Worstelen met vorm en inhoud, omgaan met veranderingen rond de liturgische weg naar Pasen

Kontekstueel Het laatste nummer van Kontekstueel begon ik direct te lezen. Ik ben in de loop der jaren kritischer gaan denken over de nieuwe manieren om de weg naar Pasen te vieren. Ik hoopte aanvullende inzichten op te doen die mij verder zouden kunnen helpen om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Op twee punten bleef ik wat onbevredigd. Het eerste is het uitgangspunt. Wat is wezenlijk voor het gereformeerde belijden, wat zal door moeten blijven klinken? Het tweede hangt hier nauw mee samen. Waar kunnen vanuit dat belijden kritische kanttekeningen bij worden geplaatst? Op beide vragen hoop ik in dit artikel nader in te gaan.

De indruk wordt wel eens gewekt dat we in de voorbereiding op Pasen met het herstel van het kerkelijk jaar terug gaan achter de Reformatie. Het zou Rooms zijn, vreemd aan onze eigen traditie. Nu valt daar heel eenvoudig tegenin te brengen dat onze eigen traditie in die Roomse traditie wortelt. Maar er is meer. De norm voor wat in dit opzicht tot de kern van het gereformeerd belijden behoort valt niet direct samen met bepaalde ‘gereformeerde’ vormen. Het is ontegenzeggelijk dat er veel veranderde in de Reformatie. De beeldenstorm is wat dat betreft spreekwoordelijk, al gebeurde het lang niet overal even snel en radicaal. De provinciale en landelijke synodes hebben in het algemeen scherpe maatregelen genomen om ‘paapsche’ gewoonten te doen vergeten. Plaatselijk heeft de Gereformeerde Kerk zich echter veel veranderingen pas na verloop van tijd eigen gemaakt, als ze dat al deed. De synode van Dordrecht 1618-19 liet van de vele heiligen- en feestdagen slechts een vijftal over: Kerst, Besnijdenis des Heren, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Sommigen zouden ook deze nog willen schrappen, maar zover is het nooit gekomen. Op Goede Vrijdag werd aanvankelijk nog wel dienst gehouden. In de stad Utrecht bijvoorbeeld tot ongeveer het midden van de 17e eeuw, al was het gebruik op het omliggende platteland toen al uitgestorven. In het Noorden en Noordoosten van ons land bleef de Goede Vrijdag in ere, de strikte bepalingen van de Dordtse Kerkorde ten spijt. De lezing van het lijdensevangelie veroverde zich langzaam een plaats op de zondagen vóór Pasen. Het aantal kon wisselen. Het aantal van zeven is vermoedelijk niet alleen ingegeven door de zeven kruiswoorden, maar ook door politiek-strategische overwegingen. In streken met een sterk katholieke bevolking vormde het begin van de lijdenstijd een extra middel om de burgerlijke overheid actief te doen optreden tegen elke feestelijke carnavalsviering. Overigens werd lang niet overal uit het lijdensevangelie gelezen en gepreekt. Soms hield men ook nog lange tijd het oude (katholieke) perikopensysteem aan, of bestonden er mengvormen. Waar het gebruik van perikopensystemen in de 16e en 17e eeuw nog wijd verbreid is, neemt het in de 18e eeuw gestaag af. Pas dan wordt lezing van het lijdensevangelie op de zondagen voor Pasen structureel. Dat is niet helemaal toevallig. In de Westerse Kerk in haar geheel neemt na de Reformatie de aandacht voor zonde en lijden toe. Ik noem in de 18e eeuw enkele opvallende parallellen met de ontwikkelingen op het gereformeerde erf. In 1721 voert de Rooms-Katholieke Kerk op de vrijdag voor Palmpasen het Feest ter gedachtenis van de zeven smarten van Maria in. Bach schrijft in het kader van bestaande Lutherse tradities zijn Matteüs in 1727. In 1785 worden Haydn’s Sieben letzte Worte unseres Erlösers am Kreuz voor het eerst ten gehore gebracht.

