| Paulus zoals hij is afgebeeld op een ikoon in Hilandar, een klooster in Noord Griekenland | ![]() |
|
Klein Azië in de eerste eeuw. (Biblisch-Historisches Handwörterbuch, Vandenhoeck & Ruprecht) |
![]() |
Tarsus
De stad Tarsus, waar Paulus werd geboren, lag in Cilicië, aan de zuidkust
van Turkije, op een afstand van 13 km. van de Middellandse
Zee. Er bestond een verbinding met de open zee via de rivier
de Kydnos, die door de stad stroomde. Omdat Tarsus tevens lag
aan een belangrijke handelsweg - de weg, die Antiochië verbond
met Klein-Azië - was het een grote levendige stad met een
gemelleerde bevolking. Tarsus had een lange geschiedenis.
Sedert Alexander de Grote vergriekste de stad. De stad
verwierf bekendheid o.a. doordat het een centrum van
filosofen werd. De Stoïcijn Athenodoros bijvoorbeeld, die
later een leermeester werd van keizer Augustus, kwam er
vandaan. In deze welvarende Griekse stad bracht Paulus
waarschijnlijk zijn jonge jaren door. Hij heeft er
dan ook ongetwijfeld vloeiend Grieks leren
spreken. Maar omdat zijn ouders afkomstig waren uit Palestina
(Paulus wijst erop dat hij een Jood is, uit de stam Benjamin)
werd hij opgevoed volgens de Joodse tradities. Zo werd hij
zonder enige twijfel kort na zijn geboorte besneden en kreeg hij een
goed Joodse naam: Saul. Mogelijk kreeg hij juist deze naam,
omdat zijn familie uit de stam van Benjamin was: ook koning Saul
tot die stam had behoord. De naam Paulus, die hij later droeg,
is een romeinse naam.
Jeruzalem.
Op enig moment is Paulus naar Jeruzalem gegaan. We weten niet
hoe oud hij toen was. Wat we wel weten is, dat er later sprake
is van een zuster van Paulus, die ook in Jeruzalem woonde.
Mogelijk is het hele gezin naar Jeruzalem verhuisd. Waren zijn
ouders misschien ooit in Tarsus terecht gekomen als slaven? En
hebben ze het daar zó goed gedaan, dat ze uiteindelijk zijn
vrijgelaten? Dat zou de verklaring kunnen zijn voor het feit,
dat Paulus zich ook een Romeins staatsburger kan noemen:
vrijgelaten slaven kregen wel vaker het burgerrecht. Hoe dit
ook zij: in Jeruzalem werd Paulus een leerling van Gamaliël,
een farizees wetgeleerde die, volgens Lucas, daar in hoog
aanzien stond (Handelingen 5:34). Deze Gamaliël, zo weten we
uit andere bronnen, was werkzaam in Jeruzalem tussen 25 en 50
n. Chr: Paulus zal misschien een jaar of vijftien geweest
zijn, toen hij aan de voeten van deze leermeester zat. Paulus
zegt van zichzelf dat hij een fanatiek farizeëer is geweest,
die zijn uiterste best deed om zich strikt aan de wetten van
Mozes te houden. Klaarblijkelijk had hij destijds er bewust
voor gekozen om een Jood te zijn in heel zijn denken, doen en
laten. Dat verklaart ook waarom we hem later kunnen aantreffen
op weg naar Damaskus - om er Judaïserende Christenen te
'vervolgen' omdat ze op een dwaalweg zouden zijn. Wat dit
'vervolgen' precies inhield, weten we niet: volgens Lucas ging
dit met geweld gepaard, maar dat hoeft niet het geval geweest
te zijn. Wanneer hij later bij herhaling in zijn brieven aan
de Christelijke gemeenten schrijft, dat hij "Gods gemeente"
(de 'Qehal el') heeft vervolgd (I Corinthe 15:9; Galaten 1:13;
I Thessalonicenzen 2:14), dan heeft die aanduiding betrekking
op groepen mensen, die zichzelf zagen als het volk van
gelovigen dat zich verzamelde, omdat het geloofde dat het
einde der tijden aanstaande was. Ook Judaïserende Christenen
dachten zo; het ziet ernaar uit dat Paulus destijds van
oordeel was, dat zij daarmee de heiligheid van Israël als
uitverkoren volk tekort deden. Klaarblijkelijk is Paulus, toen
hij onderweg was naar Damaskus, tot een ander inzicht gekomen.
| Compositietekening van Paulus door de politie van Noordrijn-Westfalen, in opdracht van de Duitse historicus Michael Heseman die een boek schreef over Paulus. | ![]() |
|
Paulus, zoals afgebeeld in het klooster te Moissac (Fr.) |
![]() |
Levensopdracht
De roeping, die Paulus als zijn levensopdracht ziet, zal voor
hem geen gemakkelijke geweest zijn; de navolging van de wetten
van Mozes, waaraan hij als vroom farizeëer zoveel waarde had
gehecht, vormde een obstakel voor de verkondiging van het
evangelie aan niet-Joden; immers, kon je van hen nou wel
verlangen dat ze de Mozaïsche leefregels strikt zouden
naleven? Dat is een vraag, waar Paulus lang mee heeft
geworsteld en waarover hij ook regelmatig in aanvaring is
gekomen met degenen die feitelijk vonden dat ook Christenen
zich aan de mozaïsche wetten moesten houden. Zo kwam hij
daarover in aanvaring met niemand minder dan met Petrus en met
Jacobus, een broer van Jezus die inmiddels de leiding had over
de christelijke gemeente in Jeruzalem.
Arabië
Misschien dat Paulus daarom naar 'Arabië' ging. Waar moeten we
dit land zoeken? En waarom ging hij juist daarheen? Hoe lang
is hij er gebleven? En waarom niet langer? Het zijn vragen die
niet met zekerheid te beantwoorden zijn. Maar het feit dat hij
later schrijft over koning Aretas, die zijn plaatsbekleder in
Damaskus de opdracht gaf om uit te kijken naar Paulus
en hem zo mogelijk gevangen te nemen, maakt het waarschijnlijk
dat Paulus is uitgeweken naar het land van de Nabataeërs, met
Petra als hoofdstad; van dat land was Aretas koning. Omdat dit
koningschap heeft geduurd tot het jaar 40 moet de vlucht uit
Damaskus, die volgde op het verblijf van Paulus in Arabië,
daarvoor hebben plaatsgevonden. Het is niet onwaarschijnlijk
dat Paulus in Nabataea onmiddellijk begonnen is met het
verkondigen van het evangelie, en dat hij daarmee ook al snel
voor onrust heeft gezorgd. Daar was men klaarblijkelijk niet
van gediend. Daarop moet Paulus ervoor gekozen hebben om terug
te gaan naar Damaskus; maar ook daar was hij, zoals gezegd,
niet veilig. Mogelijk was hij ook destijds al uitgeweken naar
Nabtaea omdat hij in Damaskus verre van populair was in
bepaalde kringen: het laat zich denken dat er jegens deze
vurige farizeëer, die zich ineens had bekeerd tot het
Christendom, achterdocht bestond bij Christenen, en een zekere
vijandschap. Om dezelfde redenen zou hij zeker ook in
Jeruzalem niet welkom geweest zijn - noch bij Christenen
vanwege zijn reputatie als farizeëer, noch bij Joden omdat hij
een afvallige geworden was. Maar ook nog afgezien daarvan: later zal
op zijn tochten bij herhaling blijken dat ook de
Romeinse overheid niet blij was met zijn verschijning en dat
ook de plaatselijke synagogen hem niet altijd goed gezind
waren.
