Gepubliceerd in: H.C. Endedijk en J. Vree (red.), Niet een handvol maar een land vol. Twee eeuwen protestantse kerkbouw in de Nederlandse ruimte (= Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800 10), Zoetermeer 2002, 172 – 205.

In de bundel is tevens een bijlage opgenomen met demografische gegevens. Deze bijlage ontbreekt in deze internetversie.

 

 

‘Niet meer achteraf, (….) maar in de hoofdstraat’. De ontwikkeling van het Gereformeerde kerkgebouw tot aan de Vrijmaking van 1944.[1]

 

‘Kleine onaanzienlijke kerkjes maakten plaats voor flinke, ruime, min of meer artistieke kerkgebouwen, niet meer achteraf, in eene verscholen buurt, maar in de hoofdstraat der plaats, in ’t oog vallend en niet meer zich schamend voor hun bestaan.’[2] Met deze ene zin beschreef de emeritus hoogleraar H. Bavinck in november 1919 de ontwikkeling van het gereformeerde kerkgebouw van de Afscheiding in 1834 tot op dat moment. Aanleiding voor dit schrijven, dat pas in 1994 gepubliceerd werd, was de kwestie rond de Middelburgse predikant Netelenbos die de gemoederen in de Gereformeerde Kerken in de voorgaande jaren sterk was gaan bezig houden en in de nazomer van 1920 zou uitlopen op diens afzetting. Bavinck achtte het van belang dat de vragen van Netelenbos over het Schriftgezag nader bestudeerd zouden worden. Hij plaatste de zaak echter in een breder kader. Hij constateerde een zekere rust op kerkelijk, politiek en sociaal terrein.

Bavinck verbond dit verschijnsel met de sociale vooruitgang die het gereformeerde volksdeel in de voorafgaande decennia geboekt had, zoals onder meer aan de ontwikkeling van het kerkgebouw af te lezen was. Bavinck waarschuwde tegen de zelfgenoegzaamheid die gemakkelijk het gevolg kon zijn van deze vooruitgang en probeerde in zijn opstel aanzetten te geven voor verdere studie en gesprek, te beginnen met het voor hem zo centrale thema van het Schriftgezag. Bavinks ambivalentie ten opzichte van de vooruitgang, was onder gereformeerden beslist niet algemeen. Bij de opening van de Nieuwe Zuiderkerk te Rotterdam in 1916 prees de pastor loci, A. Kuyper jr., de schoonheid van het nieuwe gebouw.[3] Deze uiterlijke schoonheid bevestigt volgens hem de innerlijke schoonheid die in Afscheiding en Doleantie bewaard bleef. Ze mag er zijn, mits de inwendige schoonheid behouden blijft. Terwijl Bavinck vooruitziet en het wezen van de erfenis wil bewaren door hernieuwde bezinning, ligt het accent bij Kuyper jr. op het omzien en het behouden van wat eens in door Afscheiding en Doleantie gewonnen is. De groeiende spanningen in de Gereformeerde Kerken van deze jaren komen ook tot uiting in de visie op het kerkgebouw.

 

In dit artikel wil ik proberen invulling te geven aan Bavincks samenvatting van de ontwikkeling van het Gereformeerde kerkgebouw als onderdeel van de ruimtelijke ordening.[4] Ik let daarbij in de eerste plaats op de demografische gegevens, de ontwikkeling van de Nederlandse bevolking in het algemeen en die van de Gereformeerden in het bijzonder. In welke streken en plaatsen verrezen de Gereformeerde kerken? Vervolgens stel ik de vraag, op welk type locaties in dorpen en steden de kerk gebouwd werd en welke factoren daarbij bepalend zijn geweest. In het verlengde daarvan komt het kerkgebouw zelf aan bod: hoe heeft het uiterlijk zich ontwikkeld en welke invloeden zijn daarbij werkzaam geweest? Verder komt een belangrijke randvoorwaarde voor de bouw aan de orde: de financiering en de wijze waarop deze geschiedde.

Net als Bavinck begin ik bij de Afscheiding van 1834, maar ik trekken de lijn door, tot de Tweede Wereldoorlog en de Vrijmaking van 1944. Oorlog en Vrijmaking luidden een nieuwe periode in voor de kerkbouw, waarvan ook de architectuur zich duidelijk onderscheidde van de vooroorlogse objecten. Bavinck beschrijft de ontwikkeling van het kerkgebouw in termen van sociaal-maatschappelijke vooruitgang. Wij zouden het nu beschrijven als een aspect van de emancipatie van het gereformeerde volksdeel. Wat de verdere tijdsindeling betreft ben ik daarom te rade gegaan bij J. Hendriks’ De emancipatie van de gereformeerden, al geeft het onderwerp van dit artikel reden tot enkele aanpassingen.[5] De eerste fase, bij Hendriks ‘voorfase’ genoemd, beslaat de periode van 1834 tot 1854 en wordt met de woorden van Bavinck getypeerd door klein en onaanzienlijk. In 1854 legde de synode van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk na een periode van soms heftige conflicten onder andere door de stichting van een Theologische School in Kampen de basis voor een breed gedragen consensus en verdere groei. Dat gaat gepaard met een gestaag toenemend zelfbewustzijn. De periode  loopt tot 1886, het jaar waarin het onder leiding van Abr. Kuyper opnieuw tot een breuk kwam in de Nederlandse Hervormde Kerk, de Doleantie. In de derde fase weet het gereformeerde volksdeel zijn positie in de samenleving uit te bouwen. Hendriks laat deze fase lopen tot omstreeks 1920, wanneer bij hem het tijdperk van de ‘bereikte doeleinden’ begint. Dit wordt dan ongeveer dertig jaar later afgelost door een tijdperk van ‘integratie in de grotere samenleving’. Dit tijdperk wordt echter elders in deze bundel behandeld.

 

Eerste fase: klein en onaanzienlijk (1834 – 1854)[6]

 

Met het tekenen van de ‘Acte van Afscheiding of Wederkeering’ verlieten ds. H. de Cock en zijn Ulrumse kerkenraad op maandag 13 oktober 1834 de Nederlandse Hervormde Kerk en gaven zij het startschot voor de beweging die we Afscheiding zijn gaan noemen. Ze verspreidde zich snel over het land, met name binnen een brede band die van Groningen naar Zeeland loopt. De predikanten die werden geschorst of afgezet, maakten niet of nauwelijks aanspraak op het gebruik van de Hervormde kerkgebouwen waarin zij preekten. De Cock deed bijvoorbeeld op de morgen van zondag 19 oktober nog wel een poging om voor te gaan, maar toen hem van overheidswege de toegang tot de kansel onthouden werd, hield hij de middagdienst in een schuur. Ook elders werden boerenschuren en opslagruimtes gebruikt, maar ook een woning, schip, weiland of boomgaard werd passend geacht. Het beleggen van kerkdiensten leidde echter dikwijls tot conflicten met het wettig gezag, omdat de uit de Franse tijd stammende maar nog steeds geldige Code Pénal samenscholingen van meer dan 20 personen van niet erkende verenigingen verbood. Van een vaste plaats van samenkomst in wat voor vorm dan ook kon de facto niet of nauwelijks sprake zijn. Dat veranderde in principe met het Koninklijk Besluit van 5 juli 1836, dat onder zekere voorwaarden samenkomsten toestond. Zo moest onder meer worden aangegeven waar en wanneer. Bij erkenning moest men dus in een bepaald gebouw samen gaan komen. Omdat met het vragen van erkenning impliciet de pretentie moest worden opgegeven voortzetting te zijn van de Gereformeerde Kerk van voor het Algemeen Reglement van 1816, duurde het even voor van deze mogelijkheid gebruik werd gemaakt. De gemeente van H.P. Scholte in Utrecht zette echter eind 1838 als eerste de stap. Hoewel de aarzelingen aanvankelijk groot waren, hadden eind 1842 ongeveer honderd andere gemeenten dit voorbeeld gevolgd en dus een gebouw voor hun erediensten móeten aanwijzen. Zonder erkenning werd het overigens ook eenvoudiger, al werden tot in 1846 boetes uitgedeeld voor samenkomsten in Baambrugge. Na al eerder de voorwaarden voor erkenning versoepeld te hebben liet de regering ze in 1852 geheel los.

In een groot aantal plaatsen had de afgescheidene gemeente in de eerste jaren na instituering maar een geringe omvang en kon ze in principe samenkomen in een burgerwoning of boerderij. Waar de gemeente de voortzetting van een gezelschap of conventikel was, betekende dit in feite voortzetting van de bestaande praktijk, soms voor nog tientallen jaren. Ook als het pand verder bewoond werd door een gemeentelid, ontving deze dikwijls een vergoeding voor het ter beschikking stellen. In Tholen duurde deze vorm van samenkomen vanaf de instituering in 1836 tot 1851, in Vriezenveen van 1838 tot zeker 1868 en in Well zelfs meer dan vijfenveertig jaar, van 1835 tot 1881. In plaatsen zonder eigen gemeente vormden samenkomsten in een gewone woning een goed uitgangspunt voor gemeentestichting. In Serooskerke bijvoorbeeld hield de gemeente van Middelburg vanaf omstreeks 1851 diensten aan huis om in 1864 tot instituering over te gaan.

In veel plaatsen was de toeloop zodanig, dat men spoedig naar een grotere ruimte moest omzien, al kon dat aanvankelijk alleen dan wanneer de samenkomsten gedoogd werden en/of erkenning verkregen was. Natuurlijk kon er nieuw gebouwd worden, maar de aankoop en verbouw van een bestaand pand was doorgaans goedkoper. Door het aanbrengen van spits- of rondbogen werd de ruimte ook van buiten herkenbaar als kerk. Niet alleen woningen en boerderijen kregen zo een nieuwe bestemming, maar ook andere panden, zoals koetshuizen, herbergen, fabrieken, werkplaatsen en schuren. In Ulrum week men nog in 1834 uit naar een kuiperij om in 1843 een nieuw gebouwde kerk in gebruik te nemen. In Loosdrecht was binnen een jaar na de instituering op 23 oktober 1835 een verbouwde boerderij gereed voor de kerkdiensten. In een stad als Goes trok de gemeente in 1841 in een voormalige zeepfabriek, in Haarlem twintig jaar later in een oude roggebroodfabriek. Het oorspronkelijke gebruik stond meer dan eens in directe relatie tot het eigene van de streek: een meestoof (in verband met de meekrapteelt, Anna Jacobapolder), de werkplaats van een mandenmaker (Katwijk), een vishal (Noordwijk 1844[7]) en een weverij (Den Ham 1840). Ook kerken van andere kerkgenootschappen kwamen in aanmerking. Zo betrokken enkele gemeenten een voormalige Doopsgezinde vermaning: Ezinge (1835, en zelfs nog eens, op een andere locatie 1838), Joure omstreeks 1842, Ameland kort na 1866, en Oldeboorn nog in 1886. Ook Rooms-Katholieke kerken kwamen in aanmerking: naast Groningen, aangekocht in 1839, ook Franeker (1842) en Dordrecht (1851). In Utrecht wist men in 1837 een Oud-Katholieke kerk in bezit te krijgen. Aparte vermelding verdient nog de situatie in Middelburg, waar de gemeente in 1845 de middeleeuwse gasthuiskapel de hare mocht gaan noemen.

