DE DORDTSE LEERREGELS

1    De derde van de drie zogenaamde gereformeerde belijdenisgeschriften die de grondslag van onze kerken vormen is de Dordtse leerregels. Ze zijn meer dan een halve eeuw na de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis ontstaan, in 1619 aan de synode van Dordrecht aangeboden en door haar vastgesteld. Na deze synode werd gedurende twee eeuwen geen landelijke synode meer gehouden. De wereldlijke overheid stond dit niet toe. Alleen op provinciaal niveau kwamen de kerken samen in particuliere synoden. De synode van Dordrecht heeft mede hierdoor een groot stempel gedrukt op het kerkelijk leven in ons land. Ze stelde naast de leerregels (nogmaals) de eerder genoemde catechismus en geloofsbelijdenis vast. Ze ontwierp een kerkorde, waarin onder andere een artikel opgenomen was over de ondertekening van de belijdenisgeschriften. Ze probeerde orde op zaken te stellen in de eredienst, gaf opdracht tot een bijbelvertaling die in 1637 gereed kwam en statenvertaling is gaan heten. Enzovoort. Kerken en groepen die met een zekere trots de term 'gereformeerd' in hun naam dragen, grijpen daarom voor allerlei zaken bij voorkeur terug naar hetgeen de synode van Dordrecht in 1618 en 1619 besloten heeft.

2    In 1604 stelde de Leidse theoloog Arminius, dat de mens bij machte was de gave van het geloof te verwerpen en daarmee zijn heil af te wijzen. Hij heeft een vrije wil en is in die zin verantwoordelijk voor zijn eigen zaligheid. Arminius' collega en stadgenoot Gomarus stelde daar tegenover dat de mens Gods werk niet ongedaan kan maken. God is niet afhankelijk van hetgeen een mens verkiest: Hij verkiest! Arminius' aanhangers werden remonstranten genoemd, naar een een 'remonstrantie' uit 1610, een protest aan de Staten van Holland. De leden van de andere groep gingen al spoedig 'contraremonstranten' heten.

3    Zoals vaker bij hoogoplopende conflicten gingen in de loop der volgende jaren steeds meer factoren een rol spelen. Het was begonnen met de uitverkiezing. Het ging echter ook om het gezag van de belijdenisgeschriften. Al meende Arminius dat zijn gedachten in de Heidelbergse Catechismus (zndg 21) en de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 16), zijn aanhangers waren van mening dat op grond van de Schrift een herziening ten allen tijde mogelijk was. Ook ontstonden er verschillen over het gezag van de overheid in geloofskwesties. De remonstranten meenden, dat de overheid daarin een zekere rol had. Zeker aanvankelijk genoten zij van haar de nodige steun. In sommige gewesten vond men in het geheel geen remonstranten: in Zeeland en Groningen; of nauwelijks: in Friesland. Elders kon het van stad tot stad en streek tot streek verschillen. De leergeschillen bedreigden zo de nog broze eenheid van de Nederlanden. Ook persoonlijke factoren bedreigden die. Een nationale synode moest de geschillen beslechten. Dat werd die van Dordrecht. De conflicten konden zo hoog oplopen door het 12-jarig bestand (1609 - 1621) in de 80-jarige oorlog (1568 - 1648). Tegelijk echter maakte de gespannen politieke situatie het noodzakelijk de eenheid te herstellen.

4    De Dordtse Leerregels handelen over vijf hoofdstukken van de leer. Elk hoofdstuk bestaat uit twee delen. Eerst wordt de orthodoxe leer aangaande een bepaald thema in een aantal artikelen uiteengezet. Daarop volgt dan een verwerping van met name genoemde dwalingen: 'Na de rechtzinnig leer (...) verklaard te hebben, verwerpt de synode de dwalingen van hen die leren (...)'. Meer nog dan in de twee andere belijdenisgeschriften is gelet op een bijbelse basis voor hetgeen gesteld wordt.
Een van de gevoelsmatige bezwaren tegen de Leerregels ligt in de verwerping van een bepaalde leer. Moet dat zo? Het is dan nodig te bedenken, dat kerkelijke vergaderingen voorheen veel persoonlijker waren in hun verwerping. Daar werd niet een leer afgewezen, maar mensen met een bepaalde geloofsovertuiging. Zo bijvoorbeeld nog het Rooms-Katholieke concilie van Trente (1545 - 1563). Maar ook de geloofsbelijdenis van Athanasius, naast het Apostolicum en Nicaenum een van de drie oecumenische geloofsbelijdenissen die wij mede als onze grondslag aanvaarden, kent deze persoonlijke verdoemenis. Deze eindigt met: 'Dit is het katholieke geloof. Wie dit niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden.'

