Het goed eigen recht van de kerk

Recht in de wereld, maar niet van de wereld (1)


Dit artikel is gepubliceerd in Confessioneel 122 (2010), nr. 16 (9 september)


Paulus kritiseert in de 1e Korinthebrief de situatie waarin christenen elkaar voor de rechter slepen, in het bijzonder als dat een ongelovige rechter is (6: 6). Toch gebeurde dat en het gebeurt nog steeds. Ook als het kerkelijke zaken betreft. Maar juist in kerkelijke zaken is het de vraag welke criteria de rechter dan moet aanleggen. Kerkelijke? Maar als hij niet tot de desbetreffende kerk behoort? Afgezien daarvan: mag de staat wel kerkelijke criteria hanteren? In dit artikel verken ik de hedendaagse civiele rechtspraak als het gaat om kerkelijke zaken.

Recht heeft een wat stoffig imago. Ten onrechte. Natuurlijk is het mogelijk op met een hoog abstractieniveau naar het Nederlandse recht te kijken. Dat is van tijd tot tijd ook nodig om het recht niet krom te laten trekken. Maar het gaat uiteindelijk altijd weer om de praktijk. Ik bouw dit artikel daarom met enkele voorbeelden op.

Bemiddelende predikant
In de zomer van 2008 treedt een predikant op als bemiddelaar in een burenruzie. Ten overstaan van de kerkenraad ondertekenen de strijdende partijen een overeenkomst. Een onafhankelijke taxateur zal de waarde van het huis van de een vaststellen. De ander zal het voor die prijs kopen. Komt een partij de overeenkomst niet na, dan treedt een boetebeding in werking. Als vervolgens de getaxeerde waarde van het huis sterk tegen blijkt te vallen, stapt de eigenaar van het huis naar de rechter. Hij stelt dat de predikant en daarmee de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort de zaak onrechtmatig heeft beďnvloed. De predikant heeft zijns inziens met name door veel te bidden zijn gezag en functie misbruikt. Het heeft er veel van weg dat de ruziënde gemeenteleden in eerste instantie Paulus’ woorden ter harte hebben genomen. Zij proberen met hulp van gelovigen hun conflict te beslechten. Als het resultaat tegenvalt, heeft een van hen achteraf het gevoel onrechtmatig beďnvloed te zijn. Wij vinden dat als buitenstaanders misschien wat flauw, onbegrijpelijk is het niet. Enige beďnvloeding door een gezaghebbend persoon is in een situatie met de nodige druk op de ketel goed voorstelbaar. In een geval als dit kijkt de burgerlijke rechter in de eerste plaats of bij de bemiddeling van predikant en kerk de algemeen maatschappelijk aanvaarde regels gevolgd zijn. Voor dat examen slagen predikant en kerk. Vervolgens kijkt hij naar de omstandigheden: kerkelijke ambtsdragers hebben een rol gespeeld. Hebben zij gehandeld naar hetgeen van hen verwacht mocht worden? Het antwoord is ja. Droogjes stelt de rechter vast dat het bidden niet als een verrassing zal zijn gekomen.

