Paulus zoals hij is afgebeeld op een ikoon in Hilandar, een klooster in Noord Griekenland

PAULUS: het verhaal van zijn leven.


Wie was Paulus? Hij was één van de grondleggers van het Christendom. Er is wel eens gezegd, dat er zonder Paulus nooit een kerk zou zijn geweest. Misschien is dat ook wel zo. Ongeveer 2000 jaar geleden moet deze Paulus zijn geboren: in Tarsus. Hij moet iets jonger geweest zijn dan Jezus van Nazareth. Toen Jezus werd gekruisigd bevond Paulus zich naar alle waarschijnlijkheid ook in Jeruzalem. Of ze van elkaars bestaan afwisten is onbekend.

De bronnen
Vrijwel alles wat we over Paulus weten is gebaseerd op het Nieuwe Testament. Maar de bronnen moeten met enige omzichtigheid worden bekeken. Wat we bezitten zijn een aantal brieven die Paulus heeft geschreven. Het zijn, op één na, brieven aan gemeenten. Hij schreef brieven aan de gemeente in Corinthe, een brief aan de Galaten, een brief aan de gemeente in Rome, een de brief aan de gemeente in Thessalonika, en een brief aan de gemeente in Philippi; bovendien een de brief aan Philémon, over een weggelopen slaaf, Onésimus. Er zijn nog wel meer brieven bewaard, die aan Paulus zijn toegeschreven en waarin ongetwijfeld gedachtegoed van hem bewaard is gebleven, maar die waarschijnlijk niet door Paulus zèlf zijn geschreven. Dit betreft de tweede brief aan de gemeente in Thessalonika, de brief aan de gemeente in Kolosse, de brief aan de gemeente in Efeze, de brief aan de Hebreëen, de twee brieven aan Timotheüs, en de brief aan Titus. Voor de vraag naar het leven van Paulus helpen die brieven ons niet verder. En dan is er nog het boek "De Handelingen van de apostelen", het tweede boek van de evangelist Lucas. Voor een belangrijk deel is dit gewijd aan het leven en het werk van Paulus. Bij dit geschrift moet echter bedacht worden, dat Lucas het schreef op een moment dat Paulus al lang niet meer in leven was. Lucas moest putten uit wat hem te ore kwam. Bovendien had Lucas met het schrijven van dit geschrift bepaalde bedoelingen; en ten dienste daarvan heeft hij het materiaal geordend en mogelijk hier en daar ook wat gemanipuleerd. Niet alles wat hij schrijft is daarom historisch betrouwbaar. Dat blijkt met name in die passages, waarin de informatie die hij geeft in strijd is met wat Paulus zèlf over zijn leven heeft geschreven.

Klein Azië in de eerste eeuw.
(Biblisch-Historisches Handwörterbuch,
Vandenhoeck & Ruprecht)

Tarsus
De stad Tarsus, waar Paulus werd geboren, lag in Cilicië, aan de zuidkust van Turkije, op een afstand van 13 km. van de Middellandse Zee. Er bestond een verbinding met de open zee via de rivier de Kydnos, die door de stad stroomde. Omdat Tarsus tevens lag aan een belangrijke handelsweg - de weg, die Antiochië verbond met Klein-Azië - was het een grote levendige stad met een gemelleerde bevolking. Tarsus had een lange geschiedenis. Sedert Alexander de Grote vergriekste de stad. De stad verwierf bekendheid o.a. doordat het een centrum van filosofen werd. De Stoïcijn Athenodoros bijvoorbeeld, die later een leermeester werd van keizer Augustus, kwam er vandaan. In deze welvarende Griekse stad bracht Paulus waarschijnlijk zijn jonge jaren door. Hij heeft er dan ook ongetwijfeld vloeiend Grieks leren spreken. Maar omdat zijn ouders afkomstig waren uit Palestina (Paulus wijst erop dat hij een Jood is, uit de stam Benjamin) werd hij opgevoed volgens de Joodse tradities. Zo werd hij zonder enige twijfel kort na zijn geboorte besneden en kreeg hij een goed Joodse naam: Saul. Mogelijk kreeg hij juist deze naam, omdat zijn familie uit de stam van Benjamin was: ook koning Saul tot die stam had behoord. De naam Paulus, die hij later droeg, is een romeinse naam.

Jeruzalem.
Op enig moment is Paulus naar Jeruzalem gegaan. We weten niet hoe oud hij toen was. Wat we wel weten is, dat er later sprake is van een zuster van Paulus, die ook in Jeruzalem woonde. Mogelijk is het hele gezin naar Jeruzalem verhuisd. Waren zijn ouders misschien ooit in Tarsus terecht gekomen als slaven? En hebben ze het daar zó goed gedaan, dat ze uiteindelijk zijn vrijgelaten? Dat zou de verklaring kunnen zijn voor het feit, dat Paulus zich ook een Romeins staatsburger kan noemen: vrijgelaten slaven kregen wel vaker het burgerrecht. Hoe dit ook zij: in Jeruzalem werd Paulus een leerling van Gamaliël, een farizees wetgeleerde die, volgens Lucas, daar in hoog aanzien stond (Handelingen 5:34). Deze Gamaliël, zo weten we uit andere bronnen, was werkzaam in Jeruzalem tussen 25 en 50 n. Chr: Paulus zal misschien een jaar of vijftien geweest zijn, toen hij aan de voeten van deze leermeester zat. Paulus zegt van zichzelf dat hij een fanatiek farizeëer is geweest, die zijn uiterste best deed om zich strikt aan de wetten van Mozes te houden. Klaarblijkelijk had hij destijds er bewust voor gekozen om een Jood te zijn in heel zijn denken, doen en laten. Dat verklaart ook waarom we hem later kunnen aantreffen op weg naar Damaskus - om er Judaïserende Christenen te 'vervolgen' omdat ze op een dwaalweg zouden zijn. Wat dit 'vervolgen' precies inhield, weten we niet: volgens Lucas ging dit met geweld gepaard, maar dat hoeft niet het geval geweest te zijn. Wanneer hij later bij herhaling in zijn brieven aan de Christelijke gemeenten schrijft, dat hij "Gods gemeente" (de 'Qehal el') heeft vervolgd (I Corinthe 15:9; Galaten 1:13; I Thessalonicenzen 2:14), dan heeft die aanduiding betrekking op groepen mensen, die zichzelf zagen als het volk van gelovigen dat zich verzamelde, omdat het geloofde dat het einde der tijden aanstaande was. Ook Judaïserende Christenen dachten zo; het ziet ernaar uit dat Paulus destijds van oordeel was, dat zij daarmee de heiligheid van Israël als uitverkoren volk tekort deden. Klaarblijkelijk is Paulus, toen hij onderweg was naar Damaskus, tot een ander inzicht gekomen.

Compositietekening van Paulus door de politie van Noordrijn-Westfalen, in opdracht van de Duitse historicus Michael Heseman die een boek schreef over Paulus.
De ommekeer
Zowel in het boek Handelingen als door Paulus zèlf wordt deze ommekeer in zijn leven herhaaldelijk ter sprake gebracht. De versie van Lucas wijkt echter op een aantal punten af van wat Paulus er zelf over vertelt. We mogen aannemen dat de informatie, die Paulus zèlf geeft, het meest betrouwbaar is. In het boek Handelingen wordt de gebeurtenis beschreven als een bekering: Lucas beschrijft die bekering op een manier die in die tijd gangbaar is, volgens een betrekkelijk vaststaand verhaalmodel. Paulus zèlf beschrijft de ommekeer als een verschijningsverhaal: de opgestane Christus is ook aan hem verschenen, net als aan andere apostelen. Paulus beschouwt zichzelf daarom een 'geroepen apostel' die de opdracht heeft om het evangelie wereldwijd te verkondigen. Letterlijk zegt hij dat hij deze opdracht ontvangen heeft "van Jezus Christus en God de Vader" (Galaten 1:1; zie ook Romeinen 1:1). Paulus vertelt, dat hij na deze gebeurtenis niet meer is teruggekeerd naar Jeruzalem: hij is onmiddellijk naar Arabië gegaan. Lucas vertelt heel iets anders: Paulus zou wèl teruggegaan zijn naar Jeruzalem en pas in de tempel Christus hebben gezien. Zo laat Lucas zien dat de oude profeten gelijk hadden toen ze zeiden dat het heil zou uitgaan van Sion (de tempelberg). Er is Lucas veel aan gelegen om aan te tonen dat Jeruzalem het centrum is van waaruit de gehele wereld zal worden gekerstend.

