Dit artikel is gepubliceerd in Lectiones 6 (2005), 79 – 88.

 

 

De oprichting van de Liturgische Kring – een poging tot reconstructie[1]

 

door Klaas-Willem de Jong

 

 

Omslag Lectiones 6

Wie zoekt naar de oorsprong van de Liturgische Kring komt tegenstrijdige gegevens tegen. Zo heeft de Kring zelf na de oorlog 1924 aangehouden als jaar van oprichting. Later onderzoek suggereert 10 januari 1922, maar plaatst daar wel een vraagteken achter.[2] De redacteuren van het Verzameld Werk van O. Noordmans attenderen op een aanwijzing van G. van der Leeuw, de eerste voorzitter van de Kring, die in 1935 terugkijkend 1922 als jaar van oprichting noemt.[3] Als plaats van de oprichtingsvergadering wordt de gerfkamer van de Duinoordkerk in Den Haag aangewezen. Over de namen van de oprichters bestaat eenduidigheid: H.W. Creutzberg, P. Blaauw, J.Ph. Eggink, B. ter Haar Romeny, G. van der Leeuw, G.T. Oberman, H.T. Oberman, H.A.C. Snethlage en (mej.) M. van Woensel Kooy.[4] Toch zou ook bij dit gegeven een vraagteken kunnen worden geplaatst. Deze namen staan vermeld in de eerst publicatie van de serie ‘Liturgische Handboekjes’, maar daarmee is nog allerminst zeker dat deze mensen de Kring hebben opgericht. Dat zou ook een deel van deze groep kunnen zijn geweest. Ik wil proberen in deze bijdrage een reconstructie te geven van de eerste jaren van de Liturgische Kring. Ik richt me daarbij in het bijzonder op de oprichtingsdatum en degenen die daarbij betrokken waren.

 

Een eerste aanwijzing voor de oprichting van een liturgische studiekring vinden we bij de Ethische Vereeniging. Dat hoeft niet te verwonderen. Het is een algemeen aanvaard gegeven, dat de Liturgische Kring personeel en inhoudelijk nauw verbonden was met de zogenaamde ethische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk.[5] Op 14 april 1921 bundelden de ethischen hun krachten en richtten zij de ‘Vereeniging tot het versterken van het ethisch beginsel in de Nederlandsche Hervormde Kerk’ op, kortweg de Ethische Vereeniging genoemd. Blijkens een verslag in het tijdschrift Bergopwaarts is er in juli 1921 in het bestuur van de Ethische Vereeniging gesproken over de instelling van ‘een commissie voor speciale vragen, b.v. de vraag betreffende liturgie, verder de kerkelijke questie.’[6] Het zou ook iets eerder kunnen zijn geweest dan juli 1921. Uit andere gegevens blijkt namelijk dat op 11 juli 1921 de studiecommissie van de vereniging geconstitueerd is.[7] Deze commissie heeft zich, anders dan het bestuur bij mogelijke studieonderwerpen gedacht had, in de eerste bijeenkomsten niet met liturgische vragen bezig gehouden.[8] De studiecommissie zelf kan dan ook niet gezien worden als voorloper van of directe aanzet tot de oprichting van de Liturgische Kring. Het is echter zeer wel mogelijk dat in de periode dat deze commissie is ingesteld het idee geboren is om zich met een groep in het bijzonder met liturgische vraagstukken bezig te gaan houden, zoals weldra zal blijken.

Een van de leden van de studiecommissie van de Ethische Vereeniging was G. van der Leeuw. Van der Leeuw, geboren en getogen in Den Haag, was na een predikantschap van enkele jaren in ’s Heerenberg in 1918 hoogleraar geworden in Groningen, met als leeropdracht de ‘Geschiedenis van de godsdiensten in ’t algemeen en de Geschiedenis van de leer aangaande God’.[9] Hij was sterk geïnspireerd door de Haagse predikant J.H. Gerretsen, een van de pioniers van de liturgische beweging, bij wie hij catechisaties volgde.[10] Voor zijn kerkelijk examen schreef Van der Leeuw een scriptie over ‘Het formulier van de begraving der doden in de liturgie van Johannes à Lasco’. Naar buiten toe heeft hij in de jaren ‘10 van de vorige eeuw op het gebied van de liturgie(k) nog nauwelijks of geen naam gemaakt. Wel deed hij, voortbouwend op het werk van Gerretsen, in 1919 in Bergopwaarts een voorstel voor ‘eene zeer eenvoudige liturgie, als overgang tot eene meer volledige’.[11] In dit voorstel is de positie van de preek als het centrale element van de eredienst echter nog onaangetast.[12]

