Oorlogsbelevenissen J.A. van Houdt mei 1940.

 

home

Hoofdstuk 2        Op zoek naar gegevens via internet, boeken en ter plaatse.

 

    Hoofdstuk 2.1                            Zoektocht naar persoonsgegevens.

 

Allereerst ben ik op internet, direct, gaan zoeken naar J.A. van Houdt via de zoeksite Altavista.                                                                         Daaruit kwam het volgende resultaat (figuur 7):

  Figuur 7.  Zoekresultaat via internet zoekmachine Altavista

 

Hierdoor kwam er een website naar voren met een overzicht van alle Nederlandse onderscheidingen.                                                                   Ook de vermelding dat J.A. van Houdt de Bronzen Leeuw als onderscheiding had ontvangen, werd op deze site vermeld.                                  Echter dit was dan ook alle informatie die hier vermeld stond. Nadat ik de website-beheerder had gemaild of hij geïnteresseerd was in verdere informatie, kreeg ik bericht terug dat hij zeker meer  gegevens wilde hebben.   Nadat ik hem de gegevens toegestuurd had, zijn deze keurig toegevoegd tot een compleet geheel.  Op het volgend figuur is een weergave te zien van de aangevulde gegevens die op de website zijn terug te vinden.Het adres van deze website op de linkpagina terug te vinden bij; onderscheidingen

 

  Figuur 8. Vermelding van onderscheidingen van J.A. van Houdt op internetsite.

 
 

H2.2 Wat betekenen de verkregen onderscheidingen?

 
Op de website http://www.onderscheidingen.nl/ zijn ook omschrijvingen terug te vinden van de inhoudelijke betekenissen van de verkregen onderscheidingen. Op deze site wordt de Bronzen Leeuw en het Oorlogsherinneringskruis  als volgt omschreven:

 

J.A. van Houdt was gemachtigd om de volgende gespen te dragen, die hier in  figuur 13 te zien zijn.
 
 

H2.3 Waar en hoe de feiten van het verhaal naar boven kwamen.

 

Tijdens het zoeken op internet naar feiten en aanknopingspunten van het verhaal, kwam ik terecht op internetsites waar de oorlogshandelingen rondom Dordrecht en de Moerdijk in de meidagen van 1940 omschreven worden.( http://www.grebbeberg.nl/) en (http;//Go2War2.nl.) Informatie en foto’s van deze sites zijn gebruikt om dit hoofdstuk samen te stellen.

 

H2.3.1 Uitleg van het verloop van de Duitse aanval in de omgeving van Moerdijk.

 

In de nacht van 9 op 10 mei 1940, ondernamen Duitse Fallschirmjäger en Luftlande-eenheden een gewaagde aanval op de Vesting Holland. De vastgestelde tijd ervoor, X-Zeit, was 03.55 uur.                                                                                                      De Vesting Holland vormde het hart van de Nederlandse verdediging en was de plaats waar het Nederlandse leger het langst wilde standhouden. Hier bevonden zich de voornaamste Nederlandse vliegvelden en natuurlijk het regeringscentrum en de legerleiding.
De operatie die door de Duitsers werd ondernomen, kent gelijkenissen met
Market Garden, de poging van de Geallieerden vier jaar later, om de oorlog snel te beëindigen. Ook de Duitsers hadden die optie in het oog.
Met een snelle commandoachtige operatie wenste men twee doelen te bereiken. Het belangrijkste militaire doel was, om door middel van luchtlandingstroepen bepaalde bruggen over de Waal en de Rijn, en wel de Moerdijkbruggen en de bruggen bij Dordrecht en Rotterdam, te bezetten en bezet te houden, totdat de Duitse pantsers via Noord-Brabant deze
bruggen hadden bereikt en zo ongehinderd de Vesting Holland konden binnentrekken.

Overzicht van plaatsen waar de Duitse luchtlandingen plaats- vonden op 10 mei 1940.

De onderste 3 rode vierkantjes worden behandeld in de oorlogsbelevenissen van J.A. van Houdt

Bron: www.Go2war2.nl

 

Een tweede actie was misschien nog wel gedurfder. Een deel van de troepen zou rond Den Haag landen en had de opdracht koningin, regering en legerleiding gevangen te nemen. De oorlog in Nederland zou, zo dacht men, hooguit één à twee dagen duren. De aanvalsdoelen waren strategisch gekozen. Het doel van de bruggen mag duidelijk zijn. De vliegvelden werden vooral uitgekozen vanwege hun strategische ligging. Vanuit Ypenburg kon men de gehele Oostflank van Den Haag beheersen. Valkenburg leverde een strategische positie voor een aanval vanuit het Noorden en Ockenburg bestreek de Zuidflank. Bij een geslaagde landingspoging zou men zo de stad Den Haag vanuit een omsingelingspositie kunnen aanvallen. Daarnaast zouden drie belangrijke vliegbases onbruikbaar worden voor de Nederlandse vliegtuigen. 
Het was een riskante onderneming. Het gebruik van luchtlandingstroepen was zeer nieuw. De luchtlandingstroepen zouden ver in vijandelijk gebied landen, waarbij allerminst zeker was dat zij succes zouden hebben. Daarnaast was men afhankelijk van een snelle opmars van de 9.Panzerdivision. Op een redding, wanneer men in enig opzicht zou falen, hoefde niet gerekend te worden.

   

Figuur 15. De landing van Duitse valschermjagers zuidelijk van de Moerdijkbruggen. Links is de verkeersbrug duidelijk zichtbaar (foto, gemaakt door Duitse Propaganda Kompanie).
 
De Duitse troepen
Speciaal voor de luchtlandingen was een nieuwe Luftlandekorps in het leven geroepen. Hierin waren de al bestaande
7.Fliegerdivision van Generalleutnant Kurt Student en de 22.Luftlande Infanteriedivision van Generalleutnant Graf von Sponeck, ondergebracht. Student kreeg het formele bevel over het gehele Luftlandekorps.
De
7.Fliegerdivision was samengesteld uit de Duitse Fallschirmjäger, welke vanaf 1936 was opgebouwd en een, oorspronkelijk vanuit het regiment "Herman Göring" samengestelde, mobiele luchtlandingeenheid. Deze eenheid ontstond uit zowel Fallschirmjäger als uit Luftlandetruppen en was in 1938 geformeerd voor de Duitse inval in Tsjecho-Slowakije. De betiteling 7.Fliegedivision kwam omdat de Luftwaffe tot dan bestond uit 1. t/m 6.Fliegerdivision, de vliegende verbanden van de Luftwaffe.
De
22.Luftlandedivision werd in 1937 geformeerd uit de 22.Infanteriedivision. Het totale Luftlandekorps had voorts 430 transporttoestellen van het type Junkers Ju 52/3m tot haar beschikking, al met al een formidabele macht.                                                                               Voor de overval op de bruggen over het Hollandse Diep bij Moerdijk, over de Oude Maas bij Dordrecht en in Rotterdam, had men de 7.Fliegerdivision beschikbaar gesteld. Deze was aangevuld met het 16.Infanterieregiment uit de 22.Luftlandedivision ter compensatie van het afstaan van een bataljon en een compagnie voor de aanval op Den Haag.
Student had voor deze actie zijn divisie in vijf groepen verdeeld Gruppe
Süd  viel aan bij de Moerdijk
 
Gruppe Süd
Doel: De Moerdijkbruggen en de bruggen bij Dordrecht
Eenheden: Ie en het II
e bataljon van het 1.Fallschirmjägerregiment (I./Fallschirmjägerregiment 1 en II./ Fallschirmjägerregiment 1).
Commandant: Oberst B.O. Bräuer
Bijzonderheden: Alle troepen dienden zich te concentreren op de Moerdijkbruggen. De bruggen bij Dordrecht dienden te worden veroverd door slechts de 3e compagnie van het Ie Bataljon.
 
De Nederlandse verdediging
Aangezien men vooral rekening hield met kleine luchtlandingsoperaties bij de Nederlandse vliegvelden, waren er elders geen speciale maatregelen getroffen om een luchtlandingsoperatie het hoofd te kunnen bieden. Toch werden diverse strategische punten voldoende beschermd.

Het zuidelijke gedeelte van de Vesting Holland, bij de Moerdijkbruggen, werd verdedigd door de zogeheten Groep Kil. Dit was een speciaal samengestelde eenheid, bestaande uit leden van het 28e Infanterie Regiment (28 R.I.), een extra compagnie mitrailleurs, veldartillerie en luchtdoelartillerie. De Groep Kil werd aangevoerd door reservekolonel J.A.G. van Andel.
Van Andel had zijn troepen op strategische plaatsen opgesteld.

Bruggenhoofd Moerdijk (zuidzijde bruggen).
Eenheden: 3e compagnie van het
IIIe Bataljon 28 R.I. (3-III-28 R.I.), de 12e Mitrailleurcompagnie, 28e Batterij 6-Veld, 19e Batterij Luchtdoelartillerie en het 82e en 83e Peloton Luchtdoelmitrailleurs.
Commandant: kapitein J.A.C.J. Marijnen                Vak Wieldrecht-west (noordzijde bruggen)
Eenheden: 1e Compagnie van het Ie Bataljon 28 R.I. (1-I-28 R.I.), 84e Peloton Luchtdoelmitrailleurs en een groep Politietroepen.
Commandant: reservekapitein W.F.M. Populier                                                                                                                                                     Bij een Duitse inval zou, volgens de plannen, de Groep Kil versterking krijgen uit Noord-Brabant door het terstond terugtrekken van het 6e Grensbataljon.
De troepen leken in getal sterk genoeg, er was echter nog weinig gedaan aan het aanleggen van defensieve versterkingen. Daarnaast was nog niet aan iedere soldaat scherpe munitie uitgereikt.                                                                                                                                                     Dordrecht was een zogenaamd kantonnement. Het Dordtse garnizoen stond onder leiding van luitenant-kolonel J.A. Mussert. Hij had slechts de beschikking over soldaten uit het Depot Pontonniers en Torpedisten, een compagnie Pioniers en een sectie Spoorwegtroepen. Luitenant-kolonel Mussert, broer van NSB leider A. Mussert, hád geen slechte staat van dienst als officier, maar was formeel naar Dordrecht overgeplaatst om gezondheidsredenen. In hoeverre zijn verwantschap met Anton Mussert hier wat mee te maken heeft gehad, zal wel altijd een mysterie blijven. Feit is wel dat er weinig vertrouwen bestond in luitenant-kolonel Mussert.                                                                                                                        Het kantonnement Rotterdam, kende een betere bezetting.
Commandant was Kolonel P.W. Scharroo. Hij kon beschikken over het IIIe Bataljon van het 39e Infanterie Regiment (III-29 R.I.), 300 mariniers onder bevel van kolonel der Mariniers H.F.J.M.A. von Frijtag Drabbe, het IIIe bataljon Regiment Jagers (III/R.J.) en enkele depottroepen. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de Mariniers niet direct onder het bevel van Scharroo stonden, maar onder de bevelvoering van de minister van Defensie.