5    Waar gaat het nu in de Leerregels om? Een kernachtig antwoord zou kunnen zijn: om de goddelijke verkiezing en verwerping. Dat staat echter nog vrij ver van ons af. Wat directer, of meer vanuit de mens geredeneerd: om de vrije wil van de mens. In hoeverre kunnen wij Gods wil weerstaan, in hoeverre zijn wij in staat ons eigen heil te verwerven? Ook in de oude kerk is over deze vragen gediscussieerd. De Leerregels wijzen meer dan eens met afkeurende woorden op Pelagius (5e eeuw), van wiens gedachtengoed de remonstranten niet ver verwijderd waren. Hierover handelt hoofdstuk I. Het zal duidelijk zijn, dat de noodzaak van Christus' kruisdood voor sommige remonstranten ook op losse schroeven kwam te staan. Andere remonstranten stelden, dat die kruisdood in principe voor niets had kunnen zijn geweest, omdat het had gekund dat niemand zich in geloof tot Hem had gekeerd. Het verzet hiertegen verwoordt hoofdstuk II. In het vervolg gaat het dan verder over de mens, zijn verdorvenheid en bekering. De remonstranten hadden een veel optimistischer mensbeeld dan de orthodoxe gereformeerden. Die zetten in de hoofdstukken III en IV nog eens de puntjes op de i, waar het gaat om de radicaliteit van de zonde en daarmee van de verdorvenheid van de mens en de bekering van Godswege. Het laatste hoofdstuk, V, zet nog eens uiteen hoe het zit met de zekerheid van het geloof. De remonstranten hielden het voor mogelijk, dat een mens terug kon vallen en na het heil eerst te hebben aangenomen, het later ook weer zou kunnen afwijzen. Dat was in de orthodoxe visie, waar Gods keuze doorslaggevend werd geacht, een onmogelijkheid.

6    Lijnen naar vandaag. Het zal niemand vreemd voorkomen, dat vooral de wat zwaardere kerken de Dordtse Leerregels onder geen beding kwijt willen. Het gaat daarbij om meer dan traditie. Juist in de Leerregels zien zij het belang van een orthodoxe benadering van het geloof nog eens onderstreept: God neemt het initiatief, Zijn wil gaat voor alles boven onze wil, de harde noodzaak van Christus' kruisdood, enzovoort. Nu is het niet moeilijk kritische vragen te stellen bij de benadering van de Leerregels. Wij zouden het, net als de remonstranten in de 17e eeuw, graag allemaal wat bevattelijker en begrijpelijker hebben: waarom verkiezing, maar vooral waarom verworpen? Dat gaat ons verstand (teveel) te boven. Aan de andere kant kan het accent ook wat sterker gelegd worden bij de verkiezing en dan ligt er toch een zeker gelijk bij de contraremonstranten: genade valt niet te begrijpen! Toch is hun benadering van de vrije wil ons als moderne en mondige 20e-eeuwers vreemd geworden. Een mens kan, moet zelf kiezen! De evangelische beweging sluit daar naadloos bij aan. Keer op keer wordt erop gehamerd een keuze te maken, denk bijvoorbeeld aan bepaalde EO-programma's. Maar is de mens wel altijd zo vrij? Zijn er niet vele factoren die de vrijheid inperken - denk aan opvoeding, opleiding, welstand, politieke omstandigheden, enzovoort? We willen vanuit onszelf graag vrij zijn. Maar is dat echt zo? Van groot pastoraal belang vind ik nog altijd het vijfde hoofdstuk van de Leerregels. In de Rooms-Katholieke Kerk waren de gelovigen nooit zeker van hun heil. Altijd dreigde het vagevuur, of erger nog, de hel. De Reformatie heeft tegenover die onzekerheid de zekerheid van het geloof geplaatst. De remonstranten nu dreigden die zekerheid met hun grote nadruk op het menselijk handelen te ondermijnen. De Leerregels wijzen er nog eens op, dat God kiest en vervolgens niet loslaat. Gewezen wordt op David en Petrus. Zij weken van Gods weg af, maar werden desondanks weer in genade aangenomen. Sterker: ze waren reeds in genade aangenomen! Wie het beslissende moment bij de mens zelf legt, laat per definitie twijfelaars in de kou staan. Daarom: ook de Dordtse Leerregels behouden als geestelijk erfgoed en steeds opnieuw vragen laten stellen bij de 'moderne' wegen die wij als kerken kiezen.

KWdJ/970311