Gezamenlijke aanbidding: het hart van de liturgie

De inzet van ds. J.H. Gerretsen

Verschenen in dit tijdschrift 'Het is God zelf die "zijn naam doet gedenken" (Exodus 20: 24). De eredienst is daarom een dienst van God aan mensen, die de dienst van mensen aan God oproept, draagt en omvat.' Zo luiden twee zinnen uit het eerste uitgangspunt van het Dienstboek. Een van de kernwoor-den achter deze omschrijving is het begrip aanbidding. Dat begrip komen we tegenwoordig vooral tegen in evangelicale kring. In hedendaagse liturgische literatuur wordt het nauwelijks meer gebruikt. Waar komt het begrip vandaan? Hoe heeft het vorm gekregen? We beginnen bij de predikant die het bijna een eeuw geleden op de liturgische agenda heeft geplaatst, Jan Hendrik Gerretsen. Vervolgens gaan we na, hoe het zich in de praktijk van de liturgie verder heeft ontwikkeld.

Experiment
Jan Hendrik Gerretsen (1867 - 1923) werd in 1898 bevestigd als predikant van de Hervorm-de Gemeente Den Haag. Den Haag was een snel groeiende stad. De Hervormde predikan-ten van de stad hadden elk wel een pastorale wijk, maar geen vast kerkgebouw. Zij preekten rond, volgens rooster, gevolgd door een trouwe schare. Binnen zekere grenzen richtten ze de kerkdienst naar eigen inzicht in. Het draaide om de preek. Het kerkbezoek was overigens niet erg groot. Naar schatting 10 ŗ 15 % van de 100.000 Haagse Hervormden ging aan het begin van de vorige eeuw op zondag ter kerke.
Het is niet helemaal duidelijk, waar Gerretsens belangstelling voor de eredienst vandaan komt. Hij was in 1891 gepromoveerd op een kerkhistorisch onderzoek naar Maarten Micron, van 1550 tot 1553 predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen. Hoewel Micron zich uitvoerig heeft bezig gehouden met de beschrijving van de liturgie in de Londense gemeente, blijkt daarvan in Gerretsens proefschrift maar weinig. Gerretsen was aanvankelijk sceptisch over de liturgie. Predikers had de kerk nodig. Een ziekteperiode in 1902 waarin hij geruime tijd niet kon (s)preken, lijkt daarin verandering te hebben gebracht. Hij was zich er echter van bewust dat liturgie niet voor alle vraagstukken een oplossing biedt. Hij wist dat talloze gemeenteleden vrijwel nooit in de kerk kwamen. Hij pleitte ervoor met het oog op hen diensten te houden met een eigen, evangeliserend karakter.
De aanleiding voor Gerretsen om zijn gedachten over de eredienst te concretiseren dateert uit de eerste maanden van 1911. Gerretsen werd toen benaderd door mej. M. van Woensel Kooy te Bussum. Zij was bezig met het samenstellen van een liedbundel die later dat jaar zou verschijnen onder de titel Oude en nieuwe gezangen en vele herdrukken zou beleven. Zij vroeg Gerretsens medewerking voor het opnemen van 'eenige liturgie'. Gerretsen ontwik-kelde een liturgisch model en benaderde in het najaar de Haagse kerkenraad. Het liefst zou hij gezien hebben dat de kerkenraad de liturgie zou vaststellen en invoeren. Dat zou een radicale ommekeer zijn geweest in de toenmalige gang van zaken, waar de predikant be-paalde wat er in een kerkdienst zou gebeuren. Gerretsen hoopte op morele steun en ver-kreeg die ook, met name van de niet-predikanten in de kerkenraad. Op 12 november 1911 was het dan eindelijk zover en werd de eerste 'liturgische dienst' gehouden in de Kloosterkerk. Ze zouden vervolgens met een zekere regelmaat worden gehouden.