In een brief van 21 februari 1921 zocht H.W. Creutzberg schriftelijk contact met Van der Leeuw. Creutzberg had als predikant bekendheid verworven door in IJmuiden een kerk te bouwen naar Anglicaans model.[13] Deze werd in 1911 ingewijd, hetzelfde jaar als waarin de hiervoor genoemde Gerretsen met zogenaamde liturgische diensten startte.[14] Creutzberg voerde in IJmuiden liturgische vernieuwingen door. Deze waren alleen minder ingrijpend dan bij Gerretsen. Ze werden elders dan ook nauwelijks opgemerkt. Dat was anders, toen Creutzberg de overstap maakte naar Den Haag en nauw betrokken raakte bij de bouw van de Duinoordkerk, net als de nieuwe kerk in IJmuiden gebouwd naar Anglicaans voorbeeld. Hij nam het voortouw bij het ontwikkelen van een bijpassende orde van dienst. In zijn brief reageerde Creutzberg op de verschijning van Van der Leeuws brochure Geestelijke stroomingen in onzen tijd[15] en eindigde met: ‘En nog iets. Zoudt u mij het groote plezier willen doen dezen zomer eens in mijn Duinoordkerk te preeken? Is mijn liturgie U lastig, dan zal ik die voor U houden, preekt u dan alleen maar. En wil dan in mijn huis verblijven?’[16] Hoewel we het antwoord niet kennen, weten we wel dat Creutzbergs verzoek uiteindelijk effect heeft gesorteerd. De Duinoord-Kerkbode vermeldt op zondag 7 augustus 1921 de naam van professor van der Leeuw.[17] Hij zou daarna met enige regelmaat in de Duinoordkerk voorgaan.[18] Uit niets blijkt dat Creutzberg en Van der Leeuw elkaar vóór Creutzbergs brief persoonlijk goed kenden. Het is overigens evenmin zeker dat ze elkaar op de 7e augustus ontmoet hebben. Toch, gelet op de instelling van de studiecommissie van de Ethische Vereeniging kort tevoren en het daarbij geopperde thema van de liturgie, moet het niet ondenkbaar worden geacht dat een ontmoeting tussen Van der Leeuw en Creutzberg in de zomer van 1921 de basis heeft gelegd voor de oprichting van wat later de Liturgische Kring zal worden. Van der Leeuw had zich op dat moment zelf nog maar in beperkte mate bezig gehouden met liturgische vraagstukken. Hij wist echter wel van de wens die er in de Ethische Vereeniging leefde om meer aandacht aan dit onderwerp te besteden en had er zelf affiniteit mee. Creutzberg had zich verregaand in de thematiek verdiept en had de nodige praktische ervaring opgedaan met liturgievernieuwing. Het is dan ook niet verwonderlijk dat aanvankelijk de liturgische praktijk van de Duinoordkerk een grote invloed zou hebben op de opvattingen binnen de Liturgische Kring.[19]       

 

