VERBORGEN VERLEDEN: DE OUDSTE KERKEN VAN NOORD-HOLLAND

Geloven gaat verder Afgelopen najaar verscheen het fotoboek Hichtepunten van Huib Ebbinge. Het bevat uiteenlopende Friese dorps- en stadsgezichten die alle één ding gemeen hebben: een kerk of een kerktoren. Ergens in het boek staat dat zonder die kerk de spanning uit de foto is. Het wordt saai, eentonig. De kerk kenmerkt het beeld. De kerk is daarmee een wezenlijk element in het landschap.

Deze gedachten kwamen bij mij boven toen ik het boek Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen ca. 720-1200 van A.M. Numan in handen kreeg. Het Noord-Hollandse landschap heeft voor een deel dezelfde karakteristieken als het Friese Noorden en Westen: vlak en open. Dit boek maakt echter duidelijk dat wat betreft de oudste kerken en kapellen de overeenkomsten zeer beperkt zijn. Wie kijkt naar de ligging van de kerk, ontdekt dat de Friezen in de strijd met het water kunstmatige verhogingen bouwden en daarop ruimte maakten voor hun godshuizen: de terpen. In Noord-Holland vindt men die zo niet. De Noord-Hollanders hebben in eerste instantie goed gebruik gemaakt van hetgeen de natuur hen bood. Tot aan het jaar 1000 zijn de kerken vooral gebouwd op de eilanden Texel en Wieringen, en in het duingebied. Daar was het veilig. Ten Oosten van de duinen, op het hoogveen was bewoning en daarmee een kerk uitzonderlijk. Van de Westfriese steden is in deze periode alleen Medemblik terug te vinden. Een volgende kaart in het boek laat zien dat deze terughoudendheid bepaald niet zonder reden was. Het veen werd weliswaar ontgonnen, maar moest soms ook plaats maken voor grote meren als Purmer, Schermer en Beemster. Die zouden pas vele eeuwen later door inpoldering aan het water onttrokken worden.

Met het voorgaande geef ik een inkijkje in de eerste helft van Noord-Hollandse kerken en kapellen. Het verhaalt van het ontstaan en de groei van het christendom in Noord-Holland. Aanvankelijk waren de gebouwen van hout. Op slechts drie plaatsen zijn hiervan resten gevonden, zoals in Assendelft waar de lange zijden van de fundering zijn teruggevonden. Mede op basis daarvan kunnen we ons een indruk vormen, hoe het is geweest. Na het hout werd vanaf de 11e eeuw tufsteen uit de Eifel het dominante bouwmateriaal. Dat vergrootte niet alleen de mogelijkheden bij het bouwen, het vereiste ook een goede fundering in de vaak slappe ondergrond. De auteur geeft ons verder inzicht in allerlei gegevens: gevels, vensters, deuren, plattegronden, inrichtingen en torens. Numan blijkt zich zorgen te maken over de toekomst van het historisch onderzoek naar kerken. Informatie verdwijnt ten gevolge van restauraties. Hij geeft het voorbeeld van Castricum waar in 1992 in het gotische koor drainage werd aangebracht en oude koorresten gemakshalve maar werden verwijderd. Lang niet altijd worden bouwhistorici bij dit soort plannen betrokken. Daarbij komt dat de belangstelling van archeologen voor kerkonderzoek verminderd is. De gegevens van eerder gedaan onderzoek zijn bovendien zeer verspreid gepubliceerd. Binnen de kortste keren is opgedane kennis verdwenen of is het vergaren van nieuwe kennis onmogelijk geworden.

Het tweede deel bevat een catalogus met de 86 (voormalige) kerkgebouwen die in onderzochte periode onder te brengen zouden zijn. Van de meeste is het zeker, van een aantal waarschijnlijk of mogelijk. Bewust voeg ik het ‘voormalige’ tussen haakjes toe. Een waarschuwing is namelijk wel op zijn plaats. In verreweg de meeste plaatsen valt er weinig meer te zien, zoals in Hoogkarspel waar het oude gebouw in 1860 is afgebroken. Een uit de 12e eeuw daterende en goeddeels bewaard gebleven kerk als in Oosterland (op Wieringen) behoort tot de uitzonderingen. De informatie uit dit in groot formaat uitgegeven boek geeft een historisch reliëf aan het landschap. Wie nog meer wil weten kan terecht bij de aangegeven literatuur.

Noord-Hollandse kerken en kapellen is een historisch boek. Het bevat veel kaartjes, waar de kerken zijn ontstaan, welke plattegronden typerend zijn, hoe ze zijn geconstrueerd en welke bijzondere vondsten er zijn gedaan. Foto- en beeldmateriaal is zwart-wit afgedrukt en draagt een historisch karakter: de kerk in Schoorl volgens een pentekening uit 1727, de in 1976 blootgelegde fundering in Heemskerk, een sarcofaag uit Barsingerhorn, enzovoort. Praktische gegevens over eventueel huidig bezit, gebruik en openstelling ontbreken. Vanuit de historische en archeologische doelstelling van het boek is dat alleszins billijken. Wie op kerkenpad gaat, zal hiervoor dus elders te rade moeten gaan. Dit boek is onmisbaar om de resten van de oudste kerken en kapellen in Noord-Holland op het spoor te komen. Met dit boek in de hand wordt het bezoek aan ‘historische’ gebouwen en terreinen een fascinerend avontuur. Veelal verborgen verleden wordt zichtbaar.


A.M. Numan, Noord-hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen, ca. 720-1200. Een archeologische, bouwhistorische en historische inventarisatie (Walburg Pers, Zutphen 2005; ISBN 90 5730 391 4; 232 blz.; 34,95 Euro).

Deze recensie is gepubliceerd in: 'Friesch Dagblad' 98 (2005), nr. 306 (29 december).

http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