 

Luchtlandingen
In de nacht van 9 op 10 mei waren de berichten aan de grens zo verontrustend, dat Generaal Winkelman al om 03.00 uur 's nachts de hoogste staat van paraatheid had bevolen. Ook in de lucht was de activiteit door vreemde vliegtuigen toegenomen.

 
Rotterdam en de Moerdijkbruggen
De aanval op de Moerdijkbruggen werd rond 04.00 uur ingeleid met een zwaar luchtbombardement, gevolgd door het neerdalen van het
IIe Bataljon van het 1.Fallschirmjägerregiment (II./FJR.1) ten noorden en ten zuiden van de bruggen. Deze eenheid stond onder leiding van Hauptmann F. Prager. Ten zuiden van de bruggen wisten zij de Nederlandse verdediging (4e Sectie 12e Mitrailleurcompagnie onder leiding van Reserve-1ste luitenant J.M. Broekman) snel te overmeesteren. Ook ten noorden van de bruggen wisten de para's de verdediging geheel te verrassen. Slechts sporadisch konden kleine groepjes Nederlandse soldaten nog de strijd aan te binden. Ondanks heldhaftig verzet moesten ook zij echter de gevechten snel staken.

Figuur 16 en 17. Verovering van de Moerdijkbruggen door Duitse valschermjagers, die worden beschoten vanuit de Hoekse Waard.
 
Nederlandse tegenacties bij Dordrecht en de Moerdijkbruggen
Majoor J.F.W. Hendriksz trok direct na het bekend worden van de Duitse inval met zijn 6e Grensbataljon in de richting van de Moerdijkbruggen. Echter niet eerder dan nadat hij zijn opdrachten tot het vernielen van wegen en bruggen naar het zuiden toe had uitgevoerd. Dit uitvoeren van een onzinnige opdracht zou de hulp van de Fransen nog danig in de war schoppen. Voor de oorlog was de opdracht gegeven dat, bij een vijandelijke aanval Nederland de neutraliteit zou blijven trachten te voeren, door alle toevoerwegen, dus ook richting België, te versperren of te vernietigen.
Aangekomen nabij het Duitse bruggenhoofd, verzuimde majoor Hendriksz om de Duitse troepen direct onder druk te zetten. Deze waren immers nog steeds bezig hun verdediging in gereedheid te brengen en een snelle, geconcentreerde tegenaanval had hier roet in het eten kunnen gooien. Toen op 10 mei, om 17.15 uur, een eskader van vier
Fokker C.X toestellen een bomaanval op de Duitsers uitvoerden, werd wederom niets ondernomen om eventueel van de verwarring onder de Duitse troepen gebruik te maken.
Majoor Hendriksz kwam pas in actie toen vanuit het zuiden versterking op kwam dagen, in de vorm van de Franse Colonel Dario met zijn 6e Régiment Cuirassiers. Deze besloot een detachement, onder leiding van Chef d'Escadron Michon, naar de Moerdijkbruggen te zenden, teneinde met de Nederlanders een aanval te ondernemen. De troepenbeweging werd echter door Duitse verkenningsvliegtuigen ontdekt en zwaar onder vuur genomen door een
eskader Junkers Ju 87 Stuka's. De verliezen waren zo groot, dat de aanval werd afgebroken, nog voordat deze goed en wel was aangevangen.

Op 12 mei, rond 16.45 uur, werd de situatie volledig anders toen de eerste Duitse tanks van de 9.Panzerdivision over de Moerdijkbruggen rolden. Al snel bleek de situatie onhoudbaar en zou het Eiland van Dordrecht geheel in vijandelijke handen zijn. Vervolgens trokken de Duitse panters door naar Rotterdam, waar de Fallschirmjäger en Luftlandetruppen nog steeds in hevig gevecht waren.

 

Conclusie:                                                                    

De luchtlandingen in de Vesting Holland, waren voor de Duitse troepen slechts gedeeltelijk een succes. De toegangsbruggen naar de Vesting Holland werden, nagenoeg allemaal, in handen gehouden tot de Duitse grondtroepen arriveerden. Alleen bij de laatste bruggen, in Rotterdam, wist het Nederlandse leger stand te houden en had bij een iets andere situatie, “een brug te ver” kunnen zijn voor de Duitse luchtlandingstroepen. In tegenstelling tot hun Britse "collega's" bij Arnhem, ruim vier jaar later, waren de Duitse grondtroepen echter wel op tijd om hun kameraden de helpende hand te bieden.
De operaties rond Den Haag liepen voor de Duitsers echter uit op een fiasco. De Duitse Luftwaffe verloor in Nederland 328 vliegtuigen, waaronder een groot aantal, voor de luchtlandingen van groot belang zijnde,
Junkers Ju 52/3m transportvliegtuigen. Van de circa 7240 in de Vesting Holland gelande Duitse troepen, werd een aanzienlijk deel van rond de 1200 manschappen uitgeschakeld. Naast de gesneuvelde Fallschirmjäger en Luftlande infanteristen, werden zeker 800, voornamelijk van de 22.Luftlandedivision afkomstige manschappen, via IJmuiden naar Engeland en vervolgens dus als krijgsgevangenen afgevoerd. Aan Nederlandse zijde gingen zeker 500 levens bij de strijd in de Vesting Holland verloren. Het Nederlandse leger
heeft hier echter zeker laten zien wat ze waard was en vooral individuele acties van plaatselijke commandanten hebben tot de verbeelding gesproken. De strijd in de Vesting Holland heeft echter ook veel troepen gebonden, die men veel liever had willen inzetten in de strijd op andere plaatsen in het land.

Figuur 18.  Nederlandse militairen worden gevangen genomen door Duitse valschermjagers nabij de Moerdijkbruggen (foto genomen door Propaganda Kompanie).

 
 

H2.3.2 Informatie via een discussieforum.

 

Op de in H2.3 vermeldde internetsite is er een mogelijkheid aanwezig, om via een discussieforum, vragen te stellen over feiten die zich daar in mei 1940 hebben afgespeeld. Ook over personen die daar eventueel hebben gevochten of zijn gesneuveld, kunnen vragen worden gesteld. Door vervolgens op dit forum de vragen te stellen die in figuur 18  te zien zijn, kwamen er interessante gegevens naar voren.http://www.grebbeberg.nl/forum/forum.php is de link naar dit discussieforum.                                                      Op figuur 19 is een op het discussieforum behandeld punt te zien, waarin achteraf gezien, feiten van de gevechtshandelingen waarin J.A van Houdt betrokken is geweest naar voren komen.

Figuur 19. Op het discussieforum behandeld punt, waarin feiten van de gevechtshandelingen, waarin J.A van Houdt betrokken is geweest, naar voren komen.

 

Figuur 20. ( boven) Vraag naar specifieke informatie via internet discussieforum,van wat zich op 10 mei 1940 in Moerdijk heeft afgespeeld.

 

Op 22-01-2006 13:58 plaatste Jose van Houdt de volgende reactie:

Bij deze wil ik de heer Groenman bedanken voor zijn uitzoekwerk en toegestuurde gegevens.
De vermelding van de 5 ponteniers op blz .23 van uw toegestuurde info is naar alle waarschijnlijkheid het verhaal van mijn opa.
Hij is inderdaad met 2 man overgebleven en heeft hiervoor de Bronzen Leeuw als onderscheiding ontvangen.
De uitleg bij deze onderscheiding is als volgt;
Heeft zich door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden in den strijd tegenover den vijand onderscheiden door in den vroegen morgen van 10 mei 1940, behoorende tot een kleine afdeeling van de Veergroep 2c, welke, als gevolg van den plotselingen aanval van gelande vijandelijke valschermjagers, was aangewezen om in de onmiddellijke omgeving van de haven van MOERDIJK stand te houden om de overtocht van deze Veergroep naar WILLEMSDORP te dekken, op stoutmoedige wijze te blijven standhouden en een groot aantal vijanden buiten gevecht te stellen. Niet tegenstaande vele sommaties om zich over te geven - komende zelfs van de zijde van een daartoe gedwongen nederlandsch officier - door te blijven gaan met vuren ondanks het feit, dat de Duitschers krijgsgevangenen en burgers voor zich uitjoegen om hem te kunnen naderen.
Eerst overmeestert nadat hij van alle zijden was ingesloten en zijn munitie was verschoten.
Nogmaals dank voor uw werk.
Gr, Jose van Houdt.
Kleinzoon van J.A. van Houdt
 

Op 21-01-2006 12:36 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Inmiddels opgestuurd:
1. Gegevens soldaat v.d. Hooft.
2. Kaartje.
3. Bladzijden uit het Stafwerk en Opmars naar Rotterdam.
 

Op 21-01-2006 00:25 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Ik zal in het komend weekend kijken of ik het een en ander voor u kan reconstrueren.
Voor eventuele rapporten zult u zich moeten wenden tot het NIMH in DEN HAAG: nimh@mindef.nl
Voor ander materiaal, zoals foto's, zult u wat geluk nodig hebben.
Het kan zijn dat zich iemand meldt, maar de kans daarop is niet zo groot.
 

Figuur / tekstblok 21. Antwoord op de vraag naar informatie (zie figuur 20).

 

Nadat ik via het discussieforum antwoord had gekregen, werden mij door H Groenman een aantal files toegestuurd.     Deze files waren o.a: een situatiekaart van  Moerdijk ten tijde van de meidagen 1940, met daarop aangegeven de plaats waar de Veergroep 2C is ontsnapt aan de Duitse aanvallers.Tevens  werden een aantal gescande pagina’s uit een aantal boeken toegestuurd.                                                                                 Deze pagina’s bevatten een duidelijk verhaal van wat zich daar toen heeft afgespeeld.                                                                                           Ook wordt in beide boeken gesproken over 5 pontonniers die de aftocht voor de Veergroep 2C moesten dekken. J.A. van Houdt was één van deze 5 pontonniers.Het betreft de boeken:                                                                                                                                                                        -Opmars  naar Rotterdam  door H. Brongers.                                                                                                                                                            -Stafwerk Zuidfront Vesting Holland.                                                                                                                                                                  Ook de gegevens van zijn kameraad W.F. van der Hooft, werden als bijlage toegestuurd.  Zijn kameraad is tijdens de gevechten op de tiende mei 1940 in Moerdijk gesneuveld.                                                                                                                                                                               Op de site http://www.grebbeberg.nl/ zijn deze gegevens ook terug te vinden, tevens zijn daar de namen vermeld van vermoedelijk de andere 2 pontonniers, die tijdens de strijd zijn gesneuveld.  Ook zijn de namen terug te vinden van in Moerdijk gesneuvelde Duitse parachutisten.                  Op hetzelfde forum, waardoor ikzelf van informatie werd voorzien, was al eerder een vraag gesteld waarbij het verhaal van de 5 pontonniers ook naar voren kwam.  Dit discussiepunt is in dit hoofdstuk ook terug te vinden.                                                                                                                     In de volgende hoofdstukdelen zullen de behandelde, toegestuurde files en extra aanvullingen van internet weergegeven worden.