Afzetting
Welbeschouwd is de hiervoor beschreven situatie redelijk eenvoudig. Maar wat nu als een zaak sociaal-maatschappelijk voor een kerklid desastreuze gevolgen heeft en geloofsinhouden in het geding zijn? Denk bijvoorbeeld aan een predikant die wordt afgezet en daarmee zijn positie en inkomsten kwijt raakt. Of aan een tuchtzaak ten gevolge waarvan een winkelier aantoonbaar een flink deel van zijn clientčle verliest. Over de inhoudelijke kant kan en mag de neutrale rechter zich niet uitspreken. Ook is het geen optie dat hij zich geheel buiten de zaak zou houden. Daarvoor zijn de belangen buiten de kerk te groot.
Om op deze situatie wat nader in te zoemen neem ik de casus van een Christelijke Gereformeerde predikant die in 2001 in onmin raakte met zijn gemeente. Ontslag dreigde. De regel is dat een burgerlijke rechter pas naar een dergelijke zaak wil kijken als de kerkelijke rechtspraak ten volle benut is. Ook de hoogste kerkelijke rechtsinstantie moet het ontslag hebben bevestigd. In dit geval maakte de predikant gebruik van een uitzonderingsregel. Hij was ervan overtuigd dat er onvoldoende waarborgen waren dat de kerkelijke procedure eerlijk zou verlopen. Toen hij in 2002 voor de eerste keer naar de rechter ging, in kort geding, meende hij te kunnen aantonen alle reden te hebben geen eerlijke rechtsgang te mogen verwachten. Er zou onvoldoende sprake zijn geweest van hoor en wederhoor en besluiten zouden onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechter stelde hem in het gelijk. Hij meende zelfs dat de predikant weer gewoon aan het werk kon. De concreet geformuleerde klachten over de geloofsleer en het pastorale optreden van de predikant achtte hij onterecht. Mijns inziens ging de rechter op dit punt over de schreef. Hij mengde zich in feite in de interne zaken van het kerkgenootschap. Ook als het om een conflict gegaan zou zijn tussen een werkgever en werknemer zouden vraagtekens te plaatsen zijn geweest. Het heeft er immers alles van dat er tussen partijen een fundamenteel gebrek aan vertrouwen bestond. Dat zou in een gewone arbeidsrelatie al voldoende reden zijn aan te sturen op beëindiging. Maar dit terzijde.
De Christelijke Gereformeerde predikant procedeert inmiddels nog steeds. We menen wel eens dat in de kerk de molens al te langzaam malen, maar in het perspectief van deze wereldse rechtsgang lijkt dat nog wel mee te vallen. Aanvankelijk leek het de predikant mee te zitten. In 2005 kreeg hij opnieuw gelijk, nu van de kantonrechter. Begin dit jaar keerde zijn lot. In hoger beroep oordeelde het Hof Arnhem dat de kerkelijke procedure wél voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. De predikant had dus eerste de kerkelijke rechtsgang moeten volgen. Toch is het met dit arrest nog niet voorbij. Inmiddels is cassatie aangetekend bij de Hoge Raad, in burgerlijk recht de hoogste rechtsinstantie van ons land.
Als in een zaak als deze de kerkelijke rechtsgang helemaal doorlopen zou zijn geweest, dan had de wereldlijk rechter zich terughoudend opgesteld. Hij zou met name gekeken hebben of in de procedure de kerkelijke regels naar redelijkheid en billijkheid waren gevolgd. Met andere woorden: hij zou marginaal hebben getoetst.

Interne zaken
Wat nu als het gaat om een primair intern geval, bijvoorbeeld het al dan niet houden van een kerkdienst in een bepaald kerkgebouw? In 1998 wendden twee zussen zich tot de rechter, omdat de kerkenraad had besloten de diensten van hun modaliteit in de Grote Kerk te schrappen. De rechter stelde hen in kort geding in het gelijk, omdat ze niet in de gelegenheid waren gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. Naar mijn opvatting heeft de kerk in een zaak als deze in beginsel het recht zelf haar koers te bepalen, uiteraard met inachtneming van de eigen kerkelijke regels. Die voorzagen in de toenmalige Hervormde kerkorde niet in het raadplegen van de gemeente. Zelfs als een dergelijke raadpleging overal elders wel het geval zou zijn – hetgeen nog maar de vraag is – dan nog mag de kerk haar eigen lijn trekken.

Een volgende keer hoop ik de problematiek vanuit een andere invalshoek te benaderen. Dit en het volgende artikel is gebaseerd op de scriptie ‘Recht in de wereld, maar niet van de wereld’, waarmee ik mijn studie Nederlands Recht afrondde. De scriptie is te downloaden op: http://scriptie.kwdejong.com.

Dr.mr. K.W. de Jong


http://www.kwdejong.info


© 2010, KWdJ