Een volgende stap is een nauwkeuriger bepaling van de oprichtingsdatum van de Kring. Aan het begin van dit artikel heb ik gewezen op onderzoek dat de mogelijkheid van 10 januari 1922 suggereert. Dit onderzoek gaat terug op de notulen van het bestuur – lange tijd had de kerk slechts een bestuur, geen kerkenraad – van de Duinoordkerk: ‘dat er op 10 januari 1922 een vergadering over de liturgie had plaatsgevonden’. De voltooid verleden tijd moet hier letterlijk worden genomen, zo maakt studie van de desbetreffende notulen duidelijk. In de notulen wordt namelijk gerefereerd aan een bijeenkomst die vooraf is gegaan aan de genotuleerde: ‘In een vergadering welke door Ds. Creutzberg is bijgewoond en waar het onderwerp liturgie werd behandeld (…)’.[20] Deze vergadering kan op dezelfde dag, op 10 januari 1922 zijn gehouden, maar net zo goed – waarschijnlijk zelfs – eerder. Het gaat in het betreffende agendapunt om een liturgische kwestie, namelijk het antwoord van de gemeente op de wetslezing. Het punt is door Creutzberg zelf ingebracht. Had hij dat niet eerder kunnen doen? De voorafgaande bestuursvergadering vond plaats op 27 december 1921. Er zijn geen aanwijzingen dat Creutzberg het punt toen niet aan de orde had kunnen stellen. Voegen we de aan het begin van dit artikel genoemde aanwijzing van Van der Leeuw toe – het jaar 1922 – en gaan we ervan uit dat nieuwjaarsdag – in 1922 ook nog eens een zondag – als vergaderdag uitgesloten is, dan zal de bedoelde vergadering geconvoceerd zijn geweest voor een dag tussen de 1e en de 11e januari 1922. Dit zou dan de oprichting kunnen zijn geweest van wat de Liturgische Kring gaat heten. We moeten echter met de mogelijkheid rekening houden dat het hier niet om de oprichtingsvergadering ging, maar om een volgende bijeenkomst. Daarop wijst namelijk een andere mededeling van Van der Leeuw, die in de tijd veel dichter bij de oorsprong staat. Op 20 oktober 1923 schrijft hij in het periodiek Bergopwaarts over het werk dat ‘twee jaar geleden de Liturgische Kring’ ondernam.[21] Deze periode van ‘twee jaar’ kan echter ook globaal genomen zijn. Dan blijft een dag in de eerste dagen van 1922 goed denkbaar.

 

Algemeen wordt aangenomen dat de Liturgische Kring zich met de serie ‘Liturgische Handboekjes’ voor het eerst aan een breder publiek presenteerde. Strikt genomen is dat waar. De Liturgische Kring presenteerde zich onder deze benaming met het eerste handboekje. Als echter in de herfst van 1923 de verschijning van de eerste beide deeltjes in het weekblad Bergopwaarts wordt aangekondigd, wordt over de inhoud van het eerste gemeld: ‘waarin verschillende (…) in dit blad onder het hoofd Liturgie verschenen artikelen zijn gebundeld’.[22] Enig speurwerk maakt duidelijk dat Van der Leeuw op 4 februari 1922 het spits heeft afgebeten met ‘De Beteekenis van Liturgie voor het geestelijk en gemeentelijk leven I’.[23] Het is na het voorwoord het openingsartikel in deel I van de ‘Liturgische Handboekjes’, Inleiding. Waarom Liturgie? Beginsel en practijk.[24] Achteraf lijkt het voor de hand te liggen dat Van der Leeuw het voortouw nam. Hiervoor ontdekten we echter al, dat hij zich op dit moment nog nauwelijks op liturgisch terrein bewogen had. Van der Leeuw moest zich wat dat betreft nog gaan bewijzen. Dat heeft hij zelf ook zo aangevoeld, zo blijkt uit archiefgegevens. In het archief van de Groningse hoogleraar bevinden zich namelijk overzichten van de door hem bestudeerde lectuur. In de periode [1] september 1921 – [1] september 1922 staan zo’n 250 titels vermeld.[25] Op de posities 75 t/m 81 komen we tegen: A. Kuyper, Onze Eeredienst; E.F. Kruijf, Liturgiek; J.H. Gunning, Onze Eeredienst; J.A.M. Mensinga, Verhandeling over de liturgische geschriften der Nederlandsche Hervormde Kerk; L. Duchesne, Origines du culte chrétien; G. Rietschl, Lehrbuch der Liturgik; H.H. Barger, Ons Kerkboek. De posities van deze boeken doen in het kader van het geheel vermoeden dat ze gelezen zijn rond de jaarwisseling 1921-22, of, wat ruimer genomen, in december 1921 en/of januari 1922. Deze maanden vallen samen met de periode waarin waarschijnlijk de Liturgische Kring is opgericht en bevestigen hetgeen dienaangaande hiervoor is vastgesteld. In Van der Leeuws artikelen klinken de inzichten van de zojuist genoemde boeken echter nog nauwelijks door. Aan de godsdienstwetenschap verwante benaderingen zoals  godsdienstpsychologie en godsdienstgeschiedenis stempelen zijn visie op de liturgie.[26] Daar was hij vanuit zijn leeropdracht goed in thuis. Na een eerste artikelenreeks van Van der Leeuw volgden bijdragen van Creutzberg, H.A.C. Snethlage, J.Ph. Eggink en P. Blaauw. Deze bijdragen zijn net als die van Van der Leeuw geschreven op persoonlijke titel. Ze verschenen onregelmatig en een logische volgorde ontbrak. Dit en het feit dat ze vrijwel ongewijzigd in het eerste liturgische handboekje zijn overgenomen, doet vermoeden dat de inhoud ervan vóór de openbaarmaking in Bergopwaarts met de andere leden besproken is. De lezers van Bergopwaarts hebben op een gegeven moment kunnen lezen dat de artikelen niet op zichzelf stonden. In september 1922 spreekt Snethlage namelijk over een ‘Commissie voor Liturgie’. Een kleine twee maanden later gebruikt Van der Leeuw een vergelijkbare omschrijving: ‘Commissie van Liturgie’.[27] Blijkbaar ziet men zich als commissie, al is niet duidelijk of ze als commissie van een bepaalde organisatie fungeert of een zelfstandig bestaan leidt. De benaming Liturgische Kring bestaat op dat moment in ieder geval nog niet. Dat moet nog een jaar wachten, tot de aankondiging van de eerste liturgische handboekjes op 20 oktober 1923.[28] De vanzelfsprekende wijze waarop Van der Leeuw er dan over schrijft, doet echter vermoeden dat de naam op dat moment niet echt nieuw meer is.

