Een gedegen wegwijzer in de veelheid van riten en symbolen

RITUELEN IN OVERVLOED

Rituelen in overvloed Rituelen in overvloed. In de jaren zeventig en begin jaren tachtig heeft het erop geleken dat het ritueel verdwijnen zou. Kerken en gelovigen keken kritisch naar hun eigen traditie en veel van wat naar vroeger rook, ging overboord. Het had geen zin, geen functie meer, leek niet meer aan te sluiten bij de belevingswereld van de moderne gelovige. Dat was ook zo. Maar het einde van het ritueel als zodanig betekende dit beslist niet. Nadat al eerder een soort van tegenbeweging opgekomen was, ontstond in de jaren negentig een vloedgolf aan nieuwe rituelen. Denk bijvoorbeeld aan kampioenschappen voetbal en wat daar allemaal bij komt kijken aan kleurige - maar vooral oranje - uitdossingen, leuzen, liederen en andere uitingen. Heel duidelijk is de ontwikkeling van nieuwe rituelen ook bij begraven en cremeren. Mensen kiezen niet meer vanzelfsprekend voor een sober stichtelijk woord van een voorganger en toespraken van andere aanwezigen, zoals bij protestanten, of voor het uitvoerig ritueel met dodenwake en requiemmis, zoals bij rooms-katholieken. Maar helemaal niets . Nee, dat is nu ook de bedoeling weer niet. Reclamefilmpjes van begrafenisondernemers maken ons nu duidelijk, hoe mensen hun uitvaart zouden willen regelen. Heel persoonlijk, elk met een eigen ritueel.

Van crisis naar overvloed
Het is de grote verdienste van de Tilburgse emeritus-hoogleraar Gerard Lukken, dat hij een studie geschreven heeft over het verschijnsel ritueel onder de titel Rituelen in overvloed. Hij schreef al eerder over dit thema. In 1984 verscheen Geen leven zonder rituelen. Toen, terwijl de rituelencrisis nog goed merkbaar was, toonde Lukken aan dat een mens niet zonder rituelen kan. De titel van het recent verschenen boek Rituelen in overvloed laat zien dat de tijden veranderd zijn. Tegelijk proef ik er een zekere uitdaging in in de richting van het kerkelijk gezag dat er alles aan doet om een zekere eenheid te bewaren in de rituele verscheidenheid van dit moment. Rome mag dat dan soms door hardhandige maatregelen proberen af te dwingen, in de SoW-kerken worden eveneens pogingen ondernomen om de grenzen van het liturgisch ritueel te bewaken, zij het veel voorzichtiger, uitnodigender. De verschijning van de achtereenvolgende delen van het Dienstboek met ondanks alle verscheidenheid duidelijke aanwijzingen voor de verschillende vormen van liturgie alsmede het cursusaanbod om voorgangers en liturgiecommissies daarin wegwijs te maken zijn daar voorbeelden van. Het is overigens niet zo, dat Lukken het christelijk ritueel geen eigen plaats geeft. In een slothoofdstuk 'De eigen identiteit van het christelijke ritueel' gaat hij daar nog eens apart op in, hoewel deze thematiek ook elders in het boek geregeld aan de orde wordt gesteld. Lukken benadrukt weliswaar het unieke karakter van het christelijk ritueel, maar bepleit tevens ruimte in de kerkelijke wetgeving bij de romeinse gezagsdragers. Zo wordt steeds weer, maar toch vooral aan het slot de ondertitel van Lukkens studie waar gemaakt: Een kritische bezinning op de plaats en de gestalte van het christelijk ritueel in onze cultuur.

