VAN FORMULIER NAAR TAFELGEBED

‘Moet je nu je ogen sluiten bij het tafelgebed, of niet?’ Deze vraag verwoordt de onzekerheid die het tafelgebed als gebed in de avondmaalsviering oproept. Wat is het eigene van dit gebed?

De onzekerheid over het tafelgebed heeft alles te maken met de geschiedenis van de avondmaalsviering in de protestantse kerken naar calvinistisch model. De gang van zaken bij het avondmaal werd beschreven in een formulier. Dat bestond voor een groot deel uit een leerstellige uiteenzetting over het avondmaal. Deze werd elke keer vóór het delen van brood en wijn voorgelezen. In sommige plaatsen liet men na verloop van tijd in een avondmaalsdienst de preek maar achterwege. Die was eigenlijk overbodig geworden. De uiteenzetting in het formulier bood immers net zo goed uitleg en verkondiging van de Schrift als een preek.
Ten onrechte wordt het formulier nog wel eens geïdentificeerd met de leerstellige uiteenzetting. Dat is slechts een onderdeel. Het formulier bevat bijvoorbeeld ook voorschriften welke gedeelten uit de Bijbel gelezen dienden te worden tijdens het rondgaan van brood en wijn aan tafel. In het algemeen hebben de kerken zich echter aan dit soort aspecten minder gelegen laten liggen. Zo werden de gebedsteksten veelal beschouwd als voorbeelden, waar de voorganger naar believen op kon variëren.

Nocturnen
In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw kwam de Liturgische Kring (in de Nederlandse Hervormde Kerk) met voorstellen voor een nieuwe avondmaalsorde. Inhoudelijk rezen er vragen bij het formulier, onder meer over de strenge bewoordingen aangaande het zelfonderzoek: heb ik voldoende berouw over mijn zonden om de tekenen van vergeving, brood en wijn, te mogen ontvangen? De lengte van het leerstellig deel belemmerde een frequentere bediening van het avondmaal. Tevens begon men over kerkgrenzen heen te kijken, eerst naar andere kerken uit de Reformatie, later ook naar de Rooms-Katholieke en Oosters-Orthodoxe kerk. Een sterk vernieuwende impuls ging uit van de Nocturnen-experiment in de Amsterdamse Maranathakerk, eind jaren ’50. Hier werd in Nederland de basis gelegd voor het tafelgebed zoals wij dat nu kennen.

Oecumene
De overstap van formulier naar tafelgebed is meer dan een overstap van reformatie naar oecumene. In het formulier overweegt het didactische. De predikant brengt de gemeente het heilswerk van Christus in gedachtenis. Dat vindt zijn hoogtepunt in het samen eten en drinken naar Zijn opdracht. In het tafelgebed is het accent komen te liggen op het vierende. Het is de gemeente die viert en gedenkt. Dit wordt onderstreept door de responsies en acclamaties die de gemeente zegt en zingt. De gedachtenis strekt zich uit over heel de viering. Het danken, het dankzeggend bidden in het tafelgebed, is daar een onderdeel van. Het is onmogelijk in de beperkte ruimte van dit artikel recht te doen aan alle vooronderstellingen en consequenties van de verschuiving van het reformatorische naar het oecumenische model.

Didachè
De geschiedenis van het tafelgebed is bijzonder gecompliceerd. Toch kunnen we met zekerheid vaststellen dat Joodse zegenspreuken erop van invloed zijn geweest. Die beginnen en eindigen met woorden als ‘Gezegend zijt Gij, Heer onze God’. Zo ook zet een van de oudst bekende gebeden uit de Didachè in met de woorden:

Wij zegenen U, Vader,
vanwege de heilige wijnstok, David, uw knecht (…)

Dienstboek, p. 327.

Veel oude en nieuwe tafelgebeden hebben een trinitarische opbouw, maar noodzakelijk is dat niet. Het eerste deel, de zogenaamde prefatie, bevat een dankzegging aan God de Vader voor al datgene wat Hij heeft gedaan. In de prefatie kan het eigene van het kerkelijk jaar een plaats krijgen:

(…) dat hebt Gij in die nacht bewerkt
die ons verhaald wordt door getuigen
van de eerste dag, het vroegste licht:
die nacht waarin Gij Jezus Christus
uit de doden hebt opgewekt.
Dienstboek, p. 250.

Het zal de lezer duidelijk zijn, dat deze prefatie van de hand van prof.dr. N.A. Schuman zich richt op Pasen. Dat gebeurt niet zozeer op verkondigende als wel op biddende wijze. Gód wordt aangesproken: Gij, U, in de tweede persoon. In een vertelling of een preek zou het zijn: Hij heeft (…) naar ons omgezien.

