Gepubliceerd in: J. van Gelderen en C. Houtman (redactie), Profiel. Theologiebeoefening in Kampen 1970 – 1990 (Kampen 2004), 291 – 309.

 

 

Gerrit Lammens: een gereformeerd-oecumenisch liturgioloog

 

door Klaas-Willem de Jong

 

In het najaar van 1970 deed Gerrit Nicolaas Lammens[1] zijn intrede aan de Theologische Hogeschool als gasthoogleraar voor 1 uur liturgiologie per week. Hij keerde daarmee terug naar de instelling waar hij zijn predikantsopleiding had genoten en ruim twintig jaar tevoren cum laude zijn kandidaatsexamen aflegde. Twee jaar later, in 1972, volgde een benoeming tot buitengewoon hoogleraar, terwijl hij van 1976 tot zijn door ziekte vervroegde emeritaat in 1981 gewoon hoogleraar was. De omvang van de aanstelling bleef al die tijd beperkt tot enkele uren per week. Lammens invloed reikt verder dan deze bescheiden aanstelling doet vermoeden. Het is daarom meer dan terecht dat ook hij een plaats krijgt in deze galerij met theologische portretten. Al eerder verschenen schetsen van Lammens’ visie op de liturgie(k).[2] Het eigene van dit theologisch portret is het accent op de ontwikkeling van Lammens’ denken, met name waar het gaat om de positie van de vierende gemeente. Met het oog daarop markeer ik drie perioden in Lammens’ werkzame leven: predikant in de gemeente (1949 – 1957), predikant voor de jeugd (1957 – 1969), predikant voor de omroep en aan de universiteit (1969 – 1981). De typeringen zijn niet absoluut, ze geven accenten aan. Zo was Lammens tot 1969 (ook) gemeentepredikant en begonnen zijn werkzaamheden voor de jeugd al vóór 1957. Het predikantschap verbindt de drie perioden: waar hij ook werkte, het was ten dienste van de plaatselijke gemeente, in het bijzonder van haar liturgie.  Een vierde paragraaf richt zich op de wijze waarop kerk en universiteit met Lammens’ erfenis zijn omgegaan, nadat hij in 1981 zijn activiteiten noodgedwongen moest beëindigen. Ik besluit het artikel met enkele conclusies.

 

1.      Predikant in de gemeente (1949 – 1957)

 

Na zijn afstuderen in Kampen was Lammens in 1949 begonnen als predikant in Heinkeszand. Het feit dat hij binnen drie jaar dit Zeeuwse dorp kon verruilen voor het stadse Rotterdam-Kralingen en wijst op bijzondere kwaliteiten. Hij was qua uiterlijk niet direct opvallend, verhoudingsgewijs klein van stuk, maar hij groeide als hij op de kansel of het spreekgestoelte stond: daar in het bijzonder wist hij mensen aan te spreken. Zijn preekstijl was losjes. ‘Hij is meer een causeur dan een redenaar’, zo merkt D. van der Stoep op in een journalistiek verslag van een kerkdienst met Lammens. Dat lijkt in nauw verband te staan met enkele andere observaties van de journalist: ‘Ik had het gevoel dat dominee Lammens zo preekte, dat hij erg in de mensen had, in de kleinen en de groten’. En naar aanleiding hiervan: ‘Als de gemeente merkt dat de dominee er bij is, bij haar namelijk, zal zijn bijna altijd de preek als goed ervaren’.[3] Niet de spreker of de boodschap, maar de hoorder kreeg in Lammens’ benadering het volle pond. Dat uitte zich in direct taalgebruik, pakkende voorbeelden en rake verwijzingen naar de actualiteit.[4] Lammens behoorde daarmee tot de groep naoorlogse predikanten in de Gereformeerde Kerken die afscheid nam van de tot dan toe gebruikelijke strakke, dogmatische preektrant. Het zijn de moderne media geweest die er voor hebben gezorgd dat Lammens binnen betrekkelijk korte tijd een landelijk bekende persoonlijkheid werd in de Gereformeerde Kerken. Zo bood de N.C.R.V. hem de gelegenheid voor het houden van korte radiotoespraken.[5]

Weinigen zullen echter aanvankelijk vermoed hebben dat juist deze begaafde spreker en prediker belangrijke impulsen zou geven aan de vernieuwing van de Gereformeerde eredienst. Helaas valt niet meer exact te traceren, hoe Lammens’ interesse voor de liturgie(k) zich ontwikkeld heeft. Voor de oorsprong wijst Lammens zelf op K. Dijk: ‘Aan hem dank ik mijn voorliefde voor de liturgiek. In Den Haag-west leerde ik dr. Dijk kennen als een zorgvuldig liturg, in Kampen als een bekwaam liturgioloog.’[6]  Verder is bekend, dat hij met het oog op zijn doctoraal examen aan de VU in het najaar van 1956 een scriptie schreef over ‘Plaats en betekenis van het Avondmaal bij [Gerardus] Van der Leeuw’.[7] Hoewel we slechts de titel van dit werkstuk kennen, kan vermoed worden dat Lammens Van der Leeuws opvattingen kritisch heeft besproken. Op diverse plaatsen waar hij later in zijn dissertatie beschrijvingen of standpunten van Van der Leeuw aanhaalt, gebeurt dat direct of indirect afwijzend.[8] Lammens heeft zich in dit opzicht op Dijk georiënteerd, voor wie Van der Leeuw juist in de scherpe afwijzing van diens denkbeelden een inspirerende gesprekspartner bleek.[9] In één opzicht is er wat dit betreft een duidelijk verschil met Dijk. Terwijl voor Dijk de liturgische vorm volstrekt ondergeschikt was aan de inhoud, stemt Lammens in met Van der Leeuw als deze stelt dat liturgie meer is dan een vorm(probleem).[10] Juist hier lag derhalve voor de Gereformeerde Lammens een onontgonnen terrein. Het is goed denkbaar dat Lammens zich door Van der Leeuws fenomenologische en dogmatische benadering van de sacramenten uitgedaagd voelde om daarnaast en daar tegenover een bijbels-theologisch verantwoorde fundering van het avondmaal te ontwikkelen.

Kort voor zijn doctoraal examen werd Lammens gepolst om lid te worden van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie die in het najaar van 1956 zou worden opgericht. Hij reageerde positief. Bij zijn entree in deze vernieuwingsgezinde werkgroep bleek Lammens niet alleen een samenbindende persoonlijkheid te zijn, maar ook in staat theologisch verschillende standpunten te integreren.[11] Enerzijds volgde hij het historisch-oecumenische spoor, zoals de initiatiefnemers van de werkgroep dat hadden uitgezet: wat betreft de orde voor de zondagmorgendienst terug naar de wijze waarop Calvijn zich (in Straatsburg) baseerde op de vroege kerk. Anderzijds voelde hij zich verwant met werkgroepleden die meer aandacht wensten voor eigentijdse vormen. Wat dit laatste betreft dringt een vergelijking met Lammens’ benadering van de prediking zich op, waarin veel accent lag op de hoorder en zijn situatie. De noodzaak zich met dit soort vragen bezig te houden zal versterkt zijn door de Gereformeerde televisiediensten. Lammens was als een van de voorgangers direct betrokken bij de eerste die in maart 1957 uitgezonden werd.[12] Toch drong Lammens er bij het onderzoek naar de contouren van een nieuwe orde van dienst voor de Gereformeerde Kerken op aan eerst het historisch-oecumenisch spoor te volgen en vervolgens bij de invulling ruimte te scheppen voor het eigentijdse. Het historische stond hierbij voor Lammens overigens in dienst van het oecumenische. Een artikel over de Roomse mis in het tijdschrift Jong Gereformeerd van november 1958 laat zien, dat hij was gefascineerd door de oecumenische dimensie van de liturgie. Hij wijst naast de verschillen met nadruk op de overeenkomsten.[13] Lammens was bekend met het risico in eigen kring het stempel ‘rooms’ opgedrukt te krijgen.[14] Hij koos in dit opzicht bewust de voorhoede. De hier getoonde oecumenische inzet zal in de volgende jaren nader worden uitgewerkt.