Voor de plaats van de kerk was van belang de wettelijke bepaling, dat er geen ander kerkgebouw mocht liggen binnen een straal van 200 ellen (meter). Kerkgangers zouden elkaar bij het ter kerke gaan kunnen hinderen en ook het gezang tijdens de dienst zou storend kunnen werken. Bij een verzoek om erkenning is dit bij herhaling de reden geweest om het verzoek af te wijzen. Drogeham kreeg daar in 1840-41 mee te maken en er moest noodgedwongen na afbraak van het oude elders een nieuw gebouw gezet worden. Verwijzing naar de situatie in Bolsward, waar de afstand half zo groot was en geen bezwaren bestonden, mocht niet baten. In Staphorst krijgt de afgescheidene gemeente na een langdurige procedure uiteindelijk wel haar zin en kan zij haar nieuwe gebouw in 1844 openen. Hier konden de afgescheidenen in de nabije omgeving verwijzen naar Dalfsen, waar de afstand tot de parochiekerk 79 meter bedroeg en die tussen parochiekerk en Hervormd kerkgebouw slechts 48 meter. Protesten kwamen overigens niet alleen van Hervormde zijde. In Zwolle in 1846 protesteerde de Rooms-Katholieke parochie, omdat die aan de Nieuwstraat op minder dan 30 meter van het eigen gebouw de kerk van de afgescheidenen verbouwd zag worden. Dat bevreemdt, omdat die kerk op dat moment al vier jaar in gebruik was. Naar de oorzaak van deze late reactie valt slechts te gissen. Het protest wordt overigens afgewezen. Op Ameland waren het de Doopsgezinden die reageerden op het in gebruik nemen van hun oude vermaning door de afgescheidenen, aangezien de afstand tot hun huidige gebouw slechts 23 meter bedroeg. Ook hier was het protest tevergeefs. In de loop der tijd lijkt de afstand tot reeds bestaande kerkgebouwen steeds minder een beletsel te vormen voor het optrekken van een nieuwe afgescheidene kerk. Ontstonden bijvoorbeeld in Veen in 1841 door deze bepaling nog grote problemen, bij de bouw van een nieuwe kerk een kleine vijfentwintig jaar later werd de gemeente geen strobreed meer in de weg gelegd.

 

Het is achteraf moeilijk na te gaan, welke criteria precies werden aangelegd bij het kiezen van de plaats voor een kerkgebouw. In dorpen en kleinere steden waar al een of meer kerken in het centrum stonden, werden de mogelijkheden om een afgescheidene kerk te bouwen in (de buurt van) het centrum ten gevolge van de hiervoor gereleveerde bepaling sterk beperkt. Meer dan eens is de kerk geadresseerd aan de Achterweg of Achterstraat, hoewel dat niet per definitie een afgelegen ligging impliceert. Hattem (1839) is van dat laatste een voorbeeld. Verder zal gezocht zijn naar een plek die voor de meerderheid redelijk tot goed te bereiken was, op loopafstand dus. De in 1838 geïnstitueerde streekgemeente van Axel, Terneuzen en Zaamslag laat dat zien. Spoedig verrijzen gebouwtjes in zowel Axel als Terneuzen, terwijl ook in het derde dorp vanaf het begin geregeld dienst wordt gehouden. Voor de drie plaatsen kan vervolgens vanwege de beperkte financiële mogelijkheden maar één predikant beroepen worden. Blijkbaar gaat de spreiding van locaties in verband emt de nabijheid en bereikbaarheid hier noodgedwongen vóór een grotere pastorale inzet.

Bereikbaarheid is echter niet het enige criterium bij de aankoop van een geschikte ruimte voor de samenkomsten. In de zwakke gemeente van Willemstad kocht een drietal in 1839 een schuur aan de rand van de stad, al was ze voor haar bestaan mee afhankelijk van een aantal leden in Fijnaart, dat aan de andere kant van de stad gelegen was. Andere factoren speelden in het Friese Tjalleberd. Omstreeks 1851 ging de gemeente aldaar over in die van Heerenveen. De werkgelegenheid in het veengebied rond Tjalleberd verminderde sterk en de leden verhuisden, zodat de noodzaak er samen te komen verviel. Het kerkje in Tjalleberd werd afgebroken, terwijl in Heerenveen de diensten plaats gingen vinden in de lokaliteit van een voormalige gevangenis. In Sneek was de lokatie van het eerste gebouwtje - in het Noorden van de stad - voor de eigen leden wel ongunstig, maar enkele jaren later bleek het voor ontevredenen uit de afgescheidene gemeente van Scharnegoutum juist goed bereikbaar. Ook elders zijn dit soort situaties aan te treffen, aangezien onenigheid onder de eerste generatie afgescheidenen veel voorkwam.

Grote gevolgen had de scheuring die zich voltrok op en na de afgescheidene synode in 1837. Hierdoor en door tal van andere conflicten bestonden er in steden als Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Zutphen, Kampen, Zwolle en Groningen gedurende korte of langere tijd verschillende afgescheidene gemeenten naast elkaar, die elk een kerkgebouw bezaten. Hetzelfde gebeurde echter ook in een toch al klein gemeente als Loosdrecht, waar omstreeks 1841 een aparte groep ontstond met een eigen houten gebouwtje. Toen kruisgezinden in Alblasserdam in de eerste helft van de jaren zestig begonnen samen te komen, deden ze dat in een schuur op ongeveer 100 meter afstand van het reeds bestaande afgescheidene kerkgebouw. Protesten van uitgerekend de oudste groep afgescheidenen bij de burgerlijke overheid – vanwege de afstand – mochten niet baten.

Bijna zonder uitzondering ging het in de eerste decennia na 1834 om zaalkerkjes met hooguit enkele honderden zitplaatsen. Op verschillende plaatsen zijn kerkzaal en pastorie aan elkaar vast gebouwd, en heeft de kerk nog veel weg van een boerderij. In Scharnegoutum (1841) betreft het dan ook een verbouwde boerderij. Maar bijvoorbeeld in Hellendoorn-Nijverdal (1841) en Heerde (1842) worden bewust bij nieuwbouw kerk en pastorie onder één dak gebracht. Ook in Haarlemmermeer-Oostzij (1863) gebeurde dit, mogelijk naar voorbeelden uit het Brabantse rivierengebied, waar de meeste leden oorspronkelijk vandaan kwamen. Zelfs in de Doleantie kwam de opzet nog voor. Ottoland (1888) is daarvan het bekendste voorbeeld. Besparing van grond- en bouwkosten zal hiervoor een belangrijk motief zijn geweest. Dat geldt ook voor gemeenten in steden, waar kerken een inpandige ligging kregen: daar was de grond verhoudingsgewijs het goedkoopst. Voorbeelden hiervan waren onder meer te vinden in ’s-Gravenhage (Nobelstraat, 1850) en Groningen (Nieuwe Ebbingestraat, 1853). Buiten het hier besproken tijdvak kan nog de Delftse Oosterkerk (1883) genoemd worden. Elders ontneemt aan de straatzijde een huis het zicht op de kerk, zoals in ’s Gravenmoer (1852) en Apeldoorn-Noord (1839-40, verbouwd 1854). Maar ook als de kerk zelf in de huizenwand is opgenomen en daardoor beter zichtbaar is, blijft ze dikwijls onopvallend. Echte schuilkerken zijn het zelden, maar de desbetreffende sfeer en mentaliteit is bij veel gebouwen nog wel herkenbaar. Hun positie verschilt duidelijk van de veelal centraal gelegen en geheel vrijstaande Hervormde kerkgebouwen. Architecten of vergelijkbare bouwkundigen kwamen er nauwelijks aan te pas, zij worden althans niet met name in de stukken vermeld. Doorgaans zal het echter een plaatselijke timmerman zijn geweest die het ontwerp maakte.

Anders dan in de gevestigde kerken waar bij kerkbouw mogelijkheden bestonden voor overheidssubsidie, moesten de afgescheidenen hun kerken geheel uit eigen middelen bekostigen. Omstreeks 1840 kostte een kerkje gemiddeld zo tussen de tweeëneenhalf- en drieduizend gulden. Het kon aanzienlijke goedkoper, in Zuid-Beijerland (1839) met fl. 1.058,--, maar ook veel duurder, zoals in Goes (1841), waar alleen al voor de aangekochte bestaande gebouwen fl. 6.500,-- uitgegeven werd. Om een indruk te geven van de financiering in deze eerste periode, concentreren we ons in eerste instantie op de gemeente van Uithuizen. Deze was op 21 september 1835 geïnstitueerd betaalde voor haar eerste kerkgebouw fl. 2.835, 70: daarvan was fl. 1.712,60 voor onroerend goed, inclusief de kosten van overschrijving, registratie en dergelijke, en fl. 1.123,10 voor de verbouwing door timmerman E. J. Marema. Deze was waarschijnlijk ook verantwoordelijk voor het ontwerp. Opmerkelijk is dat de Marema’s de Afscheiding niet waren toegedaan. Op 8 augustus 1841 kon de in het dorp aan de Hoofdstraat gelegen kerk in gebruik worden genomen. Twee jaar later bleek een verbouwing nodig, die tevens een uitbreiding betekende, terwijl in 1844 een aanpalend pand gekocht kon worden, dat werd ingericht als pastorie. In hetzelfde jaar verkreeg de gemeente ook de grond van al het onroerend goed in eigendom. Tussen 1841 en 1844 leenden de dertien belangrijkste geldschieters fl. 6.500,-- zonder rente te vragen. Twee van hen zouden zich pas later bij de afgescheidenen voegen, terwijl een derde, doopsgezind, dat voorzover bekend nooit heeft gedaan. De geleende bedragen varieerden van fl. 50,-- tot fl. 1.500,--. Ook in later jaren werden nog behoorlijke sommen voorgeschoten, maar in 1862 was alles afgelost.