Uitvoerig overzicht
Wie zich in het land van de rituelen wil verdiepen, vindt in Lukkens boek een prima inleiding. Het is systematisch van opzet, de lijnen worden duidelijk uitgezet. Lukken zet in bij symbool, symboolhandeling en symbooltaal, die tezamen het fundament vormen voor elk ritueel - dat voor hem als begrip samenvalt met rite. Vervolgens gaat Lukken in op het ritueel zelf, waarbij jammer is dat de definitie van dit cruciale begrip wat diffuus blijft, terwijl hij elders steeds zo helder formuleert. Terloops bespreekt hij ook het verschil met de gewoonte, dat eveneens door herhaling gekarakteriseerd wordt. Anders dan het ritueel echter bezit deze routinehandeling geen verwijzend karakter. Naast de herhaling worden ook tal van andere dimensies van het ritueel besproken: de bemiddeling tot het verleden, de therapeutische mogelijkheden, het expressieve, het sociale, enzovoort. Ook aspecten van ruimte, tijd en muziek komen aan de orde. Dan komt Lukken te spreken over de relatie tussen het ritueel en de cultuur. Tussen beide bestaat een spanningsveld. Het ritueel verandert in principe met de cultuur, maar de cultuur mag nooit overheersend worden. Tegelijkertijd bestaat het gevaar van nostalgie, alsof alleen het oude kwaliteit heeft. In het vervolg probeert Lukken een weg te wijzen voor het christelijk ritueel. Opvallend is de parallel die hij trekt met de Grieks-Romeinse wereld van de eerste eeuwen van onze jaartelling. Het was net als nu een samenleving vol rituelen met betrekking tot de goden, de keizer, stad en staat, de grote feesten, geboorte, huwelijk en dood. Enerzijds zetten christenen zich hier fel tegen af. Anderzijds kreeg het christelijk ritueel juist in wisselwerking met deze cultuur zijn gestalte. De witte toga bijvoorbeeld is een klassiek kledingstuk; het kyrie in onze liturgie stamt uit deze samenleving. In het huidig tijdsgewricht signaleert Lukken wel een overmatige invloed van de commercie. Dat vraagt om een kritische attitude. Maar is dat eigenlijk ooit wel anders geweest, zo vraag ik in dit overzicht tussendoor. Denk aan de Artemis-cultus in Efese, waarmee Paulus in conflict kwam. Ook tal van andere ontwikkelingen krijgen een plaats in Lukkens betoog: de groeiende invloed van andere religies, de implicaties van de aanwezigheid van de moderne media, de betekenis van het 'kleine verhaal' in een postmoderne maatschappij, om maar een paar te noemen. We worden verder op de hoogte gebracht van de stand van zaken met betrekking tot de zogenaamde overgangsrituelen, met name het specifiek christelijk aspect daarvan, rond initiatie, huwelijk, vergeving en verzoening, ziekte en dood. In het slothoofdstuk laat Lukken zien, dat het eigene van christelijke (overgangs)rituelen is gelegen in de relatie tot wat hij het paasmysterie noemt. Het ritueel mag dan een antropologisch gegeven zijn, 'de kortsluiting met onze antropologie, het theologisch moment, voltrekt zich daar waar lijden en dood een weg blijken te zijn naar de opstanding. Daar stoot je op een onoverbrugbare kloof.' (blz. 319)

Belang
Helaas gebeurt het wel vaker dat rooms-katholieke auteurs het protestantisme over n kam scheren. Ook Lukken ontkomt er niet aan. Hij blijkt de nuanceringen onvoldoende te kennen. Handelend over de intercommunie schrijft hij: 'terwijl de reformatie een open deelname aan het avondmaal kent ()'. In de eerste plaats is het woord reformatie hier voor misverstanden vatbaar. Bedoeld is: de kerken van de reformatie. Maar ook verder klopt het niet. Een belangrijk deel van de calvinistische kerkgenootschappen in ons land kent een praktijk waarin juist de toelating tot de avondmaalstafel duidelijk afgegrensd is. Ook vallen er wel enkele vragen te stellen bij Lukkens visie op de christelijke rituelen. Ze zijn volgens hem uniek, hebben een onvervangbare identiteit, maar hebben tegelijk een plts naast andere authentieke hedendaagse zingevingsrituelen. Is daar het eigene, unieke van de opstanding dat in bijvoorbeeld de sacramenten wordt bemiddeld voldoende gepeild? Verder zal menigeen een wat gedegener bijbels-theologische uiteenzetting missen. Dit neemt niet weg, dat Lukkens studie ook voor protestanten waardevol kan zijn. Het maakt ons ervan bewust dat hoe sober het ritueel ten onzent dikwijls ook is, het is een ritueel en heeft vaak onvermoed een verwijzend karakter. Maar verwijst de rommelig opgezette eredienst, een bepaalde kledingcode, de aftandse kerkzaal ook naar datgene, waar we naar willen verwijzen? Als we vervolgens de blik van onze traditie naar de hedendaagse situatie wenden, kunnen we constateren dat ook wij worden benvloed door de hang naar rituelen. Lukken reikt ons een aantal handvaten aan om hier op een goede wijze mee om te gaan. We kunnen zowel individueel als in kerkelijk verband aan de slag.

Gerard Lukken, Rituelen in overvloed. Een kritische bezinning op de plaats en de gestalte van het christelijk ritueel in onze cultuur (Baarn 1999; 399 blz.; ISBN 90 304 0978 9), fl. 59,50.