Niet exclusief gereformeerd
Mijn voorlopige conclusie is dat de nadrukkelijke aandacht voor het lijden en sterven van Christus in de tijd voor Pasen niet exclusief gereformeerd is. Vóór de Reformatie werden gelovigen daar ook op allerlei manieren mee geconfronteerd. Ze vastten. Boetepredikers bepaalden hen met vastenpreken bij de thematiek. De dagelijks opgedragen missen waren in woord en teken een en al verwijzing naar het offer van Christus, ook buiten deze periode. De in de late Middeleeuwen opgekomen kruisweg maakte Christus’ laatste uren voor iedereen aanschouwelijk. Na de Reformatie is de focus op de lijdensthematiek eerder typerend voor de Westerse kerk dan voor een van de denominaties van die kerk. Maar er is wel degelijk een verschuiving in de focus. Het heil wordt niet met menselijke verdiensten verworven: noch door het kopen van een aflaat, noch door vasten, noch door het opdragen of bijwonen van de mis. Het heil is er, in het door Christus volbrachte werk: solus Christus. Het volbrengen van het heilswerk werd vooral in het lijden en sterven van Christus gelokaliseerd, al heeft de Gereformeerde Kerk zich verzet tegen tendensen die Christus’ leven daar geheel van wilden uitsluiten. In een kerk die nadrukkelijk vanuit de Schrift wilde leven en liturgisch niet principieel vast zat aan bepaalde vormen, resulteerde dit in het lezen en bepreken van (delen van) het lijdensevangelie in de tijd voor Pasen. Dit is mijns inziens een vorm, niet de gereformeerde vorm.

Doorgetrokken lijnen
Het kan bijna niet anders of de hiervoor geschetste ontwikkeling moet uitmonden in het verlangen naar het vieren van de Goede Vrijdag, de dag van Christus’ lijden bij uitstek. Dat gebeurt in 1817. Dan verheft de Hervormde synode de in het Noorden-Noordoosten bestaand gebleven traditie van een of meer diensten op Goede Vrijdag tot regel. Tegelijk is deze gebeurtenis meer dan het doortrekken van oude lijnen. Dat wordt in 1853 duidelijk bij de synodale aanbeveling op Goede Vrijdag het Avondmaal te vieren. In het midden van de 19e eeuw vierde men vaak nog Avondmaal overeenkomstig de aanwijzing van de Dordtse Kerkorde: onder meer op Kerst, Pasen en Pinksteren. Het kon niet anders of het Avondmaal op Goede Vrijdag ging ten koste van de viering op Paaszondag. Al spoedig werd het een sjibbolet. Orthodoxe en daarmee veelal behoudende gemeenten hielden vast aan het Avondmaal op Pasen. In andere delen van de Hervormde kerk werd de viering op Goede Vrijdag omarmd. In expliciet vrijzinnige kringen werd de Avondmaalsviering op Goede Vrijdag de enige in het jaar. Dat had alles te maken met het feit dat het lijden en sterven van Jezus voor te stellen en mee te maken was, maar Zijn opstaan uit de doden niet. Het Avondmaal werd een herinneringsmaaltijd. Toch zien we in de loop der tijd ook rechtzinnige gemeenten de overstap maken, maar zij geven het ritueel een wezenlijk andere betekenis. In deze kringen was viering van het Avondmaal op Goede Vrijdag een onderstreping van de in het avondmaalsformulier neergelegde gereformeerde geloofswaarheid: ‘Uit de instelling van het Heilig Avondmaal door onze Here Jezus Christus wordt ons duidelijk dat Hij ons geloof en vertrouwen richt op Zijn volkomen offer, dat eenmaal aan het kruis is geschied’.