De situatie elders was vergelijkbaar, al treffen we onder de geldschieters anders dan in Uithuizen meestal ook ambtsdragers van het eerste uur aan. Soms is het er maar één: ouderling Hette Hettema in Hallum (1839) bijvoorbeeld, die voor zijn gemeente een huis kocht en de helft ervan als kerk inrichtte. In het nabijgelegen Birdaard (1841) schoot ouderling Pieter van der Woude fl. 819,93 voor, terwijl een tiental anderen fl. 925,-- op tafel legden. Daarmee was tweederde van de kosten gedekt. Ook kan hier de naam worden genoemd van jonkheer Willem Versluijs die vanaf eind 1835 zijn landgoed St. Jan ten Heere (bij Domburg) ter beschikking stelde voor bijeenkomsten van afgescheidenen. In de eerste decennia lezen we betrekkelijk weinig over steun van elders. Dat is geen wonder, aangezien alle gemeenten met het probleem zaten om hun gebouwen te gefinancierd te krijgen. Een uitzondering vormt de gefortuneerde vrouwe J.J. Zeelt uit Baambrugge. Naast de afgescheidenen die samenkwamen op haar landgoed Postwijk steunde ze ook geloofsgenoten in onder meer  Amsterdam (1840), Ommeren (1849), Dordrecht  (1854, aan de kruisgezinden voor de aankoop van het reeds bestaande eigen gebouw) en Assen met grote bedragen. Veelal ging het bij haar om leningen die na verloop van tijd in giften werden omgezet. Soms behoren ook afgescheidene predikanten tot de geldschieters. Zo leent P.J. de Bruijn uit Andel in 1848 fl. 2000,-- om de gemeente van het nabijgelegen Meeuwen er weer bovenop te helpen.

In verreweg de meeste gevallen lukte het de gemeenten binnen enkele tientallen jaren de schulden weg te werken. Maar voor soms waren de aangegane risico’s te groot en moest onroerend goed gedwongen verkocht worden, zoals in Leeuwarden (1840), Schiedam (1845) en Arnhem (1846). Een factor van betekenis is in dit verband de emigratiegolf van 1847 geweest, die op afgescheidenen een bijzondere aantrekkingskracht heeft uitgeoefend en de financiële draagkracht van menige gemeente ernstig ondergroef. In Hellendoorn-Nijverdal bijvoorbeeld raakte zij daardoor kerk en pastorie kwijt.

 

Tweede fase: groei en bewustwording (1854 - 1886)

 

Het aantal afgescheidenen wordt voor 1836 (achteraf) geschat op zo’n 20.000. Volgens de volkstelling van 1849 zijn het er dan ruim 40.000, tien jaar later meer dan 65.000 en in 1869 ligt hun getal boven de 107.000. De groei ligt aanzienlijk hoger dan die van de Nederlandse bevolking. Die is in 1869 ten opzichte van 1849 1,17 keer zo groot, terwijl voor de afgescheidenen over dezelfde periode de factor 2,66 geldt. In de daarop volgende twintig jaar zet deze tendens door, al is de relatieve groei van de afgescheidenen kleiner. De gehele bevolking neemt in deze periode toe met een factor van ongeveer 1,25, terwijl dat voor de afgescheidenen met ruim 187.000 leden in 1889 1,76 is. Ook het aantal gemeenten nam snel toe, van 179 in 1851 naar 289 achttien jaar later, en 389 in 1889. De groei is ongelijk verdeeld over het land. Opvallend is de toename in een stad als Den Helder, mede ten gevolge van de ontwikkeling van de koopvaardijhaven daar. In de in 1854 drooggevallen Haarlemmermeer ontstaan in ruim 10 jaar drie afgescheidene gemeenten, alle gesticht door pioniers die afkomstig zijn uit het Noord-Brabantse rivierengebied, een van de oorspronkelijke centra van de Afscheiding. In Noord-Brabant is de groei als gevolg van deze migratie verhoudingsgewijs gering. Toch is ook hier uitbreiding te vinden, bijvoorbeeld in Tilburg waar een kleine evangelisatiepost in 1874 een eigen gebouw mag betrekken. In Twente is eenzelfde tendens waar te nemen. Over het geheel genomen komen de afgescheidenen en hun nazaten vooral voor in grote dorpen en de kleine steden. In 1849 is hun aandeel daar 1,73 % van de bevolking, en in 1889 5,84 %. In de vier grote steden zijn deze cijfers respectievelijk 0,28 % en 1,59 %. Verhoudingsgewijs is daar de toename dus sterker, mogelijk doordat een deel van de aanwas afkomstig is van het platteland.

Hoe werkten deze ontwikkelingen door in de kerkbouw? We kijken wat dat betreft nog een keer naar Uithuizen. We lazen al van de uitbreiding twee jaar na de opening. In 1865 komt de kerkenraad opnieuw te spreken over de grootte van het kerkgebouw. De mogelijkheid bestond de Rooms-Katholieke kerk en pastorie te kopen, die in 1861 bij het betrekken van nieuwe gebouwen verlaten waren. Omdat de prijs te hoog is, kiest de kerkenraad voor nieuwbouw op de plaats van de oude kerk, hetgeen overigens alleen mogelijk is als een lap grond met huis wordt aangekocht. Dat lukt, zij het met enige moeite. Aannemer-timmerman P.E. Marema, zoon van degene die de eerste kerk had opgeleverd, maakte tekeningen en bestek voor een ruimte met ongeveer 600 zitplaatsen. Een timmerman uit eigen kring durfde de klus niet aan, zodat bij de aanbesteding Marema zelf alsnog het werk gegund kreeg voor fl. 7.198,--. Net als zijn vader behoorde hij niet tot de gemeente. De kerkenraad besluit voor fl. 100,-- de voorgevel van een klein torentje te voorzien. Het gebouw bleef eenbeukig en kreeg grote neogotische ramen. Boven de hoofdingang werd een gevelsteen ingemetseld met een bijbeltekst, naar 1 Samuël 7: 12. Voor de financiering werd uitsluitend om giften gevraagd, zij het dat ook gekozen kon worden voor een vorm met 4% rente tot aan het overlijden van de gever. De schulden van de gemeente werden op deze wijze tot een minimum beperkt.

Vergelijken we de situatie in Uithuizen met die in het nabijgelegen Middelstum dan vallen enkele verschillen op. Terwijl in Uithuizen de kerk van het begin af aan een markante plek in het dorp had gehad, was dat in Middelstum pas het geval bij de nieuwbouw van 1870. Deze kerk kreeg een toren, groter dan in Uithuizen, maar nog altijd eenvoudig. Voor deze nieuwbouw was anders dan in Uithuizen een architect ingeschakeld. Afgezien van de gestadige groei die vergroting van bestaande gebouwen of nieuwbouw noodzakelijk maken, zien we ook elders vergelijkbare ontwikkelingen. Was men in Kampen in 1852 (opnieuw) begonnen in een eenvoudig gebouw aan de Hofstraat, in 1875 kon ze de deuren openen van een prominent aan de Burgwal gelegen kerk. In Geesteren-Gelselaar nam de gemeente in 1865 een nieuwe kerk in gebruik in het centrum van Gelselaar. In Sliedrecht hadden kerk en pastorie aanvankelijk een plaats ten Oosten van de dorpskern. Met de nieuwbouw van 1872 kon de gemeente in de kern zelf samen komen. Hierbij moet echter wel bedacht worden, dat soms ook gemeentestichting in een naburig dorp de mogelijkheid tot nieuwbouw in de dorpskern opende. In Haulerwijk stond de kerk in de richting van Donkerkbroek. Na de instituering van een gemeente in Donkerbroek in 1873 een nieuwe kerk in het dorp geopend.

Waar bij eerste kerkjes een toren vrijwel altijd ontbrak, wordt daar nu geregeld voor gekozen. Soms is de toren feitelijk weinig meer dan een spits boven de entree. Anders is hij dikwijls geheel of half ingebouwd. De hoogte blijft evenwel bijna altijd bescheiden. In verhouding tot de voorgaande periode wordt meer werk gemaakt van de voorgevel en het ingangsportaal. Ook daardoor gaat de gebouw meer opvallen in het landschap. Een van de sterkste voorbeelden daarvan is Assen, waar de Chr. Geref. gemeente in 1876 een nieuw gebouw plaatste aan de Molenstraat, naar een ontwerp van architect H. Winters.

Het was onvermijdelijk, dat architecten werden aangezocht voor de kerkbouw. De gebouwen werden groter en daarmee technisch gecompliceerder, hoewel kerkenraden het soms zonder architect waagden. Dat gebeurde ook bij grotere gebouwen, zoals de al genoemde Burgwalkerk in Kampen met zo’n 1200 zitplaatsen. De rol van de architect was doorgaans meer die van bouwkundige dan kerkbouwkundige. Van een originele, eigen stijl was nauwelijks sprake. De Plantagekerk in Zwolle (1875) van architect J.W. Bosboom is bijvoorbeeld gebouwd naar het voorbeeld van de 19e eeuwse Hervormde kerk in Voorschoten. Bij de Chr. Gereformeerde kerken uit deze jaren overheerst het eclecticisme. Slechts enkele architecten krijgen ruimere bekendheid en kunnen daardoor meer kerkgebouwen op hun naam zetten. Een van hen is W.C. Coepijn (1838 – 1909), gemeentearchitect te Kralingen, die zich wist te profileren bij de bouw van de zogenaamde Geuzenkerk in Den Briel (1873). Deze kerk was een geschenk van de Chr. Gereformeerde synode ter gelegenheid van de 300-jarige herdenking van de inneming van Den Briel door de geuzen. Coepijns ontwerp won het van twee andere ontwerpen die waren ingediend. Daarna kreeg hij ook elders de kans om te bouwen, zoals in Delft (Oosterkerk, 1883), Alphen aan den Rijn (1888) en Rotterdam (tenminste vier maal, 1892 – 1904). Bij architect S.W. Wierda (1839 – 1911) lijkt voor de opdrachten niet alleen de naamsbekendheid een rol te hebben gespeeld, maar ook de aanbeveling van predikanten. De kerk in Zaandam (1875) heeft hij vermoedelijk te danken aan L. Lindeboom, die kort tevoren uit ’s-Hertogenbosch naar de Zaanstreek beroepen was en hem gekend zal hebben van het gebouw dat hij plaatste voor de evangelisatie in Tilburg (1874). Nadat in Nieuwendijk (1878) een kerk naar Wierda’s ontwerp gereed gekomen was, vertrok de pastor loci, A.H. Gezelle Meerburg, naar Baarn. Daar kreeg Wierda opnieuw een opdracht (1880). Ondanks het feit dat hiervoor diverse kerkgebouwen uit de jaren zeventig en tachtig zijn genoemd, is de tendens aan het einde van de jaren zeventig dat de bouwactiviteiten onder Chr. Gereformeerden afnemen. De kerk uit ons voorbeeld van Uithuizen was in 1866 bewust te groot gebouwd. Daar kon men dus even met de ruimte vooruit. Elders was dat niet anders.