 
 
H2.3.3 Wat speelde zich af in Moerdijk op 10 mei 1940?
 
In een drietal boeken wordt er geschreven over de gebeurtenissen in Moerdijk. Via de discussiesite http://www.grebbeberg.nl/ werd ik attent gemaakt op het feit dat de gevechtshandelingen waarin J.A.van Houdt betrokken was hierin worden vermeld  Deze informatie geeft een precies beeld van wat zich daar in en rond Moerdijk precies heeft afgespeeld op de tiende mei van 1940.
 

Allereerst zal ik het boek “Opmars naar Rotterdam deel 1”, geschreven door  E.H. Brongers, behandelen.                                                            In dit boek  In hoofdstuk 2 “De overval” wordt de aanslag op de Moerdijkbruggen behandeld. Hierin worden de gevechtshandelingen waarbij J.A. van Houdt betrokken was, in de tekst  dikgedrukt weergegeven.

 

Blz. 52:

 

In 1940 vormden de Moerdijkbruggen de enige toegangsweg in het Zuidfront van de Vesting Holland. Het spreekt vanzelf dat men had getracht een zo belangrijk punt zo goed mogelijk te beschermen.  Op de Brabantse oever was een klein bruggehoofd gevormd, dat de toegang over het Hollands Diep afsloot. Het was een boogvormige lijn van veldversterkingen en schuilplaatsen, die in oorlogstijd zou worden beschermd door het voorterrein over een diepte van 1 tot 3 kilometer onder water te zetten. Het ten zuiden van Breda, tegen de Belgische grens liggende 6e Grensbataljon diende bij een schending van onze neutraliteit en na het volbrengen van enkele andere taken, de verdediging op zich te nemen. Het zou worden opgevangen door de zogenaamde veiligheidsbezetting, die gedurende de mobilisatietijd de stelling had bewaakt en  uitgebouwd. Ze bestond uit één infanteriecompagnie, versterkt met vier secties van drie tot vier zware mitrailleurs en een tweetal oude ‘6 Veld’ kanonnen. Dit waren stokoude vuurmonden met een kaliber van 6 cm, die bij gebrek aan beter als antitankgeschut dienst deden.   Op de andere oever werd het frontdeel tussen de Dordtse Kil en de noordoosthoek van het Eiland van Dordrecht – bij de Kop van ’t Land – door het 1e bataljon van het 28e Regiment Infanterie verdedigd. Hiervan moest één compagnie het westelijk deel, mét de Moerdijkbruggen beschermen. Als versterking waren enkele zware mitrailleurs en een uit twee secties bestaand ‘dekkingsdetachement’ toegevoegd. Twee van de zware mitrailleurs hadden een opstelling langs de autoweg ingenomen, om het landen van vliegtuigen tegen te gaan. De verkeersbrug en de spoorbrug werden elk bestreken door een zware rivierkazemat, bewapend met een antitankvuurmond en een zware mitrailleur; voor de bezetting was een groep politietroepen aanwezig.

 

Blz. 53:

 

Nog dichter bij de bruggen lagen drie kleinere mitrailleurskazematten, twee voor de verkeersbrug en één voor de spoorbrug.Tenslotte lagen er op het Eiland van Dordrecht twee afdelingen artillerie. De ene telde twee batterijen (8 stukken ) 7,5 cm geschut en stond ten oosten van de spoordijk in stelling, op ongeveer 3 kilometer van de bruggen. De andere lag enkele kilometers noordoostelijker en beschikte over drie batterijen ’12 lang staal’; antieke, uit 1878 daterende stukken.    De luchtafweer werd gevormd door een moderne 7,5 cm batterij, opgesteld aan de noordoostrand van het dorp Moerdijk. Eén van de vuurmonden was op 9 mei defect gemeld, zodat er maar twee inzetbaar bleven. Verder beschikte men over drie pelotons met elk vier uit de Eerste Wereldoorlog daterende – luchtdoelmitrailleurs. In het zuidelijk bruggehoofd hadden twee van die pelotons een plaats gekregen aan beide zijden van de spoordijk bij het Hollands Diep. Het derde stond bij Willemsdorp, in de uiterste zuidwesthoek van het Eiland van Dordrecht.    De bruggen zelf waren van springladingen voorzien. Men wilde echter tot elke prijs voorkomen dat ze door zenuwachtigheid of om andere redenen vóórtijdig werden opgeblazen.

 

Blz. 54:

 

Via deze overgangen zou men immers in oorlogstijd contact met de Fransen en Belgen kunnen onderhouden en eventueel hulp kunnen ontvangen. Veiligheidshalve waren daarom de ontstekingsleidingen naar de springladingen niet aangebracht, maar in de rivierkazemat ten noorden van de verkeersbrug opgeborgen. Ze konden in korte tijd worden uitgelegd.  Zo was de situatie toen om 0400 uur in de morgen van de 10e mei tientallen Duitse vliegtuigen boven de stelling verschenen. Spoedig gierden de eerste bommen omlaag; doelen in de omgeving werden met mitrailleursvuur bestookt.    Onmiddellijk kwam onze luchtafweer in actie. Helaas viel een 7,5 cm kanon al vlug uit door projectielklemming. Met het overgebleven stuk werd het schieten voortgezet. Ook de luchtdoelmitrailleurs deden wat ze konden. De oude wapens hadden herhaaldelijk last van storingen.   In het zuidelijk bruggehoofd bleek slechts één mitrailleur van beide pelotons goed te functioneren; met de andere kon zo nu en dan en met veel moeite een vuurstoot worden afgegeven.  Eén vliegtuig werd neergeschoten en kwam ongeveer een kilometer ten zuiden van Zevenbergsehoek neer. Een patrouille van vier man werd er op afgestuurd en keerde met drie gevangenen terug. Ze werden onder bewaking naar Roosendaal gebracht, waar ze aan de Koninklijke Marechaussee werden overgedragen. Hevig bestookt door de vijandelijke toestellen, konden onze schaarse luchtafweermiddelen de strijd niet lang volhouden. In de batterij bij Moerdijk vielen twee bommen, die de luitenant Faber en drie van zijn mensen verwondden. Luitenant Teeckelenburgh nam het commando over. De explosies hadden echter ook het vuurleidingstoestel uitgeschakeld, waardoor het resterende stuk niet meer kon vuren. Om 0420 uur vielen ook de nog werkende luchtdoelmitrailleurs van de pelotons bij de spoordijk door bomscherven uit. Nog tijdens de luchtaanvallen daalden grote zwermen parachutisten binnen het bruggehoofd en op het Eiland van Dordrecht. Het waren de staf en de vier compagnieëen die het 2e bataljon van het 1e Regiment Valschermjagers vormden. Ze stonden onder bevel van de Hauptmann Prager.                            Een bijzonderheid is, dat deze officier kort tevoren uit het hospitaal was ontslagen, waar hij voor een ongeneeslijke ziekte was opgenomen. Als bij het begin van de strijd kreeg hij een schot door beide benen.

 

Blz. 55:

 

Enkele maanden later zou hij sterven; niet aan deze verwondingen, maar aan darmkanker. 

Binnen het bruggehoofd  landden de Duitsers direct ten zuiden en zuidwesten van de bruggen. Voorts ten noorden van het station Lage Zwaluwe.  De bedieningen van de nu uitgeschakelde luchtdoelmitrailleurs grepen naar hun karabijnen en trachten zich te verzetten tegen de vlak bij hun opstelling neergekomen parachutisten. Maar met de tien patronen per man, die hen in het kader van de bezuinigingen waren toegewezen, kon hun tegenstand niet lang duren.   Het lawaai had ondertussen de veiligheidsbezetting van het bruggehoofd gealarmeerd. De stellingscommandant, kapitein J.A.C.J. Marijnen, rende zo hard hij kon van zijn kwartier naar zijn bureau in het dorp Moerdijk. Hij slaagde er na veel moeite in, de overval telefonisch aan zijn chefs te melden. Hij ontmoette de 1e luitenant F.P. de Jager, commandant van de sectie 6 Veld, die hij opdracht gaf onmiddellijk met zijn twee stukken in stelling te komen, waar en wanneer dat maar mogelijk was. Toen de kapitein even later naar buiten ging, stonden de Duitsers al voor de deur met hun mitrailleurs in de aanslag. Met twee andere officieren werd Marijnen bij een groepje luchtdoel-artilleristen gevoegd, dat eveneens door de parachutisten was verrast. Met medevoering van deze gevangenen drong de vijand het dorp binnen.                                                                                               We laten kapitein Marijnen aan het woord: 

‘… We moesten voorwaarts in de richting van het kruispunt Zwaluwsedijk-Steenweg-Grintweg. Ik begreep dat dit niet veel goeds te beduiden had. Het geschreeuw van de parachutisten was oorverdovend. Hun gehele optreden was waanzinnig. Op een gegeven moment ontging ik maar net een trap van een van hen. Ze zouden ons wel afleren Duitsland de oorlog te verklaren, zo zei een hunner. Bij de marechausseekazerne, gelegen tussen mijn bureau en genoemd kruispunt, sneuvelde de hier optredende Duitse commandant. Hij werd getroffen door een schot van de wachtmeester Claassen van de Koninklijke Marechaussee. Het hek was toen van de dam…’

 

Blz 56:

 

Later bleek de gesneuvelde commandant Fritz Lamm te heten. Deze man had vijftien jaar in Zwartenberg gewoond, een dorpje bij Zevenbergen. Uiteraard kende hij de omgeving op z’n duimpje. Na dienst te hebben genomen in het Duitse leger was hij spoedig tot officier benoemd en vervolgens ingedeeld bij de valschermjagers die de Moerdijkbruggen moesten veroveren.                                                         We keren weer terug naar Moerdijk, waar de Duitsers na korte tijd tot staan werden gebracht door vijf met karabijnen bewapende pontonniers. Die hielden bij een hoek van de Dorpsstraat stand en schoten iedereen neer die zich om de hoek waagde. Ze dekten daarmee de aftocht van hun groep, die het pontveer over het Hollands Diep had bewaakt. Vele anderen, onder wie luitenant Faber, konden met die pont naar de Hoekse Waard ontsnappen. De Duitsers probeerden met automatische wapens en handgranaten de onverwachte tegenstand uit te schakelen. Toen dit niet lukte, eisten zij van de gevangen genomen officieren – onder bedreiging met de dood- dat ze de pontonniers zouden bevelen de strijd op te geven. De officieren weigerden hieraan gehoor te geven. We volgen weer het verslag van de kapitein Marijnen: 