Aanbidding
Wat heeft dit experiment nu met aanbidding te maken? Bij de eerste liturgische dienst schreef Gerretsen in de kerkbode enkele toelichtende artikelen, later gebundeld in de bro-chure Liturgie. Gerretsen is voorzichtig. Hij erkent nadrukkelijk de waarde van de preek. We-zenlijk voor het karakter van de eredienst is echter de gemeenschappelijke aanbidding. Aan-bidding wordt ingegeven door de liefde voor God. 'Aanbidden is voor God nederknielen en Hem de eere geven, die Hem toekomt, het is dankbaar opzien tot God, het is zich zelven in God verliezen.' De liefde voor God veronderstelt de liefde van God die in het hart van de gelovige wordt uitgestort. Die liefde brengt de gelovige ertoe anderen lief te hebben en sŠ-men God te aanbidden. Voor Gerretsen is gemeenschappelijke aanbidding daarom de hoog-ste vorm van aanbidding. Hierin komt de liefde van en voor God optimaal tot haar recht. Het gemeenschappelijk karakter van de aanbidding overstijgt de tijd. In de liturgie verbindt de gemeente zich met de kerk van alle eeuwen, en daarmee met de kerkelijke belijdenis van alle eeuwen. Wil de gemeente dit gezamenlijk doen, dan zal zij afspraken moeten maken. Zij: de gemeente, niet de predikanten onderling. Gerretsen bereikte dit in zijn liturgische diensten door deze een vaste structuur te geven, met bijvoorbeeld aan het begin schuldbelij-denis, genadeverkondiging en geloofsbelijdenis. De voorganger gebruikt vaste bewoordin-gen, ontleend aan de Bijbel of aan formuliergebeden uit de tijd van de Nederlandse Reforma-tie. Elk van deze onderdelen wordt door de gemeente beantwoord met een vast gezang dat zonder nadere aankondiging wordt gezongen. In dit alles valt vooral de principiŽle gezamen-lijkheid van de aanbidding op. Het individu treedt op de achtergrond, zowel de individuele voorganger als de individuele kerkganger. Hierin lijkt Gerretsens ideaal te verschillen van de moderne evangelicale praktijk waar in alle gemeenschappelijkheid juist wel het individu met zijn gevoel en zijn geloof centraal staat.
Gerretsens gedachten zijn op zich niet nieuw. Bij voorgangers treffen we ook de aanbidding aan als centrale notie in de eredienst. Deze voorgangers hadden zich echter beperkt tot de theorie. Gerretsen was de eerste die weloverwogen een poging deed de theorie in praktijk te brengen.

Doorwerking
De kern van Gerretsens betoog is: de liturgie draagt een gebedskarakter en dient overeen-komstig dat karakter te worden ingericht. De Hervormde Kerk pakte dit aanvankelijk niet op. Met de oprichting van de Liturgische Kring aan het begin van de jaren twintig kreeg Gerret-sens experiment evenwel een vervolg. In de eerste publicaties werd nauw aansluiting ge-zocht bij de traditie van de eigen kerk. Bij de viering van het Avondmaal bijvoorbeeld werd het klassieke formulier uit de 16e eeuw tot leidraad genomen. De leerstellige tekst werd grotendeels gehandhaafd, maar de gemeente kreeg met gesproken en gezongen responsies (deels met bekende gezangen) een eigen aandeel in het geheel. In de jaren dertig wordt de blik breder en zoekt men aansluiting bij de katholieke traditie. Het leerstellige verdwijnt. De algehele sfeer van het Avondmaal is die van het gebed. Toch dringen deze veranderingen maar in een klein deel van de Hervormde Kerk door. Het Dienstboek Ö in ontwerp uit 1955 bedt weliswaar alle kerkelijke handelingen in in een orde van dienst, toch is het leerstellige nergens afwezig.
De Gereformeerde Kerken pakten een ander aspect uit Gerretsens gedachtegoed op. Zij richtten zich op de afspraken die noodzakelijk zijn om gezamenlijke aanbidding mogelijk te maken. Zij waren daar tot op zekere hoogte al bekend mee. Zo werden overal de klassieke, 16e eeuwse formulieren gebruikt voor Doop, Avondmaal, enzovoort. De kerkorde schreef dat voor. In de jaren twintig groeit het verlangen om afspraken te maken over de gewone, zondagse orde van dienst. In 1933 lukt het daarover een landelijk besluit te nemen, al blijft de nodige variatie mogelijk en zijn de plaatselijke kerkenraden vooral moreel gebonden. De prediking is het centrale element. Het verkondigend karakter van de formulieren blijft volledig geaccepteerd.