Het eerste bezoek als apostel aan Jeruzalem
Rond het jaar 40 zal Paulus dus uit Arabië zijn teruggekeerd.
Na zijn ontsnapping uit Damaskus besluit Paulus om Jeruzalem
te bezoeken. Hij gaat daarheen, naar zijn eigen zeggen, om
Cephas (= Petrus) te ontmoeten (Galaten 1:18-20). Uit het feit
dat hij deze naam gebruikt blijkt dat Paulus zich realiseert
welke positie Petrus inneemt onder de leerlingen: hij is de
rots waarop de kerk wordt gebouwd. Niettemin blijkt uit de
manier waarop Paulus over zijn bezoek schrijft, dat het
bepaald niet zijn bedoeling was om van Petrus erkenning te
verkrijgen van zijn eigen apostelschap - zoals Lucas
suggereert. Paulus ging er vanuit dat ze op voet van
gelijkheid van gedachten zouden kunnen wisselen. Uit alles
blijkt, dat Paulus ervan overtuigd was dat hij net zoveel
recht van spreken had als Petrus en de andere apostelen. Het
bezoek duurde niet lang: een dag of veertien. Paulus vermeldt
er nadrukkelijk bij dat hij verder in Jeruzalem geen van de
andere apostelen heeft ontmoet. Wel ontmoette hij er Jacobus,
een broer van Jezus. Jacobus gaf leiding aan de gemeente die
in Jeruzalem was ontstaan. Hij was een streng judaïserend
Christen: dat betekent dat hij weliswaar Christen was, maar
dat hij zich tevens nog geheel en al hield aan de Joodse
leefregels. Het moge duidelijk zijn dat het dus iemand was,
die ernstige kritiek had op de opvattingen, die Paulus
ontwikkelde: die meende immers dat je van bekeerde heidenen
niet kon verlangen dat ze de Mozaïsche voorschriften zouden
naleven.
Barnabas
Volgens Lucas moet ongeveer op dit moment Barnabas in het
leven van Paulus zijn gekomen. Barnabas was afkomstig uit
Cyprus. Hij was waarschijnlijk iets ouder dan Paulus. Ze
hadden met elkaar gemeen dat ze van Joodse afkomst waren:
Barnabas was een Leviet. Ook hij is een volgeling van Jezus
geworden. En hij is in Jeruzalem gaan wonen. Lucas vertelt dat
hij een akker had, die hij verkocht om de opbrengst daarvan te
schenken aan de christelijke gemeente. Barnabas zou later door
de gemeente van Jeruzalem als afgevaardigde naar Antiochië
worden gezonden. Deze Barnabas genoot klaarblijkelijk veel
aanzien in de gemeente. Uit het vervolg van de geschiedenis
blijkt dat Paulus jaren lang intensief met Barnabas heeft
samengewerkt: in Cylicië en Phrygië, en ook in Antiochië.
Heeft Paulus Barnabas inderdaad in Jeruzalem leren kennen
tijdens zijn korte bezoek aan Petrus? Of pas later, in
Antiochië? Dat is allemaal niet meer te achterhalen. Maar
Lucas hechtte eraan om te laten zien dat het evangelie is
uitgegaan van Jeruzalem en dat het vandaar verder is verbreid
via Antiochië, Klein-Azie, en Griekenland totdat het ook Rome
had bereikt: vandaar dat hij Barnabas een brugfunctie heeft
toegedacht; dat heeft hem ertoe gebracht om van de gegevens,
waarover hij beschikte, op zijn eigen wijze een samenhangend
verhaal te maken.
Cylicië en Phrygië.
In de jaren die volgden op het eerste bezoek van Paulus als
apostel aan Jeruzalem heeft hij geruime tijd in Tarsus en in
dorpen en steden in de verre omtrek van deze stad het
evangelie heeft gebracht. Wat dit heeft opgeleverd en of er
ook Christelijke gemeenten zijn ontstaan is niet duidelijk.
Lucas weet te vermelden dat Paulus in die streken samen met
Barnabas en Johannes Marcus is opgetrokken. En er is geen
reden om te veronderstellen dat dit niet zo zou zijn geweest.
Barnabas en Paulus, zo wordt vermeld, bezochten o.a. Perge,
het phrygische Antiochië, Ikonion, Lystra en Derbe. Ze kwamen
er in de synagogen en spraken er met de mensen ondermeer over
de gekruisigde Christus, die was opgewekt. Hun pad ging niet
altijd over rozen: Paulus vertelt dat hij in Lystra ter
nauwernood een steniging overleefde (Handelingen 14: 19bvv.)
Lucas vermeldt, dat zij ook op Cyprus zouden zijn geweest,
maar dat lijkt wat twijfelachtig, omdat er met geen woord
gerept wordt over een bezoek aan een synagoge; het lijkt er
dan ook op dat zijn relaas alleen tot doel had om de
hoftovenaar van de proconsul in Paphos ter sprake te brengen.
Galatië
Uit de brief, die Paulus later aan de Galaten zal sturen,
blijkt dat hij deze mensen ooit heeft bezocht, en dat hij bij
dit eerste bezoek aan hun gebied ernstig ziek was. De Galaten
zijn Galliërs, die woonachtig waren in het binnenland van
Klein-Azië; de mensen waar het hier om gaat, stonden bekend
als een krijgslustig volk. Ze spraken Keltisch. Maar: er waren
er klaarblijkelijk ook die Grieks spraken. Anders had Paulus
niet met hen kunnen spreken. Paulus noemt geen plaatsen, waar
hij is geweest: mogelijk bezocht hij Ankyra en/of Pessinus.
Mogelijk zijn er naderhand ook in de omgeving van deze steden
christelijke kernen ontstaan. Achteraf prijst Paulus de
Galaten voor de goede zorgen die hij tijdens dit eerste bezoek
van hen heeft ondervonden (Galaten 4:13vv.). Was zijn ziekte
destijds de reden geweest om geruime tijd bij hen te blijven?
De reden ook, dat hij hen het evangelie heeft gebracht? We
weten het niet hoe Paulus bij hen terecht gekomen is, en of
dat zijn vooropgezette bedoeling is geweest. Het enige dat we
wèl weten is dat Paulus, toen hij uiteindelijk op weg ging
naar Europa, opnieuw een route koos dwars door dit gebied:
waarschijnlijk om zo deze mensen opnieuw te kunnen ontmoeten.
Antiochië
Volgens Lucas heeft Barnabas Paulus op enig moment naar
Antiochië gehaald: "Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om
Saulus te zoeken, en toen hij hem gevonden had, nam hij hem
mee naar Antiochië" (Handelingen 11:25v.) Of dit een
betrouwbaar bericht is, en wanneer dit gebeurde is allemaal
niet zo duidelijk. Wat we wèl mogen aannemen is dat Paulus dus
ook enige tijd in Antiochië heeft gewerkt. Een motief om
Paulus naar Antiochië te laten komen zou geweest kunnen zijn,
dat hij ervaring had met het prediken van het evangelie aan
niet-Joden.