 

Tot slot nog een enkel woord over de financiering. Lang niet overal is de situatie als in Uithuizen, waar voldoende geld geworven kan worden in de eigen gemeente. In Stellendam vroeg men in 1862 de gemeenten van de classis om ondersteuning. Toen dat verzoek en acties in de eigen gelederen niet voldoende opleverden, probeerde de kerkenraad het in 1864 opnieuw. Nu weigerde de classis. Twee jaar later echter kon het geplande kerkgebouwtje in gebruik worden genomen. Periodieken als De Stem en De Bazuin hadden na een periode van onenigheid niet alleen de communicatie onder de afgescheidenen sterk verbeterd, maar boden ook gelegenheid voor geldwerving. De kerkenraad van Lippenhuizen deed in De Bazuin een oproep tot financiële ondersteuning voor een gebouwtje in Terwispel (1866). Dat werkte blijkbaar, want enkele maanden later onderneemt de kerkenraad opnieuw actie en kan een ruimte in Hoornsterzwaag geopend worden. Overigens zien we ook in deze jaren het verschijnsel dat één of enkele leden zorg dragen voor de huisvesting van de gemeente. In Alphen aan den Rijn was dat K. van Hellemond, die in 1860 een kerkje bouwde voor de gemeente ter plaatse en bereid was zo nodig van huur af te zien. Deze situatie duurde tot 1865 toen de gemeente zeer sterk gegroeid was – van 13 naar 212 leden – en in staat was financieel op eigen benen te staan.

 

 

Derde fase: confrontatie en uitbouw (1886 - + 1920)

 

De nieuwe impuls voor kerkbouw kwam van de Doleantie, de beweging die vanaf 1886 met Abraham Kuyper de Nederlandse Hervormde Kerk verliet. Bij de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1892 bestonden er naast 394 Chr. Gereformeerde gemeenten 306 dolerende ofwel Nederduitsch Gereformeerde Kerken die elk ook tenminste één plaats van samenkomst gezocht hadden. Onder de Nederduitsch Gereformeerden waren de provincies Friesland en Zuid-Holland met respectievelijk 70 en 81 Kerken opmerkelijk sterk vertegenwoordigd. Drente daarentegen telde slechts 3 dolerende Kerken, terwijl Groningen niet verder kwam dan 7. In Amsterdam was de Doleantie bijzonder sterk. Bij de volkstelling van 1889 gaven 27.713 inwoners - ofwel 6,97 % van de gehele bevolking - op te behoren tot de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Van alle dolerenden woonde daarmee maar liefst 15,30 % in de hoofdstad. Tussen 1888 en 1892 verrezen er vijf kerken met elk tussen de 1500 en 2000 zitplaatsen. In Rotterdam en Utrecht lagen de percentages van de bevolking om en nabij de 5 %. In de hofstad werden de Nederduitsche Gereformeerden met een aandeel van 1,32 % van de bevolking getalsmatig door de Chr. Gereformeerden overvleugeld, die op 2,32 % uitkwamen. De Chr. Gereformeerde Kerk had haar leden vooral in plaatsen tot en met 20.000 inwoners,hoewel daar eveneens een respectabel aantal Nederduitsche Gereformeerden woonde. Beide groepen waren echter duidelijk ondervertegenwoordigd in de middelgrote steden. Dit beeld gaat niet op voor grote delen van Noord-Brabant en voor Limburg, waar zij over de gehele linie slechts marginaal vertegenwoordigd waren.

In diverse opzichten verschilde de situatie van de Doleantie wezenlijk met die van de Afscheiding. Zo hadden de dolerenden geen vervolging te verwachten, al steunde de overheid wel de Hervormde aanspraken op de gebouwen. In plaatsen waar de predikant en/of een meerderheid van de kerkenraad met de Doleantie meeging probeerde men zo lang als mogelijk het (Hervormde) kerkgebouw te blijven gebruiken. De hoop op het behoud van de kerkelijke goederen vervloog echter met een uitspraak van de Hoge Raad op 15 juni 1888, al gaf men plaatselijk het procederen niet altijd meteen op. Toch konden in Kootwijk kerk en pastorie gebruikt blijven worden tot 1920, al moest aan de kerkvoogdij huur worden betaald en werd daarmee het eigendomsrecht van de kerkvoogdij erkend.

Pasgevormde kerkenraden stonden voor de taak nieuwe onderkomens te zoeken. Maar anders dan de afgescheidenen in het verleden konden de dolerenden voor een deel terugvallen op de reeds bestaande infrastructuur. Zo sloot de Doleantie meer dan eens aan op activiteiten en lokaliteiten van de ‘Vrienden der Waarheid’. Naast Broeksterwoude, Purmerend, Deventer en Bleiswijk deed deze situatie zich ook in vele andere plaatsen voor. In de laatstgenoemde plaats kwam men langs deze weg in het bezit van de voormalige Remonstrantse kerk. Elders was het een zondagsschoolvereniging, of een evangelisatievereniging. Voorbeelden zijn te vinden in respectievelijk Lekkerkerk en Lochem. In Nieuwerkerk a/d IJssel konden op zondag lokalen van de christelijke school worden gehuurd, tot in 1912 een eigen kerkgebouw verrees. Nieuw-Vennep is een van de weinige plaatsen waar de dolerenden in een gehuurde woning samenkwamen.

Bij de afgescheidenen kwam dit in de beginperiode veel vaker voor. Zij zijn echter pas in de loop van vele jaren groot geworden, terwijl de dolerenden zich al na een vrij korte periode getalsmatig met hen konden meten. Wel lezen we bij de dolerenden geregeld over schuren en dergelijke, maar altijd voor een korte overgangsperiode. Ook krijgen bestaande panden een nieuwe bestemming. Zo wordt in Oudega (W) een kaaspakhuis geschikt gemaakt voor de kerkdiensten, terwijl in Krimpen a/d IJssel datzelfde gebeurt met een voormalige schoppenmakerij. In veel plaatsen verrezen vrij spoedig houten (nood)kerken, die na verloop van tijd door stenen gebouwen werden vervangen. Soms duurde dat lang, zoals in Kamerik, waar pas in 1948 een stenen exemplaar werd gebouwd. Deze houten kerk was overigens al de tweede sinds de Doleantie. In het algemeen kan worden vastgesteld, dat de dolerenden binnen korte tijd in hun kerkgebouwen veel dominanter in het straatbeeld aanwezig waren dan de afgescheidenen in de eerste decennia. Dit stond op gespannen voet met de voorlopigheid die de dolerenden aan hun beweging toedichten en waardoor gesproken werd over de bouw van een ‘noodkerk’ of ‘hulpkerk’. Een enkeling protesteerde tegen de overdaad in de nieuwbouw, maar dit mocht niet baten.

 

Bij de Vereniging van 1892 hadden Chr. Gereformeerden en Nederduitsche Gereformeerden in totaal 700 kerkelijke gemeenten. Toch waren er in slechts 112 plaatsen twee en soms zelfs drie gemeenten. In een periode van tien jaar werd dat door plaatselijke eenwording gereduceerd tot 40. De gevolgen voor het kerkgebouwenbestand waren sterk afhankelijk van de plaatselijke situatie. In Bodegraven bijvoorbeeld leidde de plaatselijke vereniging tot de verkoop van de kerk van de dolerenden en werd na enkele jaren besloten tot nieuwbouw. In Zwartsluis gebeurde dat direct na de ineensmelting ter plaatse. In de Haarlemmermeer veranderde er echter zo goed als niets. De nieuwe gemeenten Sloterweg en Vijfhuizen hadden hun zwaartepunt in plaatsen waar voorheen geen aparte Chr. Gereformeerde gemeente gevestigd was. De situatie in Nieuw-Vennep werd al even aangehaald. Tot kerkbouw was het daar bij gebrek aan middelen nog niet gekomen. Een ander voorbeeld vormen Beetgum en Berlikum. In het eerstgenoemde dorp bestond al een Chr. Gereformeerde gemeente, die een vrij groot gebied bestreek, waaronder Berlikum. Nadat men zich verenigd had met de Nederduitsche Gereformeerde Kerk in dat dorp, vond een herverkaveling plaats en werd een nieuwe kerk gebouwd in Beetgummermolen. Dat ligt iets verder van Berlikum dan Beetgum, maar de leden in Berlikum konden nu dan ook in hun eigen dorp een Gereformeerde Kerk bezoeken. In de grotere dorpen en steden kostte het doorgaans meer tijd voor besloten kon worden tot eenwording. Ten gevolge van de grootte van de gemeente en van het gebied waar de leden woonden bleven daar meestal de bestaande kerken gewoon open.

Volgens de volkstellingen van 1889 en 1920 is de landelijke bevolking in de tussenliggende periode ongeveer anderhalf keer zo groot geworden. Hoewel de cijfers in het hoofdstuk kerkelijke gezindte wat betreft de Gereformeerde Kerken en haar voorgangsters sterk lijken af te wijken van de eigen opgaven, is het aannemelijk, dat de groei van de Gereformeerde Kerken in de onderhavige periode hooguit gelijk was aan die van de bevolking en vermoedelijk wat lager lag.[8] Daarbij zijn de Chr. Gereformeerde Kerken die bij de Vereniging van 1892 een eigen weg gingen niet meegeteld. Een belangrijk deel van de bevolkingsgroei komt voor rekening van de grote steden, in het bijzonder Rotterdam en ’s-Gravenhage, waar het inwonertal meer dan verdubbelt. De Gereformeerde Kerken groeien er zowel in absolute als relatieve zin, in de hofstad zelfs spectaculair. De ene na de andere kerk verrijst. Maar ook elders hebben kerkenraden het onderwerp van de overvolle kerk geregeld op hun agenda staan. Met de nodige inventiviteit worden extra banken en stoelen ingepast. Ook wordt nogal eens overgegaan tot de inbouw van een galerij. Totdat ook dat niet meer helpt en ingrijpende verbouw of nieuwbouw overwogen moet worden.

De bevolkingsgroei had ook tot gevolg dat in steeds meer plaatsen voldoende Gereformeerden woonden om een zelfstandige kerk te kunnen stichten. Vaak ging daaraan de oprichting van een aparte vereniging vooraf die voor samenkomsten een gebouw huurde of zelfs zelf exploiteerde. Een voorbeeld is de in 1918 in Eefde-Gorssel gestarte ‘Vereeniging van Gereformeerden tot Evangelisatie’. Apart noemen we in dit verband de trek van de stad naar de omliggende dorpen, die in de jaren tien en twintig op gang begint te komen. Zo wordt in de omgeving van Haarlem de ene na de andere nieuwe Gereformeerde Kerk geïnstitueerd. Vanuit Amsterdam is er een trek naar het Gooi, maar daar betekent het vooral een versterking van bestaande Gereformeerde Kerken. In Limburg zien we de Gereformeerden van het Noorden uit in de eerste decennia van de twintigste eeuw in de provincie neerstrijken, in het Zuiden vooral ten gevolge van de mijnbouw.  Al met al zijn vanaf 1892 tot 1920 zeker zo’n 350 nieuwe Gereformeerde kerken gebouwd, inclusief noodkerken in bijvoorbeeld snel groeiende stadswijken.[9]

 

Kijken we ook in deze fase nog een keer naar Uithuizen, dan blijken aangaande het kerkgebouw ook andere overwegingen mee te spelen dan alleen het aantal zitplaatsen. In het najaar van 1891 komt het plan op de kerk van een toren te voorzien. Binnen een jaar wordt die gebouwd voor een bedrag van in totaal fl. 2.417,--. De toren is ingebouwd en springt in de voorgevel iets naar voren. Een nieuw tekort aan zitplaatsen dient zich hier aan het begin van de vorige eeuw aan en maakt een grondige verbouw noodzakelijk. De architect van de torenbouw, T.R. Huizinga, durft het zeer ingrijpende project niet aan en stelt zijn collega Y. van der Veen uit Groningen voor, die eerder ook al betrokken was bij de bouw van de Nieuwe Zuiderkerk in zijn woonplaats. Met de aanbouw van een zijvleugel – waarbij door de verplaatsing van de kansel naar een zijmuur ook de oriëntatie van het interieur een kwartslag draait – wordt het aantal plaatsen vergroot tot 832. Om de kosten te kunnen voldoen wordt fl. 10.000,-- geleend. De gemeente is bereid om jaarlijks fl. 500,-- op te brengen voor rente en aflossing. Het meerdere van ruim fl. 2.508,-- kan uit de lopende middelen worden betaald.

