ONZE STOERE ZEEROBBEN AAN DE NOORDZEEKUST



1. SCHEVENINGEN

'n Klein huiske in de Vuurbaakstraat; n in de warreling van doolhofjes, sloppen en steegjes - menschbreed.  Raampjes vaak beplakt met kranten, dan wer met leutige poppengordijntjes - soms vies, soms zindelijk. 't  Stulpje van Jacob van Duin en Cornelia Messemaker (foto's) geeft 'n beeld van echt Hollandsche zindelijkheid; 't straatje is frisch geschrobt, hagelwitte gordijntjes hangen voor heldere ruiten. Het interieur is kraakzindelijk, zij het al eenvoudig, bij 't armelijke af; 'n potkacheltje snort recht huiselijke muziek bij kouden, winterschen dag en verspreidt behaaglijke warmte door het vertrek. Bij het venster zitten, achter een groote ronde tafel, twee 75-jarige oudjes; 'n knappe, heldere visschersvrouw ploetert met emmer en dweil op den grond. "'t Is Vrijdag, en dan is 't rommel in huis, verst-je?" Het is de getrouwde dochter, zelf moeder van groote kinderen, die de oudjes geregeld komt verzorgen; straks komt de oudste zoon nog even aanwippen om te zien of alles goed marcheert.
'n Klein Scheveningstertje, in optima forma gemutst en gerokt, trippelt door 't vertrek - 'n visschersknaapje, 't zeuntje van den bak, in sp, reikt grootvader de pijp. 't Is het vredig, huiselijke milieu van Jacob van Duin, den oud-gezagvoerder der Scheveningsche reddingboot; een dier stoere Scheveningers, die heel hun lven vochten tegen het verraderlijk element -
vchten in letterlijken zin, om steeds wer opnieuw der woeste zee haar prooi te ontrukken, die zij in doodelijken greep reeds had omvat.  

Westerstorm

'n Geweldige westerstorm teistert de Nederlandsche kust; de golven rijzen huizen hoog en breken met donderend geweld op het strand, hier en daar bereikt het bruisend zeewater de duinen en knaagt aan haar voet, tot de geweldige zandreuzen ineenzijgen om te worden opgelost in de kokende branding. Het strand vr het Badhuis is n chaos van drijvende strandstoelen, weggeslagen tentjes en wrakhout. Bij de strandbatterij tegen de duinen ziet het zwart van de menschen - Hagenaars en badgasten - 't is midden-seizoen - zijn te hoop geloopen en wijzen met ontzetting op een punt, diep in de branding, dat bij het afgaan van de zee telkens weder even zichtbaar wordt. Het radeloos heen en weer loopen der Scheveningsche mannen en vrouwen, doet het ergste vermoeden.. Jacob van Duin, de gezagvoerder der reddingboot, staat machteloos te kijken - hij is doodsbleek; z'n handen ballen zich krampachtig tot vuisten; zijn breede vierkante kin steekt scherp belijnd naar voren -z'n leden trillen en sidderen van heftig bedwongen emotie. "Mijn hemel!" klagen en huilen de visschersvrouwen, - "is er dan niets te doen! Moet jelui mansvolk het dan z aanzien dat er daar drie van ons volk voor je oogen verdrinken!" Weer gaat de zee terug en ontsluiert een oogenblik het ontzettend drama dat zich voor de oogen van duizenden afspeelt.  
Drie mannen hangen in den mast van een gestrande en in de branding verpletterde visschersschuit; ze knellen zich krampachtig vast in het want, doch lang kan het niet meer duren, want de woeste golven beuken steeds wilder hun ten doode afgematte lichamen. 't Is een vader met z'n twee zoons, die daar voor de oogen van bloedverwanten, echtgenoote en moeder, hun laatsten strijd strijden, want hulp is nmogelijk; de reddingboot kn in deze ontzettende branding niet worden uitgebracht... Opeens klinkt een snerpende gil, gevolgd door een hartverscheurend gejammer... Een der mannen, de vader, is uitgestreden - hij liet zich los en verdween op slag in de golven. De vrouw, die vanaf het strand, met starren wanhoopsblik het ontzettend einde van haar man heeft aanschouwd, slaakte dien vreeselijken jammerkreet; de armen uitzinnig ten hemel geheven, staat ze luide te schreien. 

