CENTRAAL WERKGEVERSCHAP IS GEEN OPLOSSING

Dit artikel is in licht bewerkte vorm verschenen in Woord & Dienst 59 (2010), nr. 4 ( 26 februari)

Sollicitatiecode De collega’s De Leede en Van de Linde doen in nummer 2 van Woord & Dienst een sympathiek pleidooi voor kandidaten die wachten op een beroep. Zij zouden een stevige steun in de rug verdienen. De landelijke kerk dient hen vijf jaar in dienst te nemen. Zo kunnen ze zich bekwamen in hun vak en zich een plek verwerven in de kerk. Het valt te waarderen dat beide collega’s zich inzetten voor deze groep. Zij hebben op dit moment een relatief zwakke positie. Ze hebben weinig mogelijkheden daar daadwerkelijk iets aan te doen. Wie zich wat nader in het pleidooi verdiept, ontdekt echter dat het op verschillende punten nogal kortzichtig is.

Tekort of overschot
Ik wil aannemen dat er op dit moment voor een groep aanstaande predikanten een serieus probleem bestaat. Het voorstel zal voor deze groep onmiskenbaar een flinke steun in de rug zijn. Het voorstel is echter nogal ingrijpend. Het zal de nodige tijd – enkele jaren! – kosten om het te verwezenlijken. Als ik de rapportage van de commissie Veerman vorig jaar goed begrepen heb, zal er over enkele jaren sprake zijn van een tekort aan (aanstaande) predikanten. We schieten met een voorstel als dit dus niets op. Of de situatie moet toch wezenlijk anders zijn dan ons in ‘Werk in de wijngaard’ is voorgehouden.

Beroepingswerk
De collega’s doen hun beklag over het beroepingswerk waar kandidaten mee hebben te maken. Terecht. Er is veel mis in het beroepingswerk. De voorbeelden die De Leede en Van de Linde geven zijn met talloze aan te vullen. Het zijn echter niet alleen kandidaten die hiermee te maken hebben. Predikanten hebben er niet minder last van. De kandidaten zullen er na een eerste periode in dienst van de landelijke kerk als predikant ook mee geconfronteerd worden. Het probleem verschuift. Er dient dus hoognodig iets aan het beroepingswerk gedaan te worden. Daar lees ik in het voorstel zo goed als niets over. Ik wil op deze plaats alvast een eenvoudige suggestie doen. De NVP, de Nederlandse Vereniging voor Personeelsmanagement & Organisatieontwikkeling, kent in haar sollicitatiecode een landelijke commissie, waarbij sollicitanten hun beklag kunnen doen. Dat zal er hoogstzelden toe leiden dat een afgewezen kandidaat alsnog wordt aangenomen. Wel wordt het bedrijf op de vingers getikt en zal een volgende keer zich mogelijk toch zorgvuldiger opstellen. Een (geanonimiseerde) versie van de uitspraak zal er toe leiden dat andere gemeenten op voorhand beter zullen opletten. Niemand vindt het aardig om berispt te worden. Een kandidaat of predikant kan nu alleen zijn beklag doen over een concrete beroepingsprocedure bij de kerkenraad. Die is echter meestal te direct betrokken om een evenwichtig oordeel te kunnen vellen. Met het einde van de vacaturetijd in zicht, zal de kerkenraad vooral verder willen. Gedane zaken nemen geen keer.