Paulus, zoals afgebeeld in het klooster te Moissac (Fr.)

Levensopdracht
De roeping, die Paulus als zijn levensopdracht ziet, zal voor hem geen gemakkelijke geweest zijn; de navolging van de wetten van Mozes, waaraan hij als vroom farizeëer zoveel waarde had gehecht, vormde een obstakel voor de verkondiging van het evangelie aan niet-Joden; immers, kon je van hen nou wel verlangen dat ze de Mozaïsche leefregels strikt zouden naleven? Dat is een vraag, waar Paulus lang mee heeft geworsteld en waarover hij ook regelmatig in aanvaring is gekomen met degenen die feitelijk vonden dat ook Christenen zich aan de mozaïsche wetten moesten houden. Zo kwam hij daarover in aanvaring met niemand minder dan met Petrus en met Jacobus, een broer van Jezus die inmiddels de leiding had over de christelijke gemeente in Jeruzalem.

Arabië
Misschien dat Paulus daarom naar 'Arabië' ging. Waar moeten we dit land zoeken? En waarom ging hij juist daarheen? Hoe lang is hij er gebleven? En waarom niet langer? Het zijn vragen die niet met zekerheid te beantwoorden zijn. Maar het feit dat hij later schrijft over koning Aretas, die zijn plaatsbekleder in Damaskus de opdracht gaf om uit te kijken naar Paulus en hem zo mogelijk gevangen te nemen, maakt het waarschijnlijk dat Paulus is uitgeweken naar het land van de Nabataeërs, met Petra als hoofdstad; van dat land was Aretas koning. Omdat dit koningschap heeft geduurd tot het jaar 40 moet de vlucht uit Damaskus, die volgde op het verblijf van Paulus in Arabië, daarvoor hebben plaatsgevonden. Het is niet onwaarschijnlijk dat Paulus in Nabataea onmiddellijk begonnen is met het verkondigen van het evangelie, en dat hij daarmee ook al snel voor onrust heeft gezorgd. Daar was men klaarblijkelijk niet van gediend. Daarop moet Paulus ervoor gekozen hebben om terug te gaan naar Damaskus; maar ook daar was hij, zoals gezegd, niet veilig. Mogelijk was hij ook destijds al uitgeweken naar Nabtaea omdat hij in Damaskus verre van populair was in bepaalde kringen: het laat zich denken dat er jegens deze vurige farizeëer, die zich ineens had bekeerd tot het Christendom, achterdocht bestond bij Christenen, en een zekere vijandschap. Om dezelfde redenen zou hij zeker ook in Jeruzalem niet welkom geweest zijn - noch bij Christenen vanwege zijn reputatie als farizeëer, noch bij Joden omdat hij een afvallige geworden was. Maar ook nog afgezien daarvan: later zal op zijn tochten bij herhaling blijken dat ook de Romeinse overheid niet blij was met zijn verschijning en dat ook de plaatselijke synagogen hem niet altijd goed gezind waren.

Het eerste bezoek als apostel aan Jeruzalem
Rond het jaar 40 zal Paulus dus uit Arabië zijn teruggekeerd. Na zijn ontsnapping uit Damaskus besluit Paulus om Jeruzalem te bezoeken. Hij gaat daarheen, naar zijn eigen zeggen, om Cephas (= Petrus) te ontmoeten (Galaten 1:18-20). Uit het feit dat hij deze naam gebruikt blijkt dat Paulus zich realiseert welke positie Petrus inneemt onder de leerlingen: hij is de rots waarop de kerk wordt gebouwd. Niettemin blijkt uit de manier waarop Paulus over zijn bezoek schrijft, dat het bepaald niet zijn bedoeling was om van Petrus erkenning te verkrijgen van zijn eigen apostelschap - zoals Lucas suggereert. Paulus ging er vanuit dat ze op voet van gelijkheid van gedachten zouden kunnen wisselen. Uit alles blijkt, dat Paulus ervan overtuigd was dat hij net zoveel recht van spreken had als Petrus en de andere apostelen. Het bezoek duurde niet lang: een dag of veertien. Paulus vermeldt er nadrukkelijk bij dat hij verder in Jeruzalem geen van de andere apostelen heeft ontmoet. Wel ontmoette hij er Jacobus, een broer van Jezus. Jacobus gaf leiding aan de gemeente die in Jeruzalem was ontstaan. Hij was een streng judaïserend Christen: dat betekent dat hij weliswaar Christen was, maar dat hij zich tevens nog geheel en al hield aan de Joodse leefregels. Het moge duidelijk zijn dat het dus iemand was, die ernstige kritiek had op de opvattingen, die Paulus ontwikkelde: die meende immers dat je van bekeerde heidenen niet kon verlangen dat ze de Mozaïsche voorschriften zouden naleven.

Barnabas
Volgens Lucas moet ongeveer op dit moment Barnabas in het leven van Paulus zijn gekomen. Barnabas was afkomstig uit Cyprus. Hij was waarschijnlijk iets ouder dan Paulus. Ze hadden met elkaar gemeen dat ze van Joodse afkomst waren: Barnabas was een Leviet. Ook hij is een volgeling van Jezus geworden. En hij is in Jeruzalem gaan wonen. Lucas vertelt dat hij een akker had, die hij verkocht om de opbrengst daarvan te schenken aan de christelijke gemeente. Barnabas zou later door de gemeente van Jeruzalem als afgevaardigde naar Antiochië worden gezonden. Deze Barnabas genoot klaarblijkelijk veel aanzien in de gemeente. Uit het vervolg van de geschiedenis blijkt dat Paulus jaren lang intensief met Barnabas heeft samengewerkt: in Cylicië en Phrygië, en ook in Antiochië. Heeft Paulus Barnabas inderdaad in Jeruzalem leren kennen tijdens zijn korte bezoek aan Petrus? Of pas later, in Antiochië? Dat is allemaal niet meer te achterhalen. Maar Lucas hechtte eraan om te laten zien dat het evangelie is uitgegaan van Jeruzalem en dat het vandaar verder is verbreid via Antiochië, Klein-Azie, en Griekenland totdat het ook Rome had bereikt: vandaar dat hij Barnabas een brugfunctie heeft toegedacht; dat heeft hem ertoe gebracht om van de gegevens, waarover hij beschikte, op zijn eigen wijze een samenhangend verhaal te maken.

Cylicië en Phrygië.
In de jaren die volgden op het eerste bezoek van Paulus als apostel aan Jeruzalem heeft hij geruime tijd in Tarsus en in dorpen en steden in de verre omtrek van deze stad het evangelie heeft gebracht. Wat dit heeft opgeleverd en of er ook Christelijke gemeenten zijn ontstaan is niet duidelijk. Lucas weet te vermelden dat Paulus in die streken samen met Barnabas en Johannes Marcus is opgetrokken. En er is geen reden om te veronderstellen dat dit niet zo zou zijn geweest. Barnabas en Paulus, zo wordt vermeld, bezochten o.a. Perge, het phrygische Antiochië, Ikonion, Lystra en Derbe. Ze kwamen er in de synagogen en spraken er met de mensen ondermeer over de gekruisigde Christus, die was opgewekt. Hun pad ging niet altijd over rozen: Paulus vertelt dat hij in Lystra ter nauwernood een steniging overleefde (Handelingen 14: 19bvv.) Lucas vermeldt, dat zij ook op Cyprus zouden zijn geweest, maar dat lijkt wat twijfelachtig, omdat er met geen woord gerept wordt over een bezoek aan een synagoge; het lijkt er dan ook op dat zijn relaas alleen tot doel had om de hoftovenaar van de proconsul in Paphos ter sprake te brengen.

