Gepubliceerd in: Confessioneel 125 (2013), nr. 5 (7 maart)

Handoplegging bij de doopbediening
Handoplegging In de zomer verscheen Beproevingen met het oog op de gereformeerde liturgie. Eerste aanvulling op het Dienstboek. CV en CGB hebben voor de uitgave zorg gedragen, ondersteund door de landelijke Werkgroep Eredienst van de PKN. De uitgave bevat een handreiking voor de meest gebruikte liturgische orden en formulieren. Ze heeft de vorm van een katern, handig om achter in het liedboek te plakken. Enkele vragen van collega’s over de handoplegging bij de zuigelingendoop waren voor mij aanleiding dit fenomeen nog eens wat nader onder de loep te nemen.

Laten we maar bij het begin beginnen. In de toelichting van de katern (p. 48) wordt voor de handoplegging bij de kinderdoop verwezen naar het Dienstboek II (uit 2004). Het blijkt dan in de praktijk om twee dingen te gaan: a) het kruisteken, dat ‘het kind-van-God zijn, in Christus’ naam’ bezegelt (p. 68). In de tweede; b) de handoplegging die de gave van de Geest betekent. Bij volwassenen worden bij belijdenis en bij doop deze twee onderscheiden: eerst het kruisteken, daarna handoplegging met twee handen. Bij zuigelingendoop ‘worden kruisteken en handoplegging in één gebaar samengenomen: de voorganger legt een hand op het hoofd en maakt met de duim een kruisteken op het voorhoofd’ (p. 68). Het is onduidelijk waarom dit anders is dan bij belijdenis en volwassenendoop. Is de handoplegging als teken van de gave van Gods Geest alleen bij volwassenen volledig? Dat zou dan wel een beetje vreemd zijn. Elders lezen we in Dienstboek II dat we in het licht van de Bijbel twee vormen van zegen hebben (p. 415). Bij meer mensen is sprake het ‘opheffen van handen’. Denk in dit verband ook aan onze zegen aan het slot van de kerkdienst. Bij het zegenen van een enkeling vindt handoplegging plaats, soms gepaard met gebed.

De gereformeerde traditie
Wat zien we in de gereformeerde traditie van ons land op dit punt? In eerste instantie bar weinig. In de klassieke formulieren ontbreekt zowel bij zuigelingen- als volwassenendoop de handoplegging. Voor het doen van belijdenis bestond geen formulier. Het was anders dan tegenwoordig veelal een eenvoudig ritueel waarin de betrokkenen werden toegelaten aan het Avondmaal.

Als we een volgende stap zetten en gaan lezen, ontdekken we toch iets meer. De gereformeerde traditie moet het immers vooral van de woorden hebben. In het klassieke doopformulier staat in het dankgebed na de doop: ‘Wij bidden U ook door Hem, Uw geliefde Zoon, dat U deze gedoopte kinderen door Uw Heilige Geest altijd wilt regeren (…)’ (Dienstboek II, p. 114, het hertaalde doopformulier). De vorm is een andere dan in de handoplegging. Het is een vraag, terwijl de handoplegging veeleer het karakter heeft van een belofte, een toezegging. Waar de voorganger in het gebed eerder aan de kant van de dopeling (en zijn ouders staat), handelt hij in de handoplegging veeleer van Godswege. Dat hoeft niet te verbazen. De handoplegging ligt in het verlengde van de doop (vgl. ook Joh. 3: 5). Het dankgebed is veeleer een reactie op de doop en het daarin betekende werk van Christus. Het is in dit licht bezien wel jammer dat in het facultatieve dankgebed bij de kinderdoop in de katern de gave van de Geest niet direct betrokken wordt op het gedoopte kind (vgl. p. 18v). Het accent ligt meer op de ouders en de gemeente. We – ik was lid van de werkgroep die de teksten schreef en vaststelde – hebben dit aspect onvoldoende onderkend.

Hippolytus van Rome
Maar met de voorgaande alinea is de kous nog niet af. De gereformeerde traditie hangt niet in het luchtledige. Graven we verder dan komen we bijvoorbeeld terecht bij de doopliturgie van Hippolytus van Rome (hij leefde 170-235). Voor hem heeft de doop twee kanten. De doop als zodanig betekent de afwassing van de zonde. We zouden kunnen zeggen: de negatieve kant, dat wat afgebroken moet worden. De gave met de Geest is bedoeld om daar tegenover het christelijk leven op te bouwen. Dat is de positieve kant. Nu moeten we wel beseffen dat het bij Hippolytus om volwassenendoop gaat. We kunnen deze benadering dus niet zonder meer overzetten op de kinderdoop. Het geeft wel aan dat de keuze die in het klassieke doopformulier gemaakt is om in het dankgebed te refereren aan de rol van Gods Geest, geen vreemde is. Zij wortelt diep in de christelijke traditie.

Conclusie
Wie in het licht van de gereformeerde traditie kiest voor de zuigelingendoop als een volledige en volwaardige doop, zal daar naar mijn overtuiging de consequenties uit moeten trekken. Op zich is de doop voldoende. Het is een met Christus sterven én opstaan. Daarin worden zowel het afwassen van de zonde als het begin van een nieuw leven betekend. Wie het nieuwe leven in Christus wil onderstrepen, juist ook voor het opgroeiende kind, voegt daar een handoplegging aan toe. Daar lijkt me overigens ook in de huidige geseculariseerde samenleving alle aanleiding toe. Wat mij betreft is dat dan een volledige handoplegging, dus met béide handen. Het lijkt me geen enkel bezwaar als die later bij het belijdenis doen herhaald wordt. Anders dan de doop is handoplegging niet eenmalig. Het is een concreet gemaakte zegen. Die zegen kunnen we altijd goed gebruiken!

Dr.mr. Klaas-Willem de Jong.


http://www.kwdejong.info

© 2013, KWdJ