Het goed eigen recht van de kerk

Recht in de wereld, maar niet van de wereld (2)


Dit artikel is gepubliceerd in Confessioneel 122 (2010), nr. 17 (23 september)


Wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht (…) medewerken aan de opbouw der Gemeente van Christus?’ Menigeen die dit tijdschrift leest, zal eens bij het afleggen van openbare geloofsbelijdenis op deze vraag geantwoord hebben. De formulering is vrij ruim: onder het opzicht van de Hervormde Kerk … . Als ‘het opzicht’ vervangen zou worden door ‘de leiding’ zou het al een stuk strikter klinken. Het klassieke formulier voor de volwassenendoop bindt de doopkandidaat nog sterker: of hij zich ‘aan alle christelijke vermaningen wil onderwerpen’. De vraag is, welke juridische consequenties de openbare geloofsbelijdenis heeft. Wat populairder geformuleerd: wat haalt iemand zich op de hals met het belijdenis doen?

Verschil
Het is een eeuw gelden dat een Hervormde kerkenraad een dooplid voor de burgerlijke rechter daagde omdat hij weigerde zijn kerkelijke contributie te betalen. Het dooplid argumenteerde dat zijn ouders waren hem ten doop hadden gehouden. Hij kon daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden. Dit gold eens te meer daar hij deze keuze niet door het afleggen van openbare geloofsbelijdenis had bevestigd. De hoogste rechter, de Hoge Raad, stelde uiteindelijk in 1911 het dooplid in het gelijk. Voor de Raad eindigden de gevolgen van het dooplidmaatschap bij het meerderjarig worden, tenzij persoonlijk anders aangegeven. Dat kan bijvoorbeeld door het belijdenis afleggen. Het maakte voor de Raad niet uit dat de kerkelijke regels bepaalden dat contributie kon worden opgelegd. Hij stelde principieel dat de burgerlijke wetten vóór de kerkelijke gaan.
Een andere illustratie van het juridische onderscheid tussen doopleden en belijdende leden is te vinden in een zaak uit 1988-89. Een dooplid had zich laten uitschrijven bij een Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij schreef onder meer aan de kerkenraad: ‘Met klem zou ik U erop willen wijzen dat uitschrijving als dooplid voor mij niet betekent dat er ook automatisch een breuk met God en zijn gebod op volgt.’ Op 1e Kerstdag bad de predikant in een volle avonddienst hardop voor de betrokkene, die ‘U en het teken van Uw verbond de rug toekeert wanneer hij zich van Uw verbond en woorden niets meer aantrekt’. Op zich vallen uitspraken in kerkdiensten in hoge mate onder het grondrecht op godsdienstvrijheid. Dat betekent echter niet dat een kerk zich ten opzichte van een individu alles kan veroorloven. De rechter oordeelde namelijk hier op het scherp van de snede dat onnodig een verkeerd licht op de betrokkene was geworpen. Ik vermoed dat bij een correct uitgevoerde tuchtprocedure dit niet het geval zou zijn geweest als het om een belijdend lid ging.
Het is de vraag of gemeenteleden die belijdenis doen zich er bewust van zijn dat er ook juridisch iets wezenlijks verandert in de relatie tot de kerk. In sommige kerkgenootschappen wordt nadrukkelijk gevraagd zich te onderwerpen aan de kerkelijke tucht. De ten onzent gebruikte vragen zijn in dit opzicht nogal schimmig. Dat zal er ook mee te maken hebben dat in de PKN opzicht doopleden én belijdende leden betreft. Nu hoeven liturgische vragen wat mij betreft niet direct juridisch gewogen te worden. Liturgische taal verschilt wezenlijk van juridische taal. Maar het lijkt me wel van belang dat de kandidaten er goed van doordrongen zijn dat hun verantwoordelijkheid door het belijdenis doen groter is geworden en zij eerder op hun gedrag kunnen worden aangesproken.

Sport en spel
Het is in dit verband wel aardig een klein uitstapje te maken naar de wereld van sport en spel. Uiteraard kan het nooit de bedoeling zijn iemand in een sportwedstrijd te verwonden. Toch zal ieder die er voor kiest mee te doen er rekening mee moeten houden dat dit gebeurt. Een ander zal minder snel aansprakelijk zijn. Een blessure hoort eenvoudigweg bij de risico’s van het spel. Iets dergelijks geldt mijns inziens ook voor het ‘spel’ van de kerk. Wie erin stapt moet er rekening mee houden dat er bij alle goede bedoelingen ook wel eens iets mis gaat. Daarmee is overigens slordigheid en roekeloosheid nooit goed te praten.

Recht op correcte behandeling
De stap van het belijdenis doen betekent echter niet dat iemand vervolgens binnen de regels van de kerkorde alles maar van de kerk heeft te nemen. Als iemands goede naam in het kerkelijk leven in opspraak komt, dan moet hij erop kunnen vertrouwen dat een kerkenraad waar nodig geheimhouding betracht en verder zorgvuldig optreedt. Eventuele regels moeten correct worden uitgevoerd en meer dan dat. Naast de kerkelijke regels kan hij bij een kerkelijke rechtsgang in principe ook een beroep doen op een correcte behandeling. In het wereldlijk recht zijn de regels daarvoor vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Als iemand in beroep gaat tegen een besluit, moet er bijvoorbeeld sprake zijn van hoor en wederhoor, van een onafhankelijke beoordeling, van een gemotiveerd besluit, enzovoort. Dat staat los van het feit of deze principes ook in de kerkorde zijn opgenomen. Het afgelegd hebben van openbare geloofsbelijdenis heft het recht op deze basale rechterlijke omgangsvormen niet op. Dat geldt eveneens voor een predikant die bij zijn bevestiging heeft aangegeven naar de regel van de kerk te willen leven en behandeld te willen worden. Het gerechtshof in Arnhem heeft dat onlangs nog eens uitgesproken.
Onder kerkjuristen bestaat er verschil van mening over de vraag of iemand ook bij puur interne zaken aanspraak kan maken op deze waarborgen. Denk bijvoorbeeld aan het besluit om een kerk te sluiten, de beslissing kinderen aan het Avondmaal toe te laten, enzovoort. Mijns inziens is dat doorgaans niet het geval, al is het wel verstandig dat de kerk zich bewust is van een afwijking van gangbare normen. De kerk heeft een zekere eigen ruimte. Zodra echter kerkelijke maatregelen sociaal-maatschappelijk uitwerken, zal de kerk zich als een volwassen maatschappelijke partner moeten opstellen.

Dit artikel is in samenhang met het eerste artikel geschreven. Beide artikelen kunnen echter onafhankelijk van elkaar gelezen worden.

Dit en het vorige artikel is gebaseerd op de scriptie ‘Recht in de wereld, maar niet van de wereld’, waarmee ik mijn studie Nederlands Recht afrondde. De scriptie is te downloaden op: http://scriptie.kwdejong.com.

Dr.mr. K.W. de Jong


http://www.kwdejong.info


© 2010, KWdJ