HERINRICHTINGSPLAN VOOR

HEEMTUIN DE ZOMP


Aanvulling op het Beleidsplan Herinrichting Zomp



BEHEERS- EN ONDERHOUDSPLAN VOOR DE ZOMP


In onderstaand overzicht staat voor elk van de nieuwe vakken aangegeven wat de heersende abiotische factoren zijn, wat het gewenste uiterlijk is, en wat de gewenste vegetatie voor de boom/struiklaag is. Daarnaast is aangegeven welke plantensoorten zich gezien de heersende abiotische factoren in de bijbehorende kruidlaag thuisvoelen. Tenslotte is aangegeven hoe elk vak onderhouden dient te worden. Vanwege variatie in vochtigheid en schaduwrijkheid binnen individuele vakken, zijn de vakken C,E,F en G weer onderverdeeld in een aantal subvakken.


VAK A: Droge, voedselarme bossen

* A.1 ( Ligging):
- Hoog gelegen, smalle strook die wordt ingesloten door de Fangmanweg en de publieks- en dienstingang van de Zomp

* A.2 (Abiotische situatie): - Droog, voedselarm tot matig voedselrijk

* A.3 (Gewenst uiterlijk):
- Bosachtig/struweel met als streven voor de boom/struiklaag een begroeiing van de armere gronden en voor de kruidlaag een begroeiing van de droge tot vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bossen.
- Hoofdzakelijk een ondergroei van klimop, met daarin plaatsen die daarvan worden vrijgehouden ten gunste van andere vegetatie.

* A.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Type vegetatie voor droge, armere bossen met als kensoorten: Zomereik, Ruwe berk, Grove den, Wilde lijsterbes, Amerikaans krenteboompje, Sporkhout

* A.5 (Vegetatie kruidlaag):
- Type vegetatie voor de droge tot vochtige, voedselarme tot matig voedelrijke bossen. In dit vak is duidelijk sprake van een verrijking van de bodem, met als dominante soort klimop.
- Gewenste soorten voor de opengehouden plaatsen zijn: Dalkruid, Wilde kamperfoelie, Bleeksporig bosviooltje, Lelietje-der-dalen, Hondsviooltje, Witte klaverzuring, Ruige veldbies, Schaduwgras, Bosgierstgras, Gewone salomonszegel, Bosanemoon, Blauwe bosbes, Klein springzaad, Onze lieve vrouwe bedstroo, Kleine maagdenpalm, Knopig helmkruid, Rode bosbes, Valse salie, Rankende helmbloem

* A.6 (Onderhoud):
- Om het gebied niet verder te laten verbossen, zal het snoeien of kappen van bomen en struiken die een te grote omvang hebben gekregen, noodzakelijk zijn.
- In de plaatsen die vrijgehouden worden van klimop, dienen planten zich te ontwikkelen of aangeplant te worden die zich ook ten opzichte van de klimop goed in stand kunnen houden.
- De van klimop vrijgehouden plaatsen dienen vanaf het pad goed zichtbaar te zijn.
- Boom- en struiksoorten die veel licht wegvangen, dienen zoveel mogelijk geweerd of in toom gehouden te worden.
- De opengehouden plaatsen met aangeplante vegetatie dienen zo licht mogelijk gehouden te worden. Open plaatsen moeten voldoende groot gehouden worden.
- Ongewenste boom- en struikopslag dient verwijderd te worden.
- In de open plaatsen dient de kruidopslag, met uitzondering van de klimop, zich zoveel mogelijk spontaan te ontwikkelen.
- In de vrijgehouden plaatsen dient niet gewied of geschoffeld te worden.
- Soorten die zich na aanplant niet kunnen handhaven, dienen niet opnieuw aangeplant te worden.
- De bodem dient zoveel mogelijk verarmd worden door snoeiafval e.d. te verwijderen. De verdere uitgroei van klimop dient tegengegaan te worden.