Galatië
Uit de brief, die Paulus later aan de Galaten zal sturen, blijkt dat hij deze mensen ooit heeft bezocht, en dat hij bij dit eerste bezoek aan hun gebied ernstig ziek was. De Galaten zijn Galliërs, die woonachtig waren in het binnenland van Klein-Azië; de mensen waar het hier om gaat, stonden bekend als een krijgslustig volk. Ze spraken Keltisch. Maar: er waren er klaarblijkelijk ook die Grieks spraken. Anders had Paulus niet met hen kunnen spreken. Paulus noemt geen plaatsen, waar hij is geweest: mogelijk bezocht hij Ankyra en/of Pessinus. Mogelijk zijn er naderhand ook in de omgeving van deze steden christelijke kernen ontstaan. Achteraf prijst Paulus de Galaten voor de goede zorgen die hij tijdens dit eerste bezoek van hen heeft ondervonden (Galaten 4:13vv.). Was zijn ziekte destijds de reden geweest om geruime tijd bij hen te blijven? De reden ook, dat hij hen het evangelie heeft gebracht? We weten het niet hoe Paulus bij hen terecht gekomen is, en of dat zijn vooropgezette bedoeling is geweest. Het enige dat we wèl weten is dat Paulus, toen hij uiteindelijk op weg ging naar Europa, opnieuw een route koos dwars door dit gebied: waarschijnlijk om zo deze mensen opnieuw te kunnen ontmoeten.

Antiochië
Volgens Lucas heeft Barnabas Paulus op enig moment naar Antiochië gehaald: "Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om Saulus te zoeken, en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië" (Handelingen 11:25v.) Of dit een betrouwbaar bericht is, en wanneer dit gebeurde is allemaal niet zo duidelijk. Wat we wèl mogen aannemen is dat Paulus dus ook enige tijd in Antiochië heeft gewerkt. Een motief om Paulus naar Antiochië te laten komen zou geweest kunnen zijn, dat hij ervaring had met het prediken van het evangelie aan niet-Joden.
Antiochië was, na Rome en Alexandrië, de derde stad van het Romeinse rijk: een wereldstad dus. De plaatselijke bevolking sprak er Syrisch. Maar er woonden ook talrijke 'nieuwkomers: zij spraken over het algemeen Grieks. Toch was Antiochië niet een typisch Griekse stad. Er woonden mensen uit vele streken en ook Joden vormden een belangrijk deel van de bevolking. Het waren vaak Joden die uitgeweken waren uit Palestina - om uiteenlopende redenen. Ongetwijfeld waren er onder hen ook al Joodse Christenen te vinden. Maar destijds werden zij doorgaans nog voor Joden gehouden: het verschil ontging buitenstaanders vaak. Naar schatting woonden er zo'n 50.000 Joden/Christenen in Antiochië. Een deel van hen was gehelleniseerd; maar een ander deel sprak ongetwijfeld nog aramees en sloot zich af van de stadse cultuur. Dit leverde spanningen op tussen deze verschillende groepen. En het laat zich denken, dat men dan ook vaak niet wist hoe deze mensen het beste te benaderen waren wanneer je hen met het evangelie in contact wilde brengen. Het was in Antiochië, dat leerlingen van Jezus voor het eerst 'Christenen' werden genoemd. Daarvoor noemde men hen 'mensen van de weg'. (Handelingen 24:22).

Ikoon met daarin Paulus en zijn volgelingen, zittend in het scheepje dat hen 'thuis' moet brengen; de zee verwijst naar de ondoorgrondelijke diepten van dit bestaan; aan het roer zit Christus - incognito - te herkennen aan zijn hoofdbedekking - de ochtendster: "Ik ben .. de stralende morgenster" (Openbaring 22:16). Fecit Kerkwinkel Koinonia.

Op weg naar Europa.
Paulus zal niet lang in Antiochië gewerkt hebben. Hij was vast besloten om het evangelie in de hele wereld te verkondigen, en wel vóórdat de wederkomst van Christus, die hij verwachtte, een feit zou zijn. Hij zag het immers als zijn roeping om het evangelie uit te dragen tot aan de einden van de bekende wereld? Het lag dus voor de hand dat hij ook naar Europa wilde. Niettemin: het zou een hele onderneming zijn.

De tocht van Paulus naar Europa staat bekend als 'de tweede zendingsreis'; maar ook dat is een constructie van Lucas. Lucas wilde het doen voorkomen dat Paulus steeds terugkwam op de plaats van waaruit hij op pad was gestuurd: hij deed het voorkomen alsof anderen hem de opdracht gaven om op weg te gaan. Lucas erkende het apostelschap van Paulus ook niet: Paulus ontleende zijn gezag aan de anderen. Maar uit wat Paulus zèlf schrijft blijkt dat hij zijn werk deed omdat hij dit als een levensopdracht zag die hij persoonlijk van Godswege had gekregen. Je zou kunnen zeggen dat de activiteiten, die Lucas in de 'eerste zendingsreis' verwerkt, alle betrekking op de periode waarin Paulus in Klein Azië rondreisde. We zagen daarbij dat zijn activiteiten en de plaatsen die hij bezocht dikwijls onvoorzien waren, en in grote mate bepaald door omstandigheden (gevangenschap, geselingen, ziekte e.d.). Toen hij evenwel op weg ging naar Europa was dit weldegelijk gepland: hij reisde, in gezelschap van Timotheüs en Silas (Silvanus), via de de 'Cylicische poort' (een moeilijke route door het gebergte) naar het noorden. De reden moet wel geweest zijn dat hij de Galaten opnieuw wilde bezoeken. Via hun gebied trok hij naar Troas, waar hij een schip vond Neapolis.

Silvanus en Timotheüs.
Van Silvanus weten we niet zoveel; het vermoeden bestaat dat hij nog wat 'joodser' dacht dan Paulus. Later zal hij in gezelschap van Petrus verkeren. Paulus koos zich hem als reisgezel na enige onenigheid met Barnabas en Johannes Marcus (Handelingen 15:40). Timotheüs was de zoon van een Joodse moeder, die christin was geworden, en een heidense vader (Handelingen 16:1). Dat betekent ongetwijfeld dat zijn moeder afkomstig was uit een erg liberaal milieu. Niettemin werd Timotheüs besneden: "omwille van de Joden in Lystra en Iconium". Timotheüs zal met Paulus optrekken totdat deze uiteindelijk in Jeruzalem wordt berecht: Paulus noemt hem zijn 'medearbeider', vertrouwt hem verscheidene opdrachten toe. Hem prijst Paulus bijna de hemel in (Philippenzen 2:20; 2 Corinthe 1:19).
Griekenland in de eerste eeuw
(Biblisch-Historisches Handwörterbuch,
Vandenhoeck & Ruprecht)

Philippi
Via Neapolis reist het gezelschap verder langs de 'via Ignatia'. Was Paulus wellicht toen al van plan om door te reizen naar Rome? Dat weten we niet. Het gezelschapje komt al spoedig in Philippi. Philippi is een militaire kolonie: veel Romeinse veteranen werden daarheen gezonden om er een welverdiende oude dag door te brengen. Er werd in Philippi dus behalve Grieks ook Latijn gesproken. Vermoedelijk beheerste Paulus die taal niet. Paulus, Timotheüs en Silvanus zouden de eerste zendelingen zijn die ooit voet zetten op Europese bodem. Zij ontmoetten, buiten de muren van Philippi bij de Joodse gebedsplaats een zekere Lydia. Lydia was een zakenvrouw. Ze handelde in purperen stoffen. En al spoedig zou ze Christin worden. Mogelijk stelde zij het gezelschap in staat om een tijdje in Philippi te blijven door hen financieel te ondersteunen; zo kon daar ook aan anderen het evangelie worden verkondigd en ontstond daar in Philippi een christelijke gemeente. Na verloop van tijd liep het verblijf echter uit op een conflict: waarschijnlijk werd Paulus bij die gelegenheid opnieuw gevangen genomen en gegeseld. Vervolgens werd hij de stad uitgezet. We lezen hierover in de eerste brief, die Paulus later zal schrijven aan de gemeente in Thessalonika (I Thess. 2:2).

