OU-studiecentrum Eindhoven

Nederlands Recht


Van 2002 tot 2010 studeerde ik Nederlands Recht aan de Open Universiteit.

Het mastergetuigschrift werd op vrijdag 25 juni 2010 uitgereikt (foto gallery) in het OU-studiecentrum Eindhoven.

Uitreiking getuigschrift
Prof.mr. T.J. van der Ploeg, hoogleraar privaatrecht aan de VU Amsterdam, begeleidde mij bij mijn afstudeerscriptie. De titel van de scriptie luidt: Recht in de wereld, maar niet van de wereld. De invloed van het eigen kerkrecht op de uitkomst van een onrechtmatigedaadsactie van een individu tegen het kerkgenootschap waarbij hij betrokken is.
De scriptie is hier integraal te downloaden.

Nederlands Juristenblad De redactie van het NJB (Nederlands Juristenblad) verleende aan de scriptie het predicaat 'topscriptie': NJB 2010, afl. 23, p. 1515-1516. Zie verder de weblog van de NJB onder topscripties.


Samenvatting
Een predikant treedt op als bemiddelaar in een burenruzie. Ten overstaan van de kerkenraad ondertekenen de strijdende partijen een overeenkomst. Een onafhankelijke taxateur zal de waarde van het huis van de een vaststellen. De ander zal het voor die prijs kopen. Komt een partij de overeenkomst niet na, dan treedt een boetebeding in werking. Als vervolgens de getaxeerde waarde van het huis sterk tegen blijkt te vallen, stapt de eigenaar van het huis naar de rechter. Hij stelt dat de predikant en daarmee de kerkelijke rechtspersoon Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort de zaak onrechtmatig heeft beïnvloed. De predikant heeft zijns inziens met name door veel te bidden zijn gezag en functie misbruikt.

Deze casus dient als voorbeeld voor vele andere. Met enige regelmaat stellen kerkleden een onrechtmatigedaadsactie in tegen de kerk waarvan zij lid zijn. Naar welke normen de rechter dient te oordelen? In deze scriptie onderzoekt Klaas-Willem de Jong in hoeverre het eigen kerkrecht de uitkomst dient te bepalen van een onrechtmatigedaadsactie van een individu tegen het kerkgenootschap waarbij hij betrokken is?

De auteur ontwikkelt een model waarin hij binnen het kader van de vraagstelling drie situaties onderscheidt. Hij geeft zich daarbij rekenschap van het grondrecht vrijheid van godsdienst en de bijzondere positie die kerk en kerkrecht in het Nederlandse rechtsstelsel innemen. Als een uiting geen externe werking heeft, maar zich beperkt tot het kerkgenootschap als zodanig, kan zijns inziens geen sprake zijn van een onrechtmatige daad (bijvoorbeeld: het besluit om een bepaald type kerkdienst niet meer te houden). Er is dan namelijk geen sprake van schade in de zin der wet. In feite vallen deze uitingen buiten de vraagstelling.

Als er wel sprake is van externe werking dienen twee situaties te worden onderscheiden. Als de uiting primair intern gericht is, is de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW van toepassing (bijvoorbeeld: een geestelijke die zijn aanstelling verliest). De uiting wordt marginaal getoetst. In het formuleren van de zorgvuldigheidsnorm wordt het eigen kerkrecht als uitgangspunt genomen. Als toepassing van een regel naar redelijkheid en billijkheid voor het kerklid onaanvaardbaar is, kan deze terzijde geschoven worden. Als de uiting extern werkt en ook extern gericht is, moet de toepasselijke norm ontleend worden aan hetgeen naar algemeen maatschappelijke opvattingen als rechtmatig wordt gezien. De beschreven casus is daar een voorbeeld van. De rechter beoordeelt de bemiddeling naar algemene maatstaven. Het bidden kan naar zijn overtuiging ‘niet als een verrassing zijn gekomen.’ Het is een omstandigheid die past bij het optreden van deze bemiddelaar. De auteur betoogt verder dat een kerkgenootschap in beginsel in zijn regelgeving kan afwijken van de rechtswaarborgen van artikel 6 EVRM. De ruimte hiervoor is in de praktijk echter bescheiden. De burgerlijke rechter zal afwijking afwijzen als de gevolgen daarvan voor het kerklid onaanvaardbaar zijn.

Lees hier (PDF-bestand, 422 KB) de scriptie Recht in de wereld, maar niet van de wereld.