 

2.      Predikant voor de jeugd (1957 – 1969)

 

Ook de Nederlandse Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde Grondslag erkende Lammens’ talenten en betrok hem bij het landelijk bestuurswerk, eerst als vice-voorzitter en vanaf 1957 als voorzitter. Lammens was nauw betrokken bij de grondige reorganisatie van het Gereformeerde jeugdwerk. De drijfveer daartoe omschrijft hij zelf als volgt: ‘We waren ervan overtuigd, dat de jeugdjaren een zinvolle fase in het leven vormen met een eigentijdse – en niet alleen een toekomstige – verantwoordelijkheid.’[15] Hier ligt een directe lijn met het accent dat Lammens ook in zijn preken legde: de hoorder – in het jeugdwerk de jongere – wordt in zijn eigen situatie voluit serieus genomen.

Lammens inzet voor het jeugdwerk vraagt om een vergelijking op met de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daar hebben de jeugddiensten in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw namelijk een belangrijke bijdrage geleverd aan de liturgische bewustwording.[16] In de Gereformeerde kerken lag de situatie echter anders. Hoewel Lammens wel gebruik maakte van de middelen die hem als voorzitter van de Bond ten dienste stonden om in de Gereformeerde Kerken draagvlak te creëren voor liturgische vernieuwing, hebben specifieke jeugddiensten daar niet of nauwelijks een bijdrage aan geleverd. Dat had mede te maken met het feit dat men in de Gereformeerde Kerken behoedzaam omging met het verschijnsel jeugddienst. Lammens’ opstelling vormde daarop geen uitzondering.[17] Het uitgangspunt was dat de jeugd een plaats dient te krijgen in de reguliere erediensten, uitzonderingen daargelaten.

Deze opvatting over de plaats van de jeugd in de kerkdienst komt ook naar voren in een serie televisiediensten uit Heemstede in 1962 en 1963. Lammens was enkele jaren tevoren in dit forensendorp onder de rook van Haarlem beroepen. Tevens was hij met enkele andere leden van de hiervoor al genoemde Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie betrokken geraakt bij een synodale opdracht de mogelijkheden voor een nieuwe orde van de (zondagmorgen)dienst te onderzoeken. Dit zou resulteren in het uitvoerige Rapport eredienst Generale Synode 1965, waarvan Lammens de rapporteur was. In Heemstede kreeg hij de ruimte om met de resultaten van het onderzoek te experimenteren. Lammens beperkte zich daarbij echter niet tot de orden als zodanig. Tevens zocht hij naar mogelijkheden om tegemoet te komen aan de wens van liturgische vormen die aansloten bij de leefsituatie van de kerkgangers. In Heemstede richtte de aandacht zich in het bijzonder op de kinderen. Zij konden zowel instrumentaal als vocaal een bijdrage aan de dienst leveren, bijvoorbeeld bij de intocht aan het begin van de dienst. Het werd een belangrijk voorbeeld in de discussie met critici die het eigentijdse tekort zagen komen in de Gereformeerde liturgievernieuwing. Als de nieuwe orden van dienst en de bijbehorende verantwoording op de synode van Middelburg (1965-66) gepresenteerd en goedgekeurd wordt, tekent een journalist op: ‘en ds. Lammens vertelt geestdriftig van een optocht van zijn Heemsteeds zingende en fluitspelende jeugd.’[18] Kort daarop verkent hij samen met anderen in het eerste nummer van het tijdschrift Gaandeweg – ‘uitgave van de nederlandse gereformeerde jeugdraad’ – wat verder ‘het aandeel van de jongeren kan zijn’.[19] Het gaat erom wat jongeren in de eredienst kunnen doen. Enkele jaren tevoren had het Tweede Vaticaans Concilie de Constitutio de sacra liturgia goedgekeurd. Daarin was de participatie van de gelovigen in de liturgie een van de centrale elementen. Dit blijkt niet alleen in de Rooms-Katholieke Kerk, maar ook voor de protestantse Lammens een kernpunt te zijn.[20]

 

Op 13 december 1968 promoveerde Lammens aan de VU te Amsterdam op het proefschrift Tot Zijn gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering. Dit was zijn eerste wetenschappelijke publicatie.[21] Zoals we zagen, was Lammens in zijn preken steeds sterk betrokken op zijn hoorders. De vragen die in de liturgische praktijk van de Gereformeerde Kerken opkwamen maakten het nodig deze betrokkenheid principieel te verantwoorden en uit te werken voor het geheel van de liturgie.[22] Lammens maakt daarbij dankbaar gebruik van de dissertatie van zijn vriend J. Firet, Het agogisch moment in het pastoraal optreden.[23] Die legde de wetenschappelijke basis voor het benaderen van de liturgie vanuit de verzamelde gemeente, zoals dat in de verantwoording van de nieuwe orden van dienst op de synode van Middelburg enkele jaren tevoren ook al gebeurd was.[24] Lammens verwoordt zijn uitgangspunt zo: ‘de samenkomst van de gemeente, verstaan als een vergaderd zijn met Christus, is een krachtveld, waarbinnen het Woord Gods geschiedt’.[25] Met behulp van het begrip anamnese werkt Lammens dit nader uit voor de liturgie. In de anamnese van de verzamelde gemeente komt God in zijn Woord tot de gemeente. Dat geschiedt in de anamnese door de dienst van mensen. Deze anamnese omvat als anamnese van de verzamelde gemeente het menselijk reageren. Het avondmaal krijgt hiermee liturgisch een eigen accent. ‘Onder de Dienst des Woords is de gemeente een dativus”. De prediking is tot haar gericht, ze wordt áángesproken, er is een “Gegenüber”. Maar als het avondmaal wordt gevierd, is zij zélf het subject van het kerygma, proclameert zíj het paasgeheim van de Messias.’[26] Als de gemeente ergens aan het woord komt, dan hier. Prediking en avondmaalsviering vullen elkaar aan en versterken elkaar. Lammens stelt dat deze fundering van de avondmaalsviering het gebruik van een didaktisch formulier uitsluit. In dit licht bespreekt hij vervolgens de belangrijkste aspecten van de avondmaalsviering. Lammens eindigt zijn proefschrift met het uitspreken van de wens dat de uiteindelijke vormgeving door de kerken gezamenlijk zal plaatsvinden. Hiermee trekt hij consequenties uit het oecumenisch perspectief dat hij tien jaar eerder al zag. Toen lag dat op basis van historische gegevens vooral op het terrein van de dienst des Woords.[27] Aangezien voor Lammens de concrete vierende gemeenschap het subject is van de avondmaalsviering, kan de oecumene zich nu ook uitstrekken tot de dienst van de Tafel. Deze verschuiving in Lammens denken loopt parallel aan ontwikkelingen in de landelijke oecumene. In het jaar van Lammens’ promotie traden zowel de Gereformeerde Kerken als de Rooms-Katholieke Kerk toe tot de nieuw opgerichte Raad van Kerken in Nederland. Beide kerkgenootschappen hadden zich afzijdig gehouden van het tot dan toe bestaande samenwerkingsverband.