Thessalonika
Als gevolg van de gebeurtenissen in Philippi komt Paulus waarschijnlijk verzwakt in Thessalonika aan, terwijl de striemen op zijn lichaam nog goed zichtbaar zijn. Thessalonika was een stad met privileges: die had men te danken aan de solidariteit die de bevolking destijds, toen Caesar en Antonius er met hun legers waren, had betoond. In Thessalonika bestond een synagoge (Handelingen 17:1). Ongetwijfeld zullen Paulus en zijn reisgenoten daarmee contact hebben opgenomen: zo deed Paulus dat steeds. Toch zullen de meeste bekeerlingen hier wel zijn voortgekomen uit de niet-Joden. Paulus "debatteerde" met de mensen van de synagoge: en die woorden voorspellen niet veel goeds. In zijn brief aan de gemeente zal hij later memoreren hoeveel last ze hadden van de Joden (I Thess. 2:16), omdat die zo intolerant zijn. Hij zal de gemeente in Thessalonika ook aansporen om zich voorbeeldig te gedragen, 'terwille van hen die buiten zijn' (Thess. 4:12): met hen worden ongetwijfeld de mensen van de synagoge bedoeld.
De agora (= markt) van het oude Athene, gezien vanaf de Areopagus; de tempel op de achtergrond was gewijd aan de god Hephaistos (het z.g. Theseion); doordat de tempel later als kerk is gebruikt is dit de beste bewaarde tempel van Griekenland.

Athene
Na zijn vertrek uit Thessalonika reist Paulus (met Silas?) zuidwaarts. Waarom niet naar Rome? Heeft Paulus wellicht vernomen van het besluit van keizer Claudius: "Judaeos impulsore Chresto assidue tumultuantis Roma expullit" (= Hij [Claudius] verdreef de Joden die - opgehitst door Christus - voortdurend voor onrust zorgden uit Rome), aldus weet Suetonius een paar decennia later te berichten in zijn 'Vita Claudii'; was dit besluit voor Paulus voldoende reden om dan maar eerst naar Athene te gaan? Ook hiernaar kunnen we alleen gissen. In Athene wachtten Paulus nieuwe tegenslagen. Zijn preken sloegen er niet aan. We vernemen dat een vooraanstaand Athener (Dionysius, een Areopagiet) zich liet bekeren. Mogelijk was dit voor Paulus een motief om juist daar, op de Areopagus (de plaats waar recht gesproken werd), een rede te houden. Verder wordt de naam van een vrouw vermeld, Damaris, die zich bekeerde tot het Christendom. Maar in de brief, die Paulus later naar de gemeente van Corinthe zal sturen kunnen we wellicht een echo horen van Paulus' bevindingen tijdens dit Atheense avontuur: het is de overmoed van de 'wijsheid van deze wereld' die mensen blind maakt voor het mysterie van het geloof (I Corinthe 2:1vv). Dat deprimeert hem.

Corinthe
Kort na aankomst in Corinthe ontmoet Paulus er Priscilla (de vrouw heet Prisca) en Aquila (Handelingen 18:2); zij zijn juist uit Rome gearriveerd vanwaar ze zijn vertrokken "omdat Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten", aldus Lucas. Waarschijnlijk was dit wat overdreven, en betrof het een speciale groep Joden (of waren het Christenen?). Het is niet duidelijk of Prisca en Aquila bij aankomst in Corinthe al Christen waren of niet. Waren zij betrokken geweest bij een oproer? Ook dat is niet duidelijk. Hoe dit ook moge zijn: Paulus vindt bij hen onderdak: omdat zij, net als hij, 'leerbewerkers' zijn. Samen kunnen ze aan de slag om zo het geld verdienen om van te leven. Mogelijk zijn Prisca en Aquila door het toedoen van Paulus Christen pas geworden. Maar dat wordt verder niet vermeld.
Romeins bronhuis in Corinthe; op de achtergrond de 'akrocorinth', de kalkrots waarop de bevolking van Corinthe zich in tijden van gevaar terugtrok en waar de kruisvaarders later een fort bouwden.

Corinthe was een grote handelsstad. Voor een reiziger in hart en nieren zoals Paulus moet het toch wel bijzonder geweest zijn om ruim anderhalf jaar ononderbroken in dezelfde stad te werken. Ooit was Corinthe een bloeiende Griekse stad, berucht om de tempelprostitutie. Maar in 146 v. Chr. kwam er een einde aan de Achaïsche Bond, omdat Corinthe door de Romeinse consul Lucius Mummius met de grond gelijk gemaakt. De burgers werden vermoord of als slaven verkocht. En het werd verboden om de stad opnieuw op te bouwen. Pas na zo'n 100 jaar werd de stad opnieuw 'gesticht' door Julius Caesar. Sedertdien was het een Romeinse colonie. Omdat het zo strategisch ligt kwam het al spoedig weer tot bloei, en herkreeg het het karakter van de haven- en handelsstad. Vandaar waarschijnlijk dat ook hier een synagoge was. Na aankomst wendt Paulus zich zoals altijd ook dit keer tot de Joden. En zowaar: dit maal met enig succes. We vernemen dat een zekere Crispus, die leiding gaf aan de synagoge, zich met heel zijn huis door Paulus heeft laten dopen (I Corinthe 1:14; Handelingen 18:8). De christelijke gemeente die ontstond bestond dus waarschijnlijk uit een kern van mensen, die waren uitgetreden uit de plaatselijke synagoge. Maar al snel blijkt dat de samenstelling van deze gemeente verandert en een melange wordt van Joden, Grieken en Romeinen, zowel armen als rijken: "Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf rijk waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren", zal Paulus later schrijven (I Corinthe 1:26). De mededeling impliceert wel, dat er weldegelijk ook rijken, machtigen en voornamen deel uitmaakten van deze gemeente. Recent onderzoek heeft uitgewezen, dat het niet juist is om te denken dat het Christendom vooral mensen aansprak uit de onderste lagen van de bevolking. Alleen al het feit dat het doorgaans griekssprekenden waren wijst erop dat het mensen waren die vaak van elders waren gekomen. En niet zelden hadden zij zich een goed bestaan weten op te bouwen. Mede dankzij de welvaart van sommigen kon zo'n gemeente dan ook nogal eens beschikken over huizen waarin men kon samenkomen. Lucas weet dan ook te vermelden, dat de Christelijke gemeente in Corinthe de synagoge als plaats van samenkomst verruilde voor het huis van een zekere Titius Justus (Handelingen 18:7), dat tegenover de synagoge te vinden was. Het behoorde wel een beetje tot de ideologie van het christelijk leven om geen waarde te hechten aan bezit en om de armen mee te laten profiteren van de verworven welvaart.