Instelling
Op de prefatie volgt het hart van het tafelgebed. De weg van Jezus wordt getekend, uitlopend op de avond waarop Hij de maaltijd met zijn leerlingen vierde. De Bijbelse woorden van de instelling worden geciteerd. In het formulier is dit Schriftlezing. In het tafelgebed is het primair toepassing van de Schriftlezing: doen wat Jezus heeft opgedragen, aan tafel te handelen tot Zijn gedachtenis. In dat geheel worden de instellingswoorden ingebed. De gedachtenis richt zich echter op alles wat Hij heeft gedaan, in het bijzonder in dood en opstanding. Dit gedenken geschiedt in het heden met het oog op de toekomst: het bepaalt ons leven van vandaag met het oog op morgen.

Geest
De meeste tafelgebeden besluiten met een epiclese, een gebed om de Heilige Geest. Dat zal de gebruiker van het formulier ook niet onbekend in de oren klinken. Daar luidt het gebed voorafgaande aan de communie:

(…) wij bidden U, dat Gij in dit Avondmaal,
waarin wij oefenen de heerlijke gedachtenis
van de bittere dood van uw lieven Zoon Jezus Christus,
door uw Heilige Geest in onze harten wilt werken (…)
Dienstboek, p. 342.

In de calvinistische traditie is het gebed om de Geest per definitie een zogenaamde communie-epiclese. Gevraagd wordt dat het eten en drinken heilzaam mogen uitwerken. W.R. van der Zee verwoordt dat in zijn tafelgebed voor de Paastijd zo:

Kom met uw Geest in ons midden
en beadem ons bestaan,
dat wij als opgewekte mensen
uw liefde delen,
uw waarheid spreken,
uw recht en vrede behartigen (…)
Dienstboek, p. 221.

Het Onze Vader vormt de overgang van tafelgebed naar communie.Ook het formulier kent dit gebed. De bede om het dagelijks brood krijgt er een extra dimensie door.

Vragen
In de eerste protestantse kennismaking met het tafelgebed enkele decennia geleden was het tafelgebed sober van karakter. De veelal trinitarische structuur was duidelijk te herkennen. In het Dienstboek komen we ook nieuwe ontwikkelingen tegen, met name in het gedeelte gericht op de Geest. Zo gaat Schuman een stap verder, als hij de Geest ook afroept over de tekenen van brood en wijn, een gaven-epiclese:

Kom, o Geest des Heren, kom
Daal op deze gaven neer,
vernieuw het geschonden gelaat
van de mensenwereld, deze aarde,
en doe uw vruchten in ons groeien (…).
Dienstboek, p. 254.

Een dergelijke tekst roept, hoe mooi geformuleerd ook, de nodige vragen op. Waarom moet de Geest op brood en wijn neerdalen? Wat heeft dát van doen met het vernieuwen van de wereld? Ik kan me wel iets voorstellen bij een gebed om de Geest over de wereld, maar dat hoort dan bij de voorbeden. Ook zie ik wel een lijn die loopt via de gelovigen die brood en wijn ontvangen en opstaan tot een nieuwe leven. De bede over de gaven is wat dit betreft onduidelijk. Ze voegt verder niets toe.
Een andere vernieuwing in het slot van het tafelgebed betreft het noemen van de namen van zieken en overledenen. Zij worden zo betrokken nadrukkelijk betrokken bij de grote kring van de kerk in hemel en op aarde die de Maaltijd viert. Er wordt niet gebeden ten gunste van de overledenen, zoals in de Rooms-Katholieke Kerk. Toch is het gevaar groot dat de namen afleiden van de gedachtenis van Gods grote daden, waar het in het tafelgebed om moet gaan.

Ogen dicht?
‘Moet je nu je ogen sluiten bij het tafelgebed?’ Die vraag is nog niet beantwoord. Het ogen sluiten bij het bidden is bedoeld om de concentratie te versterken. Bij een tafelgebed zou het wel eens concentratieverhogend kunnen werken door de ogen geopend te houden en het gebed mee te lezen. Verder is een tafelgebed méér dan een gebed. Het is ook lofprijzing, geloofsbelijdenis, duiding van de tekenen van brood en wijn, verkondiging. Daarbij houden we de ogen meestal geopend. Omdat we dat nu eenmaal gewend zijn, maar ook omdat we dat doen met het oog op elkaar en de wereld om ons heen.

Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is gepubliceerd in Woord & Dienst 52 (2003), 24 mei


© 2003, KWdJ