DE ZOMP

EEN HEEMTUIN OP NATUURLIJKE BASIS

Eindrapport Beleidsgroep Ontwikkeling Zomp
Juni 1996



Deze pagina bevat de volgende onderdelen en verwijzingen:

*
Inleiding
* Huidig Beleid in de Zomp
* Knelpunen bij het huidig Beleid
* Werkzaamheden van de Beleidsgroep Ontwikkeling Zomp
* Principes voor Toekomstige Ontwikkeling
* Plattegrond met de nieuwe Vakindeling van de Zomp
* Herinrichting en Onderhoud van de Zomp
* Beheers- en Onderhoudsplan voor de Zomp
* Organisatie van het Onderhoud
* Implementatie van de Herinrichting
* Karakterisering van de Abiotische en Omgevingsfactoren in de huidige vakken van de Zomp
* Samenstelling Beleidsgroep Ontwikkeling Zomp
* Literatuurverwijzingen




INLEIDING


Het moerassig gebiedje de Zomp, gelegen aan de hoek van de Dam en de Fangmanweg in het Zweiersdal te Oosterbeek, is in de jaren zeventig door de gemeente Renkum ingericht als heemtuin en als zodanig in 1982 opengesteld voor het publiek. In de periode 1982-1994 is de gemeente verantwoordelijk geweest voor het onderhoud van de Zomp, waarvoor een medewerker van de afdeling Groen van de gemeente halve dagen beschikbaar was. Teneinde de personele begroting van deze dienst zoveel mogelijk te ontlasten, is begin 1994 met het IVN Zuidwest Veluwezoom de principe-afspraak gemaakt dat het IVN na een proefperiode van twee jaar het onderhoud van de Zomp voor zijn rekening zal nemen. Het IVN heeft daartoe een groep vrijwilligers geworven, die bereid zijn gevonden het geregelde onderhoud van de Zomp op zich te nemen, daarbij incidenteel ondersteund door een medewerker van de afdeling Groen. Daarnaast is in overleg met de gemeente een Beleidsgroep Ontwikkeling Zomp (BOZ) in het leven geroepen om plannen op te stellen voor de toekomstige ontwikkeling van de Zomp. Deze beleidsgroep kreeg tot taak de mogelijkheden te onderzoeken om de Zomp met behoud van een grote plantenvariŽteit dusdanig opnieuw in te richten dat het noodzakelijke onderhoud tot een minimum beperkt kan worden. Hierbij brengt de BOZ haar eindverslag uit aan het IVN, er van uitgaande dat dit rapport de basis zal vormen voor verdere onderhandelingen met de gemeente over de toekomstige status van de Zomp.

Naast een analyse van het huidig beleid in de Zomp en de knelpunten die daarbij geconstateerd zijn, bevat dit rapport een inventarisatie van de momenteel aanwezige plantensoorten in de Zomp en gebaseerd daarop een analyse van de heersende abiotische factoren in de diverse vakken. Daarnaast zijn er principes geformuleerd voor een nieuwe vakindeling en een andere beheersstructuur voor het onderhoud van de Zomp. Met nadruk zij gesteld dat het huidige rapport bedoeld is als een beleidsplan en dat, indien de gemeente zich in de uitgangspunten kan vinden, een nadere implementatie van deze beleidsplannen vereist is.