 

Een van de vragen die bij deze gang van zaken opkomt is die naar de namen van de oprichters. Aan het begin van dit artikel zijn er negen genoemd. In het eerste handboekje komen de vijf zojuist genoemden aan het woord. Vormen zij een soort van kerngroep? Het laat zich anders op het eerste gezicht niet goed verklaren, waarom de andere vier, te weten B. ter Haar Romeny, de gebroeders G.W. en H.T. Oberman en (mej.) M. van Woensel Kooy niet aan bod komen. Zij hadden temidden van de vele hoofdstukjes er gemakkelijk ook een of meer voor hun rekening kunnen nemen. Afgezien daarvan is van G.W. Oberman bekend dat hij ‘kort na de oprichting’ lid werd van de kring.[29] Het leveren van een bijdrage aan het eerste liturgische handboekje is echter geen eenduidig criterium voor het lidmaatschap. Er is namelijk vóór de verschijning van de eerste handboekjes in de rubriek ‘Liturgie’ van Bergopwaarts méér gepubliceerd dan in deze boekjes terecht kwam.[30] Daaronder waren artikelen van Creutzberg, Van der Leeuw, Oberman, Snethlage, én van de nog niet eerder genoemde C.W. Coolsma.[31] Heeft Coolsma ook tot de medewerkers van het eerste uur behoord? Het is mogelijk, al kan zijn pennenvrucht anders dan de andere niet bepaald vernieuwend genoemd worden. Coolsma beperkt zich tot een aantal praktische opmerkingen. Mogelijk stond de rubriek ‘Liturgie’ ook voor anderen open. Het bestaan van een kerngroep die later van samenstelling is veranderd, kan evenwel niet worden uitgesloten. Naast het gegeven ten aanzien van G.W. Oberman kunnen we nog wijzen op een enkel woord in het artikel waarin Van der Leeuw de eerste deeltjes van de serie Liturgische Handboekjes aankondigt. Hij wijst op het werk van de Liturgische Kring en vervolgt: ‘Deze bestaat nu uit (…)’ (curs. KWdJ). Nu: blijkbaar is het anders geweest. Dan volgen in alfabetische volgorde de ons bekende negen namen. Het blijft ook dan nog wel de vraag, of G.W. Oberman de enige was die later toetrad, of dat er ook anderen zijn geweest.