Na anderhalf jaar besloot Paulus om Corinthe te verlaten. Het vermoeden bestaat dat hij van Plan was om naar Jeruzalem te gaan: voor overleg rond de problematiek rond judaïserende groepen. Aquila en Prisca reizen met hem mee naar Efeze. Na een kort verblijf in die stad belooft Paulus er terug te komen en reist hij snel door naar Syrië (Handelingen 18: 18vv). Lucas wil de lezers doen geloven dat Paulus op weg was naar Antiochië en en passant even Jeruzalem aandeed. Maar waarschijnlijker is dat hij onderweg was naar de bijeenkomst die later het 'apostelconvent' genoemd zou worden. En dat hij onderweg ergens Barnabas en Titus heeft opgepikt. Dit convent was bedoeld om helderheid te krijgen ten aanzien van de vraag hoe nu het beleid zou moeten zijn ten aanzien van de Mozaïsche leefregels. Dat Lucas op deze plaats in zijn reisverslag met geen woord over het apostelconvent is wel te begrijpen: Lucas heeft deze bijeenkomst al eerder in zijn verhaal een plaats gegeven: al vóórdat Paulus op weg ging naar Europa. Maar het feit dat Lucas vertelt over een gelofte, die Paulus voordat hij op reis gaat aflegt, en dat Paulus zich laat kaal doet vermoeden dat Jeruzalem als doel veel belangrijker was dan Lucas het wil doen voorkomen: een gelofte kon alleen in de tempel in Jeruzalem worden gelost. Bovendien lijken de ervaringen van Paulus in Philippi en Thessalonika een goede reden om deze kwestie aan de orde te stellen en hierover met de 'zuilen' (Petrus, Johannes en Jacobus de broer van Jezus) een beleid te formuleren. In de brief aan de Galaten, waar op het moment dat Paulus de brief schreef ook moeilijkheden waren met Joodse Christenen, schrijft Paulus dat hij na veertien jaar, samen met Barnabas en Titus, opnieuw naar Jeruzalem is gegaan (Galaten 2:1). "Dat was mij in een openbaring opgedragen", zo zegt hij. Ook die veertien jaar doet vermoeden, dat het onwaarschijnlijk is dat dit convent al heeft plaatsgevonden op het tijdstip, dat Lucas ons wil doen geloven. Wanneer Paulus' eerste bezoek aan Petrus plaats heeft gevonden vóór het jaar 40, dan zou het convent rond het jaar 50 plaats gevonden hebben. Doorgaans wordt het gedateerd rond het jaar 48. Dat zou kunnen kloppen met schattingen over de datering van het eerste bezoek van Paulus aan Corinthe. Hij zou later, vanuit Efeze, nog eens naar Corinthe reizen: van dat bezoek maakt Lucas geen melding. Wist hij daar niet van? Of paste het misschien niet in het beeld dat hij wilde schetsen?
"De mystieke molen": Paulus bij een molen waarin het graan van Mozes moet worden vermalen voordat het geschikt is voor consumptie.
Sculptuur op een kapiteel van een zuil in de Madeleine Basiliek te Vézelay.

Het apostelconvent.
De vragen die aan de orde moesten komen zijn inmiddels bekend: moeten joden-christenen zich nu wel of niet strikt houden aan de Mozaïsche leefregels? Is er ruimte voor een meer liberale opvatting, waardoor het mogelijk is voor gelovigen om zich te integreren in de stadse cultuur? Er moet er een onderscheid gemaakt worden tussen hen, die van Joodse afkomst zijn, en de 'godvrezenden', sympathisanten die voortkomen uit het heidendom? Want ook onder hen zijn er, die zich willen conformeren aan de Joodse leefwijze. En moeten zij die oorspronkelijk van Joodse afkomst zijn hoger in aanzien staan dan de 'hellenisten'? De opvattingen van Paulus zijn inmiddels uitgekristaliseerd: met de komst van Christus is de wet van Mozes achterhaald. Natuurlijk staat het ieder vrij om trouw te blijven aan de oude leefwijze; maar wie daartoe besluit moet dat dan ook maar volledig doen en niet zo'n beetje: wie zich laat besnijden, moet zich dan ook maar volledig en strikt aan de wetten houden. Want die halfslachtigheid van sommigen is verdacht: vaak zijn het opportunisten, die willen profiteren van de priviliges die Joden in het Romeinse Rijk hebben. Volgens Paulus zou er geen onderscheid gemaakt mogen worden tussen zij die zich wel en zij zich niet aan de wet houden. Barnabas, die Paulus vergezelde, had natuurlijk ook ervaring met de verkondiging van het evangelie aan heidenen. En Titus? Titus was een Griek, die zich tot het Christendom had bekeerd. Hij was niet besneden. Het zou dus spannend kunnen worden: wat zouden de anderen van hem nu verwachten? Zouden zij vinden dat hij zich moest laten besnijden? En verder?

Wat er precies is besproken, is niet meer zo duidelijk. Er waren minstens drie partijen: vóór- en tegenstanders van Paulus, en 'spionnen', zoals Paulus hen noemt. Waarschijnlijk heeft naderhand ieder aan de besluiten zijn eigen interpretatie gegeven: Paulus, Petrus, Jacobus en Barnabas. Slechts één ding werd echt duidelijk: Titus hoefde zich niet te laten besnijden (Galaten 2: 3vv.); "dat wilden alleen een paar schijnbroeders, die als spionnen waren binnengedrongen...', aldus Paulus. Dat de afspraken verder op verschillende wijze werden geïnterpreteerd verklaart waarom er zich naderhand in Antiochië een incident kon voordoen zoals we van Paulus vernemen in zijn brief aan de Galaten. Door dit incident zal de relatie tussen Petrus en Paulus, die toch al niet erg warm was, verder zijn bekoeld; het incident heeft ook dat ook Barnabas en Paulus van elkaar vervreemd: omdat Barnabas partij koos voor de zo op het oog meer pragmatisme opstelling van Petrus. In de ogen van Paulus was Petrus echter een lafbek en een huichelaar; best begrijpelijk, maar het kost ook niet veel moeite om je in te leven in de situatie van Petrus. Hij gaf er in die situatie klaarblijkelijk de voorkeur aan om de maaltijden gescheiden te houden en verder te blijven samenkomen om zo in elk geval een zekere eenheid binnen de gemeente te bewaren. Voor een goed begrip van de situatie dient bovendien de situatie in het oog gehouden te worden die zich in Palestina ontwikkelde, en die uiteindelijk zouden leiden tot de complete verwoesting van Jeruzalem: in die situatie was er heel wat moed en solidariteit voor nodig om trouw te blijven aan de Joodse traditie. In het licht van die ontwikkelingen kon integratie in de (Romeinse) samenleving gemakkelijk opgevat worden als het verloochenen van de Joodsezaak.

Terug naar Efeze.
Na het apostelconvent en het daarop volgende incident in Antiochië begint de laatste fase van het werkzame leven van Paulus. Via de route, die hij destijds volgde toen hij met Timotheus en Silas naar Troas en Europa trok reist hij nu - ditmaal waarschijnlijk vergezeld door Titus - naar Efeze. Ongetwijfeld heeft hij onderweg opnieuw onderdak gevonden bij bekenden van destijds. Bij aankomst in Efeze vond hij daar Prisca en Aquila. Zij gaven inmiddels leiding aan een huisgemeente. En het laat zich denken, dat Paulus bij hen ook weer zijn oude beroep van leerbewerker kon uitoefenen.
Uit de omgeving van Efeze: een kruik uit de Romeinse tijd, die nog steeds in gebruik is. De bodem is nog bezaaid met resten uit de oudheid.

Efeze was een bloeiende handelsstad. Rond het jaar 300 was de stad geheel opnieuw aangelegd conform de opvattingen die er in die tijd onder stadsarchitecten leefden. Het was een stad met een regelmatig patroon van straten die loodrecht op elkaar stonden. Efeze was vooral beroemd om het wereldwonder dat er te vinden was: de tempel van Artemis. Weliswaar was die in 356 v. Chr. door brand verwoest, maar deze werd daarna snel opnieuw opgebouwd in zijn oude glorie en nog fraaier gemaakt door het op te smukken met het werk van de meest vooraanstaande kunstenaars uit de oudheid.