VAK B: Droge/vochtige voedselrijke bossen

B.1 (Ligging):
- Smalle strook, halverwege de helling tussen vak A en de vijverrand

B.2 (Abiotische situatie):
- Matig voedselrijk tot voedselrijk
- Vochtig

B.3 (Gewenst uiterlijk):
- Bosachtig/struweel met een vegetatie van de matig voedselrijke bossen
- Ondergroei van klimop met daarin vrijgemaakte plaatsen voor andere vegetatie

B.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Type vegetatie voor vochtige, matig voedselrijke bossen
- Kensoorten: Beuk, Wintereik, Winterlinde, Haagbeuk, Hazelaar, Tweestijlige meidoorn, Wilde lijsterbes, Hulst, Gewone es, Zoete kers, Spaanse aak. Op de lager en vochtiger gelegen gedeelten, met name in de omgeving van waar nu de Bonte gele dovenetel groeit, bestaan mogelijkheden voor een struweel met Gewone vlier, Tros(berg)vlier, Boswilg, Esp, Kruisbes en Framboos.

B.5 (Vegetatie kruidlaag):
- Type vegetatie voor vochtige, minder voedselarme bossen
- Dominante soorten: klimop
- Gewenste soorten (deels overeenkomstig met vak A): Bosanemoon, Schaduwgras, Gewone salomonszegel, Lelietje-der-dalen, Witte klaverzuring, Bleeksporig bosviooltje, Donkersporig bosviooltje, Bosgierstgras, Grote muur, Wilde kamperfoelie, Mannetjesvaren, Gele dovenetel, Brede stekelvaren, Smalle stekelvaren, Knopig helmkruid, Kleine maagdenpalm, Dalkruid, Valse salie, Ruige veldbies, Boszegge. Op de lager en vochtiger gelegen gedeelten, in de omgeving van de plaats waar nu de Bonte gele dovenetel groeit, bestaan bij voldoende licht wellicht mogelijkheden voor soorten als Bosandoorn, Slanke sleutelbloem, Gevlekte aronskelk, Groot springzaad, Kruipend zenegroen, Groot heksenkruid, Slanke sleutelbloem en diverse varensoorten.

B.6 (Onderhoud):
- Om het gebied niet te laten verbossen, zal het kappen en snoeien van bomen en struiken die een te grote omvang hebben verkregen, noodzakelijk zijn
- In de plaatsen die vrijgehouden worden van klimop, dienen planten gezet te worden die zich daar goed in stand kunnen houden
- De van klimop vrijgehouden plaatsen dienen vanaf het pad goed zichtbaar te zijn
- Boom- en struiksoorten die veel licht wegnemen, moeten zoveel mogelijk geweerd of in toom gehouden worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor soorten als Beuk, Haagbeuk en Taxus
- Opengehouden plaatsen met aangeplante vegetatie dienen zo licht mogelijk gehouden te worden
- Open plaatsen dienen voldoende groot gehouden te worden
- Ongewenste boom- en struikopslag dient verwijderd te worden
- Kruidopslag die zich in de open plaatsen spontaan ontwikkelt, behoeft niet verwijderd te worden, dit met uitzondering van de klimop
- In vrijgehouden plaatsen dient niet gewied of geschoffeld te worden, terwijl soorten die zich na aanplant niet blijken te kunnen handhaven, niet opnieuw aangeplant dienen te worden - Snoeiafval e.d. dient verwijderd te worden om de bodem zo arm mogelijk te houden - Verdere uitgroei van de klimop en de Bonte gele dovenetel dient zo veel mogelijk tegengegaan te worden


VAK C: Vochtige/natte voedselrijke bossen

VAK C1

C1.1 (Ligging):
- Laag gelegen smalle strook, gelegen nabij het centrum van het beekdal, ingesloten door particuliere tuinen en de vijver. In deze strook stroomt een smal (kwel)beekje dat ongeveer een halve meter lager ligt dan de omgeving.