“…Ik kreeg een schot van een op 10 meter afstand tegenover mij liggende parachutist, dwars boven in mijn borst, waarbij de kogel door mijn linkerarm ging, vlak onder het schoudergewricht en de arm brak. Daar ik hevig uit twee wonden bloedde, moest ik om een mogelijkheid te krijgen, het bloeden te stelpen nog onder het gevecht hulp zoeken. Op mijn knieën en steunend op mijn rechterarm kroop ik langzaam achteruit in de richting van het postkantoor. Ik verwondde hierbij mijn rechterknie vrij ernstig. Het gelukte mij het huis te bereiken. Ik trof er niemand en begaf mij daarom langs de achterdeur naar het naastliggende huis. Hier waren burgers aanwezig die mij hielpen…”     Ook de twee andere officieren, een vaandrig en twee wachtmeesters werden door de Duitsers neergeschoten. De vijf pontonniers hebben tot het laatst toe weerstand geboden.   Drie van hen sneuvelden in het gevecht; de twee laatsten gaven zich pas over toen de laatste patroon was verschoten.                                                                                                 (Note:dikgedrukte tekst is ook bijna identiek aan de inhoud van de tekst uit figuur 3).

 

Blz 57:

 

Tevoren trachtte luitenant De Jager de opdracht van Marijnen uit te voeren, om zijn beide 6 Veld kanonnen in stelling te brengen. Bij Moerdijk was dat al onmogelijk geworden. in de grote haast werden de paarden voor de oude stukken gespannen, waarna het in galop over de Bredaseweg ging om verderop een betere plaats te zoeken. een kilometer ten zuidoosten van Moerdijk werd vuur ontvangen in front en van oostelijke richting. Daar ook achter hen Duitsers waren en er aan de westzijde van de weg een diepe sloot liep, was de toestand hopeloos. Luitenant D Jager liet zijn mensen dekking zoeken langs de dijk en begon met de karabijnen het gevecht met de aanvallende vijand. Het lukte de tegenstander op afstand te houden en na verloop van tijd wilde de officier een poging wagen, de kanonnen te gebruiken. Wachtmeester B.C.A. van Werkhoven hielp hem:   'De luitenant riep mij toe: ‘’Vooruit Werkhoven, we gaan afspannen en de stukken in stelling brengen!’’                                                                                                                                                                              Hij voegde zelf de daad bij het woord.

 

Blz 58:

 

en samen voerden we het werk uit. Tijdens het daaropvolgende gevecht stak luitenant De Jager tot tweemaal toe onder vijandelijk vuur de weg over, om ons van zijn waarnemingen door zijn kijker op de hoogte te houden. Verscheidene keren greep hij een karabijn van een van ons om op de parachutisten te vuren. Het stuk aan de rechterzijde van de weg werd met zijn persoonlijke hulp naderbij gesleept. Daar de vuurmonden op de weg wegens het gemis van schilden en andere dekking vrijwel onhandelbaar waren, hebben we kruipend en liggend moeten laden en vuren. Bij het eerste afvuren hoorden we iets kraken en weigerde het schot. Onder deze omstandigheden was het onmogelijk enige reparatie aan het stuk te verrichten.   We bleven in karabijngevecht gewikkeld, terwijl luitenant De Jager de weg weer overstak en zelf met de hulp van twee bedieningsmanschappen het andere stuk in stelling bracht. Hierna loste hij twee schoten op de van Moerdijk komende vijand. Vervolgens richtte hij op mijn verzoek de vuurmond op de van de andere zijde naderende parachutisten. na het eerste schot in die nieuwe richting wilde de luitenant nauwkeuriger richten om een huis onder vuur te nemen waarin de Duitsers dekking hadden gezocht. Hij verliest de heg waar hij zich dekte, maar werd direct daarop dodelijk in het hoofd getroffen. We verloren in hem een commandant die moedig en beleidvol onze actie tegen de minstens vijfmaal sterkere vijand ruim 3,5 uur leidde en ons voorging in alles, tot de laatste seconde van zijn  leven…’Het gevecht heeft na het sneuvelen van de luitenant niet lang meer geduurd. Van alle zijden ingesloten en onder een vuur dat tenslotte elke beweging onmogelijk maakte, moest de hopeloze strijd worden opgegeven.                                        Wat was er ondertussen met de rest van de veiligheidsbezetting gebeurd? De vier secties van de infanteriecompagnie waren gedurende de aanval naar hun posities in de frontlijn van het bruggehoofd gesneld. Daar deze stelling berekend was op een geheel bataljon, konden slechts die delen worden bezet die de belangrijkste naderingswegen beheersten. Nu de vijand binnen het bruggehoofd, in de rug van de verdedigers was geland, moesten de troepen 180 graden draaien.

 

Blz 59:

 

Vanzelfsprekend konden ze toen geen gebruik maken van de voorbereidende veldversterkingen, die immers alle naar buiten waren gericht. De met enkele zware mitrailleurs versterkte sectie aan de weg naar Breda was er het slechtst aan toe. Hier kreeg men zelfs geen kans meer om een verdediging te improviseren. De nabij het station Lage Zwaluwe gelande valschermjagers waren onmiddellijk ter plaatse en konden een groot deel van de troep gevangen nemen. Daarbij was ook de sectiecommandant, luitenant B.A.J. van Boxtel. De Duitsers sommeerden hem de rest van zijn mannen opdracht te geven om te capituleren.                                                                                                                   Op zijn weigering werd de officier lafhartig neergeknald. Wat nog weg kon komen kwam bij de 2e sectie terecht, die meer westelijk lag, halverwege de weg naar Breda en het gehucht Lochtenburg. Daar was ook de compagniescommandant, kapitein Van Ingen aangekomen. In overleg met de 1e luitenant De Jong werd besloten naar Lochtenburg te trekken om met de daar aanwezige sectie weer een verband van enige betekenis te formeren. Nog vóór dit kon worden uitgevoerd werden de kapitein en een soldaat dodelijk getroffen. Luitenant De Jong heeft zich later met een deel van de mensen kunnen aansluiten bij het 6e Grensbataljon, toen dit onderdeel tot een tegenaanval overging. De sectie bij Lochtenburg stond onder bevel van de 1e luitenant W. Haars en was versterkt met enkele zware mitrailleurs. Door de in Moerdijk geboden weerstand kreeg men gelegenheid de troep in stelling te brengen en de even later naderende parachutisten af te wijzen. Een Duitse patrouille die langs de weg tussen Lochtenburg en Moerdijk probeerde op te rukken, werd op de vlucht gedreven. Daarna trachtte de vijand een versperring op die weg te maken. Door het Nederlandse vuur kon ook dit worden belet. Luitenant Haars liet vervolgens in Willemstad om versterking vragen. Het antwoord luidde dat hij op die plaats terug moest trekken! Wie dit vreemde bevel heeft gegeven is nimmer duidelijk geworden. De luitenant voerde de opdracht uit en is tenslotte met zijn sectie bij Willemstad het Hollands Diep overgestoken. De laatste sectie lag ten westen van Lage Zwaluwe. Onder de cadetvaandrig C.M. de Weerd heeft men hier de strijd het langst volgehouden. Nadat een van zijn beide lichte mitrailleurs defect raakte en de schutter van het wapen sneuvelde, kon een Duitse stormaanval omstreeks 1030 uur dit laatste verzet breken. Het bruggehoofd bij Moerdijk was geheel in handen van de vijand.

 

Blz 60:

 

Vermeldenswaard is nog dat direct na de overval enkele soldaten een sluis hadden geopend om inundatiewater voor de stelling binnen te laten. De parachutisten hebben die toevoer spoedig stopgezet. Merkwaardig genoeg was dit voor de beide partijen gunstig. Als de onderwaterzetting volledig was geslaagd, zou voor onze troepen een tegenaanval onmogelijk zijn geworden. Maar ook de Duitsers wilden geen inundatie, omdat zo iets een zware hindernis zou zijn voor de pantsertroepen die hen binnen korte tijd moesten bereiken en ontzetten. Nog tijdens de gevechten in het zuidelijk bruggenhoofd probeerden de parachutisten om over de verkeersbrug naar het noorden door te dringen. Op de brug sloeg hen een vernietigend vuur tegemoet, dat hun zware verliezen berokkende. De vijand moest zijn pogingen opgeven en trok zich terug.

 
 

Het tweede boek waarin de gevechtshandelingen en de gebeurtenissen van Moerdijk worden behandeld worden, is: ‘Stafwerk Zuidfront Vesting Holland’ met, voor mij momenteel, nog onbekende schrijver(s).

