ONZE STOERE ZEEROBBEN AAN DE NOORDZEEKUST



II. KATWIJK

Een tweetal oud-redders zijn er nog slechts in leven, daar in het liefelijk aan de Noordzeekust gelegen, pittoreske visschersplaatsje Katwijk. De meeste van de oude garde zijn reeds lang ter ziele; een nieuwe generatie nam hun plaatsen in. Waar eerst de vaders de reddingsboot met krachtige slagen door de hooggaande golven trokken, om de bemanning van in de branding wrakgeslagen schepen uit hun benarde positie te verlossen, daar zitten thans de zonen aan de riemen, om later weder door hun kinderen en kleinkinderen te worden vervangen. Doch door alle generatie's heen blijft het groote, wijdvertakte, liefdadige lichaam, de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij, de stuwkracht, die deze reddingbooten onderhoudt, bemant en in tijden van gevaar in zee stuurt. Grootsch is haar taak, voorwaar, want hoeveel duizenden danken haar niet het leven - de redding van een gruwzamen dood!

Twee zijn er overgebleven; de 79-jarige Willem van der Plas (foto), oud-koopvaardijmatroos en -stuurman; daarna nog gedurende tal van jaren een der voormannen van de Katwijksche reddingboot. Veel heeft de oude meegemaakt, want hij maakte verre reizen over alle wereldzeen en veel heeft hij ook bijgedragen tot het redden van in doodsgevaar verkeerende schipbreukelingen. En wanneer men hem zoo in z'n garnalen-schuitje langs de kust ziet manoeuvreeren, dan geeft men hem nog geen 79, zij het al dat z'n witte haren en wel onderhouden, spierwit schippersbaardje, op hoogen leeftijd wijzen.
De andere is Pau de Haas, 'n 62-jarige stevige zeebonk, wiens ruige baard nog slechts met weinige zilveren draden is doorweven.


Waterbergen
O, als Van der Plas' garnalenschuitje spreken kon, hoeveel zou het dan niet kunnen vertellen van met weergaloozen moed ondernornen tochten, tot het afhalen van menschen van in nood verkeerende vaartuigen! Eens, 't was in '85, strandde een schip 3 mijlen benoorden Noordwijk, 'n Engelsche schoener beladen met koolteerpik.De Noordwijker reddingboot moest daarvoor uit. Willem van der Plas, die evenmin als Pau de Haas, Messenmaker en Guit dienst behoefde te doen, spoedde zich met dezen naar de garnalenboot; 't was hun niet mogelijk aan strand te blijven terwijl anderen het reddingwerk deden en kort beraden staken ze in zee. Na een langen moeitevollen tocht kwamen ze het schip langszij, doch gelukkig hoefden ze geen dienst meer te doen, want de Noordwijker boot had het wrak reeds kunnen bereiken en de opvarenden gered. Zij aanvaardden dus weder den terugtocht, doch nauw hebben ze Katwijk in zicht, of de storm komt opnieuw, doch nu met z ontzettende woede opzetten, dat het bootje schier niet meer te houden is. Daar komen een paar huizenhooge golven aanrollen; niet zoodraa bespeurt Van der Plas deze reusachtige waterbergen en daarmede het doodsgevaar waarin ze verkeeren, of hij stoot met ontzetting uit: "Mannen daar gaan we.." Toch zal hij nog het uiterste beproeven - hij houdt een kruik olie, het laatste middel, gereed (olie op de golven geworpen doet dezen als bij tooversiag bedaren, doch eveneens een kalme plaats in zee ontstaan, die bij storm hoogst gevaarlijk is voor nakomende schepen), - nog kan hij zijn kameraden toeroepen: "Als de golf komt, riemen op mannen" en "blijf jij aan de pompen Guit, dan zal ik olie storten...", doch dan heeft de eerste golf hen ook bereikt; ze stort een z geweldige watermassa over het broze schuitje, dat Van der Plas een oogenblik boot noch makkers meer kan onderscheiden; vr hij nog bij z'n positieven is kunnen komen, neemt de tweede golf hen reeds op en kwakt de boot met haar complete inventaris hoog tegen de duinen in de helm, waar ze blijft zitten. Nog heden ten dage wordt deze plek den badgasten als 'n curiositeit gewezen.