Antiochië was, na Rome en Alexandrië, de derde stad van het
Romeinse rijk: een wereldstad dus. De plaatselijke bevolking
sprak er Syrisch. Maar er woonden ook talrijke 'nieuwkomers:
zij spraken over het algemeen Grieks. Toch was Antiochië niet
een typisch Griekse stad. Er woonden mensen uit vele streken
en ook Joden vormden een belangrijk deel van de bevolking. Het
waren vaak Joden die uitgeweken waren uit Palestina - om
uiteenlopende redenen. Ongetwijfeld waren er onder hen ook al
Joodse Christenen te vinden. Maar destijds werden zij
doorgaans nog voor Joden gehouden: het verschil ontging
buitenstaanders vaak. Naar schatting woonden er zo'n 50.000
Joden/Christenen in Antiochië. Een deel van hen was
gehelleniseerd; maar een ander deel sprak ongetwijfeld nog
aramees en sloot zich af van de stadse cultuur. Dit leverde
spanningen op tussen deze verschillende groepen. En het laat
zich denken, dat men dan ook vaak niet wist hoe deze mensen
het beste te benaderen waren wanneer je hen met het evangelie
in contact wilde brengen. Het was in Antiochië, dat leerlingen
van Jezus voor het eerst 'Christenen' werden genoemd. Daarvoor
noemde men hen 'mensen van de weg'. (Handelingen 24:22).
| Ikoon met daarin Paulus en zijn volgelingen, zittend in het scheepje dat hen 'thuis' moet brengen; de zee verwijst naar de ondoorgrondelijke diepten van dit bestaan; aan het roer zit Christus - incognito - te herkennen aan zijn hoofdbedekking - de ochtendster: "Ik ben .. de stralende morgenster" (Openbaring 22:16). Fecit Kerkwinkel Koinonia. | ![]() |
Op weg naar Europa.
Paulus zal niet lang in Antiochië gewerkt hebben. Hij was vast
besloten om het evangelie in de hele wereld te verkondigen, en
wel vóórdat de wederkomst van Christus, die hij verwachtte,
een feit zou zijn. Hij zag het immers als zijn roeping om het
evangelie uit te dragen tot aan de einden van de bekende
wereld? Het lag dus voor de hand dat hij ook naar Europa
wilde. Niettemin: het zou een hele onderneming zijn.
De tocht van Paulus naar Europa staat bekend als 'de tweede
zendingsreis'; maar ook dat is een constructie van Lucas.
Lucas wilde het doen voorkomen dat Paulus steeds terugkwam op
de plaats van waaruit hij op pad was gestuurd: hij deed het
voorkomen alsof anderen hem de opdracht gaven om op weg te
gaan. Lucas erkende het apostelschap van Paulus ook niet:
Paulus ontleende zijn gezag aan de anderen. Maar uit wat
Paulus zèlf schrijft blijkt dat hij zijn werk deed omdat hij
dit als een levensopdracht zag die hij persoonlijk van
Godswege had gekregen. Je zou kunnen zeggen dat de
activiteiten, die Lucas in de 'eerste zendingsreis' verwerkt,
alle betrekking op de periode waarin Paulus in Klein Azië
rondreisde. We zagen daarbij dat zijn activiteiten en de
plaatsen die hij bezocht dikwijls onvoorzien waren, en in
grote mate bepaald door omstandigheden (gevangenschap,
geselingen, ziekte e.d.). Toen hij evenwel op weg ging naar
Europa was dit weldegelijk gepland: hij reisde, in gezelschap
van Timotheüs en Silas (Silvanus), via de de 'Cylicische
poort' (een moeilijke route door het gebergte) naar het
noorden. De reden moet wel geweest zijn dat hij de Galaten
opnieuw wilde bezoeken. Via hun gebied trok hij naar Troas,
waar hij een schip vond Neapolis.
Silvanus en Timotheüs.
Van Silvanus weten we niet zoveel; het vermoeden bestaat dat
hij nog wat 'joodser' dacht dan Paulus. Later zal hij in
gezelschap van Petrus verkeren. Paulus koos zich hem als
reisgezel na enige onenigheid met Barnabas en Johannes Marcus
(Handelingen 15:40). Timotheüs was de zoon van een Joodse
moeder, die christin was geworden, en een heidense vader
(Handelingen 16:1). Dat betekent ongetwijfeld dat zijn moeder
afkomstig was uit een erg liberaal milieu. Niettemin werd
Timotheüs besneden: "omwille van de Joden in Lystra en
Iconium". Timotheüs zal met Paulus optrekken totdat deze
uiteindelijk in Jeruzalem wordt berecht: Paulus noemt hem zijn
'medearbeider', vertrouwt hem verscheidene opdrachten toe. Hem
prijst Paulus bijna de hemel in (Philippenzen 2:20; 2 Corinthe
1:19).
|
Griekenland in de eerste eeuw (Biblisch-Historisches Handwörterbuch, Vandenhoeck & Ruprecht) |
![]() |
Philippi
Via Neapolis reist het gezelschap verder langs de 'via
Ignatia'. Was Paulus wellicht toen al van plan om door te
reizen naar Rome? Dat weten we niet. Het gezelschapje komt al
spoedig in Philippi. Philippi is een militaire kolonie: veel
Romeinse veteranen werden daarheen gezonden om er een
welverdiende oude dag door te brengen. Er werd in Philippi dus
behalve Grieks ook Latijn gesproken. Vermoedelijk beheerste
Paulus die taal niet. Paulus, Timotheüs en Silvanus zouden de
eerste zendelingen zijn die ooit voet zetten op Europese
bodem. Zij ontmoetten, buiten de muren van Philippi bij de
Joodse gebedsplaats een zekere Lydia. Lydia was een
zakenvrouw. Ze handelde in purperen stoffen. En al spoedig zou
ze Christin worden. Mogelijk stelde zij het gezelschap in
staat om een tijdje in Philippi te blijven door hen financieel
te ondersteunen; zo kon daar ook aan anderen het evangelie
worden verkondigd en ontstond daar in Philippi een
christelijke gemeente. Na verloop van tijd liep het verblijf
echter uit op een conflict: waarschijnlijk werd Paulus bij die
gelegenheid opnieuw gevangen genomen en gegeseld. Vervolgens
werd hij de stad uitgezet. We lezen hierover in de eerste
brief, die Paulus later zal schrijven aan de gemeente in
Thessalonika (I Thess. 2:2).