In de kerken van Afscheiding en Doleantie heeft men altijd wat ambivalent tegen de Goede Vrijdag aangekeken. Dienst houden kon, al bleef bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerk van Voorthuizen zich daar tot halverwege de 20e eeuw principieel tegen verzetten. De Goede Vrijdag mocht in Gereformeerde optiek in ieder geval geen vrije dag worden. Dat zou tekort doen aan het bijzondere karakter van de zondag. Avondmaal vieren was taboe, al kwam daar later in de tweede helft van de vorige eeuw wel enige beweging in. Echt gewoon is het nooit geworden, omdat vanaf die tijd de Gereformeerde Kerken onder invloed van de liturgische beweging kwamen te staan.

Ik stel vast dat de keuze voor de viering van het Avondmaal op Goede Vrijdag niet vreemd is aan de gereformeerde traditie. Het ‘betekent’ het plaatsvervangend en verzoenend lijden van Christus dat bij uitstek op Goede Vrijdag in herinnering geroepen wordt. Maar het is wel eenzijdig. Onwillekeurig komt het leven van Christus buiten het blikveld te vallen. Het Avondmaal in zijn klassieke gereformeerde vorm krijgt op andere avondmaalszondagen nog meer het karakter van een goedevrijdagmaaltijd dan al het geval was. Wat dat betreft was de oude gereformeerde gewoonte om Avondmaal te vieren op de grote feesten zo gek nog niet. Dat onderstreept uiteenlopende invalshoeken om het Heilig Avondmaal te benaderen en te beleven.

Liturgische beweging
Dat brengt ons bij de laatste ingrijpende verandering. Vooral sinds de jaren ’80 maken de zeven zondagen van de ‘gereformeerde’ lijdenstijd in hoog tempo plaats voor de zes zondagen van de veertigdagentijd, en ontwikkelt zich naast Pasen het zogenaamde Paastriduum met viering van de Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaswake, vaak ook nog met sobere bijeenkomsten op de andere dagen van de Stille Week. Ik heb de indruk dat dit zich met name in de laatste jaren verder uitbreidt met een feestelijke viering van de Palmzondag, met rondgang voor en met de kinderen met palmpasenstokken en dergelijke. Wat betreft het Avondmaal vindt hier een correctie plaats. De maaltijd wordt op Witte Donderdag gevierd en vaak ook in de Paaswake. Met dat laatste zijn we bijna terug bij de Dordtse Kerkorde en de achterliggende katholieke traditie. Bijna: ik zie nog nauwelijks Avondmaal gevierd op Paaszondag zelf.

Bezinning
Hoe moeten we de ontwikkelingen ten gevolge van de liturgische beweging beoordelen? Wat mij betreft is de grondtoon positief. Het accent is in de Westerse Kerk te eenzijdig komen te liggen op het lijden van Christus. Het is onjuist om het solus Christus tot dat lijden te verengen. Ook Zijn leven en Zijn overwinnen van de dood horen er volop bij, al kan ik mij eventueel wel voorstellen dat Pasen in het verlengde van de Goede Vrijdag wordt gezien. Aan het kruis is de zonde weggedragen, de zonde die leidt tot de dood. Aan het kruis is de dood in de wortel aangepakt. Pasen is dan vooral een bevestiging van de Goede Vrijdag. In deze opvatting moet er dan wel een dikke streep onder het ‘goede’ van Goede Vrijdag. Al op die dag mag het lied van de overwinning nadrukkelijk doorklinken.