 

3.      Predikant voor de omroep en aan de universiteit (1969 – 1981)

 

In 1969 verlegde Lammens zijn werkterrein naar de omroep en de universiteit. Hij nam afscheid van het predikantswerk in de gemeente en verminderde zijn bemoeienis met het jeugdwerk. Hij werd directeur bij het Convent van Kerken, waar hij een van de voortrekkers was bij het samengaan met de I.K.O.R. Tevens trad hij aan als buitengewoon hoogleraar aan de VU. Kort daarop begon hij ook als gastdocent in Kampen, zoals we aan het begin van dit artikel al signaleerden. Hoewel hij teleurgesteld was over het feit dat hij in een benoemingsprocedure voor een gewoon hoogleraarschap in Kampen gepasseerd werd en zich in 1978 een ernstige ziekte openbaarde, kan deze periode zowel praktisch als theologisch getypeerd worden als hoogtij. In korte tijd publiceerde Lammens veel. Zijn invloed was dienovereenkomstig, zowel in de Gereformeerde Kerken als daarbuiten. Wat leerlingen betreft was de oogst beperkt. Lammens had wel doctoraal studenten en ook enkele promotiestudenten, maar geen van hen heeft onder zijn leiding een proefschrift kunnen afronden.

In het kader van dit artikel beperken wij ons tot drie lijnen. De eerste is nauw verbonden met de kerkelijke praktijk en betreft de liturgische jaarorde. De tweede lijn komt voort uit Lammens’ universitaire werk: de verdere uitwerking van het liturgiebegrip. De derde lijn heeft betrekking op zijn werk voor de omroep.

 

Op 8 mei 1970 inaugureert Lammens aan de VU met een rede getiteld Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender. Lammens komt in zijn inaugurele tot een positiebepaling ten aanzien van het kerkelijk jaar. Aan protestantse zijde was geëxperimenteerd in het project De adem van het jaar. De Nederlandse kerkprovincie van de Rooms-Katholieke kerk was Advent 1967 begonnen een nieuw lectionarium te beproeven. De al eerder genoemde Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie probeerde een eigen antwoord op deze ontwikkelingen te formuleren, maar slaagde daarin niet. Lammens sloot aan bij de bevindingen van de werkgroep en zocht zelfstandig verder naar een verantwoording om tot de invoering van een liturgische jaarorde over te gaan. Hij richt zich primair op zijn eigen Gereformeerde Kerken, maar plaatst het plan nadrukkelijk in een oecumenisch perspectief.[28] Onder liturgische jaarorde verstaat hij ‘een voor iedere zon- en feestdag vastgelegd arrangement van Schriftlezingen, liederen en gebeden, dat nu eens aan het specifieke karakter van een zon- of feestdag is ontleend, dan weer – omgekeerd – aan een zondag een eigen cachet verleent.’[29] Lammens reikt voor het gebruik van een jaarorde een aantal motieven aan. Het eerste is van theologische aard. Een jaarorde garandeert in Lammens’ ogen het primaat van het Woord in de eredienst. Het liturgische motief is het tweede. Liturgie is voor Lammens principieel een gemeentelijke categorie. De gemeente weet echter doorgaans niet waar ze aan toe is, omdat het de voorganger is die de tekstkeus bepaalt. ‘Aan dit individualisme kan een liturgische jaarorde een eind maken. De kerkdienst kan weer worden wat ze wezenlijk is: een gezamenlijke viering waarin mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord bewijzen.’[30] Lammens ziet mogelijkheden gemeentegroepen te betrekken bij de voorbereiding van preek en liturgie. Ook kan een jaarorde een impuls geven aan de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe liederen. Van de overige motieven noemen we hier alleen het sociaal-agogische. De jaarorde kan ook als ordeningsprincipe dienen voor catechese, godsdienstonderwijs, leerhuis, en dergelijke. Radio en televisie zouden hierbij goede diensten kunnen bewijzen – we horen in deze opmerking niet alleen de hoogleraar spreken, maar ook de directeur van het Convent van Kerken. Op zich zou elke gemeente op zich een leesrooster kunnen opstellen, zoals enkele jaren later door K.A. Schippers is gesuggereerd.[31] Dat zal ook Lammens niet ontgaan zijn. Het was voor hem in de gegeven omstandigheden echter geen reële optie. De veelheid van vraagstukken waar de Gereformeerde Kerken en andere kerkgenootschappen in 1970 voor stonden, zou de krachten van individuele gemeenten overstijgen: de aanstaande interkerkelijke gezangbundel, de toenemende eisen aan de kwaliteit van de prediking, de veranderingen in catechese en jeugdwerk, alsmede de groeiende belangstelling voor de oecumene. Een landelijke jaarorde zou bij dit alles integrerend en stimulerend kunnen werken.

Het is te aan Lammens’ creativiteit en niet aflatende inzet te danken dat op de 1e Advent in 1977 gestart kon worden met een twaalfjarig oecumenisch leesrooster.[32] Hij was direct betrokken bij de voorbereidende studiecommissie en de besluitvorming in de sectie eredienst van de Raad van Kerken. In de uitgebreide toelichting van Lammens’ hand komt de gemeente als zodanig nauwelijks meer aan bod.[33] De aandacht verschuift naar de plausibiliteit van het voorgestelde rooster. De vraag naar de positie van de plaatselijke gemeente in de omgang met het leesrooster blijkt echter niet afdoende beantwoord. Zij blijft staan en zal bij verschillende evaluaties van het leesroosterproject terugkeren.[34]

 

Voor de tweede lijn uit deze paragraaf doen we een stapje terug in de tijd. Kort na het betrekken van de nieuwe werkkringen profileert Lammens zich in 1971 in een artikel met de titel ‘Het eigene van de liturgie’.[35] Op de kansel en in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie had hij zich verwant getoond met degenen die aandacht vroegen voor de eigentijdse vormen in preek en liturgie. Tijdens de synode van Middelburg had hij zich stevig geweerd tegen critici die de nieuwe orde voor de zondagmorgendienst afdeden als repristinatie en een handreiking gedaan voor een eigentijdse invulling. Naar aanleiding van ervaringen met alternatieve diensten in Nederland en Duitsland komt het nu tot een ongemeen scherpe afwijzing van eigentijdse experimenten.[36] Volgens Lammens is de liturgie daarin versmald tot ‘een stuk moralisme dat we ons via het humanisme op een heel wat minder omslachtige manier kunnen eigen maken.’ En: ‘ze geven geen nieuwe vorm aan de eredienst maar stellen er iets anders voor in de plaats.’[37] In het vervolg van zijn betoog houdt hij enerzijds vast aan het eigene van de liturgie en de daarmee gegeven traditionele liturgische structuren, anderzijds wijst hij op de diaconale aspecten die de liturgie kent. Zo probeert hij de groep die hij bekritiseert tevens een in zijn ogen liturgisch verantwoord perspectief te bieden.