Op basis van het voorgaande wil ik de vraag ook van een andere kant benaderen. Hoe zijn de eerste leden van de Kring met elkaar in aanraking gekomen? We zijn er in dit artikel al getuige van geweest, hoe Creutzberg het eerste contact heeft gelegd met Van der Leeuw. Van de overige drie die participeerden in het eerste liturgische handboekje mogen we vermoeden dat Creutzberg in ieder geval het contact heeft gelegd met Snethlage – stadgenoot, een van de vaste predikanten in de door J.H. Gerretsen geïnitieerde liturgische diensten[32], en collega in het Haagse diaconessenhuis – en Eggink – vanaf 1911 zijn collega in het met IJmuiden nauw verbonden Velsen. Hoe men in aanraking is gekomen met Blaauw, is minder duidelijk. Denkbaar is via Creutzberg – Blaauw werd in 1915 predikant-directeur van het diaconessenhuis in Haarlem, waar de Hervormde Gemeente net als in IJmuiden behoorde tot de ring (en de classis) Haarlem. Over de overige vier kunnen we nog het volgende opmerken. In hetzelfde jaar dat Blaauw naar Haarlem kwam, 1915, werd H.T. Oberman predikant te Heemstede, dat eveneens deel uitmaakte van de ring (en de classis) Haarlem. Na zijn vertrek naar Rotterdam bewees hij zijn affiniteit voor de liturgie door de start van bijzondere jeugddiensten in deze havenstad op 15 augustus 1920. Ook met hem kan het contact via Creutzberg zijn gelopen. Dat ligt waarschijnlijk anders voor zijn broer, G.W. Oberman. Van der Leeuw zal hem gekend hebben vanuit zijn studie in Leiden, waar Oberman een jaar eerder begonnen was. Samen deden ze in de lente van 1922 dienst bij de inwijding van de gerestaureerde kerk van Bovensmilde.[33] De broers Oberman waren beiden bijzonder gecharmeerd van de aanpak van Van Woensel Kooy.[34] Het is niet ondenkbaar dat een van hen haar benaderd heeft voor het lidmaatschap van de Kring. Zij genoot echter al langer een bredere bekendheid door publicaties, maar ook door het feit dat ze lid was van het hoofdbestuur van de Ethische Vereeniging.[35] Dat laatste wettigt de gedachte dat ook Van der Leeuw, voorzitter van de Vereeniging, haar voor de Kring kan hebben benaderd. Het contact met Coolsma – áls hij inderdaad aanvankelijk bij het werk van de Kring betrokken is geweest – zal via Van der Leeuw gelopen zijn. Coolsma was namelijk predikant in de stad waar de hoogleraar doceerde, Groningen. Bij Ter Haar Romeny ontbreken aanknopingspunten. We begeven ons in deze alinea echter op het vlak van de speculatie. Er zijn namelijk ook andere verbanden denkbaar. De ene broer Oberman kan de andere benaderd hebben. Snethlage en Blaauw vervulden in verschillende plaatsen tegelijkertijd de functie van predikant-directeur van een diaconessenhuis en zullen uit dien hoofde contact met elkaar hebben gehad. Het ethische tijdschrift Bergopwaarts kan een rol hebben gespeeld. En er is meer te noemen, met name in de sfeer van de Ethische Vereeniging. Het is zelfs opvallend, hoeveel er te noemen valt. Het geheel maakt de indruk van een netwerk – om een moderne typering te gebruiken – van voornamelijk predikanten die elkaar op verschillende manieren gekend hebben en elkaar op basis van bestaande vriendschappelijke en professionele contacten hebben aangezocht voor het lidmaatschap van de Kring. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, geen lid van de Kring, wijst in een In Memoriam van Creutzberg nog eens op diens centrale positie in het geheel: ‘Een kring van oude vrienden en nieuwe geestverwanten maakten de Duinoordkerk tot hun liturgische school.’[36] Een en ander wordt onderstreept door een opmerking van J.N. Bakhuizen van den Brink, die halverwege de jaren twintig tot de Kring toetrad: ‘Als maatstaf gold daarbij [bij de overwegingen om iemand als lid te benaderen] trouwens nog steeds of men, behalve liturg, ook een geschikt vriend in de club zou zijn …’.[37] Uit alles blijkt dat de (aanstaande) leden theologisch affiniteit hadden met de ethische richting. Hoewel de organisatiegraad van deze richting nooit erg hoog is geweest en haar op geen enkele manier militant optreden verweten kan worden, heeft zij met de Liturgische Kring verregaande invloed gehad op de vernieuwing van de protestantse eredienst in Nederland in de 20e eeuw.

 

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE – Artikelen in de rubriek ‘Liturgie’ in Bergopwaarts, gepubliceerd in: Inleiding. Waarom liturgie? Beginsel en Practijk                      

 

Onderstaande artikelen zijn eerst gepubliceerd in Bergopwaarts in de rubriek ‘Liturgie' en vervolgens doorgaans met enkele wijzigingen van redactionele aard opgenomen in Inleiding. Waarom liturgie? Beginsel en Practijk (= Liturgische Handboekjes 1), Baarn 1923. In deze bijlage is de volgorde van het liturgisch handboekje aangehouden.