C1.2 (Abiotische situatie):
- Vochtig
- Matig voedselrijk tot voedselrijk

C1.3 (Gewenst uiterlijk):
- Struweel/hakhoutbos van de vochtige, rijkere bossen (met een maximale hoogte van circa 6 meter)

C1.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Type vegetatie voor de rijkere, vochtige bossen
- Enkele kensoorten: Gewone es, Zwarte els, Zomereik, Zoete kers, Gewone esdoorn, Zachte berk, Aalbes, Hazelaar, Wilde kardinaalsmuts, Gelderse roos, Meidoorn, Rode kornoelje, Framboos, Zwarte bes, Hulst, Haagbeuk

C1.5 (Vegetatie kruidlaag):
- Type vegetatie voor de matig voedselrijke, vochtige bossen
- Gewenste soorten : Bosanemoon, Schaduwgras, Gewone salomonszegel, Lelietje-der-dalen, Witte klaverzuring, Bleeksporig bosviooltje, Bosgierstgras, Grote muur, Wilde Kamperfoelie, Klimop, Geel nagelkruid, Groot heksenkruid, Bosandoorn, Reuzenzwenkgras, Wijfjesvaren, IJle zegge, Ruwe smele, Boswederik, Groot springzaad, Mannetjesvaren, Gele dovenetel, Speenkruid, Hondsdraf, Grote brandnetel, Kleefkruid, Kruipend zenegroen

C1.6 (Onderhoud):
- Om verbossing tegen te gaan, zal regelmatig gekapt en gesnoeid moeten worden. Dit is met name van belang om de strook langs de vijver (vak C2) schaduwvrij te houden.
- Ongewenste boom- en struikopslag dient verwijderd te worden
- De zich spontaan ontwikkelende kruidopslag dient men te laten staan
- Planten waarvan verwacht mag worden dat zij hier stand zullen houden, kunnen aangeplant worden
- Er behoeft niet gewied te worden
- Snoeiafval e.d. dient verwijderd te worden om verdere verrijking tegen te gaan
- Plaatsen waar ondergroei gewenst is, dienen zo licht mogelijk gehouden te worden
- Er dient zorg voor gedragen te worden dat er schuin over het water groeiende takken blijven ten behoeve van de IJsvogel

VAK C2

C2.1 (Ligging):
- Laag gelegen kleine, smalle strook langs de vijver aan de kant van het beekdal, ingesloten door vak C1, de vijver en het bruggetje over het beekje dat in de vijver uitmondt.

C2.2 (Abiotische situatie):
- Vochtig
- Matig voedselrijk tot voedselrijk

C2.3 (Gewenst uiterlijk):
- Open, met een vegetatie van de halfschaduw/lichtminnende soorten van de (matig) voedselrijke, vochtige open plaatsen en bosranden.

C2.4/5 (Vegetatie):
- Type vegetatie voor halfschaduw/lichtminnende soorten van de vochtige, (matig) voedselrijke open plaatsen en bosranden. Struiken en bomen dienen zoveel mogelijk tegengegaan te worden.
- Gewenste soorten zijn vooralsnog moeilijk aan te geven. In eerste instantie veel ruigte-kruiden en grassen, zoals ook momenteel aanwezig zijn. Bij voldoende rust zal zich wellicht spontaan een meer karakteristieke vegetatie ontwikkelen.

C2.6 (Onderhoud):
- Periodiek maaien, in het najaar
- Verarmen door maaiafval te verwijderen
- Ongewenste soorten niet wieden, maar door maaibeleid verder uitgroeien tegengaan
- Sterk woekerende (on)gewenste soorten dienen wel vroegtijdig tot op de bodem ingekort te worden
- Eventueel aanplant van soorten die zich goed in stand zouden kunnen houden
- Het vak dient zo schaduwvrij mogelijk gehouden te worden


VAK D: Bronbos

D.1 (Ligging):
- Laaggelegen kwelgebied, ingesloten door de dienstingang, de vijver en het bruggetje waar het water de vijver verlaat.