Heel pregnant wordt in dit artikel duidelijk, welke ontwikkeling verschuiving in het Gereformeerde denken is opgetreden. Lammens’ leermeester K. Dijk omschreef de liturgie kernachtig met ‘dienst des Woords’, waarbij hij met deze term meer in het bijzonder ook de prediking aanduidde.[38] Daarbij gaat het bijna als vanzelf in eerste instantie om de te verkondigen boodschap en de dienaar die verkondigt, hoezeer ook Dijk oog had voor de samengekomen gemeente. De aandacht van de gemeente is naar binnen gericht, op de boodschap. Voor Lammens schiet de aanduiding ‘dienst des Woords’ fundamenteel tekort.[39] Adequater is voor hem de omschrijving ‘viering van Gods aanwezigheid in onze wereld’.[40] Met het woord viering komt het subject van de viering – de gemeente – in zicht, alsmede het eigene van de liturgie – gedenken. De plaats van de gemeente is in de wereld. Dat maakt haar niet alleen naar buiten gericht, maar ook kwetsbaar, aangezien Gods bestaan in deze wereld voortdurend kritisch bevraagd en dikwijls zelfs ontkend wordt.

Begin 1973 ziet aan de VU de interne uitgave Syllabus liturgiek het licht.[41] Het kan gezien worden als een vervolg op het artikel ‘Het eigene van de liturgie’, maar het heeft een zwaarder wetenschappelijk accent. Grondlijnen uit de dissertatie keren terug.[42] Eerst verantwoordt Lammens zijn keuze voor de benaming van het vakgebied waarbinnen hij opereert, dat van de praktische theologie. Vervolgens leidt hij het object van zijn onderzoek af uit de praktisch-theologische methode. Algemeen formuleert hij dan: ‘Onder liturgie verstaan we het gebeuren tijdens de samenkomst van de gemeente.’[43] Vervolgens werkt hij dat onder verschillende gezichtspunten verder uit. De theologische verantwoording van hetgeen er in de samenkomst van de gemeente gebeurt, komt het meest fundamenteel tot uiting in de paragraaf ‘Liturgieviering als goddelijk en menselijk handelen.’[44] Vanuit de functie die het Woord in deze viering heeft, beschrijft Lammens de liturgie voor alles als ‘opus Dei erga nos’. Vervolgens stelt hij: ‘De liturgie als Woordgebeuren voltrekt zich door de dienst van mensen. De mens is daarbij geen object maar – krachtens de aard van het werk van de Geest – mede-subject. (…) Het Woord geschiedt dus in zuivere intersubjectiviteit.’[45] De lijn wordt nog verder doorgetrokken. ‘In de liturgie als woordgebeuren verschijnt de mens niet alleen als agens (intermediair) maar ook als re-agens, antwoordend. Deze menselijke reaktie is voor het geschieden van het Woord mede-constitutief.’[46] Nieuw is in zijn proefschrift, dat ook als sociaal te karakteriseren elementen erbij horen. ‘In de liturgie als Woordgebeuren raken niet alleen God en mens op elkaar betroken maar ook mensen onderling.’[47] Door deze aanpak onderstreept Lammens nog eens hij eerder heeft gesteld over de verhouding tussen diaconie en liturgie. Heel de liturgie heeft een diaconale dimensie, maar tegelijk gaat de liturgie verder dan dat: ‘Ze viert de aanwezigheid Gods in de wereld en stelt het heil in taal en teken tegenwoordig. Door de gedachtenisviering kan de vonk van het geloof opnieuw ontgloeien.’[48]

Lammens laat zowel in ‘Het eigene van de liturgie’ als de Syllabus merken dat hij zich maar al te goed kan voorstellen dat vernieuwingsgezinde groepen zich verzetten tegen de conserverende trek die de liturgische traditie in zich heeft.[49] In de Syllabus komt hij tegemoet aan dit bezwaar met hulp van een onderscheid uit de communicatiewetenschap. Het liturgisch ordinarium functioneert als redundantie, het proprium als informatie. ‘In het proprium kan het verrassende en het nieuwe, soms ook het schokkende en provocerende naar voren treden.’[50] Op deze wijze onderstreept Lammens tevens nog eens dat het in de liturgie in woord en daad – ‘handelen’[51] – om communicatie gaat tussen God en mensen, en mensen onderling.

 

Door het werken voor de omroep zag Lammens zich genoodzaakt zich ook op dat terrein te verantwoorden. Hij besefte dat uitzendingen van kerkdiensten voor radio en televisie op gespannen voet staan met de actieve participatie die hij in de eredienst veronderstelt. In de op 6 december 1973 uitgesproken Kamper inaugurele Liturgie en massamedia uit gaat hij nader op dit probleem in.[52] Naast bezwaren ontleend aan de media bespreekt hij bezwaren die te maken hebben met de liturgie zelf.[53] In de eerste plaats noemt hij de taal van de eredienst: die is voor buitenstaanders non-communicabel. In de tweede plaats wijst hij erop dat volledige deelname onmogelijk is. Het medium maakt deelnemers onmondig, ze worden publiek. Het derde bezwaar behelst het ontbreken van een missionaire dimensie aan de kerkdienst. Uitzendingen van kerkdiensten zijn daarmee een verloren kans. Na een uitvoerige exercitie op de terreinen van liturgie en massamedia komt Lammens tot het voorstel om voor de televisie te gaan werken met de zogenaamde kleine liturgie: leerdiensten (voor de radio) en getijden (voor radio en televisie). Dit heeft twee voordelen: ‘De participatiemogelijkheid is optimaal, de kans dat ze de hoofddienst” gaan vervangen minimaal. Daarbij komt nog dat ze zich uitstekend leent voor interkerkelijke samenwerking.’[54] Deze aanpak komt tegemoet aan de genoemde bezwaren. Door de sobere liturgische vorm en het beperkt aantal wisselende elementen is de herkenbaarheid groot, zeker ook omdat de dienst door de kleine, vierende groep met het oog op de uitzending zorgvuldig kan worden voorbereid. De hoorder of kijker kan daardoor optimaal deelnemen. Optimaal: volledige participatie kan alleen in een concrete eredienst, zeker als daarin het Avondmaal wordt gevierd. Lammens hoopt dat de uitzendingen van kleine liturgie de recipiënt – onopzettelijk – zullen stimuleren om daaraan (weer) mee te gaan doen. Hij voegt er aan toe: ‘Ik ben mij bewust hiermee (…) iets te beweren dat onder mediatheologen wel zal gelden als een kwalijke ketterij. Dat moet dan maar.’ Lammens laat zich hiermee even in zijn hart kijken. Het volgen van een kerkdienst via de massamedia is uiteindelijk surrogaat. Echt (mee)vieren kan alleen in de gemeente.

 

4.      Uitstraling en doorwerking (1981 – heden)

 

Al bij zijn overlijden eind 1985 was duidelijk dat Lammens met zijn boodschap binnen en buiten de Gereformeerde Kerken talloze sporen heeft achter gelaten. Daarom eindigt dit theologisch portret niet met het jaartal 1985, maar met ‘heden’.