Doorbraak
In de tweede helft van de jaren vijftig ontstond in beide kerkgenootschappen nieuwe liturgi-sche beweging. In de Amsterdamse Maranathakerk startte het experiment van de 'Noctur-nen' waarin de Hervormde Willem Barnard een leidende rol vervulde. Hij oriŽnteerde zich op een brede, oecumenische traditie en bepleitte een verschuiving van didactische liturgie naar liturgische didachŤ: 'Al zingende en biddende eenstemmig, worden de kerkgangers opgeleid en ingewijd, saamhorig als het ego van het credo. Vergadering wordt lichaam, menigte gemeente, enkeling cel, mond en oren poriŽn.'
In de Gereformeerde Kerken ontstond de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Eťn van haar leden was G.N. Lammens, landelijk bekend door radio en televisie. Tot dan toe was alle aandacht gericht geweest op de afspraak op basis waarvan de eredienst gestalte kreeg. Lammens verdiepte zich nu verder in de positie van degenen die de afspraak maakten en participeerden in de eredienst: de gemeente (voor wie kerkenraad besluiten neemt). Het is de gemeente die gedenkt. Hij definieert de kerkdienst als 'een gezamenlijke viering waarin mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord bewijzen.'

In de Protestantse Kerk komen beide lijnen samen. In Dienstboek. Een proeve (1998 en 2004) is het gebedskarakter van de liturgie stevig verankerd. De klassiek gereformeerde li-turgische formulieren zijn opgenomen, maar vormen slechts een fractie van het geheel. Het gebedskarakter komt bijvoorbeeld sterk tot uiting in de tien geboden. Die worden niet meer voorgelezen, maar in een gebedssetting gereciteerd, smekend, lofprijzend, belijdend, al naar de gemeente wenst. In de kerkorde wordt de principiŽle verantwoordelijkheid voor de keuze van een orde van dienst bij de kerkenraad gelegd, al dient daarbij overlegd te worden met predikant en kerkmusicus.

Tot slot twee samenhangende vragen die duidelijk maken dat het theologisch denken sinds Gerretsen niet heeft stil gestaan. Gerretsen stelde de aanbidding centraal. Hij creŽerde daarmee ongewild een tegenstelling tussen de preek enerzijds en de rest van de dienst anderzijds. Hoe vallen beide toch organisch op elkaar te betrekken? Onwillekeurig legt Gerretsen met de aanbidding een sterk accent op initiatief en activiteit van de mens. Is de eredienst primair een dienst aan God, of moet hij veeleer een dienst van God worden genoemd? In de benadering van Lammens zien we al iets van een antwoord. Hij en anderen na hem hebben aangegeven dat het in de eredienst gaat om een dubbele beweging: enerzijds horen we het Woord, anderzijds antwoorden we op het Woord. Eigenlijk is het ťťn beweging die van God uitgaat en waarin het menselijk reageren in besloten ligt. Gelovigen komen niet uit eigener beweging in de eredienst bij elkaar, omdat zij daar nu toevallig zin in of behoefte aan hebben. Ze worden in beweging gezet door het Woord van God. DŠt zet hen in beweging om God lof en dank te brengen. Daarmee zijn we aangeland bij het eerste uitgangspunt van het Dienstboek waarmee we dit artikel begonnen zijn. De formulering is ondenkbaar zonder de basis die Gerretsen met het begrip aanbidding heeft gelegd.

Noot
Een uitvoerige beschrijving van Gerretsens experiment is te vinden in: K.W. de Jong, 'Gerretsens 'Liturgie' (1911) in perspectief', Jaarboek voor Liturgieonderzoek 9 (1993), 25 - 63.

Dit artikel is gepubliceerd in Eredienstvaardig 22 (2006), nr. 4, p. 34-37.

http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