De betreffende informatie is per bladzijde vermeld:

 

Blz. 21:                                                                                                                                                                                                                De aanval ten zuiden van het Hollands Diep.                                                                                                                                                          Op 10 Mei 1940, omstreeks 4.00 uur (een half uur voor zonsopgang) verschenen enige vliegtuigen op grote hoogte boven het Hollands Diep. Bij 19 Bt.Lu.A. waren,

 

Blz. 22:                                                                                                                                                                                                niettegenstaande de hoogste graad  van paraatheid voor de luchtdoelbestrijdingsmiddelen was bevolen, waren de batterijcommandant en zijn opvolger niet in de batterij aanwezig, die nu werd gecommandeerd door de vaandrig Jhr. J.C. Vegelin van Claerbergen.                                             Aangezien één vuurmond defect was, kon de vaandrig het vuur slechts met twee stukken doen openen. Spoedig verschenen meer vliegtuigen, waarvan er één ten zuiden van Zevenbergsche Hoek neerstortte. Eén der vuurmonden van de batterij viel uit door projectielklemming, waarna het vuur met één vuurmond werd voortgezet. Een vliegtuig liet in duikvlucht twee bommen vallen naast het vuurleidingtoestel, waardoor de vuurleiding werd uitgeschakeld en vijf militairen werden gewond, waaronder de Bt.c., 1e luitenant E.J.H. Faber, die inmiddels met de andere luitenant van de batterij was aangekomen. De niet gewonde luitenant P.S. van Teeckelenburgh deed de gewonden naar het barakkenkamp afvoeren, waar de tweede, bij de batterij ingedeelde vaandrig H. van Dalfsen, intussen de rustploeg had verzameld. Kort na deze bomaanval sprongen ten oosten van de batterij een groot aantal valschermjagers af, tussen Moerdijk en de spoorweg, in het schootsveld van de in stelling staande 4e sectie van 12 M.C. onder bevel van 1e luitenant J.M. Broekman. De bediening hiervan had echter tijdens de bomaanval dekking gezocht en vóórdat zij de stukken weder kon bemannen, werden deze door de Duitsers genomen, waarna de luitenant zich met zijn mannen overgaf. Andere groepen valschermjagers sprongen af nabij het station Lage Zwaluwe. De gewonde luitenant Faber, bij wiens batterij de affuiten en de munitie van de lichte mitrailleurs ontbraken, achtte het niet mogelijk tegenstand te bieden, liet van het nog bruikbare stuk de slagpin medenemen, het vuurleidingtoestel en de hoogtemeter onbruikbaar maken en de batterij ontruimen. Tijd om de beide andere vuurmonden onbruikbaar te maken was er niet. Terugtrekkend op Moerdijk viel de batterijbezetting, met uitzondering van de rustploeg, in de oostrand van het dorp in handen van de vijand. De rustploeg, waarbij de gewonde Bt.C. zich had kunnen aansluiten, trok terug op de haven van Moerdijk, waar hij zich aansloot bij personeel van de veerdienst.                                         Bij 82 en 83 Pel.Lu.Mitr. functioneerde slechts één mitrailleur per peloton regelmatig, de anderen slechts nu en dan. Te 4.20 uur werden deze pelotons gebombardeerd, waardoor bij 83 Pel.2 mitrailleurs werden vernield. Het personeel zocht dekking met uitzondering van 2 soldaten van 82 Pel, die bleven doorvuren. Spoedig moesten allen zich overgeven aan de valschermjagers, daar zij slechts over 15 patronen per karabijn beschikten. De overige in het bruggenhoofd aanwezige troepen 3-III-28RI, 12MC en 28 Bt 6 veld (min een sectie) waren intussen eveneens gealarmeerd. Kapitein J.A.C.J Marijnen, C.-11M.C en Commandant van het bruggenhoofd snelde uit zijn kwartier naar zijn bureau, waar een sectiecommandant van 12 M.C. telefoonwacht had. Hier meldde zich ook de eerste Luitenant F.P. de Jager, C.-28 Bt.6 veld die opdracht ontving met de enige aanwezige sectie in stelling te komen waar zulks mogelijk zou blijken. Eerstgenoemde 2 officieren stelden C.-I-28 R.I. te Amstelwijck en daarop de Groepscommandant te Puttershoek- met wie aanvankelijk geen verbinding was te krijgen – telefonisch met de overval in kennis.

 

Blz. 23:                                                                                                                                                                                                                De Groepscommandant beval stand te houden. Bij het naar buiten treden zagen de beide officieren enige valschermjagers tegenover zich, die hen gevangen namen en meevoerden naar het dorp Moerdijk, waarheen eveneens een luitenant, een vaandrig en verscheidene manschappen der luchtdoelartillerie werden gebracht. Even later werd de ter plaatse bevelvoerende Duitse officier[1]) door een schot uit de in het dorp Moerdijk gelegen marechausseekazerne dodelijk getroffen. Onmiddellijk daarop stootten de Duitsers met de door hen medegevoerde gevangenen op de versterkte wacht van Veer 2 C (5 pontonniers, die bij een hoek van de dorpsstraat onverschrokken standhielden en met hun karabijnen een ieder neerschoten, die zich om de hoek waagde). De Duitsers antwoordden met vuur uit hun automatische wapenen en met handgranaten en eisten, onder bedreiging met de dood, van de gevangengenomen Nederlandse officieren, dat zij de vorenbedoelde soldaten zouden toeroepen met vuren op te houden; deze gaven hieraan echter geen gevolg. Bij dit vuurgevecht werden de officieren, een vaandrig en twee wachtmeesters der Kon. marechaussee getroffen. De vaandrig en een wachtmeester bezweken aan de opgelopen verwondingen. Onder dekking van het vijftal dappere pontonniers[2]) gelukte het aan de overige pontonniers van Veer 2 C en de daarbij aangesloten artilleristen, met een woonark het Hollands Diep over te steken.         De sectie van 28 Bt.6 veld had, onder bevel van de Bt.C., de luitenant De Jager, aanvankelijk getracht in stelling te komen nabij haar kwartier, ten zuidoosten van Moerdijk. De rondcirkelende vliegtuigen en landende valschermjagers deden de Bt.C. daarvan echter afzien en besluiten, in zuidoostelijke richting een uitweg te zoeken teneinde eigen troepen te bereiken. Nadat was aangespannen reden de beide stukken, met de stukrijders op de bok, in galop over de Bredase weg, terwijl de bediening op rijwielen volgde. Omstreeks 1 km ten zuidoosten van het dorp, waar de Dirk de Botsdijk naar het noordoosten afslaat, ontving de sectie, zowel uit de richting van deze dijk als in front, vuur. Daar zich achter de sectie eveneens valschermjagers bevonden en aan de westzijde van de weg een sloot liep, was zij geheel ingesloten. De bediening zocht aan weerszijden van de weg zo goed mogelijk dekking en beantwoordde ’s vijands vuur met de karabijnen. In een nabijgelegen boerderij bleek C.-12 M.C., kapitein N.J. Muller, zich te bevinden met een zevental manschappen. Onder persoonlijke leiding van luitenant De Jager werd daarop afgespannen en één der stukken in stelling gebracht. Aangezien geen gedekte stelling mogelijk was en de 6 veld geen schilden bezat, moest het laden en aftrekken liggend en kruipend geschieden. Reeds het eerste schot weigerde door breken van de slagpin. Met behulp van twee bedieningsmanschappen bracht de Bt.C. die herhaaldelijk de weg overstak, daarop het andere stuk in stelling en loste daarmede een drietal schoten. Toen hij zich ondanks een waarschuwing van kapitein Muller bloot gaf,


[1] Deze woonde 15 jaar in het ten zuiden van Moerdijk gelegen dorpje Langeweg                                                                                                 .[2] Drie der vijf pontonniers sneuvelden, de beide overblijvende gaven zich eerst over toen de laatste patroon verschoten was.

 

Blz. 24:                                                                                                                                                                                                        teneinde voor het vierde schot nauwkeuriger te kunnen richten, werd hij door een schot in het voorhoofd dodelijk getroffen. C.-12 M.C. gaf zich korte tijd later met de overigen, w.o. enkele gewonden, aan de opdringende valschermjagers over.                                                                       Van 12 M.C. stond, zoals eerder medegedeeld, de 4e sectie bij het begin van de overval langs de kunstweg in stelling. De 1e en de 2e sectie, respectievelijk legerende te Lochtenburg en in de Quanjerhoeve bij de Lapdijk, kwamen aanvankelijk op de voorgeschreven plaatsen in stelling. Op de stellingen der 1e sectie werden een paar bommen geworpen, die echter niet explodeerden. De stellingen lagen thans echter met verkeerd front, daar de valschermjagers binnen het bruggenhoofd waren geland.  De beide sectiën stelden zich daarop onder bevel van de 1e luitenant W. Haars, commandant der bij Lochtenburg legerende 1e sectie van 3-III-28 R.I. die, met het front naar Moerdijk, langs de Roode Vaart stelling liet nemen. Vandaar werd gevuurd op zich vertonende valschermjagers; een Duitse verkenningspatrouille uit de richting Moerdijk werd verjaagd, het opwerpen van een versperring op de weg van dit dorp naar Lochtenburg werd belet. Luitenant Haars zond daarop aan de Commandant van het bruggenhoofd Willemstad[1]) een verzoek om versterking; als antwoord kreeg hij echter bevel, op Willemstad terug te trekken.[2]) Hij volgde dit op en na te Willemstad telefonisch contact te hebben opgenomen met C.-28 R.I. te Cillaarshoek, staken de drie sectiën in de avond van 10 Mei bij Willemstad het Hollands Diep over en sloten zij zich te Strijen bij III-28 R.I. aan.                                                                                                                     De 3e sectie van 12 M.C. had in de nacht van 9 op 10 Mei de kantonnementswacht geleverd ter sterkte van een onderofficier en twaalf man. Het wachtlokaal bevond zich naast Hotel Brabant aan de verkeersweg bij Hoekske. Omstreeks 4.30 uur kreeg de sergeantwachtcommandant bericht van C.-3-III-28 R.I., dat een Duits vliegtuig omstreeks een km. ten zuiden van Zevenbergschen Hoek was neergestort. Hij zond een patrouille daarheen, die drie Duitsers ontmoette; deze gaven zich over en werden naar het wachtlokaal gebracht. Toen enige tijd later bleek dat de wacht omsingeld dreigde te worden, werd een voorbijkomende autobus aangehouden en begaf de wacht zich met de gevangenen naar Roosendaal, waar de Duitsers aan de marechaussee werden overgegeven. De rest van de 3e sectie was door C.-12 M.C., die zich daartoe van zijn kwartier nabij station Lage Zwaluwe per rijwiel naar een boerderij aan de Bredaseweg had begeven, met de stukken en de munitie in een auto naar de ten oosten van het station gelegen stelling gezonden. Zij bereikte deze echter niet, daar zij onderweg vuur ontving en in ’s vijands handen viel.                                                 C.-3-III 28 R.I., res.kapitein W. van Ingen, die met de 2e en 4e Sectie zijner compagnie in de omgeving van station Lage Zwaluwe was gelegerd, deed deze sectiën de normale stellingen, met front zuid langs de Bredase Dijk bezetten.


[1] Zoals vermeld lag hier slechts een met twee sectiën zware mitrailleurs versterkte compagnie infanterie.                                                                .[2] Het is niet te achterhalen geweest, van wie dit bevel is uitgegaan. Het valt zeer te betreuren, daar door het standhouden van het detachement de in de namiddag ingezette aanval van 6 G.B. zou zijn vergemakkelijkt.