Doodsnood
Daar maakt zich een slanke, gespierde gestalte uit de menschenmassa los en vliegt in de branding - 'n dunne lijn sleept hem na; 't is Jacob van  Duin, de  verantwoordelijke reddingcommandant, wiens dure plicht het is redding te brengen, zelfs al kostte het hem het leven! Hij mag zijn kameraden den zekeren dood niet prijsgeven, doch zijn leven behoort hem - dit heeft hij veil voor zijn in doodsnood verkeerenden evenmensch. Sterft hij, dan vindt hem de dood in trouwe plichtsbetrachting...
Stille gebeden stijgen ten hemel - in intense spanning volgt men den held in zijn bovenmenschelijke pogingen om het wrak te bereiken. Doch nauw verliest hij grond en klieven zijn gespierde armen het water, of een golf neemt hem op en kwakt hem achterover. En kreet van ontzetting en mededoogen klinkt over het strand - doch zie, de lijn sleept nog af; de koene zwemmer heeft zich door het terugloopende zeewater laten meesleepen - daar ziet men zijn hoofd als een zwarte stip weer op de golven verschijnen. Tot driemaal toe wordt bij teruggeworpen, doch telkens weder opnieuw bindt hij den strijd met het woeste element aan.
 

Hulpvaardige handen
Eindelijk, eindelijk heeft hij het wrak bereikt; hijgend trekt hij zich op in den mast, waar de arme, moegetobte stumpers hem in doodsangst verbeiden. 'n Oogenblik is hij onmachtig om hulp te bieden, doch  dn herneemt hij  met 'n ruk de heerschappij over z'n moegeworstelde leden. Hij zet zich schoor tegen den mast en haalt langzaam twee dikke lijnen, die men aan het strand met de dunne lijn verbond, naar zich toe; n slaat hij den dichtst bijzijnde om het lichaam - doch wat n?! De man hangt geheel verstijfd in het want, en is niet bij machte ook maar het geringste tot zijn redding mede te werken; laat hij hem dus vallen, dan verdrinkt hij in t wrak. Hier en daar komt echter nog een gedeelte van den romp boven water, misschien dat daarop de voet nog steun kan vinden. Nadat hij den machteloozen schipbreukeling op z'n rug heeft weten te krijgen, laat hij zich langzaam uit de mast zakken en schuift dan voetje voor voetje voort, tot het hem met de uiterste krachtsinspanning lukt het lichaam langszij in zee te laten glijden, waarop de stumper door honderden hulpvaardige handen aan strand wordt getrokken.

Vreugdekreten
Aan het laatste touw volgt de andere en eerst dn heeft Van Duin gelegenheid om den hulpeloozen toestand te overzien, waarin bij zich nu zlf, zonder nige verbinding met het strand, bevindt. Even glijdt 'n krampachtig lachje over z'n verweerde tronie - helder glinsteren er een paar droppels zeewater aan z'n oorringen; het sluike blonde haar krult nog even stug naar binnen, al lekt 'm het zeewater in de halsplooien.. Hij overziet de bulderende golven onder zich - de kokende branding die het schip in splinters sloeg, en dan het strand, waar een duizendkoppige menigte vol angstige spanning den wakkeren borst gadeslaat, terwijl het hoog opspattend schuim hem als een nevel omhult...
Dan drukt hij de kin vast tegen de borst - korte aarzeling, en weder klieven z'n armen de golven, nu voor eigen lijfsbehoud. De branding sleurt hem heen en weer - de stroom doet hem honderden meters afdrijven; een kolk zuigt hem een oogenblik omlaag, doch telkens trekken z'n stalen spieren hem er weder door, tot hij eindelijk door z'n kameraden, die in lange rij, hand in hand, tot diep in de branding waren doorgedrongen, aan strand wordt getrokken. Het impulsieve visschersvolkje omringt nu met luide vreugdekreten den aemechtig neerliggenden man, tot hij eindelijk, door vrouw en zoon ondersteund opstaat en omstuwd door z'n dorpsgenooten in triomf van het strand wordt weggevoerd naar zijn woning. Spontaan ontblooten vreemdelingen en Haagsche upper ten, zich eerbiedig het hoofd, als deze held der Noordzee hen passeert...
"Jacob van Duin heeft zich van zijn plicht als commandant der reddingboot, manmoedig gekweten!"