Als voorbeeld van een nieuw gesticht kerkgebouw kijken we naar de Nederduitsche Gereformeerde Kerk van Maarssen, die in 1890 geïnstitueerd werd. Als in 1891 vergunning gevraagd wordt om in een aangekocht huis kerkdiensten te mogen gaan houden, protesteert de Hervormde Gemeente ter plaatse die haar gebouw zo’n 200 meter verderop heeft staan. De gemeente verleent de vergunning wel, maar bepaalt – vermoedelijk om tegemoet te komen aan het protest – dat bij een dienst de ramen aan de wegzijde gesloten moeten blijven. De lokaliteit is al gauw te klein en een jaar later wordt overgegaan tot kerkbouw op een ernaast gelegen perceel. De kosten van het zaalkerkje en de bijbehorende kosterswoning bedragen ongeveer fl. 6000,--. Eenderde van dat bedrag wordt door een gemeentelid verstrekt op hypotheekbasis à 4% rente per jaar. Voor het restant worden 40 aandelen van fl. 100,-- uitgegeven zonder rente, desgewenst ten behoeve van minder draagkrachtigen ook te splitsen in stukken van fl. 50,-- en fl. 25,--. In vergelijking met de eerder beschreven methoden valt in de financiering in het bijzonder de systematische aanpak op, die het een maximaal aantal gemeenteleden mogelijk maakt substantieel bij te dragen aan de kerkbouw.

Leggen we de voorbeelden van Uithuizen en Maarssen naast die van andere plaatsen, dan trekken een paar zaken de aandacht. Bij het zoeken van een geschikte plaats voor de kerk blijkt evenals in Maarssen kort na de Doleantie de afstand tot andere, met name Hervormde kerkgebouwen tot problemen te leiden, net als in de eerste decennia na de Afscheiding. Deze protesten werden door Burgemeester & Wethouders wel eens gehonoreerd, maar in hoger beroep vrijwel altijd afgewezen. Ook vlak na de Doleantie en in de beginperiode van de Gereformeerde Kerken begint het kerk houden nogal eens ergens buiten de bebouwde kom, om na verloop van tijd te verhuizen naar een meer centraal gelegen plaats in de dorpsgemeenschap. We zien dat onder andere gebeuren in Moordrecht met nieuwbouw in 1897 en veel later in Loenen a/d Vecht (1923).

Als het maar even kon, kreeg de kerk er net als in Uithuizen een toren bij. Kuyper had in 1898 in De Heraut al een lans gebroken voor dit attribuut. Hij is ervan overtuigd, ‘dat elke kerk uit haar aard om een toren roept. De vingerwijzing naar boven. De gestadige herinnering aan ons burgerschap, dat in de hemelen is.’[10] Ook H. Bavinck was bereid het voor de toren op te nemen. In Ermelo worstelde kerkenraad bij de verbouw van haar kerkgebouw over de vraag, of er een toren bij moest komen of niet. Ze oordeelde aanvankelijk afwijzend, maar ging overstag toen Bavinck desgevraagd stelde: ‘In het algemeen eischt de architektonische wet overal het monarchale systeem (…) Een kerk wordt voltooid in een toren.’[11] In 1921 verrees naast de kerk een 37 meter hoge toren. Waar anders dan in Ermelo de financiële middelen uitgeput waren, bleef een toren achterwege en werd dikwijls volstaan met een sobere dakruiter om het eigene van het gebouw te accentueren. Naast de ideële motieven speelde ook de competitie met andere kerkgenootschappen een rol. De toren van de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam (1916) moest tegenwicht bieden tegen die van de Rooms-Katholieke Ignatiuskerk (1892) aan de overzijde van de West-Zeedijk.[12] Het groeiend zelfbewustzijn komt ook naar voren in andere ornamenten. In Uithuizen was aan de voorzijde van het gebouw nog gekozen voor een bijbeltekst. In toenemende mate kwam echter ‘Gereformeerde Kerk’ op de voorgevel te staan. In Bodegraven was dat bij de nieuwe kerk in 1899 al het geval, hoewel het motief daar wellicht anders lag. In deze kerk hadden Nederduitsch Gereformeerden en Chr. Gereformeerden elkaar in 1893 gevonden en de nieuwe kerk was een belangrijk symbool van de herwonnen eenheid als Gereformeerde Kerk.

Een derde punt van aandacht vormen de architecten. Voor kleinere kerken blijft het gebruikelijk uit te gaan van een timmermans- of aannemersontwerp, meestal geïnspireerd door voorbeelden van elders. Zo keek men in Zevenhoven (1912) eerst eens in het naburige Nieuwveen (1895). Soms helpt dat om de keuze van een architect te bepalen. In Veenendaal (1889) roept de kerkenraad de hulp van architect K. van Wagensveld in, omdat zij geporteerd is van de kerk die hij in Barneveld heeft gebouwd. Ook voor Renswoude (1908) dient dit gebouw als voorbeeld, maar daar wordt een andere architect ingeschakeld. De toenemende vervoersmogelijkheden maken het mogelijk betrekkelijk eenvoudig ook op grotere afstand gelegen gebouwen te bezoeken. Als de eerste twee ontwerpen ongeschikt blijken, gaan twee leden van de Kerk van Breukelen met de architect (Gereformeerde) kerken bekijken in Zwammerdam (1892, ontwerp R. Kuipers), Amstelveen (1899, plaatselijk ontwerp naar een voorbeeld in Amersfoort) en IJmuiden (1904, ontwerp Tj. Kuipers). De kerk die in 1909 in gebruik genomen wordt, heeft veel weg van die van IJmuiden.

 

Het is niet toevallig, dat twee maal de naam Kuipers valt. Het zijn broers, afkomstig uit een Fries geslacht van timmerlieden, die zich opwerkten tot architecten.[13] Vooral de kerkontwerpen van Tjeerd (1857 – 1942) zijn beeldbepalend geweest, alleen al door hun aantal. In totaal bouwde hij tussen 1888 en 1928 ruim vijftig Gereformeerde kerken, waarvan enkele buiten ons land. Daarnaast was hij betrokken bij de verbouw van tal van kerkgebouwen. De bouwstijl van Kuipers is wel getypeerd als die van een ‘overgangstijd’. Zijn eerste kerken vertonen de trekken van neorenaissance (bijvoorbeeld Amsterdam-Funenkerk, 1889; Heeg, 1890) en romano-gotiek (Rotterdam-Nieuwe Westerkerk, 1890 (torens in neorenaissance)). Al vrij spoedig krijgt ook het functionalisme invloed, zoals onder meer aan de Amsterdamse Rehobothkerk (1907) af te lezen valt, hetgeen het hybride karakter van zijn ontwerpen versterkt. Over de eerder genoemde Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam (1916) schrijft Kuipers zelf: ‘Elke lijn heeft zijn functie, elke overtollige lijn is zooveel mogelijk vermeden en daarbij gedacht, dat het uiterlijke de getrouwe afspiegeling moet zijn van het innerlijke, niets verbergende gelijk dit in het Renaissance-tijdperk en vooral ook in de latere tijdperken helaas maar al te dikwijls wel het geval was.’[14] Kuipers is in zijn ontwikkeling beïnvloed door Abr. Kuyper. In de kerkbouw had Kuyper weliswaar een voorkeur voor de (neo)renaissance die ook de protestantse kerkarchitectuur in de door hem hoog gewaardeerde laat 16e- en begin 17e-eeuw domineerde, maar hij wilde de architect een grote vrijheid laten. In een artikelenserie over liturgie in De Heraut stelde hij over de verhouding tussen liturgie en architectuur: ‘Zoodra het op kunst-conceptie en kunstuitvoering aankomt, moet niet de theoloog, maar de kunstenaar zelf de zoeker en de vinder zijn’, want hoe ‘de kunst steen en hout kan laten spreken, is de zaak van den architect.’[15] Dit neemt niet weg, dat Kuyper heel bepaalde ideeën had over hoe het in de kerkbouw zou moeten. Hij beschouwde de eredienst vanuit het gezichtspunt van de vergadering en zag de kerk daarmee primair als vergaderzaal. Hij achtte het noodzakelijk dat de gelovigen elkaar zouden kunnen zien en de predikant zien en horen. Denkend vanuit de klassieke vorm van het theater pleitte hij bij grotere kerken voor een plattegrond met een halve cirkel, waarin de bankenrijen langzaam oplopen.[16] Kuipers werkte dit consequent uit in de Dordrechtse Wilhelminakerk (1899). Nog niet eerder hadden onder Gereformeerden liturgische principes zo’n grote impact op een bouwplan. Tot dan toe ging men uit van de gegeven ruimte, waarbinnen de kansel zo centraal mogelijk werd opgesteld. Hooguit leidde dat tot een blind venster, waardoor aan de buitenzijde iets vermoed kon worden van de inrichting. Achteraf is Kuipers niet tevreden geweest over dit project. In een introductie op de architectuur van de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam is naar zijn inzicht ‘aesthetisch (…) nog niet het bewijs geleverd, dat het karakter van kerkgebouw in de halve cirkelvorm tot uitdrukking zou kunnen komen’.[17] In de Nieuwe Zuiderkerk realiseert iets van de halve cirkel in het dwarsschip door deze met halve achthoeken af te sluiten. Hij had dit ook in bijvoorbeeld Oude Wetering (1909) al gedaan. Onduidelijk blijft echter wat hij bedoelt met ‘het karakter van kerkgebouw’. Moeten we hier aan traditionele vormen denken? De kerken uit volgende jaren doen dat vermoeden. Bij de Koepelkerk in Leeuwarden (1923) grijpt Kuipers nog eenmaal terug op Kuypers inzichten, al benadert hij nu het ideaal van de (halve) cirkel met een regelmatig vijfzijdig grondplan. In het ontwerp spelen de getallen vijf en tien een rol, als verwijzing naar het feit dat dit het vijftigste Gereformeerde kerkgebouw is dat Kuipers in Nederland heeft gebouwd. Volgens een krantenverslag ter gelegenheid van de eerste steenlegging formuleert hij onder verwijzing naar de tien als het volmaakte getal: ‘Hij had een studie noodig gehad van den bouw van 50 kerken en hij had de volmaaktheid nog niet bereikt, maar er telkens naar gestreefd.’ Dit gebouw uit het vijfentwintigste kroningsjaar van koningin Wilhelmina heeft een koepel waarin een lichtkroon hangt in de vorm van een koningskroon. Deze is bedoeld als eerbetoon aan de vorstin, maar is tegelijk de bekroning van het werk van een architect die op zijn vakgebied uitstekend mee kan komen, met andere woorden volledig geëmancipeerd is.