Verhaaltrant
Gaarne vertelt Van der Plas van zijn eerste redding, te Rotterdam, vanwaar uit hij als koopvaardijmatroos met de "Kroonprins Willem der Nederlanden" zijn eerste reis naar Ned.-Indi zou ondernemen. Bij die gelegenheid viel een jongen met het hoofd voorover in het water; Van der Plas die toevallig net over de verschansing kijkt, bespeurt dit en zonder zich een ogenblik te bedenken springt hij over boord, den jongen na; hij duikt diep door, doch hoe hij ook zoekt, hij kan den drenkeling niet meer vinden. Bovengekomen, wordt hem door een politieman een dregge toegegooid, terwijl deze roept: "Hou je nog even boven water, dan komen we je eruit halen. .."
Van der Plas scheeuwt echter terug: "Ben je mal, d'r ligt een jongen beneden me, om mij behoef je je niet te bekommeren"; hij laat al zwemmend de dregge achter zich slepen en pikt daarmee toevallig den jongen net in den rug, waardoor deze naar boven gehaald en al spoedig bij gebracht kon worden.
Als Van der Plas echter over zijn reddingen aan het spreken gaat, raakt hij schier niet uitgeput, daar we evenwel nog gaarne iets uit de mmoires van den oude willen laten volgen, dienen wij ons met het verhaal zijner mondeling vertelde herinneringen te beperken om voor het geschrevene de noodige ruimte te behouden. Dat de stoere oude geen schriftgeleerde is, begrijpt een ieder; we vonden echter z'n verhaaltrant en spelling z apart, dat wij deze liefst geheel ongewijzigd laten volgen.
Alzoo:

Lectori benevolo salutem!

"in 't jaar 1857 had ik plan om een rijsje te maake ik gon naar Kaptein arie auwe hand daar kwam ik klaar toen was de reis naar medera zoo Ge naamt portiegal met een lading stuk goed de rijs was voorspoedig en te rug met een lading medera wijn voor ham Burg en koppen Hagen en van daar naar memel om een lading hennep voor rotterdam dus die rijs duwde 6 maande die was voor Bij zonder Gevaar door Ge bracht het was het schip de hoop 
ik bleef aan Boord op het zelfde schip toen wierde wij weer Be vracht naar liszeBon portiegal ook met stuk goed en daar Ge Koome en Ge lost kreegen wij een lading zouwt voor amsterdam wij hadden een voorspoedige rijs zonder om standigheden goed volBracht dat was de tweede rijs met het zelfde schip de hoop
de 3 rijs met de zelfde Kaptein arie ouwe hand op een Brik naar oostiendieje ik was nog een jonge ik verdiende 10 Gulde per maandt wij voere ge Ballast naar Be tavia de rijs was voorspoedig daar Ge Koome moeste daadelijk laade koffij voor rotterdam de rijs was 8 en halfe maandt dus dat was voorspoedig en alles zonder om standig heden volBracht..."

Dan schrijft Van der Plas over z'n vierde reis met een anderen kapitein, weder naar Betavia en vandaar met koffie naar Amsterdam: 
"de rijs duwde 11 maanden maar alles in orden Ge Gaan op de watere of ooszieaan maar Bij Holland Koomende was het on mogelijk de hafen Binne te zijlen wegens t ijs toen moest alles in t werk Ge steld worden om t schip in de hafen te krijgen maar door de heulp zaam hijd van de Katwijkers Gong alles Ge regeld en Be houwde aan de Kant dat was de 4 rijs die ik mee ge maakt hadt zonder schipBreuk te lijden met dat schip die rijs is voor Bij nu Koome wij aan de 5 rijs die word niet zoo goed vol Bracht..."

Hij zeilt dan naar siels, een koole land, waar het schip wordt geladen met steenkolen bestemd voor zinkepoor, engels indieje. De reis gaat naar wensch, doch terug is er geen vracht te bekomen, tot dit tenslotte toch nog gelukt want: "op een oogenblik komt er Be rigt uw kan laden voor be tavia rijst Ge lost en leeg Ge Koome nam de Kaptein een lading rijst aan voor amsterdam toen was de rijs van indieje naar de Groote oost 40 dagen rijs Rangoon daar Ge Koome eerst zoeke woar wij wezen maesten..."