Thessalonika
Als gevolg van de gebeurtenissen in Philippi komt Paulus
waarschijnlijk verzwakt in Thessalonika aan, terwijl de
striemen op zijn lichaam nog goed zichtbaar zijn. Thessalonika
was een stad met privileges: die had men te danken aan de
solidariteit die de bevolking destijds, toen Caesar en
Antonius er met hun legers waren, had betoond. In Thessalonika
bestond een synagoge (Handelingen 17:1). Ongetwijfeld zullen
Paulus en zijn reisgenoten daarmee contact hebben opgenomen:
zo deed Paulus dat steeds. Toch zullen de meeste bekeerlingen
hier wel zijn voortgekomen uit de niet-Joden. Paulus
"debatteerde" met de mensen van de synagoge: en die woorden
voorspellen niet veel goeds. In zijn brief aan de gemeente zal
hij later memoreren hoeveel last ze hadden van de Joden (I
Thess. 2:16), omdat die zo intolerant zijn. Hij zal de
gemeente in Thessalonika ook aansporen om zich voorbeeldig te
gedragen, 'terwille van hen die buiten zijn' (Thess. 4:12):
met hen worden ongetwijfeld de mensen van de synagoge bedoeld.
| De agora (= markt) van het oude Athene, gezien vanaf de Areopagus; de tempel op de achtergrond was gewijd aan de god Hephaistos (het z.g. Theseion); doordat de tempel later als kerk is gebruikt is dit de beste bewaarde tempel van Griekenland. | ![]() |
Athene
Na zijn vertrek uit Thessalonika reist Paulus (met Silas?)
zuidwaarts. Waarom niet naar Rome? Heeft Paulus wellicht
vernomen van het besluit van keizer Claudius: "Judaeos
impulsore Chresto assidue tumultuantis Roma expullit" (= Hij
[Claudius] verdreef de Joden die - opgehitst door Christus -
voortdurend voor onrust zorgden uit Rome), aldus weet
Suetonius een paar decennia later te berichten in zijn 'Vita
Claudii'; was dit besluit voor Paulus voldoende reden om dan
maar eerst naar Athene te gaan? Ook hiernaar kunnen we alleen
gissen. In Athene wachtten Paulus nieuwe tegenslagen. Zijn
preken sloegen er niet aan. We vernemen dat een vooraanstaand
Athener (Dionysius, een Areopagiet) zich liet bekeren.
Mogelijk was dit voor Paulus een motief om juist daar, op de
Areopagus (de plaats waar recht gesproken werd), een rede te
houden. Verder wordt de naam van een vrouw vermeld, Damaris,
die zich bekeerde tot het Christendom. Maar in de brief, die
Paulus later naar de gemeente van Corinthe zal sturen kunnen
we wellicht een echo horen van Paulus' bevindingen tijdens dit
Atheense avontuur: het is de overmoed van de 'wijsheid van
deze wereld' die mensen blind maakt voor het mysterie van het
geloof (I Corinthe 2:1vv). Dat deprimeert hem.
Corinthe
Kort na aankomst in Corinthe ontmoet Paulus er Priscilla (de
vrouw heet Prisca) en Aquila (Handelingen 18:2); zij zijn
juist uit Rome gearriveerd vanwaar ze zijn vertrokken "omdat
Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten",
aldus Lucas. Waarschijnlijk was dit wat overdreven, en betrof
het een speciale groep Joden (of waren het Christenen?). Het
is niet duidelijk of Prisca en Aquila bij aankomst in Corinthe
al Christen waren of niet. Waren zij betrokken geweest bij een
oproer? Ook dat is niet duidelijk. Hoe dit ook moge zijn:
Paulus vindt bij hen onderdak: omdat zij, net als hij,
'leerbewerkers' zijn. Samen kunnen ze aan de slag om zo het
geld verdienen om van te leven. Mogelijk zijn Prisca en Aquila
door het toedoen van Paulus Christen pas geworden. Maar dat
wordt verder niet vermeld.
|
Romeins bronhuis in Corinthe; op de achtergrond
de 'akrocorinth', de kalkrots waarop de bevolking van Corinthe
zich in tijden van gevaar terugtrok en waar de kruisvaarders
later een fort bouwden. |
![]() |
Corinthe was een grote handelsstad. Voor een reiziger in hart
en nieren zoals Paulus moet het toch wel bijzonder geweest
zijn om ruim anderhalf jaar ononderbroken in dezelfde stad te
werken. Ooit was Corinthe een bloeiende Griekse stad, berucht
om de tempelprostitutie. Maar in 146 v. Chr. kwam er een einde
aan de Achaïsche Bond, omdat Corinthe door de Romeinse consul
Lucius Mummius met de grond gelijk gemaakt. De burgers werden
vermoord of als slaven verkocht. En het werd verboden om de
stad opnieuw op te bouwen. Pas na zo'n 100 jaar werd de stad
opnieuw 'gesticht' door Julius Caesar. Sedertdien was het een
Romeinse colonie. Omdat het zo strategisch ligt kwam het al
spoedig weer tot bloei, en herkreeg het het karakter van de
haven- en handelsstad. Vandaar waarschijnlijk dat ook hier een
synagoge was. Na aankomst wendt Paulus zich zoals altijd ook
dit keer tot de Joden. En zowaar: dit maal met enig succes. We
vernemen dat een zekere Crispus, die leiding gaf aan de
synagoge, zich met heel zijn huis door Paulus heeft laten
dopen (I Corinthe 1:14; Handelingen 18:8). De christelijke
gemeente die ontstond bestond dus waarschijnlijk uit een kern
van mensen, die waren uitgetreden uit de plaatselijke
synagoge. Maar al snel blijkt dat de samenstelling van deze
gemeente verandert en een melange wordt van Joden, Grieken en
Romeinen, zowel armen als rijken: "Onder u waren er niet veel
die naar menselijke maatstaf rijk waren, niet veel die machtig
waren, niet veel die van voorname afkomst waren", zal Paulus
later schrijven (I Corinthe 1:26). De mededeling impliceert
wel, dat er weldegelijk ook rijken, machtigen en voornamen
deel uitmaakten van deze gemeente. Recent onderzoek heeft
uitgewezen, dat het niet juist is om te denken dat het
Christendom vooral mensen aansprak uit de onderste lagen van
de bevolking. Alleen al het feit dat het doorgaans
griekssprekenden waren wijst erop dat het mensen waren die
vaak van elders waren gekomen. En niet zelden hadden zij zich
een goed bestaan weten op te bouwen. Mede dankzij de welvaart
van sommigen kon zo'n gemeente dan ook nogal eens beschikken
over huizen waarin men kon samenkomen. Lucas weet dan ook te
vermelden, dat de Christelijke gemeente in Corinthe de
synagoge als plaats van samenkomst verruilde voor het huis van
een zekere Titius Justus (Handelingen 18:7), dat tegenover de
synagoge te vinden was. Het behoorde wel een beetje tot de
ideologie van het christelijk leven om geen waarde te hechten
aan bezit en om de armen mee te laten profiteren van de
verworven welvaart.
Na anderhalf jaar besloot Paulus om Corinthe te verlaten. Het
vermoeden bestaat dat hij van Plan was om naar Jeruzalem te
gaan: voor overleg rond de problematiek rond judaïserende
groepen. Aquila en Prisca reizen met hem mee naar Efeze. Na
een kort verblijf in die stad belooft Paulus er terug te komen
en reist hij snel door naar Syrië (Handelingen 18: 18vv).