 

Publicatie in Inleiding. Waarom liturgie? Beginsel en Practijk         Publicatie in Bergopwaarts

                                                                            onder de kop ‘Liturgie’

                                                                            (5 = 1921-22; 6 = 1922-23)

 

G. van der Leeuw:                             7-9             5, nr. 14 (4 februari 1922)

‘De Beteekenis van Liturgie voor het Geestelijk 9-12[38]        5, nr. 15 (11 februari 1922)

en Gemeentelijk leven’ (6 art.)          13-15         5, nr. 16 (18 februari 1922)

                                                          15-21         5, nr. 17 (25 februari 1922)

                                                          21-26         5, nr. 37 (15 juli 1922)

H.W. Creutzberg:                              26-28         6, nr. 3 (18 november 1922)

‘Eentonigheid’

H.W. Creutzberg:                              28-29         6, nr. 6 (9 december 1922)

‘Gevaar voor sleur’

J.Ph. Eggink:                                     29-33         ?

‘Het gevaar van het “aesthetische” der Liturgie 

H.A.C. Snethlage:                             33-35         5, nr. 44 (2 september 1922)

‘De verhouding van Preek en Liturgie’

H.A.C. Snethlage:                             36-38         5, nr. 22 (31 maart 1922)

‘Formuliergebeden’

H.W. Creutzberg:                              38-39         5, nr. 19 (10 maart 1922)

‘Waarom de Schuldbelijdenis een afzonderlijke

acte’

J.Ph. Eggink:                                     40-42         6, nr. 9 (30 december 1922)

‘De plaats van de Wet in de Liturgie’

J.Ph. Eggink:                                     42-46         6, nr. 25 (21 april 1923)

‘De Schriftlezing’

G. van der Leeuw:                             46-48         6, nr. 13 (27 januari 1923)

‘De Belijdenis in de Liturgie’                         

H.W. Creutzberg:                              49-50         5, nr. 18 (4 maart 1922)

‘De beteekenis van den zeegen’

P. Blaauw:                                         50-55         6, nr. 27 (5 mei 1923)

‘Algemeen en bijzonder’

 

 

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE – Overige artikelen in de rubriek ‘Liturgie’ in Bergopwaarts

 

 

Onderstaande artikelen zijn eveneens in de rubriek ‘Liturgie’ van het weekblad Bergopwaarts gepubliceerd, maar niét opgenomen in het eerste liturgische handboekje. In deze bijlage is de chronologische volgorde van publicatie in Bergopwaarts gevolgd.

Volledigheidshalve zij hier vermeld dat Bergopwaarts na de zevende jaargang werd voortgezet als Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur. Dit blad kende geen rubriek ‘Liturgie’. Dit overzicht laat zien dat de Kring op dat moment al nauwelijks meer in Bergopwaarts publiceerde.

 

                                                                            Publicatie in Bergopwaarts

                                                                            onder de kop ‘Liturgie’

                                                                            (5 = 1921-22; 6 = 1922-23;

                                                                            7 = 1923-24)

 

H.A.C. Snethlage:                                               5, nr. 19 (11 maart 1922)[39]

‘De noodzakelijkheid eener begrafenisliturgie’

C.W. Coolsma:                                                   5, nr. 22 (1 april 1922)

‘Kerkgewoonten’

H.W. Creutzberg:                                                5, nr. 31 (3 juni 1922)

‘Het gebonden en het vrije woord’ (2 art.)           5, nr. 32 (10 juni 1922)

G. van der Leeuw:                                               5, nr. 52 (28 oktober 1922)[40]

‘De roomsche liturgische beweging’

G.W. Oberman:                                                  6, nr. 28 (12 mei 1923)[41] 

‘Het Kerkeli[j]k jaar’                                                               

G. van der Leeuw:                                               6, nr. 46 (15 september 1923)

‘De plaats van de muziek in den Eeredienst’ (2 art.)            6, nr. 48 (29 september 1923)

G. van der Leeuw:

‘Ons kerkboek’                                                    6, nr. 51 (20 oktober 1923)[42]

 

 

B. ter Haar Romeny                                            7, nr. 11 (12 januari 1924)

‘De keuze van het Lied in den Eeredienst’

M. van Woensel kooy                                          7, nr. 12 (19 januari 1924)

‘Het zwijgen in den dienst’

H.W. Creutzberg                                                 7, nr. 18 (1 maart 1924)

‘Formuliergebruik’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Dit artikel kan worden beschouwd als een nadere precisering van: K.W. de Jong, ‘Inventaris van het archief van de Liturgische Kring’, in: Lectiones 4 (2000), 75 – 94, met name p. 75 – 78 en p. 89.