Werkgeverschap
De Leede en Van de Linde spreken over een dienstverband met de landelijke kerk. Zij noemen de kerk werkgever. Dat zou betekenen dat de beginnende predikant een arbeidsovereenkomst krijgt. Op dit moment heeft een predikant geen arbeidsovereenkomst. De verhouding tussen gemeente en predikant is van een eigen aard. De predikant is geen werknemer. De meningen verschillen of een gewoon dienstverband niet toch wenselijk zou zijn. Voor verandering is op dit moment echter geen meerderheid te vinden. Vooralsnog blijft mede daarom de status quo gehandhaafd.
Het is echter niet denkbeeldig dat de kerk op termijn gedwongen zal worden op een andere wijze naar de verhouding tussen gemeente en predikant te kijken. In 2005 meende een kantonrechter in Zwolle bij een Chr. Gereformeerd predikant dat er wel degelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. In hoger beroep is het Hof Arnhem onlangs helaas op dit punt niet ingegaan. De uitspraak van de Zwolse kantonrechter is daarmee vooralsnog een incident. Het is onvermijdelijk dat het vraagstuk op termijn weer aan de rechter zal worden voorgelegd. Een (centraal) werkgeverschap voor beginnende predikanten zal voor de rechter een aanwijzing zijn dat er ook bij andere predikanten sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ik zie in het voorstel in ieder geval geen principieel verschil tussen beide categorieën. Als de een het kan doen met een gewone arbeidsovereenkomst, dan de ander ook.
De Leede en Van de Linde maken voor het landelijk werkgeverschap een vergelijking met jongerenwerkers en een poule van interim-predikanten. Het lijkt me dat afhankelijk van de exacte regeling de kerk zich met dat laatste al op glad ijs begeeft. Het verschil tussen een gewoon predikant en een beginnend predikant is echter aanzienlijk kleiner dan het verschil tussen een gewoon predikant en een interimmer. De rechter kan aan de nieuwe figuur wel eens argumenten ontlenen om de kerk de eigen overeenkomst met de predikant te ontzeggen. Als we daar mee kunnen leven, is dat natuurlijk geen probleem. Nu er op dit punt geen consensus bestaat, lijkt het mij daarom alleen al niet verstandig als de kerk zou starten met een centraal werkgeverschap voor beginnende predikanten.

Nogmaals beroepingswerk
De Protestantse Kerk in Nederland heeft op dit moment te maken met een overschot aan kandidaten en predikanten. Een betere startpositie voor kandidaten doet aan het overschot niets af. Het beroepingwerk zal daarmee ook voor predikanten sterker onder druk komen staan. Dat zal onherroepelijk leiden tot een verminderde mobiliteit. De verbeteringen die met de totstandkoming van de Protestantse Kerk zijn doorgevoerd, worden dan goeddeels weer teniet gedaan.
Het lijkt mij dat de verbetering van de startpositie voor kandidaten eenvoudiger kan worden bewerkstelligd. De Leede en Van de Linde doen daar in feite ook zelf al een voorzet voor. Gemeentes krijgen onder bepaalde condities de mogelijkheid een kandidaat-predikant te beroepen voor lagere kosten dan nu gebruikelijk. Dat kan door subsidie vanuit de landelijke kerk. Ook is het denkbaar een wat lager traktement te geven. Dat laatste heeft als nadeel dat er twee soorten predikanten ontstaan. Het eerder genoemde rapport ‘Werk in de wijngaard’ van de commissie Veerman deed aanzetten in deze richting. In de huidige constellatie lijkt me deze tweedeling echter ongewenst. Landelijke subsidiëring is wel een mogelijkheid. Tobias Bos meent in zijn artikel van twee weken geleden dat die na verloop van een aantal jaren zou moeten vervallen. De predikant is dan immers geen beginner meer. Als de subsidie aan de gemeente verbonden wordt, hoeft dat geen bezwaar te zijn. Voorwaarde is alleen dat deze gemeente uitsluitend een beginnend predikant beroept. Overigens moeten we ons van de effecten van deze oplossing niet al te veel voorstellen. Beginnende predikanten komen waarschijnlijk wat makkelijker aan het werk. Wellicht is er sprake van een bescheiden groei van het aantal predikantsplaatsen, omdat men in plaats van het aantrekken van een kerkelijk werker nog een predikant kan beroepen. De totale kosten blijven echter even groot. De subsidie moet in feite door andere gemeenten worden opgebracht.
Het tweede dat moet gebeuren is een verbetering van de kwaliteit van het beroepingswerk. Wat er ook gedaan wordt voor kandidaten, deze kwaliteitsverbetering dient hoe dan ook plaats te vinden. Daar hebben álle kandidaten en predikanten baat bij, en daarmee uiteindelijk heel de kerk.

Klaas-Willem de Jong


http://www.kwdejong.info

© 2010, KWdJ