Lucas wil de lezers doen geloven dat Paulus op weg was naar
Antiochië en en passant even Jeruzalem aandeed. Maar
waarschijnlijker is dat hij onderweg was naar de bijeenkomst
die later het 'apostelconvent' genoemd zou worden. En dat hij
onderweg ergens Barnabas en Titus heeft opgepikt. Dit convent
was bedoeld om helderheid te krijgen ten aanzien van de vraag
hoe nu het beleid zou moeten zijn ten aanzien van de Mozaïsche
leefregels. Dat Lucas op deze plaats in zijn reisverslag met
geen woord over het apostelconvent is wel te begrijpen: Lucas
heeft deze bijeenkomst al eerder in zijn verhaal een plaats
gegeven: al vóórdat Paulus op weg ging naar Europa. Maar het
feit dat Lucas vertelt over een gelofte, die Paulus voordat
hij op reis gaat aflegt, en dat Paulus zich laat kaal doet
vermoeden dat Jeruzalem als doel veel belangrijker was dan
Lucas het wil doen voorkomen: een gelofte kon alleen in de
tempel in Jeruzalem worden gelost. Bovendien lijken de
ervaringen van Paulus in Philippi en Thessalonika een goede
reden om deze kwestie aan de orde te stellen en hierover met
de 'zuilen' (Petrus, Johannes en Jacobus de broer van Jezus)
een beleid te formuleren. In de brief aan de Galaten, waar op
het moment dat Paulus de brief schreef ook moeilijkheden waren
met Joodse Christenen, schrijft Paulus dat hij na veertien
jaar, samen met Barnabas en Titus, opnieuw naar Jeruzalem is
gegaan (Galaten 2:1). "Dat was mij in een openbaring
opgedragen", zo zegt hij. Ook die veertien jaar doet
vermoeden, dat het onwaarschijnlijk is dat dit convent al
heeft plaatsgevonden op het tijdstip, dat Lucas ons wil doen
geloven. Wanneer Paulus' eerste bezoek aan Petrus plaats heeft
gevonden vóór het jaar 40, dan zou het convent rond het jaar
50 plaats gevonden hebben. Doorgaans wordt het gedateerd rond
het jaar 48. Dat zou kunnen kloppen met schattingen over de
datering van het eerste bezoek van Paulus aan Corinthe. Hij
zou later, vanuit Efeze, nog eens naar Corinthe reizen: van
dat bezoek maakt Lucas geen melding. Wist hij daar niet van?
Of paste het misschien niet in het beeld dat hij wilde
schetsen?
|
"De mystieke molen": Paulus bij een molen
waarin het graan van Mozes moet worden vermalen voordat
het geschikt is voor consumptie. Sculptuur op een kapiteel van een zuil in de Madeleine Basiliek te Vézelay. |
![]() |
Het apostelconvent.
De vragen die aan de orde moesten komen zijn inmiddels bekend:
moeten joden-christenen zich nu wel of niet strikt houden aan
de Mozaïsche leefregels? Is er ruimte voor een meer liberale
opvatting, waardoor het mogelijk is voor gelovigen om zich te
integreren in de stadse cultuur? Er moet er een onderscheid
gemaakt worden tussen hen, die van Joodse afkomst zijn, en de
'godvrezenden', sympathisanten die voortkomen uit het
heidendom? Want ook onder hen zijn er, die zich willen
conformeren aan de Joodse leefwijze. En moeten zij die
oorspronkelijk van Joodse afkomst zijn hoger in aanzien staan
dan de 'hellenisten'? De opvattingen van Paulus zijn inmiddels
uitgekristaliseerd: met de komst van Christus is de wet van
Mozes achterhaald. Natuurlijk staat het ieder vrij om trouw te
blijven aan de oude leefwijze; maar wie daartoe besluit moet
dat dan ook maar volledig doen en niet zo'n beetje: wie zich
laat besnijden, moet zich dan ook maar volledig en strikt aan
de wetten houden. Want die halfslachtigheid van sommigen is
verdacht: vaak zijn het opportunisten, die willen profiteren
van de priviliges die Joden in het Romeinse Rijk hebben.
Volgens Paulus zou er geen onderscheid gemaakt mogen worden
tussen zij die zich wel en zij zich niet aan de wet houden.
Barnabas, die Paulus vergezelde, had natuurlijk ook ervaring
met de verkondiging van het evangelie aan heidenen. En Titus?
Titus was een Griek, die zich tot het Christendom had bekeerd.
Hij was niet besneden. Het zou dus spannend kunnen worden: wat
zouden de anderen van hem nu verwachten? Zouden zij vinden dat
hij zich moest laten besnijden? En verder?
Wat er precies is besproken, is niet meer zo duidelijk. Er
waren minstens drie partijen: vóór- en tegenstanders van
Paulus, en 'spionnen', zoals Paulus hen noemt. Waarschijnlijk
heeft naderhand ieder aan de besluiten zijn eigen
interpretatie gegeven: Paulus, Petrus, Jacobus en Barnabas.
Slechts één ding werd echt duidelijk: Titus hoefde zich niet
te laten besnijden (Galaten 2: 3vv.); "dat wilden alleen een
paar schijnbroeders, die als spionnen waren
binnengedrongen...', aldus Paulus. Dat de afspraken verder op
verschillende wijze werden geïnterpreteerd verklaart waarom er
zich naderhand in Antiochië een incident kon voordoen zoals we
van Paulus vernemen in zijn brief aan de Galaten. Door dit
incident zal de relatie tussen Petrus en Paulus, die toch al
niet erg warm was, verder zijn bekoeld; het incident heeft ook
dat ook Barnabas en Paulus van elkaar vervreemd: omdat
Barnabas partij koos voor de zo op het oog meer pragmatisme
opstelling van Petrus. In de ogen van Paulus was Petrus echter
een lafbek en een huichelaar; best begrijpelijk, maar het kost
ook niet veel moeite om je in te leven in de situatie van
Petrus. Hij gaf er in die situatie klaarblijkelijk de voorkeur
aan om de maaltijden gescheiden te houden en verder te blijven
samenkomen om zo in elk geval een zekere eenheid binnen de
gemeente te bewaren. Voor een goed begrip van de situatie
dient bovendien de situatie in het oog gehouden te worden die
zich in Palestina ontwikkelde, en die uiteindelijk zouden
leiden tot de complete verwoesting van Jeruzalem: in die
situatie was er heel wat moed en solidariteit voor nodig om
trouw te blijven aan de Joodse traditie. In het licht van die
ontwikkelingen kon integratie in de (Romeinse) samenleving
gemakkelijk opgevat worden als het verloochenen van de Joodsezaak.
Terug naar Efeze.
Na het apostelconvent en het daarop volgende incident in
Antiochië begint de laatste fase van het werkzame leven van
Paulus. Via de route, die hij destijds volgde toen hij met
Timotheus en Silas naar Troas en Europa trok reist hij nu -
ditmaal waarschijnlijk vergezeld door Titus - naar Efeze.
Ongetwijfeld heeft hij onderweg opnieuw onderdak gevonden bij
bekenden van destijds. Bij aankomst in Efeze vond hij daar
Prisca en Aquila. Zij gaven inmiddels leiding aan een
huisgemeente. En het laat zich denken, dat Paulus bij hen ook
weer zijn oude beroep van leerbewerker kon uitoefenen.
| Uit de omgeving van Efeze: een kruik uit de Romeinse tijd, die nog steeds in gebruik is. De bodem is nog bezaaid met resten uit de oudheid. | ![]() |
Efeze was een bloeiende handelsstad. Rond het jaar 300 was de
stad geheel opnieuw aangelegd conform de opvattingen die er in
die tijd onder stadsarchitecten leefden. Het was een stad met
een regelmatig patroon van straten die loodrecht op elkaar
stonden. Efeze was vooral beroemd om het wereldwonder dat er
te vinden was: de tempel van Artemis. Weliswaar was die in 356
v. Chr. door brand verwoest, maar deze werd daarna snel
opnieuw opgebouwd in zijn oude glorie en nog fraaier gemaakt
door het op te smukken met het werk van de meest
vooraanstaande kunstenaars uit de oudheid.