HUIDIG BELEID IN DE ZOMP


De Zomp is een klein moerassig gebiedje van ongeveer 1/3 hectare in het Zweiersdal te Oosterbeek. Ten zuiden van de Zomp begint dit dal zich te verbreden tot een iets meer glooiend landschap, vervolgens overgaand in de uiterwaarden. De Zomp zelf ligt 15 meter boven het niveau van de uiterwaarden en wordt aan de noordzijde begrensd door een dam van enkele tientallen meters lengte met steile hellingen. Ook aan de oostzijde wordt de Zomp begrensd door een steile helling, aan de voet waarvan enige wellen ontspringen, welke de kunstmatige vijver in het centrum van de Zomp voeden. Aan de westzijde grenst de Zomp aan het centrale gedeelte van het beekdal, dat evenals de zuidzijde vrij vlak is. Het grootste deel van het dal waarin de Zomp gelegen is, wordt gebruikt als tuin, grasland en boomgaard. Door de natuurlijke verschillen in hoogte, vochtigheid en bodemgesteldheid binnen de Zomp kan men spreken van een grote verscheidenheid aan abiotische factoren, zoals vochtigheid, schaduwrijkheid, hoogte, zuurtegraad, voedselrijkheid en kalkgehalte.

Deze natuurlijke verschillen hebben de basis gevormd voor de huidige inrichting van de Zomp volgens het systeem van Doing-Kraft (van Leeuwen en Doing-Kraft, 1969), dat gebaseerd is op het onderkennen van specifieke plantengezelschappen die bij een bepaalde bodemgesteldheid thuishoren. De Zomp is daartoe ingedeeld in een negental vakken (A-J), waarbinnen in een zestal gebieden een specifiek gezelschap aan inheemse planten is bijeengebracht, naast gebieden bedoeld voor heidevegetatie, voor waterplanten en voor stinzenplanten (zie: Plattegrond Zomp en Gemeente-uitgave de Zomp, 1982).

De keuze van beplanting was mede gebaseerd op analyse van een aantal abiotische factoren door het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek te Oosterbeek. Bij deze analyse zijn diverse boorpunten onderzocht op bodemgesteldheid, is het water van de Zomp geanalyseerd op zuurgraad (pH 6,4) en concentraties chloride, bicarbonaat en sulfaat, en zijn planten van diverse gedeelten van de Zomp onderzocht op calcium-, magnesium-, fosfaat- en kaliumgehalte. Deze analyse bevestigde de verscheidenheid aan abiotische factoren in de diverse gedeelten van de Zomp (zie: Gemeente-uitgave Zuid-Zweiersdal, 1972). De gewenste beplanting voor ieder van de negen vakken is neergelegd in de sortimentslijst (zie: Gemeente-uitgave De Zomp, 1982) en in speciaal door de gemeente opgestelde overzichten. Het overgrote deel van deze soorten is speciaal voor dit doel in de Zomp aangeplant. De Zomp in haar huidige toestand moet derhalve als een aangelegde heemtuin beschouwd worden.




KNELPUNTEN BIJ HET HUIDIG BELEID


In de periode 1982-1994 is gebleken dat de Zomp, volgens bovengenoemd systeem aangelegd, goed voldoet aan de gevoelde behoefte om te dienen als een tuin met een grote soortenvariŽteit, waar het voor de bezoeker prettig toeven is. Daarnaast is echter gebleken dat het onderhoud van met name bepaalde delen van de Zomp zeer arbeidsintensief is, en gemiddeld de halve dagtaak van een gemeentemedewerker vergt. Dit is met name het gevolg van het feit dat diverse plantensoorten zich niet blijken te beperken tot de voor hen bedoelde vakken. Deze ongewenste soorten dienen momenteel systematisch verwijderd te worden. Daarnaast moet op veel plaatsen zeer regelmatig gewied worden, hetgeen niet alleen arbeidsintensief is, maar tevens door verstoring van de bodem steeds weer het opkomen van ongewenste planten induceert. Daarnaast blijken veel soorten de neiging tot woekeren te hebben, terwijl diverse andere soorten van de oorspronkelijke sortiments-lijsten verdwenen zijn, of alleen blijken te kunnen overleven indien zij regelmatig heraangeplant worden.