 

Blz.25:                                                                                                                                                                                                              Toen na enige tijd valschermjagers in de rug en op de oostelijke flank verschenen, trok de bezetting weg in de richting van de Lapdijk. Het grootste gedeelte van de 4e sectie werd met de commandant sergeant P. Zonneveld en res. 1e luitenant B.A.J. van Boxtel (die belast was met de bouw der versterkingen en zich inmiddels bij de troep had gevoegd) gevangen            genomen. Genoemde luitenant werd gesommeerd, andere Nederlandse soldaten toe te wenken zich over te geven en toen hij hieraan geen gevolg gaf, neergeschoten. Eén der groeps-commandanten van de 3e sectie werd dodelijk gewond.  Kapitein Van Ingen en de commandant der 2e sectie, res. 1e luitenant P. de Jong, verzamelden omstreeks 6.00 uur bij de Wilhelminahoeve aan de Lapdijk de rest der beide sectiën en besloten terug te trekken op Lochtenburg, waar zich de 1e sectie bevond, teneinde op die wijze althans, een deel van de compagnie bijeen te krijgen. Alvorens dit voornemen kon worden uitgevoerd, werd weder vuur ontvangen, waarbij de kapitein en een soldaat sneuvelden; de rest zocht dekking. De luitenant sloot zich in de avond van 10 Mei met een tiental soldaten bij 6 G.B. aan.   Het langst werd weerstand geboden door de 3e sectie van 3-III-28 R.I. (verminderd met de stationswacht), die onder cadet vaandrig C.M. de Weerd te Lage Zwaluwe was gelegerd. Deze nam frontstelling ter weerszijden van de weg naar Kikvors. Omstreeks 10.30 uur werd de sectie aangevallen door uit het westen oprukkende valschermjagers, die goede dekking vonden achter de bomen en de langs de weg gebouwde Nederlandse gevechtsopstellingen. Er ontwikkelde zich een hevig vuurgevecht waarbij de 3e sectie twee doden en twee gewonden verloor. Tengevolge van het weigeren van één der beide lichte mitrailleurs kregen de valschermjagers kans tot de stormaanval over te gaan, waarmede het pleit werd beslist. Afgezien van deze sectie was het bruggenhoofd Moerdijk omstreeks 7.00 uur in handen van de vijand, die zich thans in de Nederlandse versterkingen ter verdediging inrichtte tegen eventuele pogingen uit zuidelijke richting, om het bruggenhoofd te hernemen.Aan Nederlandse zijde waren gesneuveld of aan hun verwondingen bezweken: twee officieren, een vaandrig en tien onderofficieren en manschappen[1] , terwijl vier officieren en ettelijke onderofficieren en manschappen waren gewond.                                                                                                                                      Het inundatiepersoneel te Moerdijk had in de vroege morgen nog getracht water in te laten voor het stellen van de inundaties, doch was er slechts in geslaagd, de meest westelijk gelegen sluizen te bereiken. Het personeel viel in handen van de Duitsers, met uitzondering van een korporaal, die naar Willemstad wist te ontkomen. De Duitsers zetten de waterinlaat spoedig stop, doch enkele terreinen zijn nog onder water gekomen, zoals op schetskaart nr. Z.2 is te zien. Het is echter niet meer na te gaan, op welk tijdstip deze toestand werd bereikt.


[1] Een officier en zes man van 3-III-28 R.I., een officier van 28 Bt. 6 veld, een vaandrig en een man van 19 Bt.Lu.A., twee man van Veer 2 C en een marechaussee.

Figuur 22. Moerdijk 10 Mei 1940.

 

Op bovenstaande foto wordt de verovering van het dorp Moerdijk nagebootst. Figuranten als “Nederlandse gesneuvelden” op de Steenweg maken het allemaal nog realistischer voor de kijkers.

Maar afgezien daarvan zal het beeld in werkelijkheid niet veel anders geweest zijn in het dorp Moerdijk. De film is in 2005 vertoond als Sprung in den Feind. Het gemeentearchief in Dordrecht heeft een kopie. (foto figuur 19 en uitleg afkomstig van: http://www.grebbeberg.nl/).De auteur van dit verhaal is ook  in het bezit van van deze 20 minuten durende documentaire.

Download film     bekijk film                                      

 

Het derde boek waarin de gebeurtenissen bij Moerdijk op 10 mei 1940 worden beschreven is deel 3 ‘Mei ‘40’van de serie ‘het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’.                                                                                                                                                      Dr. L. de Jong heeft dit boek geschreven. 

In hoofdstuk 1 –‘Vrijdag 10 mei’, wordt in het deel ‘De strategische verrassing’ uitgebreid uitgelegd wat er zich rond Moerdijk heeft afgespeeld. Ook in dit hoofdstuk worden de gevechtshandelingen waarbij J.A. van Houdt betrokken was vermeld. Onderstaand figuur 23 is ook uit dit boek afkomstig en geeft de plaatsen (in rood) aan waar de Duitse para’s zijn geland rond Moerdijk en Dordrecht.

Bij de grote bruggen over het Hollands Diep (de verkeersbrug en de spoorbrug) waren, voor de Duitsers aanvielen, de springladingen aangebracht, een systeem van elektrische ontsteking was evenwel nog niet geïnstalleerd. Om de ladingen tot springen te brengen, moesten er eerst slagpijpjes (kleine, snel exploderende ladingen) ingedraaid worden en die slagpijpjes moesten onderling met z.g. slagsnoeren (waardoor de explosie zich snel voortplantte) verbonden worden; daartoe moest men bovenop de brug klauteren en er onderdoor; zo dienden aan de verkeersbrug achtendertig ladingen onderling verbonden te worden. Dat was een uur werk. Uiteraard had men die slagsnoeren tevoren kunnen aanbrengen, maar dat had generaal Winkelman uitdrukkelijk verboden aangezien hij bevreesd was dat men de bruggen door nervositeit te vroeg zou opblazen.  Bij de noordelijke uiteinden van de verkeersbrug en van de spoorbrug bevonden zich de in ’36 gebouwde grote betonnen bunkers waarin een stuk 5 cm-geschut en een zware mitrailleur geplaatst waren; die kanonnen werden bediend door leden van het korps politietroepen, de zware mitrailleurs door mitrailleurschutters van het grensbataljon dat bij Roosendaal stond. Op het Eiland van Dordrecht, ten noorden van de bruggen maar op enige afstand daarvan, was voorts meer dan een bataljon aan troepen gelegerd met enkele afdelingen veldgeschut; een klein dekkingsdetachement (ca. zeventig man) bevond zich met enkele mitrailleurschutters in een barakkenkamp dat vlak ten noorden ven Willemsdorp lag. Bij Willemsdorp was tenslotte een peloton luchtdoelmitrailleurs opgesteld.

Twee pelotons luchtdoelmitrailleurs stonden op de Brabantse oever in het z.g. bruggenhoofd Moerdijk. Bij het dorp Moerdijk stond een batterij zwaarder luchtafweergeschut: drie stukken met een kaliber van 7,5 cm. Het bruggenhoofd was verder bezet door een compagnie infanterie en een compagnie mitrailleurs; ook hier stond een batterij infanteriegeschut. Het was de bedoeling, het gehele bruggenhoofd met inundaties te omgeven, maar de hiervoor benodigde gelden waren pas in april toegestaan zodat de voorbereidingen op de 10de mei nog niet voltooid waren. Vermeld zij tenslotte dat aan weerskanten van de bruggen wachtschepen lagen, elk met een mitrailleur bewapend, om pogingen tot sabotage die men van Vijfde Colonnisten verwachtte, te verijdelen.

Zo was, alles bijeen, ter verdediging van de Moerdijkbruggen numeriek een niet gering aantal troepen geconcentreerd. Aan de versterking van hun posities was evenwel nog maar weinig gedaan; commandoposten, hulpverbandplaatsen en munitiebergplaatsen waren alle nog onbeschermd en ook het luchtafweergeschut stond open en bloot in het veld. De verbindingen bestonden meest uit in de lucht hangende telefoondraden. En tenslotte herinneren wij er aan, dat de commandant van de Vesting Holland, onder wie het zuidfront van de Vesting en dus ook de verdediging van de Moerdijkbruggen ressorteerde, eind april de aan de troepen uitgedeeld munitie weer had laten innemen en compagniesgewijs opbergen; in het bruggenhoofd Moerdijk (zuid van de bruggen) en bij het kleine dekkingsdetachement Willemsdorp was evenwel op 10 mei de munitie wederom bij de manschappen aanwezig. Op 8 mei was voorts bepaald dat zich op de autoweg Moerdijk-Dordrecht van één uur vóór tot één uur na zonsopgang enkele zware mitrailleurs moesten bevinden tot afweer van eventueel op de weg landende vijandelijke vliegtuigen; inderdaad waren op 10 mei in alle vroegte drie van die mitrailleurs in stelling gebracht tussen de bruggen en Dordrecht en drie bezuiden de bruggen in het bruggenhoofd Moerdijk. Andere voorzorgsmaatregelen waren niet genomen. 

Boven de Moerdijkbruggen verschenen de Duitse jagers en bommenwerpers om vier uur. Zij begonnen met het bombarderen van de barakken bij Willemsdorp waar het niet-gealarmeerde dekkingsdetachement in gelegerd was, alsmede van de batterij luchtafweergeschut te Moerdijk. Van de drie stukken was één defect, een tweede viel uit doordat een projectiel in de   vuurmond beklemd raakte; ook werd de vuurleiding uitgeschakeld. Zo goed en kwaad als het ging, zette de bemanning (vijf militairen waren gewond) het vuren met één stuk voort. Kort na dat eerste bombardement (volgens Molenaar om 5 uur) sprongen honderden Duitse parachutisten midden in het bruggenhoofd af, ongeveer voor de lopen van de mitrailleurs die het dichtst bij de verkeersbrug op de autoweg opgesteld waren. De manschappen hadden evenwel in verwarring dekking gezocht tegen de bommen; voor zij hun mitrailleurs weer bereikt hadden, waren de eerste Duitsers ter plaatse, waarna de bevelvoerende luitenant zich overgaf. Met grote snelheid zwermden de Duitsers naar alle kanten uit.

 

De bemanning van het afweergeschut bij Moerdijk liet de stukken in de steek; een deel werd krijgsgevangen gemaakt, een ander deel wist het haventje bij Moerdijk te bereiken vanwaar het met het personeel van de veerdienst het Hollands Diep overstak. Vijf pontonniers wisten daar net voldoende  tijd voor te winnen door in Moerdijk bij een hoek van de dorpsstraat onverschrokken stand te houden. De Duitsers hadden enkele krijgsgevangen officieren meegevoerd die onder bedreiging de pontonniers toeriepen dat zij het vuren moesten staken; dat werd door de vijf geweigerd. Drie van hen sneuvelden. 