In de tijd van Paulus was het een stad met een Romeins
karakter. De reizigers troffen er ondermeer een tempel aan
voor de keizer. Bestuurlijk was het echter zelfstandig. Het
was een stad met zo'n 200.000 inwoners. Deze waren afkomstig
uit alle windstreken. Voor Paulus dus opnieuw een strategisch
centrum met het oog op de verbreiding van het evangelie. Uit
de betrekkelijk schaarse gegevens waarover we beschikken wordt
duidelijk dat zijn arbeid er veel vruchten afwierp. In de
brief aan de Romeinen komt een hoofdstuk voor, dat niet in die
brief thuishoort: in hoofdstuk 16 groet Paulus een reeks
mensen, die welhaast zeker thuishoren in Efeze. Heeft Paulus
wellicht een afschrift van de brief, die hij later vanuit
Corinthe aan de gemeente in Rome zond, naar Efeze gestuurd? Of
behoort deze lijst bij een korte brief van Paulus aan de
gemeente in Efeze waarin hij Phoebe, die hij uit Corinthe naar
Efeze zendt, aanbeveelt (Romeinen 16:1)? En waarin hij
waarschuwt tegen mensen die tweedracht zaaien (Romeinen 16:
17-19)? Hoe dit ook zij, uit de lijst met personen die hij
groet wordt veel duidelijk over de christelijke gemeenschap in
Efeze. Onder degenen die Paulus groet zijn een aantal groepen
mensen, d.w.z. huisgemeenten; behalve Prisca en Aquila worden
het huis van Aristobulus en het huis van Narcissus genoemd.
Maar in v. 14 en 15 vinden we ook de opsomming van namen die
erop duiden dat ook hier sprake is van twee huisgemeenten, die
van tijd tot tijd bijeenkomen. Al met al worden 26 namen
genoemd. Uit wat Paulus over elk van hen zegt blijkt, dat hij
hen allen goed kent en dat hij hen in dankbaarheid gedenkt.
Klaarblijkelijk was de kring van Christenen in Efeze
uitgebreid. Wat ook opvalt is, dat Paulus spreekt over
personen waarmee hij samen gevangen heeft gezeten. De tijd,
die hij in Efeze heeft doorgebracht is klaarblijkelijk
weliswaar succesrijk geweest, maar bepaald niet zorgeloos. "In
Efeze heb ik op leven en dood gevochten", schrijft hij aan de
gemeente in Corinthe (I Corinthe 15:32) en even verderop
schrijft hij dat "de deur in Efeze wijd open staat voor zijn
werk, maar dat er ook vele tegenstanders zijn" (I Cor. 16:8).
En soms neigt hij ertoe de dood te verkiezen boven het leven
(Philippenzen 1:22vv.). In al deze ellende heeft hij veel
steun ondervonden van de gelovigen in Efeze; daarover zal hij
later schrijven: "Groet Prisca en en Aquila, mijn medewerkers
in de dienst aan Christus Jezus, die voor mij hun leven op het
spel hebben gezet; niet alleen hun ben ik dankbaar, maar ook
alle gemeenten van de heidenen." (Romeinen 16:3v.). Deze hele
lijst met mensen, die Paulus groet, laat zien hoezeer hij op
deze gemeente gesteld was en hoeveel contacten hij er had.
Tijdens zijn betrekkelijk lange verblijf in Efeze heeft Paulus
ook intensief contacten onderhouden met gemeenten die hij
vroeger had bezocht. Dat blijkt uit de brieven, die hij vanuit
Efeze heeft geschreven; sommige van die brieven zijn
geschreven tijdens zijn verblijf in de gevangenis. Maar het
blijkt ook uit de mensen en groepjes mensen, die hij er
ontving. Klaarblijkelijk kwam men naar hem toe om raad.
Dikwijls ook met vervelende berichten. Onder de Galaten waren
anti-Paulinisten opgedoken; en ook in de gemeente van Corinthe
werd het apostelschap van Paulus aangevochten. Dit bracht
Paulus er zelfs toe om tussentijds naar Corinthe te reizen -
een reis die overigens teleurstellend afliep. Wat er precies
is gebeurd valt niet meer te reconstrueren, maar uit de
brieven die over zijn (waarschijnlijk zijn ook heel wat
brieven niet bewaard gebleven) valt op te maken dat de
situatie er kritiek is geweest en dat Paulus zich door
uitlatingen van gemeenteleden ernstig beledigd heeft gevoeld.
Uiteindelijk verlaat Paulus Efeze. We weten het fijne er niet
van: werd de situatie in Efeze te bedreigend? Of wist hij te
ontsnappen uit gevangenschap? Of kwam hij vrij en werd hem de
toegang tot de stad verder ontzegd? Als we Lucas mogen geloven
dan zou Paulus, toen hij later met een groep afgevaardigden
van gemeenten op weg was naar Jeruzalem Efeze links laten
liggen om vervolgens wel een afgevaardigde van Efeze naar
Milete te laten komen. Deze mededeling zou de laatste
mogelijkheid kunnen ondersteunen. Hoe dat ook zij: na Efeze te
hebben verlaten zetten Paulus koers naar Thessalonika, Achaia
en tenslotte voor de derde maal naar Corinthe (II Corinthe
12:14; N.B.: de tweede brief aan de Corinthiers is een tekst
die is samengesteld waarschijnlijk uit twee brieven; de ene
omvat de hoofdstukken 1-9 en zal een brief zijn die hij vanuit
Efeze naar Corinthe heeft gestuurd; de tweede omvat de laatste
vier hoofdstukken en is vermoedelijk een brief, die hij vanuit
Thessalonika heeft verstuurd, nadat hij vernomen had dat de
Corinthische gemeente spijt had van de beledigingen hem
destijds aangedaan; men had inmiddels orde op zaken gesteld).
Tijdens dit derde verblijf in Corinthe moet het voorval hebben
plaatsgevonden, waarbij Joden Paulus voor het gerecht
sleepten. Zij beschuldigden Paulus ervan, dat hij de mensen
ertoe trachtte te verleiden om God op een wijze te dienen, die
in strijd was met de wet (Handelingen 18:12-17). Waren zij van
mening dat Paulus ten onrechte claimde, dat zijn evangelie ook
viel onder de privileges van de Romeinse overheid? Gallio, een
broer van Seneca, wilde van de aanklacht niet weten en deed de
zaak af als een intern Joodse aangelegenheid. Mogelijk stond
hij ook niet open voor de aanklacht omdat hij, net als zijn
broer, ook bepaald niet gecharmeerd was van de Joodse
godsdienst. Het voorval is voor ons van belang in verband met
de chronologie van het leven van Paulus: op grond van een
inscriptie, waarop de naam van Gallio voorkomt, weten we dat
het voorval rond het jaar 51 moet hebben plaatsgevonden.
| Fragmenten van de steen, die in Delfi is gevonden met daarop de naam van Gallio. De tekst bevat waarschijnlijk een reactie van keizer Claudius op een bericht van Gallio, waarin deze de leegloop van Delphi meldt. In deze reactie is sprake van "mijn vriend en proconsul Gallio"(r. 6). De inscriptie moet vermoedelijk gedateerd worden in het jaar 51. | ![]() |
Zo rond die tijd moet dus Paulus voor de derde keer in Corinthe
zijn geweest, en zich er hebben opgemaakt voor zijn reis naar
Jeruzalem om er collectegelden af te dragen.