Bij zijn afscheid aan de Vrije Universiteit had Lammens publiekelijk zijn zorg geuit over de toekomst van de liturgiek. Het oecumenisch belang van de liturgiek plaatste hij daarbij voorop. Elke kerk heeft zijn eigen spiritualiteit: ‘Al deze spiritualiteiten hebben vorm gekregen in ritueel, symbool en taal. Willen we als gereformeerden op dit gebied oecumenisch “on speaking terms blijven, dan is professionele aandacht voor het vakgebied van de liturgiek onontbeerlijk.’[55] Dit pleidooi sluit naadloos aan bij Lammens’ eigen ontwikkelingsgang: door de liturgie leerde hij de breedte van de oecumene kennen om de opgedane kennis en ervaring vervolgens weer vruchtbaar te maken voor de eigen traditie. De VU zag het belang van deze beweging en creëerde een bijzondere leerstoel liturgiek. Later volgde, zij het voor een beperkte periode, ook de Kamper Universiteit.

In de afscheidsrede voerde Lammens ook een pleidooi voor de liturgieviering zelf: ‘De theologie zal behalve voor de koele stroom van analyse en documentatie ook aandacht moeten houden voor de warme stroom van poëzie en verbeelding, symbool en ritueel als een eigen taalveld en een eigen kenweg voor het geloven en hopen.’[56] Enerzijds passen deze woorden bij Lammens’ hartstochtelijk pleidooi voor het eigene van de liturgie, een decennium tevoren. Anderzijds hebben ze een visionaire lading. Juist in de afgelopen jaren is de belangstelling voor deze ‘warme stroom’, zoals Lammens het noemt, sterk gegroeid. Dat komt niet alleen tot uiting in wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke publicaties over het belang van rituelen, maar ook in het dienstboekproject van de Samen op Weg kerken.[57] Dit project biedt in een door Lammens vurig voorgestane samenwerking tussen onder meer Hervormden en Gereformeerden[58]  rituelen voor tal van levensmomenten. Bij dit alles is Lammens’ dissertatie van blijvende waarde gebleken: het Bijbelse gedenken’ is een kernwoord in de bezinning op de liturgie geworden. De feestbundel ‘Houdt dan de lofzang gaande …’ die Lammens ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag in 1983 aangeboden kreeg, maakt nog eens duidelijk dat de gefêteerde school heeft gemaakt. De namen van de meeste auteurs zijn nauw verbonden met de geschetste ontwikkelingen, sommige tot vandaag toe.[59]

Eén belangrijk resultaat van Lammens’ inspanningen bleef nog ongenoemd, het leesroosterproject De eerste dag’. In wezen is de opzet nog dezelfde als die Lammens bij de start in het najaar van 1977 introduceerde, al wordt er voor de nabije toekomst over diversificatie gedacht: verschillende roosters voor verschillende soorten diensten.[60] Het rooster wordt in tal van gemeenten in het brede midden van protestants Nederland gebruikt. Bij dit succes passen drie relativerende kanttekeningen. De eerste betreft een principieel punt. Bij de evaluatie van de eerste twaalf jaar vroeg de van origine Rooms-Katholieke H.A.J. Wegman[61] zich af: ‘zullen de makers van leesroosters in de toekomst (…) niet meer rekening moeten houden met het subject, de gelovige gemeente en haar verwachtingen en vroomheid?’[62] Helaas werkt hij deze gedachte niet verder uit. We weten niet, hoe Lammens geëvalueerd zou hebben. Hij zou het met Wegman eens kunnen zijn. Voor Lammens was de liturgie immers een ‘gemeentelijke viering’.[63] Het is de vraag, in hoeverre Wegmans voorzichtige kritiek nog ruimte laat voor een (landelijk vastgestelde) jaarorde. Overigens is de jaarorde ook voor Lammens geen absoluut gegeven. Het doorbreken van de jaarorde ter wille van bepaalde actualiteiten behoorde wat hem betreft tot de mogelijkheden.[64] De tweede opmerking bij het leesrooster raakt het oecumenisch karakter: de deelname vanuit de Rooms-Katholieke Kerk is niet geworden wat men er ondanks de ook indertijd al gesignaleerde barrières van had verwacht. Gelet op zijn principieel oecumenische inzet toen het project van start ging, zou Lammens dit zeer betreurd hebben. De derde opmerking richt zich op de impact van het project. Lammens noemde niet alleen de eredienst, maar hoopte dat ook catechese, leerhuizen, kerkelijk vormingswerk, omroep, scholen, gezinnen en omroep ermee gediend zouden zijn.[65] Dit ideaal is slechts in beperkte mate praktijk geworden. Anders dan in Lammens’ tijd is de eredienst in veel gevallen niet meer het centrum van het gemeenteleven, maar een activiteit temidden van vele andere. Rond de eredienst zelf is overigens wel de landelijke coördinatie ontstaan die Lammens voor ogen had: het tijdschrift De eerste dag met allerhande liturgische informatie, alsmede diverse tijdschriften voor de kindernevendienst. Ook het rooster voor dagelijks Bijbel lezen (thuis) van het NBG sluit aan bij hetgeen in de zondagse eredienst aan de orde is.

Lammens’ voorstellen in Liturgie en massamedia hebben niet kunnen voorkomen dat de IKON inmiddels op televisie nauwelijks meer kerkdiensten uitzendt. Tien jaar na de verschijning van deze inaugurele, nog tijdens Lammens’ leven, moest W.J. Koole al constateren dat de televisievespers om uiteenlopende redenen waren stopgezet.[66] Een van de grootste bezwaren lag in de intensieve voorbereiding. Dat beperkte de mogelijkheid om met enige regelmaat in dezelfde gemeenschap terug te keren. Toch bleek juist een vaste, lokale traditie de beste resultaten te geven. Een en ander neemt niet weg, dat Koole indertijd kon concluderen dat de vesper als ‘vorm (…) ook in de toekomst als tv-vorm toepasbaar’ is.[67] De omroep heeft daar in de praktijk echter anders over geoordeeld.

 

5.      Conclusies

 

Als we Lammens’ activiteiten ten behoeve van de vierende gemeente, de jeugd, de omroep en de wetenschap bekijken, dat valt op dat de basis daarvoor in alle gevallen reeds in de jaren vijftig is gelegd, in zijn eigen predikantschap. Als prediker ontwikkelde Lammens in de praktijk de attitude om in het spreken de hoorder centraal te stellen. In de wetenschappelijke bezinning krijgt later de vierende gemeente een centrale plaats toegewezen. In het verlengde van de aandacht voor de hoorder ligt Lammens’ werk voor de jeugd: het jeugdwerk richt zich op de jongere in zijn eigen situatie. In dezelfde lijn beweegt zich Lammens’ inzet voor de omroep. Een en ander past in de ontwikkelingsgang van de Gereformeerde Kerken in de onderhavige periode. De binding aan de eigen kerkelijke traditie vermindert, de spirituele ruimte voor de individuele gelovige neemt toe. Het is niet toevallig dat Lammens in toenemende mate mogelijkheden zag voor de oecumene. Daar waar de ruimte voor de individuele gelovige toeneemt, kan over traditionele kerkelijke grenzen heen gekeken worden. De veranderingen in de Gereformeerde Kerken worden ook zichtbaar in de wetenschappelijke benadering van de praktijk. Het strikt kerkelijke, zoals dat nog gevonden wordt bij bijvoorbeeld zijn leermeester K. Dijk[68], wordt vervangen door een breder praktijkbegrip. Lammens is in dit verband veel verschuldigd aan J. Firet, die hij dan ook geregeld met instemming citeert, bijvoorbeeld: ‘De moderne praktische theologie zal een wetenschap zijn die het gebeuren tussen God en mens, voorzover dat geschiedt in het spanningsveld van tussenmenselijke relaties, naar zijn strukturen en funkties onderzoekt.’[69] Het is de verdienste van Lammens als Gereformeerd theoloog dat hij in al deze veranderingen een weg heeft gevonden om in de eredienst het primaat van het Woord te waarborgen. Naast de omschrijving van het begrip liturgie in diverse publicaties, is zijn verantwoording van een oecumenisch leesrooster hier een sterk voorbeeld van. Het is niet moeilijk in deze hoge waardering van het Woord naast de Gereformeerde theoloog ook de gemeentepredikant uit de jaren vijftig te herkennen.