Dan neemt Van der Plas' kapitein weder rijst in:
"en toen klaar Ge Koome hepbe wij de rijs aan Gevangen met alle moet en Be Lijdt tot dat wij Kwaame aan de wester eilanden dat was zaterdag nacht of zondag morgen datte wil niet anders dachte wij zouwde vergaan maar de goede God die heeft ons Ge spaart want geen een van ons scheeps volk hadt dat nooit Be leeft zoon oogen Blik daar in de poel van zee ver Zwolgen te worden wij kon den dat met geen pen Be Schrijfen die dat niet onder Gaan het schip dat leek wel een werak te zijn geen zijlen meer alles was in de lucht Ge vloogen maar gelukkig de Goede God die had Geen Be Hagen in ons anders had ik dat niet kunne Schrijfen want wij waare toch niet Beter als onsze Buur man die ver moedelijk een halfe mijl van ons was die het niet heeft Kunne ver telle zoo gaat het nu met de Zee man zoo ziet Zijn schip de lucht dan weer de af Grond nadere hun hart geeft zucht op zucht hun Bloed ver stijft in de aadere dus dat hep ik onder Gaan op de ooszieaan..."

Na deze lyrische ontboezeming vervolgt Van der Plas:
"de 6 rijs met Kaptein Zetteler een 3 mas schip in Rotterdam aan Ge monstert 28 Gulden in een maand de rijs was naar indieje maar eerst naar Kardief om een lading steen koole voor suurBaije doar Ge lost en Be vracht voor rotterdom zuiker en koffij toen vol Ge Koome en t schip klaar om de rijs aan te vangen kwaame er paszeziers aan Board toen wierd 1k Be last van de Kaptein willem uw moet mijn heer en me vrouw op pasze en de kindere ik sloeg dat niet of want ik kreeg vrije wachte...

Met z'n 7e reis was Van der Plas behalve matroos ook koejen Boer (hij mocht nl. de zich aan boord bevindende koe oppassen); voor dit extra karweitje kreeg hij f 2.- meer in de maand.
Behalve Be tavia werd ook suurbaije aangedaan. Met volgende reizen kwam Van der Plas zelfs in kallievornie terecht, wat, men zal dit met ons eens zijn, 'n lief stuk uit de richting is; daar schijnt om een of andere reden nieuw volk te zijn aangemonsterd want, schrijft Van der Plas verder:
"aan Board kwaame al Ge vande nazie
(allerhande natin) engelse meerrikaane deene zweede daar moest ik alleen onder ver Keere maar a vijn het Ging goed wij hadde rijs van zantverziskoo naar manzienilla een plaas aan de Kust van lawarre een land dat nog on Be woont was want dat was te Be zien daar waare er onder die heele maal naakt waare dus dat hep ik ont moet in zoon land loope kon je daar niet wegens het onge Dierte en bij over maat van smart had je daar zoo veel landkrappes ver schrikkelijk veel die huisde in de Bosze..."

Ankerzetter
Doch hier moeten we jammer genoeg afbreken, anders blijft er geen ruimte meer voor Pau de Haas - ook een dier stoere gasten die het grootste deel van hun leven deel hebben uitgemaakt van de bemanning der Katwijksche reddingboot. Hij was eveneens een der voormannen; van z'n 20ste tot z'n 55ste jaar, dus 35 jaar lang vervulde hij dien eervollen post. Thans op 62-jarigen leeftijd gaat het echter niet meer zoo van 'n lein dakje! Zijn leven lang was bij zeeman van top tot teen: aanvankelijk voer hij ter haringvangst als schipper op een bom, doch later werd hij, evenals Willem van der Plas, ankerzetter. Dit ankerzetten nu was een der gevaarlijkste baantjes uit den tijd der bommen, en alleen bekwame, forsche zwernmers konden dit vak uitoefenen. Zij brachten met 'n roeiboot een klein anker over een of twee zandbanken heen en zetten dit daar aan den grond vast. Dan keerden ze terug en namen een groot anker met tros in; vervolgens trokken zij zich langs de eerste lijn weder over de banken en zetten daar het groote anker. De bom die nu zee wilde kiezen kon zich door middel van een windas naar het groote anker en dus over de banken trekken, waarop ze in open water kwam en kon wegzeilen.