Voor zijn vertrek zal Paulus dan ook de brief aan de gemeente
in Rome hebben geschreven waarin hij ondermeer laat weten nu
toch echt van plan te zijn om Rome te bezoeken. Zodra hij in
Jeruzalem is geweest zal hij afreizen naar Rome. Hij kon toen
nog niet weten wat hem in Jeruzalem te wachten stond: een
arrestatie en een beraamde moordaanslag; en het uitvoeren van
de moordaanslag zou worden voorkomen, en dat het proces zou
uitlopen op een tocht naar Rome als gevangene.
Lucas weet te vermelden, dat het plan van de moordaanslag
mislukt dankzij de oplettendheid van een zoon van de zuster
van Paulus (die in Jeruzalem woonde). De gebeurtenissen in
Jeruzalem - en vervolgens in Caesarea - zijn uitvoerig door
Lucas beschreven (Handelingen 21:27 - 26:32). Ook in dit
verslag, en met name in de redevoeringen, heeft Lucas
ongetwijfeld zijn eigen boodschap vervlochten.
Naar Rome
Hoe het Paulus in Rome verder is vergaan weten we niet.
Schrijvers uit de tweede eeuw weten te vertellen, dat hij er
als martelaar is gestorven. Clemens Romanus, die
waarschijnlijk de derde bisschop van de christelijke gemeente
in Rome is geweest, heeft vanuit die stad, waarschijnlijk rond
het jaar 95, een brief geschreven aan de gemeente in Corinthe.
Daarin waarschuwt hij deze gemeente ondermeer voor onderlinge
rivaliteit, jaloezie en tweedracht. In dat verband draagt hij
een reeks afschrikwekkende voorbeelden aan uit het Oude
Testament waarin volgens hem sprake is van broedermoord (Kaïn
en Abel, Jozef en zijn broers, Mozes de Israëliet die Mozes
deed vluchten, Saul en David, enz.). Zou hij daarmee ook
willen zeggen dat Paulus en Petrus uiteindelijk in Rome ook
het leven hebben moeten laten als gevolg van rivaliteit,
onenigheid en verraad aan de goede zaak binnen eigen kring?
Er zijn nogal wat aanwijzingen die in die richting wijzen,
maar waar we in dit verband niet op ingaan. De latere
berichten zijn éénstemmig als het gaat om de vraag hoe Paulus
aan zijn einde is gekomen: hij zou zijn onthoofd.
| De haven van Puteoli, op een fresco gevonden in Stabiae. Deze muurschildering wordt bewaard in het Museo Archeologico Nationale te Napels. Hier, in Puzeoli (Pozzuoli) zette Paulus na zijn lange zeereis voet aan wal. | ![]() |
Epiloog (1)
Het leven van Paulus wordt beheerst door conflicten.
Veelzeggend is wat Lucas schrijft over de aankomst van Paulus
in Rome. Paulus bezoekt er onmiddellijk de synagoge en hoort
daar: "We hebben uit Judea geen brief over u ontvangen, en ook
heeft niemand van onze broeders ons bezocht om iets slechts
over u te berichten of kwaad te spreken. Wel zouden we graag
van u horen wat uw denkbeelden zijn, want het is ons bekend
dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit." We
kunnen aan dit bericht twee conclusies verbinden: 1. Paulus
was klaarblijkelijk niet de enige die brieven schreef en
mensen opdrachten gaf; vanuit Jeruzalem werden synagogale
gemeenschappen is die tijd klaarblijkelijk op de hoogte
gesteld van belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen.
Daartoe behoorde klaarblijkelijk ook het zich ontwikkelende
Christendom. 2. Men zag in deze kringen Christenen als
onruststokers en als een bedreiging van de eigen positie. Het
Joodse geloof was immers een 'religio licita': het was Joden
veroorloofd was om Jood te zijn en om als Jood te leven. Het
behoeft geen toelichting, dat men er beducht voor was deze
bevoorrechte positie te verliezen. Het voorval in Corinthe,
waarbij Paulus voor de rechterstoel van Gallio werd gesleept,
is hiervoor illustratief. En wat de Joden in Rome aangaat: zij
zullen zich ongetwijfeld het edict van Claudius nog hebben
herinnerd, waarbij Joden de stad uit werden gezet om zaken
waar ze mogelijk part noch deel aan hadden. Want: waren het
destijds wel Joden geweest die de onrust hadden veroorzaakt?
Of was voor de overheid in Rome het verschil tussen Joden en
Christenen nog niet zo onduidelijk? Het gevoel te moeten
lijden onder de onrust, die door Christenen werd veroorzaakt,
zal voor bepaalde groepen Joden in Jeruzalem wellicht ook wel
het motief zijn geweest om een moordaanslag tegen Paulus te
beramen. Uit deze incidenten blijkt wel dat er onder bepaalde
groepen Joden vijandschap leefde met betrekking tot de
Christenen, en in het bijzonder jegens Paulus.
Waar dit allemaal toe kon leiden valt moeilijk in te schatten.
Er zijn aanwijzingen dat ook, toen Christenen de schuld kregen
van de grote brand die Rome voor een belangrijk deel in de as
heeft gelegd, dit gebeurde mede op instigatie van de Joden.
Wat hierbij overigens onmiddellijk dient te worden aangetekend
is, dat het niet alleen Joden waren, maar Joden-christenen (en
heiden-Christenen!) die van de situatie hebben misbruikt ten
eigen voordele. Er waren mensen die de Joodse leefwijze in
acht namen, niet uit overtuiging maar uit opportunisme. Hen
heeft Paulus op het oog, wanneer hij aan de Philippenzen
schrijft "Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken,
pas op voor die versnijdenis van ze!" (Philippenzen 3:2). En
in de brief aan de Galaten schrijft hij: "Degenen die er zo op
aandringen dat u zich laat besnijden, willen alleen een goede
indruk maken en voorkomen dat ze zullen worden vervolgd
omwille van het kruis van Christus." (Galaten 6:12). Je vond
hen klaarblijkelijk overal, ook in Rome. Want ook Clemens moet
hiervan geweten hebben, toen hij in zijn brief aan de gemeente
in Corinthe kwam aandragen met de verhalen uit het Oude
Testament over broedermoord! Helaas moet geconstateerd worden
dat er ook onder de Christenen mensen waren met minder edele
motieven! In de "derde brief" aan de gemeente van Corinthe
(het slot van 2 Corinthe) beschrijft Paulus wat hij in zijn
leven allemaal heeft moeten doorstaan terwille van het geloof:
"Door de Joden (!) ben ik vijf maal met veertig min één
zweepslagen gestraft, ik ben driemaal met stokslagen gestraft,
ik ben éénmaal met stenen bekogeld en heb drie maal schipbreuk
geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven.