Lammens is voluit praktisch theoloog geweest. Al zijn wetenschappelijke publicaties knopen aan bij concrete situaties en de vragen die daaruit opkomen. Zijn proefschrift kan gezien worden als antwoord op de vraag, hoe een liturgisch actief participerende gemeente theologisch verantwoord kan worden. In ‘Het eigene van de liturgie’ ontwikkelt Lammens zijn visie in een scherpe polemiek met hen voor wie het liturgische opgaat in het diaconale. De werkzaamheden bij de omroep noopten tot reflectie op de uitzending van kerkdiensten. Lammens’ standpunten wijzigen zich in de loop der jaren nauwelijks. Wel is er sprake van uitwerking en verdieping. Ook legt hij, afhankelijk van het front waarop hij strijdt, verschillende accenten. Waar het gaat om de positie van de gemeente benadrukt hij bijvoorbeeld in zijn dissertatie over de avondmaalsviering het verschil tussen de dienst van het Woord en de dienst van de Tafel. Zo scherp zal hij dat later niet meer stellen. In ‘Het eigene van de liturgie’ benadrukt hij het feit dat de gemeente Gods aanwezigheid in de wereld viert. Die notie blijft in volgende geschriften staan, maar is er dan een temidden van andere. Bij dit alles valt op, hoezeer Lammens steeds samen met anderen heeft gewerkt en gestudeerd. Zo is zijn proefschrift ondenkbaar zonder de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie en het synodale deputaatschap voor de eredienst. Bij de studies over kerkelijk jaar en jaarorde zijn deze werkgroep en andere commissies direct betrokken geweest. En zo zou er meer te noemen zijn. Het heeft iets weg van de predikant die temidden van zijn gemeente werkt, niet als solist, maar als voorganger.

Lange tijd heeft de liturgiewetenschap een sterk historische inslag gehad. Van Lammens zijn geen historische studies bekend, al is wel duidelijk dat hij de liturgiegeschiedenis kent. De klassieke liturgische structuren van zondagmorgendienst en getijden waren voor hem zo goed als onaantastbaar. Zijn kracht lag echter vooral in het visionaire. Opnieuw gaan onze gedachten dan terug naar de jaren vijftig. Met pakkende (voor)beelden wist deze gedreven predikant de hoorders te boeien. Als theoloog deed hij het met zijn (lezers)publiek later niet anders.

De invloed van Lammens is tot op vandaag merkbaar. Hij is een stimulator geweest van de liturgische samenwerking tussen Hervormden en Gereformeerden, die geresulteerd heeft in het dienstboekproject. Het sterkst heeft hij echter zijn stempel gezet op het leesroosterproject ‘De eerste dag’. Mooier nagedachtenis had Gerrit Lammens niet kunnen krijgen: juist in de principia die aan dit project ten grondslag liggen wordt duidelijk, dat hij een voluit gereformeerd én oecumenisch liturgioloog wilde zijn.

 

 

 



[1]              Gerrit Nicolaas Lammens werd geboren te ’s-Gravenhage op 17 augustus 1923; hij overleed op 3 december 1985 te Amsterdam. De term gereformeerd-oecumenisch als zodanig is afkomstig uit de sfeer van het Hervormde Dienstboek … in ontwerp (1955), een van de inspiratiebronnen voor Lammens en de liturgische beweging in de Gereformeerde Kerken. Liturgioloog is afgeleid van liturgiologie, een term die Lammens in zijn publicatie nogal eens gebruikte (vermoedelijk afgeleid van het Engelse liturgiology).

[2]              G.C. van de Kamp, ‘Liturgische bewustwording in de gereformeerde kerken’, in: M.E. Brinkman (red.), 100 jaar theologie. Aspecten van een eeuw theologie in de Gereformeerde Kerken in Nederland (1892 – 1992) Kampen z.j. [1992], 161 – 210, met name p. 182 – 193; zie daarnaast ook J. Firet en J.J. van Nijen, Het vieren van Gods aanwezigheid. De zin van de liturgie. De liturgische grondhouding, Amsterdam 1986.

[3]              D. van der Stoep, ‘Bij Ds. G.N. Lammens (…)’, in: D. van der Stoep en H.H. Felderhof, Opnieuw in de houten broek. Over dominees, preken en kerkmensen Baarn z.j. [1959?], 109 – 115, resp. p. 109 en 111.

[4]              Zie ook G.N. Lammens, ‘Preken in jeugdland’, in: A.G. Barkey Wolf (red.), Hoe vindt U dat er gepreekt moet worden?, Zwolle z.j. [1959], 110 – 125. Het gaat in deze bijdrage weliswaar om preken voor de jeugd, maar in feite verantwoordt Lammens hier in populaire vorm zijn stijl van preken. Het is voor hem doorgaan ‘met een beetje te exegetiseren (…), een beetje te mediteren, flink te bidden en vooral met veel te geven om de jongeren!’ (p. 125; curs. KWdJ)

[5]              De toespraken voor de N.C.R.V. werden ook in boekvorm uitgegeven, achtereenvolgens: Radio-therapie. Gesprekken bij de open bijbel Wageningen z.j. [1956], De nieuwe mens Wageningen z.j. [1958], Van hart tot hart, Wageningen z.j. [1e dr. 1958], Eén ding zoek ik, Wageningen z.j. [1e dr. 1961].

[6]              Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 8. Voor Dijk zie: BLGNP 2, 180v; B.J. Aalbers, Klaas Dijk (= Kamper Miniaturen VI), Kampen 2000.

[7]              Zie: K.W. de Jong, Ordening van dienst. Achtergronden van en ontwikkelingen in de eredienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Baarn 1996, 173.

[8]              Zie bijvoorbeeld: G.N. Lammens, Tot Zijn gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering, Kampen 1968, 21 (‘Ook al kiezen we niet voor Van der Leeuws terminologie’), 246 (‘Als hij daaraan toevoegt (…) moeten we met hem van mening verschillen.’), 296 (‘wanneer men [doelend op onder anderen Van der Leeuw] die eerst in een geheel andere sfeer heeft opgedaan om haar dán in Romeinen 6 in te dragen.’), en 335 – 338 (over de epiclese). Zie ook correcties op p. 331-nt 611 en p. 360-nt 81. Wel volgt Lammens van der Leeuw in de gedachte dat liturgie meer is dan een vorm(probleem). Daarmee onderscheidt hij zich van zijn Kamper leermeester Dijk, voor wie de liturgische vorm volstrekt ondergeschikt was aan de inhoud.

