANDT: Liturgiek 152). E.H. VAN OLST: Bijbel en liturgie. Een pleidooi voor het vieren (Baarn 1983), zie voor de antropologie met name het derde hoofdstuk (vergelijk VRIJLANDT: Liturgiek 8 en 34).

[33] VRIJLANDT: Liturgiek 135 (vergelijk 8). Zie verder mijn Ordening van dienst. Achtergronden van en ontwikkelingenin de eredienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland (Baarn 1996).

[34] VRIJLANDT: Liturgiek 5 (curs. KWdJ).

[35] Als voorbeeld wijs ik op VRIJLANDT: Liturgiek 114 – 117, hoewel Vrijlandt mijns inziens het historisch kader hier uit het oog verliest en zich daardoor in eenzijdigheden verliest.

[36] Voor willekeurig of stichtelijk aandoende opmerkingen zie onder meer VRIJLANDT: Liturgiek 166v (over voorbidden in de eredienst), 233 (over de betekenis van het Onze Vader) en 318 (over zingen in uitvaartdiensten). Zie voor de openheid bijvoorbeeld VRIJLANDT: Liturgiek 172, 173vv en 352v.

[37] W.F. GOLTERMAN: Liturgiek (Haarlem 1951); A. VERHEUL: Inleiding tot de liturgie. Haar theologische achtergrond (2e dr. Roermond 1964).

[38] Vergelijk de (bewerkte?) opmerking van F.J. Vrijlandt-Postma: ‘Dit boek is tot zijn eigen schrik dan ook tegelijk een handboek geworden voor de studenten.’ (in: OMMERING: ‘De lofzang …’ 19). De uitgever en de commissie voor de kerkmuziek hadden die pretentie duidelijk wél. In de aanbiedingsfolder (uit 1986?) staan typeringen als ‘handboek’ (zie ook de achterflap van het boek), ‘studieboek’ en ‘standaardwerk’.

[39] Respectievelijk VRIJLANDT: Liturgiek 8; P. OSKAMP, N.A. SCHUMAN (eds.): De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk (Zoetermeer 1998) 7. Vanuit deze kanttekening is het te begrijpen, dat geen recensie van Vrijlandts Liturgiek te vinden is in Tijdschrift voor Theologie en Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (hoewel daarin soms ook wel populair-wetenschappelijk werk besproken wordt) en evenmin in de literatuurberichten van Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie en Archiv für Liturgiewissenschaft.