In de tijd van Paulus was het een stad met een Romeins karakter. De reizigers troffen er ondermeer een tempel aan voor de keizer. Bestuurlijk was het echter zelfstandig. Het was een stad met zo'n 200.000 inwoners. Deze waren afkomstig uit alle windstreken. Voor Paulus dus opnieuw een strategisch centrum met het oog op de verbreiding van het evangelie. Uit de betrekkelijk schaarse gegevens waarover we beschikken wordt duidelijk dat zijn arbeid er veel vruchten afwierp. In de brief aan de Romeinen komt een hoofdstuk voor, dat niet in die brief thuishoort: in hoofdstuk 16 groet Paulus een reeks mensen, die welhaast zeker thuishoren in Efeze. Heeft Paulus wellicht een afschrift van de brief, die hij later vanuit Corinthe aan de gemeente in Rome zond, naar Efeze gestuurd? Of behoort deze lijst bij een korte brief van Paulus aan de gemeente in Efeze waarin hij Phoebe, die hij uit Corinthe naar Efeze zendt, aanbeveelt (Romeinen 16:1)? En waarin hij waarschuwt tegen mensen die tweedracht zaaien (Romeinen 16: 17-19)? Hoe dit ook zij, uit de lijst met personen die hij groet wordt veel duidelijk over de christelijke gemeenschap in Efeze. Onder degenen die Paulus groet zijn een aantal groepen mensen, d.w.z. huisgemeenten; behalve Prisca en Aquila worden het huis van Aristobulus en het huis van Narcissus genoemd. Maar in v. 14 en 15 vinden we ook de opsomming van namen die erop duiden dat ook hier sprake is van twee huisgemeenten, die van tijd tot tijd bijeenkomen. Al met al worden 26 namen genoemd. Uit wat Paulus over elk van hen zegt blijkt, dat hij hen allen goed kent en dat hij hen in dankbaarheid gedenkt. Klaarblijkelijk was de kring van Christenen in Efeze uitgebreid. Wat ook opvalt is, dat Paulus spreekt over personen waarmee hij samen gevangen heeft gezeten. De tijd, die hij in Efeze heeft doorgebracht is klaarblijkelijk weliswaar succesrijk geweest, maar bepaald niet zorgeloos. "In Efeze heb ik op leven en dood gevochten", schrijft hij aan de gemeente in Corinthe (I Corinthe 15:32) en even verderop schrijft hij dat "de deur in Efeze wijd open staat voor zijn werk, maar dat er ook vele tegenstanders zijn" (I Cor. 16:8). En soms neigt hij ertoe de dood te verkiezen boven het leven (Philippenzen 1:22vv.). In al deze ellende heeft hij veel steun ondervonden van de gelovigen in Efeze; daarover zal hij later schrijven: "Groet Prisca en en Aquila, mijn medewerkers in de dienst aan Christus Jezus, die voor mij hun leven op het spel hebben gezet; niet alleen hun ben ik dankbaar, maar ook alle gemeenten van de heidenen." (Romeinen 16:3v.). Deze hele lijst met mensen, die Paulus groet, laat zien hoezeer hij op deze gemeente gesteld was en hoeveel contacten hij er had. Tijdens zijn betrekkelijk lange verblijf in Efeze heeft Paulus ook intensief contacten onderhouden met gemeenten die hij vroeger had bezocht. Dat blijkt uit de brieven, die hij vanuit Efeze heeft geschreven; sommige van die brieven zijn geschreven tijdens zijn verblijf in de gevangenis. Maar het blijkt ook uit de mensen en groepjes mensen, die hij er ontving. Klaarblijkelijk kwam men naar hem toe om raad. Dikwijls ook met vervelende berichten. Onder de Galaten waren anti-Paulinisten opgedoken; en ook in de gemeente van Corinthe werd het apostelschap van Paulus aangevochten. Dit bracht Paulus er zelfs toe om tussentijds naar Corinthe te reizen - een reis die overigens teleurstellend afliep. Wat er precies is gebeurd valt niet meer te reconstrueren, maar uit de brieven die over zijn (waarschijnlijk zijn ook heel wat brieven niet bewaard gebleven) valt op te maken dat de situatie er kritiek is geweest en dat Paulus zich door uitlatingen van gemeenteleden ernstig beledigd heeft gevoeld. Uiteindelijk verlaat Paulus Efeze. We weten het fijne er niet van: werd de situatie in Efeze te bedreigend? Of wist hij te ontsnappen uit gevangenschap? Of kwam hij vrij en werd hem de toegang tot de stad verder ontzegd? Als we Lucas mogen geloven dan zou Paulus, toen hij later met een groep afgevaardigden van gemeenten op weg was naar Jeruzalem Efeze links laten liggen om vervolgens wel een afgevaardigde van Efeze naar Milete te laten komen. Deze mededeling zou de laatste mogelijkheid kunnen ondersteunen. Hoe dat ook zij: na Efeze te hebben verlaten zetten Paulus koers naar Thessalonika, Achaia en tenslotte voor de derde maal naar Corinthe (II Corinthe 12:14; N.B.: de tweede brief aan de Corinthiers is een tekst die is samengesteld waarschijnlijk uit twee brieven; de ene omvat de hoofdstukken 1-9 en zal een brief zijn die hij vanuit Efeze naar Corinthe heeft gestuurd; de tweede omvat de laatste vier hoofdstukken en is vermoedelijk een brief, die hij vanuit Thessalonika heeft verstuurd, nadat hij vernomen had dat de Corinthische gemeente spijt had van de beledigingen hem destijds aangedaan; men had inmiddels orde op zaken gesteld). Tijdens dit derde verblijf in Corinthe moet het voorval hebben plaatsgevonden, waarbij Joden Paulus voor het gerecht sleepten. Zij beschuldigden Paulus ervan, dat hij de mensen ertoe trachtte te verleiden om God op een wijze te dienen, die in strijd was met de wet (Handelingen 18:12-17). Waren zij van mening dat Paulus ten onrechte claimde, dat zijn evangelie ook viel onder de privileges van de Romeinse overheid? Gallio, een broer van Seneca, wilde van de aanklacht niet weten en deed de zaak af als een intern Joodse aangelegenheid. Mogelijk stond hij ook niet open voor de aanklacht omdat hij, net als zijn broer, ook bepaald niet gecharmeerd was van de Joodse godsdienst. Het voorval is voor ons van belang in verband met de chronologie van het leven van Paulus: op grond van een inscriptie, waarop de naam van Gallio voorkomt, weten we dat het voorval rond het jaar 51 moet hebben plaatsgevonden.
Fragmenten van de steen, die in Delfi is gevonden met daarop de naam van Gallio. De tekst bevat waarschijnlijk een reactie van keizer Claudius op een bericht van Gallio, waarin deze de leegloop van Delphi meldt. In deze reactie is sprake van "mijn vriend en proconsul Gallio"(r. 6). De inscriptie moet vermoedelijk gedateerd worden in het jaar 51.

Zo rond die tijd moet dus Paulus voor de derde keer in Corinthe zijn geweest, en zich er hebben opgemaakt voor zijn reis naar Jeruzalem om er collectegelden af te dragen.
Voor zijn vertrek zal Paulus dan ook de brief aan de gemeente in Rome hebben geschreven waarin hij ondermeer laat weten nu toch echt van plan te zijn om Rome te bezoeken. Zodra hij in Jeruzalem is geweest zal hij afreizen naar Rome. Hij kon toen nog niet weten wat hem in Jeruzalem te wachten stond: een arrestatie en een beraamde moordaanslag; en het uitvoeren van de moordaanslag zou worden voorkomen, en dat het proces zou uitlopen op een tocht naar Rome als gevangene.

Lucas weet te vermelden, dat het plan van de moordaanslag mislukt dankzij de oplettendheid van een zoon van de zuster van Paulus (die in Jeruzalem woonde). De gebeurtenissen in Jeruzalem - en vervolgens in Caesarea - zijn uitvoerig door Lucas beschreven (Handelingen 21:27 - 26:32). Ook in dit verslag, en met name in de redevoeringen, heeft Lucas ongetwijfeld zijn eigen boodschap vervlochten.

Naar Rome
Hoe het Paulus in Rome verder is vergaan weten we niet. Schrijvers uit de tweede eeuw weten te vertellen, dat hij er als martelaar is gestorven. Clemens Romanus, die waarschijnlijk de derde bisschop van de christelijke gemeente in Rome is geweest, heeft vanuit die stad, waarschijnlijk rond het jaar 95, een brief geschreven aan de gemeente in Corinthe. Daarin waarschuwt hij deze gemeente ondermeer voor onderlinge rivaliteit, jaloezie en tweedracht. In dat verband draagt hij een reeks afschrikwekkende voorbeelden aan uit het Oude Testament waarin volgens hem sprake is van broedermoord (Kaïn en Abel, Jozef en zijn broers, Mozes de Israëliet die Mozes deed vluchten, Saul en David, enz.). Zou hij daarmee ook willen zeggen dat Paulus en Petrus uiteindelijk in Rome ook het leven hebben moeten laten als gevolg van rivaliteit, onenigheid en verraad aan de goede zaak binnen eigen kring?
Er zijn nogal wat aanwijzingen die in die richting wijzen, maar waar we in dit verband niet op ingaan. De latere berichten zijn éénstemmig als het gaat om de vraag hoe Paulus aan zijn einde is gekomen: hij zou zijn onthoofd.
De haven van Puteoli, op een fresco gevonden in Stabiae. Deze muurschildering wordt bewaard in het Museo Archeologico Nationale te Napels. Hier, in Puzeoli (Pozzuoli) zette Paulus na zijn lange zeereis voet aan wal.