Voortdurend was ik onderweg, bedreigd door rivieren, rovers,
volksgenoten en vreemdelingen (....). En dan laat ik al het
andere nog buiten beschouwing: de druk waarmee ik dagelijks
sta vanwege mijn zorg voor de gemeenten" (2 Corinthe 11:24-26.28).
Wat hij bedoelt te zeggen is, dat iemand die bereid is
om al dat lijden op de koop toe te nemen daar toch wel hele
goede redenen voor moet hebben. Maar wat we tussen de regels
door horen is ook het verwijt, dat er mensen zijn die zich
voordoen als Christenen terwijl ze het niet werkelijk zijn.
Het zijn verraders van de goede zaak!
Clemens schrijft in de brief, die hij aan de gemeente in
Corinthe zendt dat de de grootheid van Paulus met name blijkt
uit zijn vasthoudendheid: hij heeft, ondanks alles wat hij
heeft moeten doorstaan, met grote volharding zijn evangelie
verkondigd "in de hele wereld, van Oost tot West, ja tot in
het uiterste westen". Men heeft uit deze mededeling ook wel
gemeend te mogen opmaken dat Paulus ook nog in Spanje is
geweest. Immers, wanneer iemand in Rome schrijft over oost en
west en het uiterste westen, dan zou je toch mogen aannemen
dat dat Paulus in Rome nog weer in vrijheid is gesteld en dat
hij ook nog Spanje heeft kunnen bezoeken. Dat hij dit al
geruime tijd van plan was blijkt ook uit de brief die hij aan
de gemeente vanuit Corinthe in Rome heeft gestuurd (Romeinen
15:24,28). Maar of het daar ook werkelijk van gekomen is valt
uit de gegevens waarover we beschikken niet op te maken. Zeker
is wèl, dat Paulus het niet meer heeft meegemaakt, dat het
front waartegen hij zijn leven lang heeft gestreden, kort na
zijn dood de genadeklap heeft gekregen: op het moment dat
Jeruzalem, het religieuze centrum van het Jodendom, werd
vernietigd (het jaar 70). Vanaf dat moment zien we ook dat
Petrus Paulus langzaam zal verdringen van de eerste plaats.
Niettemin: in weerwil daarvan zal Paulus, op de oudste
afbeeldingen van het tweetal, op de ereplaats staan: ter
rechterzijde van Christus. Petrus staat ter linker zijde.
| Het mozaïek van de absis van de Santa Pudenziana in Rome. Deze kerk is de oudste cultusplaats in Rome: de kerk is gebouwd op de resten van een Romeins huis, dat van Pudens. Op het mozaïek zien we een tronende Christus met aan zijn rechterhand Paulus en de Ecclesia ex gentibus, en aan zijn linkerhand Petrus en de kerk uit de Joden. Op de achtergrond Jeruzalem, met de nieuwe bouwwerken van Constantijn in die stad, zoals de ronde koepel die hij over het heilige graf heeft laten bouwen en het kolossale gouden kruis dat hij op de Calvarieberg liet plaatsen. | ![]() |
Maar Paulus' laatste rustplaats wordt buiten de muren
van Rome gelocaliseerd; op de laatste rustplaats van
Petrus (binnen de muren!) zal eerst keizer Constantijn, en later
Bramante e.a. (in opdracht van paus Julius II) een Sint Pieter bouwen:
Petrus is immers de rots waarop de kerk zal worden gebouwd
(Matteüs 16:18)? Tot op de dag van vandaag houdt men het erop,
dat het graf van Petrus te vinden is onder het hoogaltaar van
deze kerk. Lucas had nog oog voor de gelijkwaardigheid van
deze beide vroege geloofsgetuigen, toen hij zijn geschrift "De
handelingen van de apostelen" geheel een al wijdde aan deze
beide grondleggers van de kerk.
Epiloog (2)
Hoe heeft het optreden van Paulus doorgewerkt in onze cultuur?
Eén van de karakteristieken van het Joodse geloof is, dat God
de enige god en de allerhoogste is. Hij is superieur aan alle
goden die, waar dan ook, worden vereerd. Oorspronkelijk was de
vorst (David) zijn representant op aarde. Maar na de tijd van
de koningen, met name tijdens de ballingschap, ontwikkelde
zich het besef dat de wereldlijke macht op gespannen voet kon
staan met de metafysische werkelijkheid; en dat het niet
vanzelfsprekend is dat de vorst het 'hemelse gerecht' representeert:
in veel heersers en vorsten, die hun machtsaanspraken ontlenen aan de goden
die zij vereerden, herkende men bedriegers.
Zo kon zich onder bepaalde groepen van de bevolking een zeker superioriteitsgevoel
ontwikkelen: men kon zichzelf - ook al was men dan ook onderworpen aan een vorst -
beschouwen als een 'uitverkoren volk' dat een verbond had met de onzichtbare
'Pantokrator' - de goddelijke heerser over het al. Dit ging men zien als een
onaantastbare fundament van een gerechtvaardigde levensovertuiging.
Paulus was het die aan deze van oorsprong Joodse gedachte
universele geldigheid heeft toegekend; hij heeft op grond
daarvan een nieuwe gemeenschap geproclameerd die - en dat is
voor het eerst in de geschiedenis - niet etnisch was bepaald.
Een gemeenschap waarin het niet uitmaakte of je Griek was of
Romein, slaaf of vrije, man of vrouw. Een "gemeenschap van
heiligen" in het spoor van de gekruisigde en in dienst van de
"onbekende God". Het kruis was een 'steen des aanstoots', iets
waar niemand trots op kon zijn: maar omdat deze schande nu
juist een rechtvaardige was aangedaan was daaruit wel duidelijk dat
de wereldse machten zich konden vergrijpen aan rechtvaardigen.
Daarmee is Paulus geworden tot een idool van veel utopisten
na hem die, op grond van een of ander ideaal, ten strijde trokken
om de wereld te verbeteren. Hiermee werd een heilige strijd
geïntroduceerd tegen de gevestigde orde: omwille van
de goede zaak. Dat veel dergelijk fanatisme uiteindelijk nogal eens
heeft geleid tot ontsporing, waardoor meer kwaad dan goed werd
aangericht, doet niets af aan het belang van de universele
visie van Paulus op het politieke vraagstuk.
Dat Paulus het Joodse gedachtengoed nog langs een andere weg ingang
kon laten vinden bij veel niet-Joden hangt voor een deel wellicht
samen met het gegeven dat hij Jezus Christus heeft
gepresenteerd als degene die het heelal draagt. Juist in
deze tijd had keizer Augustus geprobeerd om de zieltogende Romeinse
godsdienst nieuw leven in te blazen. Het is niet onwaarschijnlijk dat
Augustus, die onder invloed van zijn leermeester Anthenodoros - een
neostoïstisch wijsgeer uit de school van Tarsus (!) - de
verschijnselen aan de hemel en de kosmische kennis heeft willen
verbinden met de godsdienst; en dat hij daartoe de Mithrascultus nieuw
leven heeft ingeblazen: door de naam van deze oude Perzische godheid
te verbinden met de wetenschappelijke ideeën uit zijn tijd.
| Munt uit Tarsus waarop Mithras staat afgebeeld, die de stier doodt; de munt werd geslagen rond 240 n. Chr. | ![]() |
Reactie? Zend een E-mail
© A.E.J. Kaal, 2012.