D.2 (Abiotische situatie):
- Nat
- Voedselarm
- Voedelrijker in de directe omgeving van het kwelgebied

D.3 (Gewenst uiterlijk):
- Bronbosachtige vegetatie

D.4/5 (Vegetatie):
- Type vegetatie voor brongebieden
- Gewenste soorten: Zwarte els, Gewone es, Berk, Grauwe wilg, Geoorde wilg, Paarbladig goudveil, Groot springzaad. In de directe omgeving van het kwelgebied: Gewone dotterbloem, Watermunt, Moerasvergeet-mij-nietje, Moeraszegge, Moerasspirea, Ruw beemdgras, Echte valeriaan, Boswederik, Moerasviooltje, Grote wederik, Moeraswalstroo, Kale jonker, Holpijp, Bosbies, Blauw glidkruid.

D.6 (Onderhoud):
- Bomen en struiken dienen gekapt, dan wel gesnoeid te worden, teneinde de bodem voldoende zonlicht te geven
- Ongewenste soorten dienen tot op de bodem ingekort te worden
- De bodem dient zoveel mogelijk met rust gelaten te worden
- Er dient zorg gedragen te worden voor een voldoende hoge grondwaterstand in de omgeving van de kwelplaatsen
- Er dienen schuin overhangende takken over het water te blijven ten behoeve van de IJsvogel


VAK E: Oevervegetatie

VAK E1

E1.1 (Ligging):
- Rand van de vijver, gelegen aan de centrale kant van het beekdal, grenzend aan de vakken C1 en C2.

E1.2 (Abiotische situatie):
- Nat
- Voedselrijk

E1.3 (Gewenst uiterlijk):
- Begroeiing van voedselrijke randen van open, zwakstromende tot stilstaande wateren.

E1.4/5 (Vegetatie):
- Type vegetatie voor voedselrijke, natte, open oeverranden
- Gewenste soorten: Grote wederik, Echte valeriaan, Moerasspirea, Gewone engelwortel, Pinksterbloem, Kale jonker, Koninginnekruid, Bitterzoet, Grote kattestaart, Gele lis, Gele waterkers, Grote lisdodde, Rietgras, (Riet), Mannagras, Ruw beemdgras, Harig wilgeroosje, Gewone dotterbloem.

E1.6 (Onderhoud):
- Ongewenste en woekerende soorten dienen tot op de bodem ingekort te worden
- Soorten waarvan verwacht mag worden dat zij stand zullen houden, kunnen aangeplant worden
- Periodiek maaien, in het najaar

VAK E2

E2.1 (Ligging):
- Rand van de vijver, gelegen aan de hellingkant

E2.2 (Abiotische situatie):
- Vochtig tot nat
- Voedselarme kwel in een voedselrijkere omgeving

E2.3 (Gewenst uiterlijk):
- Open kwelmilieu

E2.4/5 (Vegetatie):
- Type vegetatie voor een open kwelmilieu
- Gewenste soorten: Moeraswalstroo, Grote wederik, Watermunt, Smeerwortel, Pitrus, Wolfspoot, Witte dovenetel, Ridderzuring, Groot hoefblad, Reuzen bereklauw, Zevenblad, Grote brandnetel, Kleefkruid, Haagwinde, Heermoes.

E2.6 (Onderhoud):
- Periodiek maaien, eenmaal in juni en eenmaal in het najaar
- Ongewenste en woekerende soorten dienen tot op de bodem ingekort te worden
- Soorten waarvan verwacht mag worden dat zij stand zullen houden, kunnen aangeplant worden.

VAK E3

E3.1 (Ligging):
- Laag gelegen, klein gebiedje in het centrum van de Zomp, ingesloten door vak F en de vijver.

E3.2 (Abiotische situatie):
- Vochtig
- Matig voedselrijk tot voedselrijk

E3.3 (Gewenst uiterlijk):
- Bramenkoepel met diverse vegetatie daar omheen

E3.4/5 (Vegetatie):
- Braam als dominante soort

E3.6 (Onderhoud):
- Snoeien bij te sterke uitgroei van de braam
- Ongewenste en woekerende soorten verwijderen
- Periodiek maaien, in het najaar
- Verarmen door het maai- en snoeiafval te verwijderen


VAK F: Vochtige/droge heide

VAK F1

F1.1 (Ligging):
- Laaggelegen strook, ingesloten door de beek en vak F2

F1.2 (Abiotische situatie):
- Voedselarm tot matig voedselrijk
- Vochtig

F1.3 (Gewenst uiterlijk):
- Gemengd heide/grasland van de natte, armere gronden

F1.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Struik-vegetatie voor de natte tot vochtige, arme graslanden
- Gewenste soorten: Gewone dopheide, Rode bosbes, Kleine veenbes, Lavendelheide, Grote veenbes, Kruipwilg.