Epiloog (1)
Het leven van Paulus wordt beheerst door conflicten. Veelzeggend is wat Lucas schrijft over de aankomst van Paulus in Rome. Paulus bezoekt er onmiddellijk de synagoge en hoort daar: "We hebben uit Judea geen brief over u ontvangen, en ook heeft niemand van onze broeders ons bezocht om iets slechts over u te berichten of kwaad te spreken. Wel zouden we graag van u horen wat uw denkbeelden zijn, want het is ons bekend dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit." We kunnen aan dit bericht twee conclusies verbinden: 1. Paulus was klaarblijkelijk niet de enige die brieven schreef en mensen opdrachten gaf; vanuit Jeruzalem werden synagogale gemeenschappen is die tijd klaarblijkelijk op de hoogte gesteld van belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen. Daartoe behoorde klaarblijkelijk ook het zich ontwikkelende Christendom. 2. Men zag in deze kringen Christenen als onruststokers en als een bedreiging van de eigen positie. Het Joodse geloof was immers een 'religio licita': het was Joden veroorloofd was om Jood te zijn en om als Jood te leven. Het behoeft geen toelichting, dat men er beducht voor was deze bevoorrechte positie te verliezen. Het voorval in Corinthe, waarbij Paulus voor de rechterstoel van Gallio werd gesleept, is hiervoor illustratief. En wat de Joden in Rome aangaat: zij zullen zich ongetwijfeld het edict van Claudius nog hebben herinnerd, waarbij Joden de stad uit werden gezet om zaken waar ze mogelijk part noch deel aan hadden. Want: waren het destijds wel Joden geweest die de onrust hadden veroorzaakt? Of was voor de overheid in Rome het verschil tussen Joden en Christenen nog niet zo onduidelijk? Het gevoel te moeten lijden onder de onrust, die door Christenen werd veroorzaakt, zal voor bepaalde groepen Joden in Jeruzalem wellicht ook wel het motief zijn geweest om een moordaanslag tegen Paulus te beramen. Uit deze incidenten blijkt wel dat er onder bepaalde groepen Joden vijandschap leefde met betrekking tot de Christenen, en in het bijzonder jegens Paulus.
Waar dit allemaal toe kon leiden valt moeilijk in te schatten. Er zijn aanwijzingen dat ook, toen Christenen de schuld kregen van de grote brand die Rome voor een belangrijk deel in de as heeft gelegd, dit gebeurde mede op instigatie van de Joden.

Wat hierbij overigens onmiddellijk dient te worden aangetekend is, dat het niet alleen Joden waren, maar Joden-christenen (en heiden-Christenen!) die van de situatie hebben misbruikt ten eigen voordele. Er waren mensen die de Joodse leefwijze in acht namen, niet uit overtuiging maar uit opportunisme. Hen heeft Paulus op het oog, wanneer hij aan de Philippenzen schrijft "Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!" (Philippenzen 3:2). En in de brief aan de Galaten schrijft hij: "Degenen die er zo op aandringen dat u zich laat besnijden, willen alleen een goede indruk maken en voorkomen dat ze zullen worden vervolgd omwille van het kruis van Christus." (Galaten 6:12). Je vond hen klaarblijkelijk overal, ook in Rome. Want ook Clemens moet hiervan geweten hebben, toen hij in zijn brief aan de gemeente in Corinthe kwam aandragen met de verhalen uit het Oude Testament over broedermoord! Helaas moet geconstateerd worden dat er ook onder de Christenen mensen waren met minder edele motieven! In de "derde brief" aan de gemeente van Corinthe (het slot van 2 Corinthe) beschrijft Paulus wat hij in zijn leven allemaal heeft moeten doorstaan terwille van het geloof: "Door de Joden (!) ben ik vijf maal met veertig min één zweepslagen gestraft, ik ben driemaal met stokslagen gestraft, ik ben éénmaal met stenen bekogeld en heb drie maal schipbreuk geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven. Voortdurend was ik onderweg, bedreigd door rivieren, rovers, volksgenoten en vreemdelingen (....). En dan laat ik al het andere nog buiten beschouwing: de druk waarmee ik dagelijks sta vanwege mijn zorg voor de gemeenten" (2 Corinthe 11:24-26.28). Wat hij bedoelt te zeggen is, dat iemand die bereid is om al dat lijden op de koop toe te nemen daar toch wel hele goede redenen voor moet hebben. Maar wat we tussen de regels door horen is ook het verwijt, dat er mensen zijn die zich voordoen als Christenen terwijl ze het niet werkelijk zijn. Het zijn verraders van de goede zaak!

Clemens schrijft in de brief, die hij aan de gemeente in Corinthe zendt dat de de grootheid van Paulus met name blijkt uit zijn vasthoudendheid: hij heeft, ondanks alles wat hij heeft moeten doorstaan, met grote volharding zijn evangelie verkondigd "in de hele wereld, van Oost tot West, ja tot in het uiterste westen". Men heeft uit deze mededeling ook wel gemeend te mogen opmaken dat Paulus ook nog in Spanje is geweest. Immers, wanneer iemand in Rome schrijft over oost en west en het uiterste westen, dan zou je toch mogen aannemen dat dat Paulus in Rome nog weer in vrijheid is gesteld en dat hij ook nog Spanje heeft kunnen bezoeken. Dat hij dit al geruime tijd van plan was blijkt ook uit de brief die hij aan de gemeente vanuit Corinthe in Rome heeft gestuurd (Romeinen 15:24,28). Maar of het daar ook werkelijk van gekomen is valt uit de gegevens waarover we beschikken niet op te maken. Zeker is wèl, dat Paulus het niet meer heeft meegemaakt, dat het front waartegen hij zijn leven lang heeft gestreden, kort na zijn dood de genadeklap heeft gekregen: op het moment dat Jeruzalem, het religieuze centrum van het Jodendom, werd vernietigd (het jaar 70). Vanaf dat moment zien we ook dat Petrus Paulus langzaam zal verdringen van de eerste plaats. Niettemin: in weerwil daarvan zal Paulus, op de oudste afbeeldingen van het tweetal, op de ereplaats staan: ter rechterzijde van Christus. Petrus staat ter linker zijde.

Het mozaïek van de absis van de Santa Pudenziana in Rome. Deze kerk is de oudste cultusplaats in Rome: de kerk is gebouwd op de resten van een Romeins huis, dat van Pudens. Op het mozaïek zien we een tronende Christus met aan zijn rechterhand Paulus en de Ecclesia ex gentibus, en aan zijn linkerhand Petrus en de kerk uit de Joden. Op de achtergrond Jeruzalem, met de nieuwe bouwwerken van Constantijn in die stad, zoals de ronde koepel die hij over het heilige graf heeft laten bouwen en het kolossale gouden kruis dat hij op de Calvarieberg liet plaatsen.

Maar Paulus' laatste rustplaats wordt buiten de muren van Rome gelocaliseerd; op de laatste rustplaats van Petrus (binnen de muren!) zal eerst keizer Constantijn, en later Bramante e.a. (in opdracht van paus Julius II) een Sint Pieter bouwen: Petrus is immers de rots waarop de kerk zal worden gebouwd (Matteüs 16:18)? Tot op de dag van vandaag houdt men het erop, dat het graf van Petrus te vinden is onder het hoogaltaar van deze kerk. Lucas had nog oog voor de gelijkwaardigheid van deze beide vroege geloofsgetuigen, toen hij zijn geschrift "De handelingen van de apostelen" geheel een al wijdde aan deze beide grondleggers van de kerk.