De batterij infanteriegeschut die zich in het bruggenhoofd bevond, reed weg zonder een schot gelost te hebben, ging elders (nog in het bruggenhoofd) in stelling, begon te vuren maar gaf zich, nadat de commandant gesneuveld was, spoedig over. Hetzelfde deden de twee pelotons luchtdoelmitrailleurs die zich met slechts tien patronen per karabijn tegen de opdringende parachutisten verdedigen moesten. Ook de verschillende onderdelen van de compagnie infanterie die zich in het bruggenhoofd Moerdijk bevond, boden niet lang verzet; zich ingericht hebbend op verdediging naar het zuiden, moest de compagnie zich verweren tegen zwaargewapende parachutisten die onverhoeds uit het noorden oprukten. Het gehele bruggenhoofd was (op één punt na waar men tot half elf de weerstand volhield) om zeven uur in handen der Duitsers. Aan Nederlandse kant waren dertien man gesneuveld. In tegenstelling tot de verdedigers van het bruggenhoofd Moerdijk hadden de verdedigers van het noordelijk uiteinde van de bruggen (het dekkingdetachement Willemsdorp uitgezonderd) in die vroege uren van de 10de mei de munitie niet bij de hand. Gewekt door het geronk der vliegtuigen en het vuren der luchtdoelartillerie (de mitrailleurs van de wachtschepen lieten zich niet onbetuigd), renden de manschappen ‘merendeels in nachtgewaad naar buiten en staarden naar het ongewone schouwspel’. Bommen suisden omlaag – men stoof uiteen en zocht dekking. Snel liet de commandant van de politietroepen, sergeant-majoor A. van Almkerk, de twee grote bunkers bemannen. Eén van zijn onderofficieren gaf hij voorts opdracht, de slagsnoerleidingen aan de bruggen aan te brengen. Uit één van de bunkers moest men die leidingen eerst te voorschijn halen. Kostbare minuten verstreken. Hoe laat de betrokken onderofficier met het aanbrengen van de leidingen begon, weten wij niet – hij was er in elk geval nog niet mee klaar toen tegen vijf uur de Duitse parachutisten landden en spoedig nadien de eersten hunner van het zuiden uit tot de bruggen doordrongen en elk die zich op de pijlers waagde, onder vuur konden nemen. Sergeant-majoor van Almkerk kon toen weinig meer doen dan met zijn kanon en zware mitrailleur verhinderen dat de parachutisten zich over de volle lengte van de brug voorwaarts werkten.

De honderden parachutisten die op de zuidelijke punt van het Eiland van Dordrecht daalden (‘Kapitein, ze gooien strooibiljetten uit!’ kreeg een van de Nederlandse commandanten te horen), concentreerden zich daar snel. Een deel van de Nederlandse troepen werd, zonder munitie, in de boerderijen omsingeld en moest zich meteen overgeven. Hier of daar konden enkele tientallen verzet bieden tot hun munitie op was. Wat aan auto’s bij boerderijen stond, werd door de Duitsers in beslag genomen; zelfs een autobus wisten zij ergens te vinden. Anderen hunner trokken naar de bruggen per fiets of te voet, enkelen zelf te paard. Overal gaf de betere bewapening van de Duitsers de doorslag. Twee mitrailleurposten en het peloton luchtdoelmitrailleurs dwongen zij echter tot overgave doordat zij Nederlandse krijgsgevangenen voor zich uit dreven.

De politietroepen boden het langst weerstand. Uit de grote bunker bij de spoorbrug werd de bezetting verdreven doordat door het schietgat handgranaten naar binnen geworpen werden. Ook de grote bunker bij de verkeersbrug werd omsingeld en de bezetting werd gesommeerd, zich over te geven. Van Almkerk weigerde; hij zette het schieten voort. Zijn bunker werd met een rookgordijn omgeven: hij kon de verkeersbrug niet meer zien, in de bunker (negen man waren aanwezig) kon men elkaar nauwelijks onderscheiden. Van Almkerk stak het licht aan en bleef vuren. Duits tegenvuur sloeg vier gaten in de loop van zijn kanon. Weer kwam een sommatie, zich over te geven, weer werd geweigerd. “Majoor, geef je over’, riep een Nederlandse krijgsgevangene, ‘want ze laten je in de lucht springen’. ‘Vent, hou je kop dicht!’ antwoordde een korporaal uit de bunker. De Duitsers sloten de luchttoevoer af, brachten de stalen toegangsdeur tot springen en wierpen een handgranaat naar binnen waardoor het kanon nog verder beschadigd werd. Toen pas gaf van Almkerk zich over. Hij had met zijn groepje dapperen zijn verzet volgehouden, terwijl onder in de bunker meer dan een ton explosieven lag.

Noord van de bruggen waren aan Nederlandse kant twaalf doden gevallen – beide bruggen waren de Duitsers praktisch onbeschadigd in handen gevallen. Burgers die de verkeersbrug passeren wilden, lieten zij aanvankelijk nog door; auto’s werden in beslag genomen.

 
 

H2.3.4 Overzichtskaarten en foto’s van de plaats waar de gevechten van J.A. van Houdt met de Duitse valschermjagers hebben plaats gevonden.

 

In deze paragraaf zijn de situatie van Moerdijk in mei 1940 en de huidige situatie weergegeven door middel van enkele kaartafdrukken.                 Het valt op dat er weinig is veranderd in het dorp zelf en de haven.                                                                                                                    Verder zijn een aantal foto’s toegevoegd van het tegenwoordige Moerdijk om een levendige indruk te geven aan de verhalen van de gevechtshandelingen van 10 mei 1940 en de kaartafdrukken.

Figuur 24.                                                                                     Overzichtsfoto van de haven van Moerdijk, genomen in de richting van het Hollands diep anno 2006.  Volgens figuur 26 zou het schip ‘De Mathilde’ vanaf de rechterzijde van de haven ontsnapt zijn, dit gegeven staat op die kaart vermeld als Veer 2C (woonaak).
Figuur 25.

Foto van de haven van Moerdijk, met op de achtergrond het dorp Moerdijk.

 

Figuur 27. (Boven); Overzichtskaart Moerdijk mei 1940.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 26. (Links); Overzichtskaart van Nederlandse militaire stellingen en vijandelijke landingen van valschermjagers rondom Moerdijk.

 

Figuur 28. Overzichtskaart Moerdijk  2006: de rode vlag is hoek Dorpsstraat/Steenweg. Hier hebben de gevechten plaatsgevonden.

 

 

Figuur 29 t/m 31  zijn foto’s genomen in Moerdijk, op de splitsing van Havendijk en  Steenstraat  Ongeveer op deze plaats hebben de gevechtshandelingen plaats- gevonden op 10 mei 1940.

Figuur 31. Op deze foto is links vermoedelijk de oude Marechausseekazerne te zien in de Steenstraat.

 

 

 
 
H2.3.5 Oorlogsgedenkteken te Moerdijk.
 

In Moerdijk is nabij de haven, waar in mei 1940 de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, een oorlogsgedenkteken geplaatst. Op de volgende foto’s  figuur 32en 33 en 34 is dit monument te zien.

   
Figuur 32,33 en 34; oorlogsmonument en plaquette te Moerdijk. 
 

Op figuur 33 is te zien dat een embleem van de eerste Poolse pantserdivisie is aangebracht boven op het monument. Moerdijk is net als Oost Zeeuws-Vlaanderen bevrijd door deze Poolse pantserdivisie. Op enkele kilometers van Moerdijk begint op 4 november een zware strijd die tot 9 november zal duren. Door Poolse Cromwelltanks worden 2500 antitankgranaten afgeschoten om de betonnen versperringen langs de toegangswegen naar Moerdijk op te ruimen. Daarna worden de Duitsers in en rond Moerdijk door 9 artillerie regimenten en een batterij raketgeschut beschoten. De Poolse infanterie trekt in de nacht en ochtend Moerdijk binnen  waar van huis tot huis gevochten moet worden. Moerdijk wordt bij deze verovering voor 85% verwoest. Onderstaande foto is genomen van de Marechausseekazerne in de Steenstraat ten tijde van de bevrijding in november ’44.

Figuur 35a en  geeft een beeld van de Marechausseekazerne in de Steenstraat die tijdens de  bevrijding (november ’44) van Moerdijk door de Eerste Poolse Pantserdivisie zwaar beschadigd werd, fig. b is de tegenwoordige situatie.

 
 

H2.3.6 Gegevens van gesneuvelde militairen bij Moerdijk mei 1940 .

 

Tijdens de gevechten, waarbij J.A. van Houdt betrokken is geweest, zijn meerdere militairen gesneuveld. Zowel aan Nederlandse- als Duitse zijde zijn slachtoffers gevallen.   Eén van deze slachtoffers was zijn dienstkameraad en plaatsgenoot W.F.van der Hooft.                                                  De gegevens van deze persoon werden mij, na de oproep op het discussieforum, (zie H2.3.2) toegezonden.                                              Onderstaand figuur 36 is een kopie van deze gegevens:

 

Figuur 36.  Gegevens van gesneuvelde dienstkameraad W.F.van der Hooft.

 

De gegevens van, vermoedelijk, de andere 3 pontonniers heb ik via de internetsite http//www.dordtopenstad.nl. kunnen vinden.                             Het was niet duidelijk of de vierde pontonnier T de Zeeuw, die later is overleden, ook bij de 5 pontonniers behoorde (zie H2.3.7 voor verdere uitleg hierover).

Bij het bruggenhoofd Moerdijk, dat in de buurt van de haven van Moerdijk lag, zijn ook een aantal Nederlandse slachtoffers gevallen (zie overzichtskaart H2.3.4):

Ook Duitse gesneuvelden zijn op deze site terug te vinden. Hieronder volgt een overzicht van de Duitse strijdkrachten die in de directe omgeving van Moerdijk op 10 mei 1940 zijn omgekomen:

 
 

H2.3.7 Verder onderzoek naar personen die samen met J.A. van Houdt betrokken waren bij de gevechtshandelingen.

 

Tijdens het bestuderen van de lijst met gesneuvelden (zie H2.3.6), vroeg ik mezelf af of de vierde persoon, T de Zeeuw, ook betrokken was bij de gevechtshandelingen als vierde pontonnier. Via het discussieforum werd onderzocht of dit mogelijk was. Het bleek dat T de Zeeuw niet betrokken was bij de gevechtshandelingen waar J.A van Houdt bij betrokken was. De volgende tekstblokken zijn overgenomen uit het discussieforum van de website:    www.dordtopenstadt.nl                                                                                                                                                                      Deze laatst besproken items staan, net zoals op de website, bovenaan. De tijdsaanduiding geeft de leesvolgorde aan van deze besproken items.