Daarenboven kan men zich afvragen of de variŽteit aan abiotische factoren in de Zomp inderdaad wel dusdanig groot is dat dit op dit kleine terrein negen verschillende, natuurlijke vegetaties rechtvaardigt. Hierbij doet zich tevens de vraag voor of er in de loop der jaren door de landelijke overbemestingsproblematiek als gevolg van de intensieve veehouderij geen verrijking van de diverse gebieden in de Zomp heeft plaatsgevonden, waardoor met name vegetaties van de arme grond het moeilijk hebben te overleven. Bij de situatie die vanaf 1994 ontstaan is door het inzetten van vrijwilligers voor het onderhoud, doen zich met name organisatorische problemen voor. Het is niet zeker of er continuÔteit zal blijven in het aantrekken van voldoende vrijwilligers. Daarnaast zal het organisatorisch zeer moeilijk zijn elke groep vrijwilligers adequaat te instrueren met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden, als de bijdrage van de huidige gemeentemedewerker volledig beŽindigd zou worden.




WERKZAAMHEDEN VAN DE BELEIDSGROEP ONTWIKKELING ZOMP


De BOZ heeft allereerst een inventarisatie gemaakt van de momenteel in elk van de negen vakken van de Zomp
aanwezige plantensoorten. Bij deze inventarisatie zijn 175 soorten aangetroffen, zodat nog steeds van een grote diversiteit aan soorten gesproken mag worden. In het overzicht is tevens aangegeven of de aangetroffen plantensoorten ook voorkomen op de sortimentslijsten voor elk van de vakken. Hierbij is duidelijk gebleken dat veel soorten zich niet blijken te beperken tot de oorspronkelijk voor hen gereserveerde vakken. Daarnaast is een inventarisatie gemaakt van de soorten in de Zomp die de neiging hebben tot woekeren, en daarmee andere soorten in hun bestaan bedreigen.

Bovengenoemde gegevens zijn vervolgens gebruikt om aan de hand van de per vak aanwezige plantensoorten inzicht te krijgen in de ter plaatse heersende abiotische en omgevingsfactoren. Hierbij is gebruik gemaakt van de systematiek van Runhaar om vast te stellen tot welke ecologische groepen de aanwezige planten binnen elk van de vakken horen (Runhaar et al., 1987). Hiervan gebruik makend is vervolgens vastgesteld wat de voedselrijkdom, vochtigheidsgraad en schaduwrijkheid voor elk van de vakken is.

Uit de inventarisatie kan geconcludeerd worden dat de hogere delen van de Zomp droog en relatief voedselarm zijn, terwijl de lagere delen vochtig tot nat en relatief voedselrijk zijn. Een vergelijk tussen de aan de hand van de huidige plantengroei bepaalde abiotische factoren en de veronderstelde bodemsamenstelling bij aanleg van de Zomp, toont aan dat de diversiteit aan bodemgesteldheden in de Zomp minder groot is dan oorspronkelijk verondersteld. Echt voedselarme gebieden blijken nauwelijks meer aanwezig, en op veel terreinen die oorspronkelijk als voedselarm zijn gekarakteriseerd, blijken nu planten van de rijkere grond te groeien. Zeer waarschijnlijk is dit het gevolg van veranderingen in abiotische factoren, die in de loop van de afgelopen twintig jaren hebben plaatsgevonden als gevolg van de landelijke overbemestingsproblematiek.

Vergelijkbare gegevens komen ook naar voren uit het recente Beheersplan Oppervlaktewater van de gemeente Renkum (1995). Hierbij blijkt dat met name het nitraatgehalte ongeveer acht maal de zgn. ecologische CUWVO-norm voor Nederlandse oppervlaktewateren overschrijdt. Hierbij dient wel vermeld te worden dat de getoetste monsters ter hoogte van de Zuiderbeekweg genomen zijn. Vroegere waarden voor nitraatconcentraties zijn niet bekend, zodat een direct vergelijk met een twintigtal jaar geleden onmogelijk is. Wel is dit verhoogde nitraatgehalte in overeenstemming met de landelijke tendens als gevolg van de overbemesting door de intensieve veehouderij. Concluderend kan gesteld worden dat het aanbeveling verdient een hernieuwde analyse van bodem- en watermonsters in de Zomp uit te laten voeren.