[9]              Zie voor Dijks opstelling: De Jong, Ordening, 147vv.

[10]             Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 21v.

[11]             Vgl. bijvoorbeeld De Jong, Ordening, 200 en 204v (over de orde van dienst), 214v (over kerkinrichting).

[12]             Zie voor deze dienst bijvoorbeeld: Centraal Weekblad 5 (1957), 67, 93 en 101. Zie voor verdergaande bezinning in Gereformeerde kring onder andere Centraal Weekblad 6 (1958), 37 en 125; De Strijdende Kerk 14 (1958-59), nr. 345, 7v en nr. 347, 5; Gereformeerd Weekblad 20 (1964-65), 45, 84 en 99.

[13]             G.N. Lammens, ‘De rooms-katholieke eredienst’, in: Jong Gereformeerd 2 (1958-59), 260vv, 289vv  en 317vv. Vgl. ook het referaat dat Lammens hield voor de Gereformeerde predikantenvereniging (zoals weergegeven in Trouw, 10 april 1958).

[14]             Lammens kreeg het stempel ‘rooms’ opgedrukt naar aanleiding van een lezing voor de Vereniging van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vgl. voor die rede: Trouw, 10 april 1958) in: M.J. Heule, Woord of kruis?: de verroomsing onzer Hervormde en Gereformeerde Kerken, z.p. [Bloemendaal] z.j. [1958]. Zie ook: Centraal Weekblad 6 (1958), 165.  

[15]             Lammens geciteerd door J. Hogenhuis, ‘Zonder jeugd geen toekomst. Enkele kanttekeningen bij de verhouding kerk en Jeugd sinds de Tweede Wereldoorlog’, in: Houdt dan de lofzang gaande …’. Opstellen over kerk en eredienst aangeboden aan Prof.dr. G.N. Lammens ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag,Kampen 1983, 197 – 209, p. 201.

[16]             J.W. Beerekamp, De jeugddienst. Zijn geschiedenis, principe en opzet, Nijkerk 1952, 58.

[17]             Zie hiervoor het themanummer van Gaandeweg 1 (1966), nr. 6), een uitgave van de Nederlandse Gereformeerde Jeugdraad. Vgl. Trouw, 10 april 1958: ‘Bij de jongeren beginnen, ried ds. Lammens: geef hun een para-liturgische functie. Dit zei hij mee n.a.v. een opmerking, dat de r.-k. kerk velen blijft binden, die in hun jeugd b.v. koorknaap waren.’

[18]             A.J. Klei in Trouw, 22 januari 1966. Vgl. ook het artikel van Jan Pasveer, Lammens’ cantor in Heemstede: Jeugd en kerklied’, in: Gaandeweg 1 (1966), 258 – 263.

[19]             G.N. Lammens, ‘Rondom de kerkgang’, in: Gaandeweg 1 (1966), 249 – 252, p. 251.

[20]             Vgl. G.N. Lammens, ‘Worden de roomsen protestant en de protestanten rooms? Naar aanleiding van de “mis in het Nederlands’, in: Jong Gereformeerd 8 (1964-65), 591- 593 en 619 – 623. Zie daarin onder meer de zinsnede ‘”We worden er steeds weer bijgehaald …” Zulke zinnen kom je om de haverklap tegen.’ (593)

[21]             Het door Lammens samengestelde Rapport eredienst Generale Synode 1965, z.p. z.j., had in zijn grondigheid al een zekere wetenschappelijke allure. Lammens heeft hier zonder twijfel een belangrijke bijdrage aan geleverd. Maar ook de andere leden van het rapporterende deputaatschap hebben hun inbreng gehad. Zie bijvoorbeeld voor het uitgangspunt van de samenkomende gemeente: Fr. de Jong, ‘De samenkomst in de naam van de Heer’, in: Jong Gereformeerd 6 (1962-63), 1216 – 1219, 1244 – 1247, 1272 – 1275. Verder lijken bepaalde passages geredigeerd te zijn met het oog op de praktische haalbaarheid  (zie hiervoor uitvoeriger: De Jong, Ordening, 250 – 259). Het rapport geeft daarmee niet onverkort Lammens’ inzichten weer. Vgl. Van de Kamp, ‘Liturgische bewustwording’, 183, die net als sommige anderen de opvattingen in (de inleiding van) het rapport geheel voor rekening van Lammens laat komen.

[22]             Vgl. uit begin 1959 daterende aantekeningen, waaruit blijkt dat Lammens toen al bezig was met het onderwerp anamnese en de problematiek van de liturgische formulieren (De Jong, Ordening, 204v).

[23]             J. Firet, Het agogisch moment in het pastoraal optreden, Kampen 1968. Voor Firet zie G. Heitink, ‘In helder inzicht en alle fijngevoeligheid.’ Herdenkingscollege J. Firet, Amsterdam 1994.

[24]             Zie voor de doorwerking van Firet in Lammens’ proefschrift: Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 188 – 224.

[25]             Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 191.

[26]             Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 228.

[27]             Vgl. ook het door Lammens geredigeerde Rapport eredienst Generale Synode 1965. Dit gaf vier motieven die van belang zijn bij het vaststellen van de liturgie. In een voorfase ging het confessionele nog aan het oecumenische vooraf. In de definitieve versie liet men het oecumenische voorop gaan. In 1981, bij een terugblik op zijn loopbaan, noemt Lammens bij de belangen van de liturgiewetenschap in de eerste plaats de oecumenische (G.N. Lammens, ‘Bij mijn afscheid’, in ‘Houdt dan de lofzang’, 8; deze rede werd eerder gepubliceerd in: Gereformeerd Weekblad 37 (1981-82), 73v).

[28]             G.N. Lammens, Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender, Kampen 1970, 22v.

[29]             Lammens, Liturgische jaarorde, 10.

[30]             Lammens, Liturgische jaarorde, 16.

[31]             K.A. Schippers, ‘Overwegingen rondom de tekstkeus’, in: Postille 27 (1975-76), 7 – 25, p. 23v. Voor Schippers zie G. Heitink, ‘Theoloog voor de gemeente. Kor Anne Schippers’, in: Van Gelderen en Houtman, Profiel, 227 – 245.

[32]             De Jong, Ordening, 316v en 352 – 355. Lammens maakt goed gebruik van zijn positie bij de omroep, de Gereformeerde deputaten voor de Eredienst, de Hervormde Raad voor de Eredienst, de in 1972 geïnstitueerde sectie Eredienst van de Raad van Kerken en de universiteit, alsmede zijn contacten bij de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie en de Liturgische Kring.

[33]             G.N. Lammens, ‘Het kerkelijk jaar en de liturgische jaarorde’, in: De eerste dag 1 (1977-78), nr. 1, 1 – 28. De positie van de gemeente wordt slechts kort aangestipt, nl. op p. 4 (de bijdrage van de gemeente aan de eredienst), 6 (leerhuisachtige activiteiten), 27 (catechese in het kader van de Schriftlezingen op bepaalde zondagen).

[34]             Zie hieronder paragraaf 4.

[35]             G.N. Lammens, ‘Het eigene van de liturgie’, in: ”Houdt dan de lofzang gaande …”, 26 – 37. Het artikel verscheen oorspronkelijk in: G. Dekker e.a., Wat vindt u van de kerkdienst?, Wageningen 1971, 88 – 100.