F1.5 (Vegetatie kruidlaag):
- De gewenste soorten van de voedselarme, natte graslanden zullen waarschijnlijk voorlopig niet spontaan opkomen; daarentegen zullen veel soorten van de voedselrijke vochtige graslanden opkomen. Gewenste soorten bij voldoende verarming zijn o.a. Pijpestrootje, Veenpluis en Tormentil.

F1.6 (Onderhoud):
- Ongewenste opslag rond de struik-vegetatie dient regelmatig tot op de bodem ingekort te worden, en vervolgens afgevoerd te worden
- De bodem dient zoveel mogelijk met rust gelaten te worden
- Soorten waarvan verwacht kan worden dat zij stand zullen houden, kunnen aangeplant worden

VAK F2

F2.1 (Ligging):
- Helling, ingesloten door de publieksingang en de vakken F1, F3, G en J

F2.2 (Abiotische situatie):
- Voedselarm tot matig voedselrijk
- Droog

F2.3 (Gewenst uiterlijk):
- Gemengd heide/grasland van de droge, armere gronden

F2.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Struikvegetatie voor de droge, arme heide/graslanden
- Gewenste soorten: Struikheide, Stekelbrem, Blauwe bosbes, Rode bosbes, Kruipbrem, Brem, Jeneverbes, Gaspeldoorn

F2.5 (Vegetatie kruidlaag):
- Type vegetatie voor de droge, arme heide/graslanden
- Gewenste soorten bij voldoende verarming: Fijn schapegras, Gladde witbol, Bochtige smele, Borstelgras, Pilzegge, Zandblauwtje, Grasklokje, Muizeoor

F2.6 (Onderhoud):
- Vakkundig snoeien van te grote struiken
- Ongewenste opslag rond de struikachtigen regelmatig tot op de bodem inkorten en vervolgens afvoeren
- Soorten waarvan verwacht kan worden dat zij stand zullen houden, kunnen aangeplant worden.

VAK F3

F3.1 (Ligging):
- Smalle, hellende strook gelegen naast de vakken F1 en F2, aan de kant van vak G

F3.2 (Abiotische situatie):
- Droog tot vochtig
- Voedselarm tot matig voedselrijk

F3.3 (Gewenst uiterlijk):
- Droog tot vochtig, voedselarm heide/grasland (experimenteerstrook)

F3.4/5 (Vegetatie):
- Op den duur zal zich hier spontaan opslag ontwikkelen vanuit de vakken F1 en F2

F3.6 (Onderhoud):
- In het vroege voorjaar (maart) maaien, en op plaatsen waar veel gras optreedt in najaar nog eenmaal
- Bij sterke verruiging van grassen en andere kruiden deze gedurende het gehele seizoen blijven afknippen
- Verarmen door maaiafval e.d. te verwijderen
- Niet wieden, maar de grond zoveel mogelijk met rust laten
- De mogelijkheid om (eenmalig) de bestaande toplaag te verwijderen, zal nader bekeken dienen te worden.


VAK G: Struweel

VAK G1

G1.1 (Ligging):
- Helling gelegen tegen de Dam in het beekdal

G1.2 (Abiotische situatie):
- Droog
- Voedselarm tot matig voedselrijk

G1.3 (Gewenst uiterlijk):
- Struweel

G1.4 (Vegetatie boom/struiklaag):
- Struikvegetatie voor de matig voedselrijke, vochtige bossen
- Gewenste soorten: Meidoorn, Wilde kardinaalsmuts, Rode kornoelje, Hondsroos, Gelderse roos, Wegedoorn, Sleedoorn, Vlier, Egelantier, Dauwbraam, Liguster, Kamperfoelie, Bitterzoet.