De ontwikkeling van Kuipers is typerend voor de veranderingen die het Gereformeerde kerkgebouw in deze periode ondergaat. Aanvankelijk ligt het accent op de neorenaissance. Na verloop van tijd treedt versobering in, mede onder invloed van Berlage. Dit neemt niet weg, dat eerste decennia na de Vereniging ook gebouwd wordt in neoromaanse trant en zelfs in de door Kuyper als Rooms afgewezen neogotiek.[18] In de totaalplattegrond van de nieuwe kerken zien we vooral het Griekse kruis aan invloed winnen, waarbij de kerkzaal zelf een T-vorm heeft. In deze opzet kon Kuypers ideaal van in een halve cirkel om de kansel gegroepeerde zitplaatsen nog het meest benaderd worden.[19]

 

Tot slot plaatsen we de financiën in een wat breder kader. Wat de kosten in deze periode betreft spant de eerste doleantiekerk in Amsterdam, de Keizersgrachtkerk (1888) met fl. 123.000 waarschijnlijk wel de kroon. In verhouding is het budget voor het vijfde gebouw in de hoofdstad, de Buiten Amstelkerk (1892), met zo’n fl. 40.000 bijzonder klein. Buiten de grote steden lagen de bedragen stukken lager. Het kerkje van Maarssen (1892) is met ongeveer zesduizend gulden wel een van de goedkopere voorbeelden uit deze periode, al konden eenvoudige ontwerpen zelfs twintig jaar later nog voor dit bedrag worden uitgevoerd (Opeinde, Papendrecht).  Bezien we enkele gebouwen van Kuipers, dan blijkt ook daar het beeld tamelijk constant. In Heeg (1890) bedroeg de bouwsom net geen fl. 16.000. Voor de nieuwe kerk in Wildervank (1911) was de gemeente ongeveer tienduizend gulden meer kwijt, maar hierin waren dan ook alle uitgaven begrepen. Voor het qua zitplaatsen half zo grote gebouw in Dirkshorn (1920) bedroeg de bouwsom fl. 18.000. De financiering vormde in dit Noord-Hollandse dorp geen enkel probleem. Een enkele rondgang bracht fl. 13.000 gulden op, terwijl vervolgens bij een lening voor maar liefst fl. 42.200 werd ingeschreven. Dit is echter een grote uitzondering. Vooral in kleinere Kerken moest het geld met veel moeite bijeen geschraapt worden. Predikanten preekten elders, ook op de weinige vakantiezondagen die ze hadden, en vroegen daarbij om een extra collecte in de dienst. Ook traden ze op als fondsenwervers voor het loskrijgen van giften en leningen. Kerkenraadsleden en andere gemeenteleden gingen er op uit om in omliggende plaatsen huis aan huis te collecteren, soms tegen een bescheiden vergoeding. Was de afstand groot, dan werden derden ingehuurd. Net als in Maarssen werden aandelen uitgegeven, of rentedragende obligaties, voorzover mogelijk hypothecaire leningen aangegaan bij banken, enzovoort. Grote giften zijn er nog wel – in Wildervank bijvoorbeeld fl. 8.000 – maar het komt eigenlijk nooit meer voor dat één persoon het gehele gebouw bekostigt.

 

Vierde fase: een gevestigd kerkgenootschap (+ 1920 – 1944)

 

In deze fase neemt de omvang van de Gereformeerde Kerken nog wel toe, maar de groei is iets lager dan die van de Nederlandse bevolking.[20] De scheuring in 1926 ten gevolge van de kwestie Geelkerken leidde slechts tot het verlies van kerkgebouwen in Amsterdam-Zuid en Zandvoort. In de onderhavige periode zijn naar schatting ongeveer driehonderd nieuwe Gereformeerde kerken gebouwd, terwijl een onbekend aantal is verbouwd om meer ruimte te bieden aan de gestaag groeiende gemeentes.[21] Zelfs in economisch schrale jaren dertig is in de bouwactiviteiten slechts een lichte daling te bespeuren. In de twee eerder genoemde voorbeeldplaatsen wordt in Maarssen (1932) nieuw gebouwd, maar durft men in Uithuizen in 1938 zelfs een vanwege het nijpend tekort aan zitplaatsen noodzakelijke verbouw niet aan. In de oorlogsjaren valt een scherpe terugval waar te nemen. Op een enkele uitzondering na worden dan alleen reeds in gang gezette projecten afgerond. In drie provincies wijkt de ontwikkeling in het decennium na de beurskrach van 1929 duidelijk af van de landelijke trend. In Friesland worden bijna geen nieuwe kerken meer gebouwd. De economische malaise zal daarin zeker een rol hebben gespeeld. Maar belangrijker is waarschijnlijk, dat vóór deze tijd geregeld verbouwd en nieuw gebouwd is, en dus de noodzaak ontbrak. Bovendien kenden de Gereformeerde Kerken er omstreeks de eeuwwisseling al een goede spreiding van kerken over het grootste deel van de provincie. In Overijssel daarentegen is de toename van nieuwe gebouwen in de jaren dertig opvallend. Door de gestage toename van het aantal Gereformeerden konden nieuwe kerken worden geïnstitueerd in plaatsen waar de kerkformatie tot op dat moment nog niet vertegenwoordigd was. Daarnaast trokken de grote steden in Twente naar verhouding veel mensen aan, onder wie ook een behoorlijke groep Gereformeerden. De groei van het aantal nieuwe kerken in Noord-Holland is in de jaren twintig weliswaar groter dan in de jaren dertig, maar in beide tijdvakken tezamen is de toename ten opzichte van de voorafgaande decennia opmerkelijk. Alleen al in Haarlem verrijzen vier nieuwe kerken, terwijl er ook in de agglomeratie Amsterdam flink gebouwd wordt: in de uitbreiding van de stad zelf, maar ook in omliggende plaatsen. Door de trek vanuit de stad zijn de bestaande gebouwen in deze plaatsen te klein geworden. De start van de Hoogovens geeft een impuls aan de bevolkingsgroei rond het westelijk deel van het Noordzeekanaal. Nieuwe Gereformeerde kerken werden geopend in Beverwijk (1930) en IJmuiden (1929 én 1939).  De drooglegging van de Wieringermeer in 1930 is goed voor nieuwe kerkelijke onderkomens in Middenmeer (1933), Wieringerwerf (1939) en Slootdorp (1940).

Een van de belangrijkste vernieuwende architecten in deze periode was B.T. Boeyinga (1886 - 1969).[22] In Amsterdam bekwaamde deze predikantszoon zich zowel theoretisch als praktisch in het architectenwerk. Hij was onder meer werkzaam bij het bureau van de Rooms-Katholiek Ed. Cuypers. In 1920 leverde hij een eerste kerkontwerp, maar dit werd niet uitgevoerd. Pas in 1924 kreeg hij op dit terrein grotere bekendheid, nadat hij een gedeelde tweede prijs had gewonnen in een prijsvraag voor een Gereformeerde kerk aan de Wittenkade in Amsterdam. Aan zijn ontwerp voor de Haarlemse Kloppersingelkerk (1927) kan goed worden afgelezen, welke ideeën Boeyinga voor ogen stonden in de kerkbouw, te meer daar hij er zelf een toelichting op schreef.[23] Boeyinga volgt de uitgangspunten van Abr. Kuyper, maar wijst de uitvoering die Kuipers daaraan in Dordrecht gegeven heeft resoluut af. Rond de centraal opgestelde kansel, ‘een architectonisch deel van de kerk zelf (…), het organisch begin’ worden de rijen zitplaatsen in ‘waaiervorm’ opgesteld.[24] De halve cirkel van Kuyper wordt zo beperkt tot ongeveer 3/8. Zo kan de predikant in één oogopslag de gehele gemeente overzien. Tegenover de kansel plaatst Boeyinga geen ingangen en looppaden, zodat het aantal zitplaatsen recht voor de kansel maximaal kan zijn. Met gebruikmaking van galerijen kunnen bij een afstand van 20 meter van kansel tot de verst gelegen zitplaats zo’n 1200 kerkgangers in dit gebouw een plek vinden. De kerkzaal telt drie beuken, waarvan de twee kleinere in een hoek van 45 graden op de hoofdbeuk staan. Daarbij komt dat de beide haaks op de hoofdbeuk staande ingangspartijen eveneens een hoge puntgevel hebben, zodat een gecompliceerde kapconstructie ontstaat. Boeyinga heeft de toren bewust achterwege gelaten en zich beperkt tot een eenvoudige dakspits. Hij signaleert dat de toren in veel gevallen een karikatuur geworden is. ‘Het is daarom beter te trachten, aan het kerkgebouw zelve een vorm te geven, die geen nadere aanduiding als kerk behoeft. Dit is zuiverder en past meer bij onzen tijd.’[25]

Ook elders zou Boeyinga de Haarlemse plattegrond gebruiken, maar bij kleinere kerken had doorgaans een zaalmodel met lage zijmuren en een hoog zadeldak de voorkeur, zoals in IJsselmuiden (1933). De Wassenaarse Zijllaankerk (1939), gebouwd naar het voorbeeld van de vroegchristelijke basiliek (net als zijn Hervormde Maranathakerk in Rotterdam (1930) mét een toren!), vormt de overgang naar de naoorlogse ontwerpen: zaalkerken met hoge zijmuren. De kruisvorm hanteert Boeyinga eenmaal, in Bergen aan Zee (1927). Hij was echter van mening, dat deze vorm niet voortkwam uit de calvinistische inrichting van de eredienst.[26]  In de vooroorlogse jaren overheerst bij Boeyinga de Amsterdamse School, hoewel de Amsterdamse Waalkerk (1936) in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid is gebouwd en de genoemde Wassenaarse kerk volgens de principes van de behoudende Delftse School.