Dat brengt mij bij een volgend punt. Hoe de Goede Week ook wordt ingericht – modern of klassiek –, de neiging bestaat vertellenderwijs de weg van Jezus na te doen. Daar is op zich niets mis mee. Maar het is niet zonder risico. Ik zie twee valkuilen. De ene is een empathische Christusprediking waarin de nadruk zozeer valt op de Lijdende dat het ‘voor ons’ tekort komt. De andere is een analoge benadering waarin de weg van Jezus vrijwel samenvalt met die van ‘de’ mens. Het eigene van Christus komt dan niet meer aan de orde. Natuurlijk kan men er ook voor kiezen niet te preken en de Schrift voor zichzelf te laten spreken. Dat gebeurt vooral op Goede Vrijdag. Ik vind dat we in het huidig tijdsgewricht alle reden hebben bij die praktijk vraagtekens bij te plaatsen. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan de wijze waarop de evangelisten het verhaal vertellen. De zinsnede uit het lijdensevangelie van Matteüs, ‘Laat zijn bloed ons dan maar worden aangerekend, en onze kinderen’, heeft in de geschiedenis al zoveel kwaad gedaan. Zulke woorden schreeuwen om uitleg. Bij lezing van het Johannes-evangelie kan bij lezen alleen makkelijk de indruk ontstaan dat de schuld voor alles wat Jezus overkomt bij de Joden ligt. Zulke indrukken vragen om nuance en weerwoord. Afgezien daarvan ben ik ervan overtuigd dat de weg van Jezus niet meer vanzelf spreekt (als dat al ooit het geval is geweest). Dat wat Hij doet is in geen mensenhart opgekomen, heeft geen oor gehoord, heeft geen oog gezien. Voor dat we het weten is Jezus’ weg versmald tot die van een idealist die van al zijn illusies wordt beroofd en de dood vindt. Het behoort tot de taak van de kerk om in het duiden van deze unieke weg een duidelijke handreiking te doen.

Een derde kanttekening bij het spoor van de liturgische beweging betreft de verschuiving van dogmatiek naar ethiek, van rechtvaardiging naar heiliging. Dat ligt op verschillende manieren in het verlengde van het voorgaande. Het zelf volgen van Jezus wordt sterker, ten koste van de verkondiging van het volbrachte werk van Christus. Maar ook zien we de verschuiving in het benaderen van de Goede Vrijdag vanuit Pasen. In het herstel van de Goede week komt ze in het bijzonder tot uiting in de Paaswake, meer specifiek in doopbediening en doopgedachtenis op dat moment. Het gaat in de doop en de doopgedachtenis op dit moment om de keuze die gelovigen willen maken in het licht van Christus’ opstanding: afkeer van het kwade en een nieuw begin op Hem georiënteerd. Het zijn noties die veeleer horen bij de volwassendoop. Het klassieke doopformulier kent ze ook, maar de inzet bij de kinderdoop leidt tot een wezenlijk andere benadering. Het is God de Vader die Zijn verbond met ons opricht, het is de Zoon die onze zonden wegwast in Zijn bloed, het is de Geest die ons heiligen wil. Daarop volgt later het antwoord van de mens. Ik besef dat de benadering in de Paaswake goed aansluit bij het hedendaagse levens- en geloofsgevoel. Er ligt een sterke nadruk op de persoonlijke keuze. Maar het verbondsmatige karakter van de doop raakt op de achtergrond. Gelovigen willen leren van Jezus, ze willen Hem volgen. De Paaswake staat bovendien in een brede, oecumenische traditie. Het gevaar is alleen wel dat de vreemde weg van Christus naar het kruis op de achtergrond geraakt. Het lijkt me heilzaam dat gereformeerden vanuit hun confessie dit accent inbrengen.

Tot slot. Liturgische veranderingen zijn meer dan een verandering van vorm. Met de vorm wijzigt de inhoud. De vorm kan de toegankelijkheid van het evangelie versterken, maar ook verzwakken. Het is voor mij de vraag of Noordmans’ sobere benadering in de huidige kerkelijke en maatschappelijke context adequaat is. Tegelijk maakt hij duidelijk dat iedere voorganger goed moet beseffen dat álles wat hij in de liturgie doet inhoudelijke consequenties heeft. Al te gemakkelijk maken vormen wezenlijke aspecten van de Schrift structureel onzichtbaar. Het blijft daarom voor mij in de liturgie een worsteling om te komen tot een optimale verhouding tussen enerzijds toegankelijke vormen en anderzijds het hart van de Schrift: Christus.

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is gepubliceerd in Kontekstueel 27 (2013), nr. 4, p. 24-27.


http://www.kwdejong.info

© 2013, KWdJ