[2] A.G. Soeting, ‘Oprichtingsdatum Liturgische Kring 10 januari 1922’, in: Eredienst 9 (1975), 41. Vgl. ook het eraan voorafgaande ‘De Liturgische Kring in de Nederlandse Hervormde Kerk. Een historisch overzicht’, in: Eredienst 9 (1975), 1 – 9.

[3] O. Noordmans, Verzamelde Werken VI. De kerk en het leven, Kampen 1986, 139 – nt. 4.

[4] Vgl. echter wat betreft de eenduidigheid ook J.F. Lescrauwaet, De liturgische beweging onder de Nederlands Hervormden in oecumenisch perspectief. Een fenomenologische en kritische studie, Bussum 1957, 90, die het er op houdt dat alleen predikant waren. Van Woensel Kooy was dit echter niet!

[5] Zie bijvoorbeeld R. Boon, ‘Een weinig bekend hoofdstuk van de vaderlandse kerkgeschiedenis. De liturgie-vernieuwing binnen de Hervormde kerk in fasen geschetst, beginnend bij de “Ethische Richting”’, in: J. Vlasblom en J. van der Windt (red.), Heel de kerk. Enkele visies op de kerk binnen de ‘Ethische Richting’, Zoetermeer 1995, 187 – 198.

[6] Bergopwaarts 4 (1920-21), nr. 44 (3 september 1921).

[7] Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 35 (1 juli 1922).

[8] Op 24 oktober 1921 hield J. de Zwaan, hoogleraar te Groningen, een inleiding over predestinatie. Op 24 april 1922 besprak de commissie de brochure Gelooven op gezag van O. Noordmans.

[9] Zie voor Van der Leeuw: W. Hofstee, Goden en mensen. De godsdienstwetenschap van Gerardus van der Leeuw 1890 – 1950, Kampen 1997.

[10] Zie voor Gerretsen: K.W. de Jong, ‘Gerretsens “Liturgie” (1911) in perspectief’, in: Jaarboek voor Liturgieonderzoek 9 (1993), 25 – 63, en de daar genoemde literatuur. De catechisaties die Van der Leeuw volgden vonden echter plaats voor Gerretsen bekendheid verwierf met zijn liturgische experimenten.

[11] Bergopwaarts 2 (1918-19), nr. 13 (25 januari 1919).

[12] Dit blijkt uit het feit dat de liederen vóór de preek worden aangeduid met ‘voorzang’, die na de preek met ‘nazang’. Opmerkelijk is verder het ontbreken van collecte/offerande (vgl. K.W. de Jong, ‘De verhouding tussen het pionierswerk van H.W. Creutzberg en de Liturgische Kring’, in: Jaarboek voor Liturgieonderzoek 15 (1999), 27 – 53, p. 40 – met name nt. 63).

[13] Voor Creutzberg zie het in de vorige noot genoemde artikel.

[14] Andere mijlpalen in 1911: de verschijning van A. Kuyper, Onze Eeredienst, en M. van Woensel Kooy, Oude en Nieuwe zangen.

[15] G. van der Leeuw, Geestelijke stroomingen in onzen tijd (= Practisch Christendom, Serie V,5), Utrecht 1921. Is de op zich als bescheiden te beoordelen reactie op deze brochure een voorwendsel geweest om de vraag te kunnen stellen of hij wilde komen preken?

[16] H.W. Creutzberg aan G. van der Leeuw, d.d. 21 februari 1921 – Archief G. van der Leeuw, UB Groningen. Het was in de Duinoordkerk afspraak dat gastpredikanten die bezwaar hadden tegen de vastgestelde liturgie die konden overlaten aan een lid van het bestuur (Notulen bestuur d.d. 2 januari 1921 – GA ’s-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51). In dit geval bood Creutzberg bij wijze van uitzondering aan deze rol zelf op zich te nemen.

[17] De Duinoord-Kerkbode is vinden in: GA ’s-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk. Vgl. Notulen bestuur d.d. 13 mei 1921 – GA ’s-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[18] J.A. Kwint, de opvolger van Creutzberg in de Duinoordkerk, typeert vele jaren de relatie van Van der Leeuw tot de Duinoordkerk in een bijzin: ‘die toch ook in zekeren zin je geestelijk tehuis is geweest’ (J.A. Kwint aan G. van der Leeuw, d.d. 25 september 1943 – Archief G. van der Leeuw, UB Groningen).