PRINCIPES VOOR TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING


Gebaseerd op bovengenoemde gegevens heeft de BOZ de volgende algemene principes geformuleerd voor de toekomstige ontwikkeling van de Zomp:
*De Zomp blijft een heemtuin, waarbij zoveel mogelijk gestreefd wordt naar een herinrichting als natuurlijke heemtuin. Bij deze herinrichting zal in principe zoveel mogelijk uitgegaan worden van de natuurlijke verscheidenheid aan bodemgesteldheden en andere abiotische factoren, zoals deze aan de hand van de huidige plantengroei zijn vastgesteld. Het streven is hierbij er op toe te zien dat verrijking van de Zomp wordt tegengegaan, dat de Zomp niet verbost en dat de bodem zo weinig mogelijk verstoord wordt.
*Struiken en bomen kunnen waar nodig in de diverse vakken aangeplant worden, maar de variŽteit aan planten in de kruidlaag dient zoveel mogelijk op natuurlijke wijze tot stand te komen. Alleen woekerende planten zullen door onderhoud in toom gehouden worden. Door maaien en afvoeren zal de bodem in bepaalde gebieden selectief verarmd worden. Hierdoor zal het onderhoud tot een minimum beperkt kunnen blijven.
*Bij de herinrichting van de Zomp zal de huidige indeling in vakken zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. Om de gewenste soortenvariŽteit in stand te houden, zal meer dan in de huidige Zomp ingespeeld worden op gradiŽnten in nat-droog en zonnig-schaduwrijk, waarvoor een iets fijnmaziger indeling in vakken, elk met een eigen beheersplan, vereist is. Hiervoor zal het tevens nodig zijn op diverse plaatsen bomen en struiken uit de huidige Zomp te verwijderen.

Als toelichting op deze principes kan gesteld worden dat de alternatieven voor een heemtuin, te weten een verwilderings- of een cultuurtuin, niet erg attractief zijn. Indien de Zomp zonder verder onderhoud een verwilderingstuin zou worden, zou er waarschijnlijk op termijn op de droge gedeelten een voor stuwwallen karakteristiek Wintereiken-Beukenbos ontstaan, en in de kwelgedeelten een Elzenbronbos. Als bovengenoemde bosgemeenschappen in de Zomp tot ontwikkeling zouden komen, zou de diversiteit aan plantesoorten uiteindelijk zeer gering worden, hetgeen in strijd is met bovengenoemde uitgangspunten. De Zomp als cultuurtuin zou slechts meer onderhoud vergen dan nu, hetgeen eveneens in strijd is met deze uitgangspunten.

Heemtuinen kunnen aangelegd worden of op natuurlijke wijze tot stand komen. Bij een aangelegde heemtuin, zoals de huidige Zomp, worden allerlei planten uitgepoot, waarna vervolgens de ongewenste soorten worden weggewied. Deze vorm vereist derhalve intensief onderhoud. Bij een heemtuin op natuurlijke basis schept men diverse milieus waarop men de begroeiing (grotendeels) spontaan tot ontwikkeling laat komen. Eventueel geÔntroduceerde planten dienen te behoren tot de ecologische groepen die gezien de aanwezige abiotische factoren ter plaatse thuis horen, en moeten in staat zijn met de aanwezige woekerende plantensoorten te concurreren. Een dergelijke heemtuin is in het onderhoud veel eenvoudiger en goedkoper, en vereist voornamelijk een beleid van maaien en kappen (Londo, 1987). Hoewel voorgesteld wordt de Zomp grotendeels als natuurlijke heemtuin in te richten, lijkt het aantrekkelijk kleine gedeelten als aangelegde heemtuin te laten functioneren. Alleen in deze gebieden kunnen nieuwe planten geÔntroduceerd worden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat zich de afgelopen jaren in diverse vakken van de Zomp een evenwichtsituatie heeft ontwikkeld, die het principe van een natuurlijke heemtuin dicht benadert.