Epiloog (2)
Hoe heeft het optreden van Paulus doorgewerkt in onze cultuur?

Eén van de karakteristieken van het Joodse geloof is, dat God de enige god en de allerhoogste is. Hij is superieur aan alle goden die, waar dan ook, worden vereerd. Oorspronkelijk was de vorst (David) zijn representant op aarde. Maar na de tijd van de koningen, met name tijdens de ballingschap, ontwikkelde zich het besef dat de wereldlijke macht op gespannen voet kon staan met de metafysische werkelijkheid; en dat het niet vanzelfsprekend is dat de vorst het 'hemelse gerecht' representeert: in veel heersers en vorsten, die hun machtsaanspraken ontlenen aan de goden die zij vereerden, herkende men bedriegers. Zo kon zich onder bepaalde groepen van de bevolking een zeker superioriteitsgevoel ontwikkelen: men kon zichzelf - ook al was men dan ook onderworpen aan een vorst - beschouwen als een 'uitverkoren volk' dat een verbond had met de onzichtbare 'Pantokrator' - de goddelijke heerser over het al. Dit ging men zien als een onaantastbare fundament van een gerechtvaardigde levensovertuiging.

Paulus was het die aan deze van oorsprong Joodse gedachte universele geldigheid heeft toegekend; hij heeft op grond daarvan een nieuwe gemeenschap geproclameerd die - en dat is voor het eerst in de geschiedenis - niet etnisch was bepaald. Een gemeenschap waarin het niet uitmaakte of je Griek was of Romein, slaaf of vrije, man of vrouw. Een "gemeenschap van heiligen" in het spoor van de gekruisigde en in dienst van de "onbekende God". Het kruis was een 'steen des aanstoots', iets waar niemand trots op kon zijn: maar omdat deze schande nu juist een rechtvaardige was aangedaan was daaruit wel duidelijk dat de wereldse machten zich konden vergrijpen aan rechtvaardigen.

Daarmee is Paulus geworden tot een idool van veel utopisten na hem die, op grond van een of ander ideaal, ten strijde trokken om de wereld te verbeteren. Hiermee werd een heilige strijd geïntroduceerd tegen de gevestigde orde: omwille van de goede zaak. Dat veel dergelijk fanatisme uiteindelijk nogal eens heeft geleid tot ontsporing, waardoor meer kwaad dan goed werd aangericht, doet niets af aan het belang van de universele visie van Paulus op het politieke vraagstuk.

Dat Paulus het Joodse gedachtengoed nog langs een andere weg ingang kon laten vinden bij veel niet-Joden hangt voor een deel wellicht samen met het gegeven dat hij Jezus Christus heeft gepresenteerd als degene die het heelal draagt. Juist in deze tijd had keizer Augustus geprobeerd om de zieltogende Romeinse godsdienst nieuw leven in te blazen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Augustus, die onder invloed van zijn leermeester Anthenodoros - een neostoïstisch wijsgeer uit de school van Tarsus (!) - de verschijnselen aan de hemel en de kosmische kennis heeft willen verbinden met de godsdienst; en dat hij daartoe de Mithrascultus nieuw leven heeft ingeblazen: door de naam van deze oude Perzische godheid te verbinden met de wetenschappelijke ideeën uit zijn tijd.
Munt uit Tarsus waarop Mithras staat afgebeeld, die de stier doodt; de munt werd geslagen rond 240 n. Chr.
Als deze veronderstelling juist is zou Paulus de aanhangers van deze 'soldatengodsdienst', die Mithras beschouwden als de godheid die de kosmische harmonie in stand houdt, mogelijk hebben willen bekeren door te verkondigen dat het niet Mithras is die de wereld in zijn hand houdt, maar Christus, de zoon van God die zichzelf vereenzelvigt met de Tora.
Dat Paulus vertrouwd was met het gedachtengoed van de neo-stoïcijnse filosofen uit Tarsus mogen we gevoegelijk aannemen - ook al gelet op de passage in zijn toespraak tot de Atheners op de Areopagos waarin hij de pantheïstisch denkende Aratus citeert: "Want door Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij; zoals ook enkele van uw dichters hebben gezegd: Wij zijn van goddelijke afkomst. (Hand. 17:28). Deze Aratus was eveneens Stoïcijn, een leerling uit de school van Zeno, een koopman uit Cyprus die naar men zegt na een schipbreuk bij toeval in Athene terecht was gekomen en die daar zijn filosofenschool had gesticht.



Tot slot: een chronologie van het leven van Paulus
De bronnen die ons informeren over het leven van Paulus bestaan uit de brieven, die Paulus schreef, en uit het boek "Handelingen der apostelen" dat door Lucas werd geschreven. De informatie, die Paulus in zijn brieven biedt, is - daar gaan we vanuit - betrouwbaar. Op grond van die informatie is het alleen mogelijk om een 'relatieve chronologie' vast te stellen: dat wil zeggen dat de volgorde van de gebeurtenissen te reconstrueren is, maar dat we geen vaste aanknopingspunten hebben als het erom gaat deze met jaartallen te verbinden. Op grond van die gegevens uit de brieven is het volgende overzicht gemaakt:
Behalve deze volgorde geeft Paulus hier en daar ook nog informatie over de duur:
- pas drie jaar na zijn bekering ging hij naar Jeruzalem om
er Petrus te ontmoeten (Galaten 1:18)
- na verloop van veertien jaar ging hij opnieuw naar Jeruzalem
voor het 'apostelconvent' (Galaten 2:1)

In de "Handelingen van de apostelen" vertelt Lucas ons dat het verblijf van Paulus in Corinthe 1½ jaar heeft geduurd (Hand. 18:11); en dat, tijdens zijn verblijf in Efeze gedurende twee jaar dagelijks voordrachten hield in de school van Tyrannus (Hand. 19:10). Er is weinig reden om aan de betrouwbaarheid van deze informatie te twijfelen.

In dit geschrift lezen we ook, dat Paulus tijdens het tweede verblijf in Corinthe, voor zijn vertrek naar Jeruzalem, voor de rechterstoel van Gallio moest verschijnen (Hand. 18:12); dit zal, op grond van een inscriptie met daarop de naam van Gallio die in Delphi is gevonden, vermoedelijk rond het jaar 51 zijn geweest. In de "Handelingen" wordt er, na het bericht over de arrestatie van Paulus in Jeruzalem en de zaak die tegen hem wordt aangespannen verteld dat, tijdens Paulus gevangenschap, Antonius Felix wordt opgevolgd door Porcius Festus (Hand. 24:27). Ook Josefus vermeldt deze 'wisseling van de wacht': op grond van zijn informatie wordt vermoed dat de benoeming van Festus verband hield met het aantreden van een nieuwe keizer: Nero. In dat geval zou deze kort na 54 hebben plaatsgevonden. Niet lang daarna zou Paulus als gevangene naar Rome worden gebracht. Deze reis naar Rome zou lang duren: zo zag men zich gedwongen tot een overwintering op een eiland (Malta??) gedurende drie maanden (Hand. 28:11). In Rome zou Paulus nog 2 jaar in een huurhuis hebben verbleven (Hand. 28:30).

Zelfs als we ervan zouden uitgaan dat al deze gegevens betrouwbaar zijn, dan nog zou het niet goed mogelijk zijn om een exacte chronologie van Paulus' leven te reconstrueren. De jaartallen, die in de opsomming hierboven zijn vermeld, zijn gebaseerd op de, eveneens hierboven, opgesomde gegevens. Wat wel duidelijk moge zijn is, dat Paulus zijn leven niet, zoals dikwijls wordt gedacht, ongeveer tegelijk met Petrus liet in het jaar 66 - tijdens de vervolgingen onder keizer Nero. Paulus is naar alle waarschijnlijkheid al eerder om het leven gebracht; waarschijnlijk is hij met het zwaard van het leven beroofd.




Meer weten over deze website? Ga naar de
TITELPAGINA of naar de SITEMAP.

Reactie? Zend een E-mail

© A.E.J. Kaal, 2012.