[19] Zie De Jong, ‘De verhouding (…)’ (volledige titel: noot 12), p. 50 – 52.

[20] Notulen bestuur d.d. 10 januari 1922 – GA ’s-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51.

[21] Bergopwaarts 6 (1922-23), nr. 51 (20 oktober 1923).

[22] Idem.

[23] Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 14 (4 februari 1922). Zie verder de Bijlagen bij mijn artikel.

[24] Baarn 1923.

[25] Lectuur III - Archief G. van der Leeuw, UB Groningen.

[26] Vgl. Lescrauwaet, De liturgische beweging, p. 91v.

[27] Resp. H.A.C. Snethlage in: Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 44 (2 september 1922); G. van der Leeuw in: Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 52 (28 oktober 1922). Via Creutzberg had de Duinoordkerkgemeente in een vroeg stadium contact met de latere Kring. In de notulen van het bestuur van de Duinoordkerkgemeente heeft de benaming ‘liturgische commissie’ zich vastgezet, ook als de Kring zich reeds enige tijd als Liturgische Kring heeft gepresenteerd (Notulen bestuur bijvoorbeeld d.d. 6 juni 1922, 14 mei 1923, 10 maart 1924, 25 oktober 1926 – GA ’s-Gravenhage, Archief Stichting Duinoordkerk, doos 51).

[28] Bergopwaarts 6 (1922-23), nr. 51 (20 oktober 1923). Een indirecte aanwijzing is te vinden bij G. Hulsman, Het liturgisch streven van onze tijd, Baarn 1923, p. 22v, die in een rede met deze titel op 11 april 1923 sprak over de oprichting van een ‘Liturgische Kring in christelijk-humanistische zin’ in 1921 (geciteerd door Lescrauwaet, De liturgische beweging (volledige titel in noot 4), p. 102). Blijkbaar was ten tijde van de rede de benaming Liturgische Kring al breder bekend.

[29] Zo althans P.L. Schram in: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme 1, 225-227, p. 226.

[30] Zie de Bijlagen bij dit artikel.

[31] Echter niet onder de kop ‘Liturgie’: M. van Woensel Kooy, ‘Jeugdkerk en Liturgie’ (Bergopwaarts 5 (1921-22) nr. 29 (20 mei 1922); G.W. Oberman over ‘Liturgie op het platteland’ (Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 39 (29 juli 1922)). Waren beiden toen nog geen lid van de Kring?

[32] Vgl. De Jong, ‘Gerretsens “Liturgie” (1911) (…)’ (volledige titel in noot 10), p. 51.

[33] Zo Van der Leeuw in: Bergopwaarts 5 (1921-22), nr. 26 (29 april 1922).

[34] Zie voor H.T. Oberman: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme 4, 348vv.

[35] Ze redigeerde Oude en nieuwe zangen (Rotterdam 1911) en schreef Wijding in de kinderkerk. Met aanhangsel van eenige aanvangsdiensten (Rotterdam z.j. [1916]).

[36] S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, Ds H.W. Creutzberg † (z.p. z.j.; overdruk uit Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom d.d. 10 januari 1941), p. 12v.

[37] Soeting, ‘Oprichtingsdatum’, 41.

[38] In het Liturgische Handboekje is ten opzichte van Bergopwaarts toegevoegd p. 12v: ‘Het is de groote heerlijkheid der liturgie (…) In de liturgie de volle klank van het getuigenis der eeuwen.’

[39] Later verschenen in: Begrafenisdienst (= Liturgische Handboekjes III), Baarn 1925, 7 – 9. Is de belangstelling van Snethlage voor dit thema ingegeven door het feit dat hij predikant-directeur van een diaconessenhuis was en vanuit die functie relatief vaak te maken had met ziekte en dood?

[40] Dit artikel had qua thematiek – de bedding voor de bewustwording van liturgische vragen – uitstekend in het eerste handboekje gepast. Is het om tactische redenen weggelaten?

[41] Dit artikel verraadt zijn bijzondere belangstelling voor deze thematiek. Vgl. G.W. Oberman, De gang van het kerkelijk jaar, ’s-Gravenhage-Rijswijk 1947.

[42] In dit artikel worden de eerste twee liturgische handboekjes aangekondigd en de leden van de Liturgische Kring aan de lezers gespresenteerd.



Print deze pagina

© 2005, KWdJ