Boeyinga heeft een grote invloed gehad op de Gereformeerde kerkbouw in het Interbellum, al heeft hij de kerktoren en de kruiskerk niet uit beeld doen verdwijnen.[27] De sterke verticale lijnen vallen ook bij B.W. Plooij (1890 – 1967) te ontdekken, terwijl diens ontwerp van de Zeister Oosterkerk (1936) in de plattegrond verwantschap vertoont met de Kloppersingelkerk.[28] Wat de plattegrond betreft was de invloed veel sterker bij A. van der Kraan (1892 - 1946), die weliswaar een groot voorstander was van Boeyinga’s opzet, maar door zijn opdrachtgevers dikwijls in een andere richting gestuurd werd. Een hoogtepunt in het werk van deze architect vormt de Leidse Zuiderkerk (1936), waarin het ideaal van de waaier maximaal over de gehele ruimte kon worden uitgelegd. Egb. Reitsma (1892 – 1976) is in het Interbellum in het bijzonder bekend geworden door zijn monumentale kerken in Weesp (1928) en Andijk (1930). Daarin zijn de banken gegroepeerd in een halve cirkel om de kansel, die in het midden van de lange zijde is geplaatst. Na deze zeer weelderige kerken waarin de invloeden van de Amsterdamse School duidelijk aanwezig zijn, is Reitsma soberder gaan bouwen, zoals in de Pelikaankerk (1932) te Leeuwarden tot uitdrukking komt. De kerkzaal is waaiervormig: de grenslijnen van de zitplaatsen een hoek van ongeveer 110 graden vormen, met de kansel als snijpunt. In Boeyinga’s Kloppersingelkerk was dat rond de 135 graden. Reitsma’s kerk oogt echter veel massiever, al heeft het gebouw schuine pannendaken. Reitsma heeft zich bij dit ontwerp laten inspireren door Dudok.

Naast de genoemde zijn nog vele andere architecten werkzaam geweest. Vaak was hun geografische actieradius beperkt. De Fries A. Nauta (1882 – 1946) bijvoorbeeld was bijna alleen in Friesland actief, maar had in de twintiger jaren daar wel ongeveer de helft van de nieuwe gebouwen op zijn naam staan. Ook bij de bekendere architecten valt een vergelijkbaar patroon te constateren. Bij Boeyinga lag het accent op Noord- en Zuid-Holland. Reitsma bouwde voor de oorlog vooral in Groningen en Noord-Holland. Plooij wordt in deze jaren met name ingeschakeld in het Midden en Westen van het land, terwijl hij ook enkele opdrachten uit Overijssel kreeg. De keuze van de architect – timmermansontwerpen zijn vermoedelijk door de strengere bouwvoorschriften vrijwel verdwenen – is waarschijnlijk steeds mede bepaald geweest door eerder gerealiseerde objecten in de omgeving.

Hoewel in enkele van Kuipers’ kerken ook vóór het hier beschreven tijdvak al figuratieve kunst te vinden is, wordt dit verschijnsel pas nu algemener. Kuipers’ Wilhelminakerk in Dordrecht (1899) had één gebrandschilderd raam, met een voorstelling van een wijnstok. In de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam (1916) kon hij royaler te werk gaan: in de rosetramen waren de ‘symbolen van het hemelruim’ aangebracht, ‘met den dierenriem tusschen het rijke ornament als vulling’.[29] Achteraf verbaast het gebruik van deze niet-christelijke elementen. Zon, maan en sterren keren terug in de Leeuwardense Koepelkerk (1923), maar tevens zijn daar vier ramen te vinden met de katholieke symbolen voor de vier evangelisten. Veel ingrijpender was de opzet van de gebrandschilderde ramen in de Zuiderkerk (1925) te Drachten. Drie van de vier wanden van de kerkzaal werden rijkelijk gevuld met bijbelse voorstellingen. Hierbij dient wel te worden opgemerkt, dat dit financieel mogelijk werd gemaakt door de firma die de ramen leverde. Deze hoopte met de ramen zijn naam te vestigen in het Noorden van het land en rekende de kerk daarom slechts een gering bedrag.   Dat er ook principiële grenzen bestonden, moest Boeyinga ervaren in de Haarlemse Kloppersingelkerk (1927). Op zes hoekpunten wilde hij beeltenissen aanbrengen van zes personen die in de kerkgeschiedenis van grote betekenis waren geweest voor de voortgang van de kerk. Kuyper was een van hen. Na protesten vanwege vermeende beeldenverering werden de trekken van de beelden gestileerder en daarmee volgens Boeyinga idealistische in plaats van realistische voorstellingen. Maar ook deze aanpassing nam niet alle bezwaren weg.

Het gebruik van nieuwe bouwstijlen zette in deze jaren sterk door, al riep dat wel het nodige verzet op. Zo stelt J. Waterink in de jaargang 1924 van De Reformatie dat de stijl van Berlage een uitvloeisel is van diens pantheïstische levensbeschouwing. Christelijke architecten zouden zich daarom voor deze bouwstijl dienen af te sluiten.[30] De architect Jac.Ph. Wormser reageert daarop in Op den Uitkijk en wijst op Berlages oriëntatie op de Romaanse kunst in ons land en in Noord-Italië, afkomstig uit een periode die sterk door het christendom gestempeld werd. Wormser wijst er daarbij fijntjes op, dat de renaissancestijl teruggaat op de heidense klassieke oudheid.[31] Verder meent hij dat de soberheid van Berlage en verwante architecten prima aansluiten bij de soberheid van de protestantse eredienst. Wormser staat zeer gereserveerd tegenover figuratieve kunst in bijvoorbeeld gebrandschilderde ramen. Grote vraagtekens plaatst hij daarom bij het gebruik van symboliek in getallen en afbeeldingen.[32] Als het al moet, dan geeft hij de voorkeur aan symbolen, zoals die in de catacomben te Rome te vinden zijn. Hij geeft niet duidelijk aan, waarom deze wel en andere niet. Vermoedelijk acht hij deze door hun oudheid het dichtst te staan bij de bijbel. Het valt niet goed uit te maken, of de discussies over bouwstijl en toegepaste kunst effect hebben gehad op de architectuur.

 

Van de in de inleiding geschetste opvattingen van Kuyper jr. en Bavinck krijgt die van de eerste de overhand. In de Gereformeerde kerkbouw is geen spoor te ontdekken van terughoudendheid en bezinning. Integendeel, in het kerkgebouw komt de vermeende rijkdom van de Gereformeerde overtuiging tot uiting. Een ‘representatieve kerk in het centrum’, zo luidt de opdracht van de Gereformeerde Kerk in Bussum (1926) voor de architect. In Zeist  kregen de Gereformeerden twee ontwerpen voorgelegd met als onderschriften: ‘uitvoering zooals deze mogelijk is’ en ‘uitvoering zooals deze gewenscht is, en waarvoor wij uw medewerking en bijdrage vragen’. De Bergwegkerk (1931) kon volgens het duurdere ontwerp worden verwezenlijkt. In de tekeningen voor de al genoemde kerk in Andijk (1930) was geen toren opgenomen. Extra giften uit de gemeente maakten het mogelijk er een fors exemplaar te plaatsen. Deze kerk krijgt al spoedig de titel ‘kathedraal’. Daaruit spreekt een groot zelfbewustzijn, dat ook elders blijkt te bestaan, zoals in Arnhem (Westerkerk, 1924), Nieuw Amsterdam (1925) en Haarlem (Kloppersingel, 1927).[33] Dit bewustzijn kan ook groteske vormen aannemen, zoals blijkt bij de ingebruikname van de Gereformeerde kerk in Medemblik (1939), waar een classispredikant het fraaie, maar kleine gebouw eveneens een kathedraal noemt.

Deze ontwikkelingen missen hun weerslag niet op de kosten. De kathedraal van Andijk komt tezamen met inrichting, nieuwe pastorie en dergelijke op meer dan fl. 180.000. De Oosterkerk (1935) te Vlaardingen van B.W. Plooij laat zien dat het goedkoper kon, al was er geen pastorie en lagen de prijzen toen door economische crisis een stuk lager. Plooij stond erom bekend, dat hij goed en goedkoop kon bouwen. Het aantal zitplaatsen was met 1.072 weliswaar zo’n 130 lager, maar de uitgaven bleven beperkt tot ongeveer fl. 65.000. De reden voor deze zuinige aanpak lag mede in het feit dat de Kerk van Vlaardingen ook nog schulden had op andere gebouwen. Dat verschijnsel deed zich vaker voor, ook al in de jaren twintig en ook in plaatsen waar slechts één kerkgebouw bestond. Typerend voor deze situatie is Tzummarum, waar nog een oude schuld van fl. 7.000 bestond, terwijl de nieuwbouw werd geraamd op fl. 23.000. Toch waagde men het erop. In de financiering treden niet veel veranderingen op. Met enige regelmaat komt het voor dat een kerkenraad kritisch is over een collecteaanvraag, omdat het voor de projecten in eigen gemeente al moeilijk genoeg is de eindjes aan elkaar te knopen. Veelzeggend is het aanbod van een projectontwikkeling in Doorwerth. De Gereformeerde Kerk van Oosterbeek krijgt in het voorjaar van 1934 een stuk grond én fl. 15.000 cadeau, als ze bereid is er een kerk te bouwen. Een jaar later kan deze feestelijk worden geopend. Ook de Rooms-Katholieken en Hervormden krijgen deze kans, al kunnen de laatsten bij gebrek aan kapitaal niet bouwen. De Gereformeerde Kerken kunnen zich kennelijk meten met de twee grootste kerkgenootschappen in het land. Zij tellen volop mee, ook politiek. In Hoofddorp was de burgemeester Gereformeerd. Bij de bouw van de nieuwe kerk (1929) maakten Burgemeester & Wethouders het mogelijk, dat het gebouw niet tussen de huizen in een straat, maar een eindje verderop op een markante hoekplaats kon worden opgetrokken. Waar elders de Hervormde kerk in het centrum lag, werd dat in Hoofddorp zo de Gereformeerde kerk.

 

Conclusie

 

Aan de hand van het verzamelde materiaal kunnen we constateren dat Bavinck in november 1919 de ontwikkeling van het Gereformeerde kerkgebouw scherp heeft samengevat. De eerste kerkjes van de afgescheidenen waren klein, in ontwerp en bouw onopvallend, aan de rand van of buiten het centrum  gelegen. In Bavincks dagen bestonden ook dat soort kerkjes nog wel, maar in het beeld overheersten door hun centrale ligging de grote kerken, gebouwd onder architectuur en nauwelijks meer te onderscheiden van Hervormde kerken. Ook de volgende 25 jaar laten dit beeld zien. De lijnen zijn zelfs nog wat steviger te zijn aangezet. Niet de tot bezinning manende gedachten van Bavinck, maar de zelfverzekerde opstelling van A. Kuyper jr. bij de ingebruikneming van de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam (1916) hebben vorm gekregen in het gereformeerde kerkgebouw. Dat loopt parallel met de maatschappelijke ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland: zij is een gevestigd kerkgenootschap geworden.