[36]             De Jong, Ordening, 312.

[37]             In de vorige en deze regel: Lammens, ‘Het eigene’, 26.

[38]             Zie voor Dijks opvattingen met name: De Jong, Ordening, 147 – 150 en de daar gegeven literatuur.

[39]             Lammens, ‘Het eigene’, 32.

[40]             Lammens, ‘Het eigene’, 33.

[41]             Tenzij anders aangegeven zijn de citaten in deze alinea afkomstig uit: G.N. Lammens, Syllabus liturgiek, 1e dr. z.p. [Amsterdam] 1973, 14v. Zie voor de verhouding tussen diaconie en liturgie ook 35v (deze passage staat in een relatief uitvoerige beschrijving van vernieuwingspogingen (33 – 36), hetgeen aangeeft hoe aangelegen dit vraagstuk in die tijd was).

[42]             Zie voor deze alinea met name Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 188 – 224.

[43]             Lammens, Syllabus, 4.

[44]             Lammens, Syllabus, 14.

[45]             Vgl. met name de paragrafen ‘De verzamelde gemeente als krachtenveld van het Woord’ en ‘De samenkomst als viering’ en ‘Karakteristiek van de gedachtenisviering’ (respectievelijk Lammens, Syllabus, 9v, 10vv en 12vv).

[46]             Vgl. hiervoor ook de opmerkingen bij ‘Taak en methode’ (van de liturgiologie): Lammens, Syllabus, 6.

[47]             Zie voor kritische kanttekeningen bij Lammens’ concept: Van de Kamp, ‘Liturgische bewustwording’, 192v.

[48]             Lammens, Syllabus, 36. Zie voor de verhouding tussen diaconie en liturgie verder 35v (deze passage staat in een relatief uitvoerige beschrijving van vernieuwingspogingen (33 – 36), hetgeen aangeeft hoe aangelegen dit vraagstuk in die tijd was).

[49]             Zie bijvoorbeeld Lammens, ‘Het eigene’, 30v ; Lammens, Syllabus, 16.

[50]             Lammens, Syllabus, 16; vgl. Lammens, ‘Het eigene’, 27 (‘informatie’).

[51]             Lammens, Syllabus, 14. J.J. van Nijen wijst erop dat liturgie bij Lammens primair handeling is (‘De liturgische grondhouding’, in: Firet en Van Nijen, Het vieren, 9 – 14,  p. 10v). Dit toont nog eens de nauwe verwantschap aan met J. Firet die in latere publicaties de praktische theologie zou omschrijven als handelingswetenschap (vgl. G. Heitink, Praktische theologie. Geschiedenis – theorie – handelingsvelden,Kampen 2e dr. 2000, met name 127v).

[52]             G.N. Lammens, Liturgie en massamedia (= Kamper Cahiers 24), Kampen 1974. Vgl. ook Lammens’ aandeel in: G.N. Lammens, J. Pasveer en N.A. Schuman, Vespers vieren. Beschouwingen over Teksten en Muziek van zes televisievespers, Kampen 1974.

[53]             Voor de liturgische bezwaren:, Lammens, Liturgie en massamedia, 7v.

[54]             Dit en het volgende citaat: Lammens, Liturgie en massamedia, 40.

[55]             Lammens, ‘Bij mijn afscheid’, 9.

[56]             Zie M. Barnard en P.G.J. Post, Ritueel bestek. Antropologische kernwoorden van de liturgie, Zoetermeer 2001, en de daar gegeven literatuur.

[57]             Zie in dit verband ook: P. Oskamp en N.A. Schuman (eindred.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk,Zoetermeer 1998, en M. Barnard en N.A. Schuman (red.), Nieuwe wegen in de liturgie. De weg van de liturgie – een vervolg, Zoetermeer 2002.

[58]             Eind 1969 of begin 1970 probeerde Lammens al te komen tot een volledige samenwerking tussen de Hervormde Raad voor de Eredienst en het Gereformeerde deputaatschap eredienst. Pas in 1983 was het echt zo ver (De Jong, Ordening, resp. 318 en 358). Het eerste concrete resultaat van de samenwerking was Liturgie in dagen van rouw (1987), dat een aanzet vormde voor een compleet dienstboek. Diverse uitgaven volgden, waaronder Dienstboek. Een proeve. Schrift. Maaltijd. Gebed, Zoetermeer 1998. Het project zal naar verwacht een voorlopige afronding vinden in 2004.

[59]             In totaal leverden 25 auteurs een bijdrage aan de in 1983 verschenen bundel. Op de laatst verschenen namenlijst van het dienstboekproject (5-12-2003) zijn nog de namen te vinden van een vijftal: P.M.J. Hoogstrate, G.M. Landman, G.W. Morsink, J.H. Uytenbogaardt, Sj.P. Zwaan, ofwel vier Gereformeerde predikanten en één Hervormde.

[60]             Zie voor het spoor van dit project en andere leesroosters: Leesrooster. Stapsteen of struikelblok (= Praktische Theologie 1995/4) en de daar gegeven literatuur (met name in: J.H. van der Laan, ‘Leesroosters voor de zondagse viering. Een informatief overzicht’). Voor latere ontwikkelingen zie: N.A. Schuman, ‘Jaarorde en leesorde: karakteristiek en kritische vragen’, in: Barnard en Schuman, Nieuwe wegen, 115 – 132. 

[61]             Prof.dr. H.A.J. Wegman (1930 – 1996) doceerde Liturgie- en Dogmageschiedenis aan de Katholieke Theologische Hogeschool (Universiteit) Utrecht. Hij hield zich onder meer bezig met de vraag naar het subject van de eredienst, een vraag die ook Lammens sterk heeft bezig gehouden, o.a. in zijn dissertatie. Zie voor Wegman G. Rouwhorst, ‘Herman Wegman. Een terugblik op zijn leven en werk’, in: Jaarboek voor liturgieonderzoek 12 (1996), 6 – 20; C. van Breukelen e.a., ‘Inleiding’, in: H.A.J. Wegman, Voor de lange duur. Bijdragen over liturgie en spiritualiteit, Hilversum z.j. [1999], 7 – 16.

[62]             H.A.J. Wegman, ‘”De eerste dag” na twaalf jaren’, in: Eredienstvaardig 5 (1989), 66 – 71, p. 71.

[63]             Lammens, Liturgische jaarorde, 16.

[64]             Vgl. Lammens impliciete antwoord op K.A. Schippers, die zich zorgen maakte over de positie van de gemeente in leesroosters (Lammens, ‘Het kerkelijk jaar’, 4v; De Jong, Ordening, 353v).

[65]             Zie bijvoorbeeld Lammens, Liturgische jaarorde, 21v; Lammens, ‘Het kerkelijk jaar’, 6.

[66]             W.J. Koole, ‘Liturgie en massamedia – tien jaar later’, in: ‘Houdt dan de lofzang’, 217 – 224.

[67]             Koole, ‘Liturgie’, 218.

[68]             Zie met name K. Dijk, De dienst der kerk, Kampen 1952.

[69]             J. Firet, ‘De plaats van de praktische theologie in de nieuwe strukturen van de theologische wetenschap’, in: Rondom het Woord 12 (1970), 325 – 343, p. 329. Vgl. Lammens, Syllabus, 5v. Lammens citeert niet helemaal nauwkeurig, een verschijnsel dat vaker voorkomt.