In zijn algemeenheid kan gesteld worden, dat het hier voorgestelde systeem voor herinrichting van de Zomp met name gebaseerd is op het systeem van het onderkennen van ecologische groepen volgens het systeem van Runhaar, terwijl de oorspronkelijke inrichting van de Zomp gebaseerd was op het onderkennen van specifieke plantengezelschappen volgens het systeem van Doing-Kraft. Het meest wezenlijke verschil hierbij is dat in de oorspronkelijke Zomp conform het systeem van Doing-Kraft van te voren is vastgesteld welke plantensoorten in de diverse vakken aangeplant dienden te worden, terwijl in het huidige systeem aan de hand van de bestaande vegetatie is vastgesteld welke planten gezien de heersende abiotische factoren het meest in de diverse vakken thuishoren.




KARAKTERISERING VAN DE ABIOTISCHE EN OMGEVINGSFACTOREN
IN DE HUIDIGE VAKKEN VAN DE ZOMP


De oorspronkelijke karakterisering in onderstaande tabel is gebaseerd op de gemeente-uitgave de Zomp (1982). De huidige karakterisering van abiotische factoren heeft plaatsgevonden aan de hand van een inventarisatie van de momenteel in de diverse vakken van de Zomp
aanwezige plantensoorten , in combinatie met een analyse van de ecologische groepen tot welke deze planten behoren volgens de systematiek van Runhaar. De huidige vakindeling staat weergegeven op de plattegrond van de Zomp.



VakOorspronkelijke KarakteriseringHuidige Karakterisering
ABossen van de arme, droge grondenDroog, schaduwrijk;
Voedselarm tot matig voedselrijk
BBossen van de rijkere, oudere grondenDroog tot vochtig, schaduwrijk;
matig voedselrijk tot voedselrijk
CBossen van de natte en rijkere grondenVochtig tot nat, halfschaduw;
Matig voedselrijk tot voedselrijk
DBossen van de armere veengrondenNat, halfschaduw;
Voedselarm
EBossen van de rijkere veengrondenVochtig tot nat, halfschaduw tot open;
Voedselrijk met voedselarme kwel
FHeidevegetatieDroog tot vochtig, open;
Voedselarm tot matig voedselrijk
GStruwelen op de kalkrijke grondenDroog, schaduwrijk;
Voedselarm tot matig voedselrijk




SAMENSTELLING BELEIDSGROEP ONTWIKKELING ZOMP


* O. van de Bent
* W. de Bruin
* B. Mijwaard
* S. Morren
* N. Schmidt (IVN)
* A. Wijsbek
* J. van Zoelen




LITERATUURVERWIJZINGEN


-Gemeente Renkum (1982) De Zomp, Heempark in Oosterbeek
-Gemeente Renkum (1972) Bodemkundige beoordeling Zuid Zweiersdal
-Gemeente Renkum (1995) Beheersplan oppervlaktewateren
-Van Leeuwen, C.G. en Doing-Kraft, H. (1969) Landschap en beplanting in Nederland. Richtlijnen voor de soortenkeuze bij beplantingen op vegetatieve grondslag.
-Londo, G. (1987) Natuurtuinen en parken.
-Runhaar, J., Groen, C.L.L., van der Meijden, R. en Stevers, R.A.M. (1987) Een nieuwe indeling in ecologische groepen binnen de Nederlandse flora. Gorteria 13, 277-359 (vol. 11/12)




Ga verder naar het
herinrichtingsplan voor de Zomp of ga terug naar hoofdmenu


This document was created with the assistance of
WebMania!™ 2.0a (Unregistered) - ©1995,96,97 Q&D Software Development - http://www.q-d.com