De indruk die Bavinck in 1919 had, zal versterkt zijn door de hoge kerkbouwactiviteit van de Gereformeerde Kerken, ook na de Vereniging van 1892. In zijn omvangrijke documentatie over protestantse kerkgebouwen komt H.C. van der Jagt uitgaande van het kerkenbestand op 1 januari 1973 over de bouwperiode van 1892 tot 1940 op twee keer zoveel Gereformeerde als Hervormde kerkgebouwen.[34] Zij kunnen zich dus niet alleen in situering, grootte en architectuur meten met de Hervormde, in aantal zijn zij zelfs sterk dominerend. Toen de eerste generatie afgescheidenen wettelijk de mogelijkheid kreeg om samen te komen en eigen gebouwen te betrekken voor haar samenkomsten, vielen die gebouwen nauwelijks in het oog. Nog geen eeuw later zijn onder de nieuwe kerken die van hun nazaten beeldbepalend geworden.



[1]              Bij de voorbereiding en het schrijven van dit artikel heeft Peter F. Dillingh mij met zijn commentaar ondersteund. Daarvoor ben ik hem veel dank verschuldigd.

[2]              G. Harinck, C. van der Kooi en J. Vree (red.), ‘Als Bavinck nu maar eens kleur bekende’. Aantekeningen van H. Bavinck over de zaak-Netelenbos, het Schriftgezag en de situatie van de Gereformeerde Kerken (november 1919), Amsterdam1994, 46.

[3]              A. Kuyper jr. in De Nieuwe Zuiderkerk te Rotterdam, Rotterdam 1916, met name 14 – 16.

[4]              Bij Gereformeerd met een hoofdletter wordt bedoeld: behorend tot de Gereformeerde Kerken en haar voorgangsters. Bij kerk wordt een kleine k geschreven als het kerkgebouw wordt bedoeld en een grote K bij de (Gereformeerde) equivalent van plaatselijke gemeente.

[5]              J. Hendriks, De emancipatie van de Gereformeerden. Sociologische bijdrage tot de verklaring van enige kenmerken van het huidige gereformeerde volksdeel (= Serie Maatschappijbeelden 8), Alphen aan den Rijn 1971.

[6]              Vanwege de vele geraadpleegde literatuur en de beperkte ruimte is afgezien van een uitputtend notenapparaat. Voor de paragrafen over de eerste en tweede fase is gebruik gemaakt van de serie De Afscheiding van 1834 van C. Smits (delen Gorinchem en ‘Beneden-Gelderland’, classis Dordrecht c.a., provincie Utrecht, classes Rotterdam en Leiden, Noord-Brabant en Gelderland (Oudkarspel 1971, Dordrecht 1974 – 1991)); en van de gelijknamige reeks van J. Wesseling (delen Groningen (Groningen 1973 - 1978), Friesland (Groningen 1980 – 1983), Overijssel (Groningen 1984 – 1986)  en Zeeland (Barneveld 1987 - 1989)); W. Bakker e.a. (red.), De Afscheiding van 1834 en haar geschiedenis (Kampen 1984); L.J. Wolthuis e.a. (red.), De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis (Kampen 1992). Voor de beschrijving van alle vier fasen is geraadpleegd: A.P. Crom, B.A. Endedijk, J. van Gelderen en C.J. de Kruijter (red.), Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land (Kampen 1983 – 1986); alsmede: R. Steensma en C.A. van Swigchem (red.) Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw (Kampen 1986). Tevens is gebruik gemaakt van de collectie gedenkboekjes, bijeengebracht door de voormalige Archiefdienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland, thans ondergebracht in het Landelijk Diensten Centrum van de SoW-kerken te Utrecht. 

 

[7]              In principe wordt in dit artikel bij kerkgebouwen het jaartal van ingebruikname aangehouden.

[8]              Tussen 1889 en 1920 groeide de Nederlandse bevolking met 52 %. Volgens de volkstellinggegevens nam het aantal Gereformeerden in deze periode toe met 54 %. De statistieken van de Gereformeerde Kerken lijken op een wat minder sterke groei te wijzen (volkstelling 1909: 491.451, Gereformeerde Kerken: naar schatting 430.000; volkstelling 1920: 571.834, Gereformeerde Kerken 494.268).

[9]              Deze schatting is gebaseerd op de dataverzameling van J. Sonneveld te Leidschendam (thans ondergebracht bijhetHistorischDocumentatiecentrum  voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden): op internet te vinden via: http://130.37.129.100/hdc/), VU Amsterdam). In deze verzameling zijn buiten gebruik gestelde kerken van vóór 1900 niet systematisch opgenomen.

 

[10]             Kuyper, Onze Eeredienst, 145.

[11]             Vgl. ook de vergelijkbare opvatting van E.J. Rothuizen, geventileerd in diens Onze kerkgebouwen. Een brochure geschreven met het doel om meer belangstelling op te wekken voor de architectuur van en de symboliek in het gereformeerde kerkgebouw (Arnhem 1918), 28, waarbij het overigens de vraag is wat hij bedoelt met een ‘toren op het centrum van de kerk’: een dakruiter boven de viering, als het om een kruiskerk gaat, of een toren in de nabijheid van de hoofdingang.

[12]             Vgl. Tj. Kuipers in De Nieuwe Zuiderkerk, 18: ‘Die toren moest massief zijn om een equivalent te vormen met den spitsen toren van de Roomsch Katholieke Kerk’.

[13]             Zie voor beiden: P. Karstkarel en R. Terpstra, ‘De gebroeders Kuipers, architectuur in een overgangstijd’, in; Wonen – TA/BK 3 (1976), nr. 2, 5 – 15. Zie voor Tjeerd ook: P.F. Dillingh, ‘Kerkbouw naar Kuyperiaans bestek. Tjeerd Kuipers’ontwerp van de Wilhelminakerk te Dordrecht (1898-1899)’, in Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis 2 (1999), 76 – 84 en de daar gegeven literatuur. Een overzicht van diens kerkgebouwen biedt: http://home.hetnet.nl/~peterdillingh/

[14]             Tj. Kuipers in: De Nieuwe Zuiderkerk, 18.

[15]             A. Kuyper, Onze Eeredienst (Kampen 1911), 144 (vgl. 145), als artikel verschenen in De Heraut  nr. 1065 (22 mei 1898).

[16]             Kuyper spreekt over een ‘amphitheater’ (Onze Eeredienst, 116), maar lijkt in zijn beschrijving van een halve cirkel een (klassiek) theater te bedoelen. In Kuipers’ plattegrond van de Wilhelminakerk komt zowel de halve als de hele cirkel terug.

[17]             Tj. Kuipers in: De Nieuwe Zuiderkerk, 17.

[18]             Vgl. voor dit laatste Kuyper, Onze Eeredienst, 78 en 145.

[19]             Het is onwaarschijnlijk, dat het gebruik van het Griekse kruis is geïnspireerd door de onder Gereformeerden populaire laat zestiende en vroeg zeventiende eeuwse periode. Kuyper zelf meende, dat in die periode vooral een rond of ruitvormig gebouw onder protestanten opgeld deed (Onze Eeredienst, 109v). Maar M.D. Ozinga, Protestantsche kerken hier te lande sticht – 1596 – 1793. Onderzoek naar hun bouw- en ontwikkelingsgeschiedenis (Amsterdam 1929), 148, heeft aangetoond, dat men zich ‘juist voor de kerkgebouwen der publieke kerk nimmer tevreden [heeft] gesteld met zaalinterieurs, doch gaf men hun bij voorkeur een statigen centraliseerend-kruisvormigen of regelmatig veelhoekigen aanleg.’

[20]             Zie de bijlage (niet in de internetversie opgenomen). N.B. De gegevens van de volkstelling zijn in 1920 en 1930 ongeveer 70.000 hoger dan de eigen statistieken van de Gereformeerde Kerken. In 1947 is het verschil een kleine 40.000.

[21]             De schatting van het aantal nieuw gebouwde kerken is gebaseerd op de dataverzameling van J. Sonneveld te Leidschendam (zie noot 9). Vergelijking met ander materiaal laat zien, dat het soms ook gaat om grondig verbouwde kerken. Voor de gesignaleerde tendens maakt dit echter geen verschil.

[22]             Voor Boeyinga, zie: H.J.Ph.G.Kaajan, ‘Bij de sloop van Wassenaars Zijllaankerk’, in: De Hoeksteen 27 (1998), 104 – 118, en de daar genoemde literatuur, in het bijzonder: H.J.Ph.G. Kaajan, ‘Boeyinga’s rol in Haarlems gereformeerde kerkbouw tussen de wereldoorlogen’, in: Haerlem Jaarboek 1990, 119 – 151.

[23]             B.T. Boeyinga, Kerkbouw en de Kerk aan den Kloppersingel te Haarlem [Haarlem 1927].

[24]             Boeyinga, Kerkbouw, 10.

[25]             Boeyinga, Kerkbouw, 18.

[26]             Boeyinga, Kerkbouw, 8.

[27]             Architect A. Kool neemt in 1932 nog kritiekloos Kuypers opvatting over (De Standaard, 29 januari 1932). Een kritische ondertoon is te beluisteren in zijn waardering voor de kruiskerk: ‘vooral voor kerken van niet te groote afmetingen een zeer bruikbaar type’ (De Standaard, 15 april 1932).

[28]             N.B.: Anders dan dikwijls geschreven, is het volgens de gegevens van de burgerlijke stand niet Plooy, maar Plooy. Met dank aan kleinzoon B.W. Plooij te Amersfoort die mij dit en ander materiaal over de architect verschafte.

[29]             Tj. Kuipers in: De Nieuwe Zuiderkerk, 20.

[30]             N.B. De enige kerk die Berlage bouwde is van later datum, namelijk die voor Christian Scienc (1925) in ‘s- Gravenhage.

[31]             Jac.Ph. Wormser in Op den Uitkijk 2 (1925-26), 584vv. Wormser schreef in de jaargangen 2 en 3 van genoemd tijdschrift een serie van in totaal zestien artikelen onder de titel ‘Onze kerkgebouwen’.

[32]             Zo onder meer in Op den Uitkijk 2 (1925-26), 606v, 665vv; Op den Uitkijk 3 (1926-27), 264 – 268, 361 – 364.

[33]             Het is opmerkelijk, dat J. Vrieze (in: Schoon & Vroom. Kunst in de kerk aan het eind van de vorige eeuw bij Gereformeerden en Katholieken (Amsterdam 1980)) bij de karakterisering van de Amsterdamse Keizersgrachtkerk (1888) als ‘kathedraal der gereformeerden’ verwijst naar De Heraut in juist deze periode (c.q. 1930).

[34]             H.C. van der Jagt, De naamgeving van de protestantse kerkgebouwen in Nederland vanaf de Reformatie tot 1973 (Utrecht 1981), 240v, komt in het kerkenbestand per 1 januari 1973 op 389 Gereformeerde en 191 Hervormde kerkgebouwen uit de periode tussen 1892 en 1940. Vermoedelijk zijn dit voor beide denominaties echter niet alle gebouwen. Bij de Gereformeerde Kerken zijn bijvoorbeeld niet meegerekend de gebouwen die in 1973 in gebruik waren bij de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. De hiervoor aangehaalde Inventarisatie van Sonneveld komt alleen al voor de gereformeerde objecten op een aantal van ongeveer 650.