G1.5 (Vegetatie kruidlaag):
- Type vegetatie voor de droge tot vochtige, arme tot matig voedselrijke bossen
- Gewenste soorten: Bosanemoon, Schaduwgras, Gewone salomonszegel, Lelietje-der-dalen, Witte klaverzuring, Bleek bosviooltje, Donkersporig bosviooltje, Bosgierstgras, Grote muur, Wilde kamperfoelie, Knopig helmkruid, Kleine maagdenpalm, Dalkruid, Valse salie, Ruige veldbies, Boszegge, Eikvaren

G1.6 (Onderhoud):
- Om verbossing tegen te gaan zal er periodiek gekapt en gesnoeid moeten worden
- Zonodig zal vegetatie (her)aangeplant moeten worden
- Er dient niet gewied te worden
- Snoeiafval e.d. dient verwijderd te worden om de bodem te verarmen
- Ongewenste soorten dienen tot op de bodem ingekort te worden

VAK G2

G2.1 (Ligging):
- Klein open gebiedje tussen het bankje en de publieksingang

G2.2 (Abiotische situatie):
- Droog
- Voedselarm tot matig voedselrijk

G2.3 (Gewenst uiterlijk):
- Attractieve, verhoogde border met zitrand of andere zitmogelijkheden

G2.4/5 (Vegetatie):
- Vrij invulbaar, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan een combinatie van roosachtigen, varens, Klimop en Kruipend zenegroen. Dit gedeelte zal een aangelegd karakter behouden.

G2.6 (Onderhoud):
- Aanplant van lage struiken en kruidachtigen
- Wieden en snoeien


VAK H: Vijver

H.1 (Ligging):
- Vijver in het centrum van de Zomp

H.2 (Abiotische situatie) :
- Nat
- Voedselrijk
- Constante watertemperatuur

H.3 (Gewenst uiterlijk):
- Vijver met waterplanten

H.4/5 (Vegetatie):
- Gewenste soorten: Waterlelie, Kikkerbeet, Krabbescheer, Witte waterkers, Pijlkruid, Zwanebloem, Watergentiaan, Gele plomp, Grote egelskop (voor zover de watertemperatuur dit toelaat)

H.6 (Onderhoud):
- Tenminste eenmaal per vijf jaar uitbaggeren (nazomer)
- Woekerende soorten, zoals Waterkers, dienen in toom gehouden te worden


VAK J: Stinzenplanten

J.1 (Ligging):
- Laaggelegen, klein gebiedje aan de voet van de Dam, ingesloten door de Dam, de beek, vak F en G

J.2 (Abiotische situatie):
- Vochtig
- Matig voedselrijk

J.3 (Gewenst uiterlijk):
- Stinzenplanten

J.4/5 (Vegetatie):
- Gewenste soorten: Gewoon sneeuwklokje, Knikkende vogelmelk, Sneeuwbes, Bostulp, Blauwe druifjes, Winteraconiet, Italiaanse aronskelk, Holwortel, Oosterse sterhyacinth, Bonte crocus, Lenteklokje, Lelietje-der-dalen, Vingerhoedskruid, Maarts viooltje, Adderwortel, Wilde hyacinth, Gevlekte aronskelk, Voorjaarshelmbloem, Lievevrouwebedstro, Kleine maagdenpalm, Gevlekt longkruid, Daslook, Wilde akelei, Wilde narcis, Grote Bosaardbei, Blauwe anemoon, Prachtframboos

J.6 (Onderhoud):
- Aanplant van stinzenplanten
- Wieden
- Kalkgehalte van de grond verhogen
- Zorgen voor een halfbeschaduwde tot schaduwvrije situatie


Ga terug naar
hoofdmenu


This document was created with the assistance of
WebMania!™ 2.0a (Unregistered) - ©1995,96,97 Q&D Software Development - http://www.q-d.com