Man en paard
Eens gebeurde het nu, dat zij na het uitzetten van het eerste anker, en weder terug keerend met het groote anker in de boot, in een 'meuje' (draaikolk) terecht kwamen. De boot liep onmiddellijk vol en om het veege lijf te redden, wierpen ze anker en alles wat los en vast zat over boord; 't hielp echter niet, want de meuje zoog de boot weg - zee in; net waren ze bezig hun goed tot op de rood baaien broek toe uit te gooien, toen een neef van De Haas, die langs het strand met z'n paard kwam aanrijden, den levensgevaarlijken toestand, waarin de mannen verkeerden, bespeurde; van bedenken of zoo'n reddingspoging voor den redder zlf niet levensgevaarlijk kon zijn, is bij onze stoere zeelui geen sprake; dies stuurde hij vastberaden zijn paard zee in en zwom naar de draaikolk, waarin Pau en z'n maat, die inmiddels uit de boot gewipt waren, rondsloegen als 'n paar jonge honden. De trek was z geweldig, dat man en paard om De Haas heen werden gesleurd - deze riep: "Red Willem" doch greep meteen veiligheidshalve den staart van het paard maar vast beet en kwam zo veilig uit de meuje; Willem van der Plas had zich er onderwijl zelf al uit weten te werken.


Predikant
Een ander maal zag Pau, toen hij van het ankerzetten terugkeerde, een predikant die op Katwijk logeerde en met een vriend was gaan baden, in een meuje terecht komen en door den stroom in zee trekken. Snel z'n goed uittrekken en met krachtige slagen de branding inzwemmen was het werk van n oogenblik. Daar ziet hij dat een der drenkelingen zich aan den tros van een bom heeft vastgegrepen; hij, de vriend, houdt den dominee, een zeer zwak man, die alreeds het bewustzijn heeft verloren, krampachtig met de andere hand vast - lang zal hij het echter niet volhouden, want alreeds beginnen ook hem de krachten te begeven. Daar de zee zeer hoog staat, duikt Pau de Haas, als geroutineerd zwemmer, telkens door de aanrollende golven heen, waardoor hij niet alleen niet wordt teruggeworpen doch ook gemakkelijker zwemt. Eindelijk bereikt hij de drenkelingen; hij neemt het bewustelooze lichaam over en tracht daarmede het strand weder te bereiken. Een paar keer slaat de zee over hem heen, doch telkens weet hij weer boven te komen; wer drukt 'n geweldige golf hem naar beneden, doch gelukkig voelt hij grond - hij springt op, om weder boven water te komen en duikelt, meegesleurd door de woest aanrollende golven, een paar keer met het gevoelloze Iichaam in de armen over den kop. Eindelijk is hij zoover gevorderd, dat hij met het hoofd even boven, door de zee kan waden; ingespannen houdt hij het hoofd van den dominee, wien het schuim op den mond staat, boven water en bereikt tenslotte veilig het strand.
Hier werd hij door Dr. v.d. Wal, die onmiddellijk was gewaarschuwd, opgewacht en door dezen de eerste hulp verleend; de eerste hulpmiddelen werden gelukkig alras met sucees bekroond, want spoedig opende de drenkeling de oogen. Wanneer hij Pau de Haas in het oog krijgt mompelt hij nog amper verstaanbaar: "Hebt U me gered? Zeg dan niets tegen m'n vrouw!"
Des anderen daags komt een dame de woning van De Haas binnen: "Heeft U m'n broer gered?, ja?, wat ben ik U daarvoor schuldig?"(!)
Hoofsch antwoordt Pau: "Niemendal! geef me alleen dominee's portret maar, dan kan ik me altijd herinneren wien ik gered heb."
Pau kreeg f 10.- terwijl het portret hem werd toegezegd.

Gouden tientje
Eenige jaren later - het portret werd nimmer ontvangen - ziet De Haas een familie aan het strand zitten; hij herkent den predikant en stevent er heen. "Is U niet Ds. V.
"Ja vriend, doch wat meent U eigenlijk..."
"Dan wil ik je erme filiciteren dominee, dat je zoo opgeknapt bent, want ik heb je nog eens uit zee gehaald: ik zag je toen wel in 'doodelijk gewaad', doch herkend heb ik je toch."
Dominee deed een beetje verlegen - mevrouw keek erg verbouwereerd, en Pau, tenslotte ook wat verlegen met z'n figuur, droop af.
Even later komt mevrouw aan Pau's woning en drukt 'm een gouden tientje in de hand..."Ik weet er nu alles van De Haas en dank je nog wel dat je zoo moedig m'n man gered hebt - zijn portret zal je hebben."

Zoo zijn onze zeerobben, zoo zijn de manschappen der reddingbooten als ze buiten dienst zijn.

Amsterdam, Maart 1920 Mari A. Boer

(Uit: De Prins der gellustreerde bladen, 8 mei 1920)