De komst van de toga

Deze recensie verscheen in: Eredienstvaardig 18 (2002), 37.

M.J. Aalders, De komst van de toga. Een historisch onderzoek naar het verdwijnen van mantel en bef en de komst van de toga op Nederlandse kansels, 1796 - 1898 (Delft 2000); ISBN 90-5166-857-0, Ä 17,90.

In 1854 beval de Hervormde synode het gebruik aan van de zwarte toga (met witte bef, en baret) in de eredienst. O.J. de Jong vermeldt dit gegeven in zijn handboek Nederlandse kerkgeschiedenis. Over de achtergronden en de doorwerking van dit besluit laat hij de lezers echter in het ongewisse. Er is tot op heden dan ook betrekkelijk weinig over dit onderwerp gepubliceerd. Kerkhistoricus M.J. Aalders voorziet met zijn studie De komst van de toga in deze lacune. Hij gaat nauwkeurig na, hoe de tot dan toe gebruikelijke ambtskleding, mantel en bef, in de eerste helft van de 19e eeuw snel terrein verloor en de toga na de synodale aanbeveling opvallend snel haar intrede deed. Zo krijgen we een beeld van de afgescheidenen, waar de traditionele mantel en bef uiteindelijk ook uit beeld verdwenen, maar plaats maakten voor het jacquet of andere passend geachte kleding. Verder maakt Aalders ons bekend met de ontwikkelingen bij Lutheranen en Remonstranten die de Hervormden in hun besluit over de toga waren voorgegaan. Ook de situatie in de Waalse gemeenten en in het buitenland - met name het voor de Lutheranen belangrijke Duitsland - worden in de beschrijving betrokken. Aalders maakt gaandeweg duidelijk, dat bij invoering van de zwarte toga liturgische en theologische argumenten zo goed als geen rol hebben gespeeld. De toga is in belangrijke mate een standsgewaad (geweest). De predikant onderscheidde zich van aansprekers en van voorgangers in afgescheiden kring, die mantel en bef nog wel droegen. Hij identificeerde zich met de klasse van juristen en hoogleraren, die zich bij de uitoefening van hun beroep ook in toga hulden.

Het aardige van dit boek vind ik, dat Aalders in zijn beschrijving leert scherp en kritisch te observeren. Dat heeft alles te maken met een opmerking over kleedgedrag in de inleiding: 'Kleding verschaft identiteit, veiligheid, herkenbaarheid, eventueel gezag en prestige.' (9) Zo ben ik me gaan afvragen, hoe de zwarte toga na de Tweede Wereldoorlog in de Gereformeerde Kerken zo snel terrein heeft kunnen winnen. We weten, dat er een verschuiving plaatsvond in de waardering van de preek. Deze kwam voor de kerkgangers minder direct in het verlengde te liggen van de Schrift, Gods Woord. Moest de toga het gezag van de voorganger op de kansel onderstrepen? Het lijkt er veel op. En wat te denken van de opkomst van de witte toga in de kerkgenootschappen die nu Samen Op Weg zijn? We zouden kunnen wijzen op liturgische argumenten, maar er is vast meer aan de hand. Hoe komt het dat predikanten in het brede midden van deze kerken in het algemeen op gelijke voet met hun gemeenteleden omgaan, maar zich in de eredienst zo nadrukkelijk (blijven) onderscheiden? Welke betekenis kan eraan gegeven worden, dat predikanten een gewaad kiezen dat tegenwoordig exclusief kerkelijk is? En welke gevolgen heeft het dat dit gewaad is overgeleverd door een traditie die sterk gestempeld is door hiŽrarchisch denken? Enzovoort. De historische distantie is op dit moment nog onvoldoende om een helder, overtuigend antwoord te kunnen formuleren, maar Aalders zet me wel aan het denken.

Klaas-Willem de Jong.