Gouden medaille
'
t Is de eenige belooning die hem geschonken wordt, deze erkenning van zijn heldhaftige daad; zij vindt echter de grootste belooning in zichzelve, want de genoegdoening weder twee menschenlevens aan een wissen dood te hebben ontrukt, is hem meer dan alle uiterlijke teekenen; edoch... de gouden eere-penning, hem eens door het Engelsche Gouvernement geschonken, na een even gevaarlijke redding van 22 Britsche zeelieden, bij vliegenden storm, is toch k zijn trots en zijn glorie!... Engeland, dat niet alleen den commandant der reddingboot, doch k den heldhaftigen, opofferenden mensch in hem zag, beloonde eens zijn heldendaad met dit kostbaarste eere-metaal.
't Was op den 10den Februari '89, dat de 'Bennavon' op de Scheveningsche kust schipbreuk leed; 22 opvarenden verkeerden in uitersten nood - als geen hulp opdaagt, vinden allen den dood in de golven. Jacob van Duin gelast de boot uit te brengen, niettegenstaande de hooggaande golven dit bijkans onmogelijk maken.
Na 4 1/2 uur zwoegen, in voortdurend levensgevaar, gelukt het den dapperen alle man in 5 tochten behouden aan strand te brengen. Na den 4den tocht echter is de bemanning dood-op, en niet meer instaat om ngeens den strijd met de golven  aan te binden; ook Hannes, Van Duin's oudste zoon, laat zich doodelijk vermoeid in 't zand zinken.
"Vader ik kn niet meer..."
"Als ik sterf jongen, sterf jij ook", zegt Van Duin, terwijl zijn staal-blauwe oogen den zoon strak aanstaren; de kin teekent weer die harde, vierkante lijn, en... Hannes staat op en hijgt: "ik ga al vader..."
Daar klinkt een door tranen gesmoorde roep, geuit door een Spartaansche moeder: "m'n kind! Laat ik dan voor eeuwig afscheid van je nemen..."... ten laatste male streek de boot in zee, doch nu nog slechts met 6 man bemand en... ze halen de laatsten aan strand!
Jacob van Duin, die de redding tot het einde leidde, kreeg de gouden reddingmedaille 'For Gallantry and Humanity' met 5 , van 't Britsche Gouvernement. Zijn zoon en nog een der bemanning, die beiden alle 5 de tochten medemaakten, kregen de zilveren medaille en eveneens 5 , terwijl de anderen, naar gelang ze een of meer tochten hadden volbracht, met 1 tot 4 werden begiftigd. -

Sikkefiel
Opeens klinkt de luide stem der dochter, als 'n ietwat schrille dissonant door het vertrek, waar ik in diepe aandacht heb zitten luisteren naar de levendig verhaalde herinneringen van den ouden zeerob, terwijl mijn blikken in gespannen beschouwing geboeid bleven aan diens ouden zeemanskop, waarop in voortdurende wisseling de emotie's weerspiegelden, die door den oude onder het vertellen als opnieuw weer werden doorleefd.
"Weet je nog wel vader, dat 'de Kogel' toen negen ruiten bij ons insloeg?"
"Ja meneer", vervolgde ze oolijk, "'de Kogel' (bijnaam van een kameraad) was 'n beetje 'sikkefiel' begrijp je" - ze maakte hierbij de bekende handbeweging naar den mond - "hij dacht dat 't vader z'n schuld was dat-ie niets gekregen had."
"We hadden juist gebje, want de soep stond al op tafel, en toen kregen we inplaats soep, soep met gls te eten..."
Ze lachte luid op, doch dan vervolgde ze ernstiger: 'ja, nou lach ik er wel om, doch 't mot je maar overkommen - de boel kon z van tafel. Eigenlijk had-je wel wat verdiend, want n tocht had hij toch medegemaakt..."
Doch nu valt de oude haar kort aangebonden in de rede: "en ik zeg, dat-je net meegeweest is -hij heeft maar door het water heen en weer geloopen! uitgevoerd heeft-ie niets!"
Het veto van den ouden Scheveninger, die baas in z'n huis blijkt te zijn, doet al de anderen zwijgen. Dan vervolgt hij zijn verhaal en vertelt van het aantal reddingen dat hij in het 11-jarig tijdperk, dat hij schipper van de reddingboot was, heeft geleid; van zijn 35-jarigen, trouwen dienst bij de Maatschappij 'Zeebad Scheveningen', waar hij al dien tijd ter bewaking van onvoorzichtige zwemmers aan de gemengde baden stond.

Zwemmer
".. En Van Duin, heb je behalve deze reddingen met de reddingboot, ook nog persoonlijk meerdere menschen kunnen redden?"
"De mste meneer; met "t losse lijf' heb ik zeker wel zeventig menschen, die in levensgevaar verkeerden, uit zee gehaald" -
"Ng eens een keer ben ik met de losse lijn naar een wrakgeslagen bom (visschersschuit) gezwornmen, toen de branding te wild was om de reddingboot uit te zetten - ik haalde er toen 9 menschen af - ja, 'n zwemmer ben ik m'n levenlang geweest", besloot hij met 'n vluchtig lachje.

Weldadigheidszin
Ik ben aan het einde der eenvoudig verhaalde herinneringen van den ouden zeerob, wiens leven n worsteling was, n strijd voor zijn in levensgevaar verkeerende medemensch. Wel verdiendet ge een vredigen levensavond, gij brave oude - ware het slechts dat kommer en bitter gebrek uw schamel huiske verschoonde! Wel siert het gouden eere-metaal nog uw wakkere borst, nog is het uw trots en uw glorie, doch hoelang zal het duren...? Soms stijgt de nood z hoog, dat het doosje met weifelende hand uit de kast wordt gehaald, om in het onontbeerlijkste te kunnen voorzien - tot heden wisten dochter en zoon hem er op het laatste oogenblik nog van terug te houden, door de oudjes van hun armoede nog mede te deelen, doch eens. Rust niet op U, weldadig Nederland de plicht, om deze arme, afgeleefde helden der zee te steunen in hun kommervollen ouderdom?! Nederlandsche weldadigheidszin, zoo terecht geroemd en geerd over alle landen der wereld, zoo schitterend weder tot uiting gekomen in den bitteren nood der arme Belgische vluchtelingen - thans weder zoo onbekrompen steun verleenend aan het uitgehongerde Oostenrijk - vergeet ge niet Uw in armoede haast ondergaande landgenooten aan de Hollandsche Noordzeekust?...
Werkelijk, deze bittere armoede is ons weldadig volk niet bekend. Wel verleent de Staat der Nederlanden hen in hun gebrekkige ouderdom een kleinen steun en schonk ook de Maatschappij 'Zeebad Scheveningen' een kleine toelage, doch een en ander bedraagt te zamen amper f 6.- per week... voor twee menschen, en dat in deze ontzettend dure tijden!
Nederland nu heeft dezen held der Hollandsche Noorzeekust niet beloond, omdat niemand er eigenlijk ooit aan heeft gedacht zich daar eens voor te spannen, want dit is toch de weg nietwaar? Pauper non est, cui rerum suppetit usus: dat dan slechts het allernoodigste niet ontbreke...


Oude zeerobben
We hebben er n genoemd, n uit de velen die daar aan onze Noordzeekust wonen - die moegewerkt en afgetobt hun laatste levensjaren in bittere armoede slijten. Velen worden er gesteund door de Noord-en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij, zooveel zij dit slechts vermag, edoch waar veel steun noodig is, moeten vele middelen zijn en deze Reddingmaatschappij bestrijdt haar kosten van onderhoud, vernieuwing en aanschaffing van reddingmateriaal, zoomede de ondersteuningen die zij door ouderdom krachteloos gewordenen ofwel bij het uitoefenen van pogingen tot redding verminkt geraakten en weduwen en weezen van omgekomen redders verstrekt, door giften welke vrijwiIlig door donateurs e.a. voor dit doel worden gestort. Zij kn dus voor de oud-redders niet meer doen, hoe gaarne zij dit ook zou willen! Mogen wij, weldadig Nederland, op U een beroep doen - hier te steunen in het bittere gebrek dezer behoeftige, oude zeerobben, die toch zeker in de eerste plaats uw sympathie behoeven en verdienen!

Amsterdam, Februari 1920 Mari A. Boer

De uitgever van dit blad, Amsteldijk 13 te Amsterdam, is gaarne bereid giften in ontvangst te nemen, die dan zullen worden aangewend om diegenen steun te verleenen, die zulks het meest behoeven. Giften bestemd voor den ouden Van Duin, zullen direct aan dezen - de oudjes worden eerstdaags 76 jaar - worden toegezonden, terwijl het totaal der ontvangen gelden in dit blad zal worden vermeld. Worde slechts onze oproep om steun, bij weldadig Nederland z goedgunstig ontvangen, dat er voor deze arme oude stumpers nog een rustige, onbekommerde levensavond moge aanbreken - dit is onze hartgrondige wensch.

(Uit: De Prins, 13 maart 1920)

BERICHT
Ons gellustreerd artikel: "Onze stoere zeerobben aan de Noordzeekust" in 'De Prins' van 13 Maart j.l. heeft verrassende resultaten opgeleverd. Het ingekomen bedrag beloopt ruim 1300 gulden. Aangezien voor de verantwoording aan de milde gevers, de vermelding van de volledige lijst te veel ruimte zou innemen, heeft de heer W. den Dulk Jaczn., raadslid te Scheveningen, wonende Visschershavenweg 37, tevens lid van de reederijcommissie aldaar, zich op ons verzoek bereid verklaard de lijst te zijnen kantore ter inzage te leggen.
DE DIRECTIE

(Uit: De Prins, 17 april 1920)
                                                                                            

         Naar het tweede artikel