    

Op 06-02-2006 13:55 plaatste H Groenman de volgende reactie:

De kans dat De Zeeuw op 10 mei eerst vanuit Moerdijk is overgestoken ( zie ook de bijdrage van overste Brongers ) acht ik zeer klein. De actie in het Bos van De Roo, waaraan De Zeeuw meegedaan moet hebben vond namelijk eveneens al vrij vroeg ( ergens tussen 4.30 en - op zijn hoogst - 6.00 uur, zie Stafwerk Zuid-
front blz 31 ) plaats. Zou hij toen al vanuit Moerdijk aangekomen kunnen zijn?
Je moet daarbij ook nog eens bedenken dat hij Dordrecht via de Hoekse Waard had moeten bereiken. De andere mogelijkheden waren op dat moment m.i al afgesneden.En dan had hij, met al die falende verbindingen, ook nog eens bij het begin van de actie ter plaatse aanwezig moeten zijn. Ik acht de kans dus heel groot dat hij, om welke reden dan ook, al in Dordrecht aanwezig was.

Maar hij kan sowieso NOOIT behoord heben tot die groep van 5 Pontonniers, zie vorige bijdrage.
 

    

Op 06-02-2006 10:47 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Nee, deze behoorde zeker NIET tot dat groepje.

Er is een fout geslopen in de lijst gesneuvelden op de Dordt - site.
Teunis de Zeeuw ( geboren Maasland , 1903 ) behoorde wel tot op opgegeven eenheid Pontonniers, maar is volgens de officiele lijst op 10 mei gesneuveld in Dordrecht tijdens een zuiveringsactie in het z.g Bos van De Roo in de zuidelijke stadswijk Krispijn.
Hij was op dezelfde 10e mei dus absoluut niet in of bij Moerdijk.

In het Stafwerk staat bovendien nog geschreven dat de 2 van de 5 pontonniers, die niet zijn omgekomen, zich na het verschieten van hun munitie hebben overgeven aan de Duitsers. Er is dus zeker niet een van hen alsnog gewond in Dordrecht beland om daar uiteindelijk te overlijden.
 

 

 

Op 06-02-2006 10:22 plaatste Lkol b.d. E.H. Brongers de volgende reactie:

De dpl.pontonnier Teunis de Zeeuw (geb 1 maart 1903 te Maasland; woonplaats Naaldwijk) behoorde tot de 1e Veerdienstgroep, Veer 2c, te Moerdijk. Zijn postadres was 2e Depot Compagnie Pontonniers te Dordrecht. Dat hij zich daar op 10 mei bevond en waarom is niet duidelijk. Hij nam daar op diezelfde dag deel aan de zuiveringsacties in het Bos van de Roo, ten zuiden van het spoorwegemplacement. Daar is hij gesneuveld. Hij werd begraven op de Alg.begraafplaats te Dordrecht. Het graf is echter in 1952 geruimd.
Een andere mogelijkheid is dat hij zich bij zijn onderdeel te Moerdijk bevond. Na het gevecht aldaar op 10 mei wisten een aantal pontonniers en enkele anderen (o.a. van de luchtdoelartillerie) met een woonark uit te wijken naar de noordoever van het Hollands Diep. Indien De Zeeuw daarbij was, moet hij nog op dezelfde dag Dordrecht hebben bereikt en daar aan de gevechten hebben deelgenomen.
 

    

Op 05-02-2006 21:14 plaatste J.van Houdt de volgende reactie:

Na het grondig bestuderen van de door de heer Groenman toegezonden informatie, ben ik verder gaan zoeken naar verdere gegevens.
Hierbij kwam ik ook de verlieslijsten van Nederlandse militairen tegen op deze site.
De andere 2 Pontonniers die tesamen met de heer W.F. van der Hooft gesneuveld zijn, stonden hier ook op vermeld (lijst 3).
Mijn vraag aan de heer Groenman is nu of u me kunt vertellen of de vierde persoon van de veergroep die daar vermeld is (T de Zeeuw later overleden in Dordrecht) ook een van de 5 Pontonniers was waarbij mijn opa behoorde?
 

 

Figuur/ tekstblok 37. Vraag naar betrokkenheid van T de Zeeuw bij de gevechtshandelingen.

 

Uiteindelijk is via onderzoek door de heer Brongers boven water gekomen dat er 7 pontonniers betrokken waren bij de bewaking van de haven.    De namen staan allen vernoemd in de reactie van de heer Brongers die in figuur 38 te lezen is.

    

Op 08-02-2006 14:34 plaatste Lkol E.H. Brongers de volgende reactie:

Nader onderzoek heeft het volgende duidelijk gemaakt.Van der Hooft en Mann zijn wel degelijk onderscheiden, beiden met het Bronzen Kruis.De wacht bij het veer bestond overigens uit meerdere pontonniers, van wie er zeven aan de verdediging konden deelnemen en als volgt werden onderscheiden:
- J.H.L.Ph. Mann (+): Bronzen Kruis
- A. Vlot (+): Bronzen Kruis
- F.W. van der Hooft (+) Bronzen Kruis
- H.van der Plas : Bronzen Kruis
- C. Ruissen : Bronzen Kruis
- F. Brondsema : Bronzen Leeuw
- J.A. van Houdt: Bronzen Leeuw.
Lgen Wilson schreef over hun actie: "Zuid van de rivier rukten de Duitsers het dorp Moerdijk binnen, waar zeven dappere pontonniers, op wacht bij het veer, met hun karabijnen de verdere opmars belemmerden, tot drie van hen waren gesneuveld, twee overmeesterd en de beide overlevenden hun laatste patroon hadden verschoten."
 

    

Op 07-02-2006 18:39 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Een ander lijntje is natuurlijk het opvragen van de verslagen en rapporten van het betreffende onderdeel bij het NIMH in Den Haag: nimh@mindef.nl
Mogelijk worden daarin namen genoemd.
 

    

Op 07-02-2006 17:16 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Er blijft nog een heel dun lijntje over.
Uw grootvader ( bronzen leeuw ) en Arie Vlot ( bronzen kruis ) zijn onderscheiden in verband met de gebeurtenissen bij Moerdijk.Merkwaardig(?) genoeg vd Hooft en Mann niet. Het is natuurlijk niet geheel onmogelijk dat de 5e pontonnier wel weer onderscheiden is. Je zou dan bij gebrek aan een naam de complete lijst onderscheidingen moeten doorwerken op zoek naar een passend profiel, waarbij onderdeel en plaats van actie bekend zijn.
Tijdrovend, maar tegelijk misschien ook lonend.
 

    

Op 06-02-2006 22:53 plaatste Jose van Houdt de volgende reactie:

De heer Groenman en de heer Brongers dank voor uw reactie.
Zoals ik begrijp is het bij u niet bekend wie de vierde pontonnier was naast de 3 gesneuvelden en mijn opa?
 

Figuur/ tekstblok 38. Vraag naar betrokken pontonniers bij bewaking van haven Moerdijk.

 

Vervolgens heb ik via het discussieforum gevraagd, wie de tweede persoon was waarmee J.A.van Houdt tot het einde toe heeft doorgevochten, mijn vermoeden was F. Brondsema. Tevens heb ik gevraagd wat het verschil tussen de Bronzen Leeuw- en  Bronzen Kruis- onderscheiding is.

    

Op 10-02-2006 11:24 plaatste G.J. Jansen de volgende reactie:

Veel informatie( inclusief de naam van uw grootvader, maar dat zal u bekend zijn, want u wordt in het item over hem bedankt, maar weer niet van alle gedecoreerden) is te vinden op:

http://www.onderscheidingen.nl

Zoals daar ook te vinden is staat de Bronzen Leeuw in de rangorde boven het Bronzen Kruis.
 

    

Op 09-02-2006 22:46 plaatste Jose van Houdt de volgende reactie:

Wederom mijn dank aan de heer Brongers voor uw onderzoek.
Kan ik uit de uitgereikte onderscheidingen opmaken dat mijn grootvader te samen met de heer F Brondsema als de laatste 2 overlevenden overbleven nadat hun patronen waren verschoten?
Dit gezien het feit dat er 2 maal een Bronzen Leeuw onderscheiding is uitgereikt bij deze actie en de andere personen een Bronzen Kruis hebben ontvangen.
Kunt u mij ook vertellen wat precies het verschil is tussen de Bronzen Leeuw- en de Bronzen Kruis- onderscheiding?
 

Figuur/ tekstblok 39. Vraag naar tweede persoon waarmee J.A. van Houdt tot het einde doorvocht.

 

In figuur 38 is te zien dat een deel van 2 personen met de Bronzen Leeuw zijn onderscheiden en de rest met het Bronzen Kruis.                             Het verschil tussen de Bronzen Kruis en Bronzen Leeuwonderscheiding is, dat de Bronzen Leeuwonderscheiding in een hogere rangorde staat.      Via de website  http://www.onderscheidingen.nl  ben ik op zoek gegaan naar F Brondsema. Deze persoon staat vermeld ( inderdaad met een minimum aan gegevens) in het overzicht. Figuur 40 laat deze pagina zien.

Figuur 40. Vermelding F Brondsema op internetsite.

 

Zoon A.A van Houdt wist te vertellen dat vader J.A. van Houdt na zijn overgave nog gevangen heeft gezeten; hij is toen een aantal malen bezocht door zijn broer Aloysis van Houdt. Via het discussieforum kwam hierover informatie naar boven;

Op 20-02-2006 09:54 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Dit zou dan geweest zijn de BENTHIEN-Kazerne, Buiten Walevest, DORDRECHT.
 

Op 20-02-2006 09:48 plaatste H Groenman de volgende reactie:

Het waarschijnlijkste scenario ( dit is normaliter de gang van zaken geweest ) lijkt mij het volgende: uw grootvader is na de capitulatie vanuit Noord-Brabant overgebracht naar Dordrecht en daar in de Pontonnierskazerne geconsigneerd. Voor zover toegestaan door de Duitsers zal er binnen het kantonnement mogelijk enige vrijheid van beweging zijn geweest.
Daar zal hij zijn gebleven tot het verlenen van Groot Verlof, hetzij op 28 mei ( de ene helft van het dienstplichtig en reserve personeel ) , hetzij op 4 juni ( de andere helft ). Voorwaarde voor het verkrijgen van dat Groot Verlof was wel dat men zelfstandig in zijn eigen onderhoud kon voorzien (daar kwam het tenminste op neer ). Zo niet, dan werd men geplaatst bij de Arbeidsdienst.
 

Op 19-02-2006 21:12 plaatste J.van Houdt de volgende reactie:

Naar het schijnt heeft mijn opa nadat hij krijgsgevangen was genomen in Dordrecht vastgezeten. Hij is daar door zijn broer enkele malen bezocht.
kan iemand mij vertellen waar de Nederlandse krijgsgevangenen vast werden gehouden in Dordrecht en hoe lang werd men in die tijd gevangen gehouden?
 

Figuur/tekstblok 41. Vraag naar informatie betreffende gevangenhouding J.A. van Houdt.

 
 
H2.3.8  Gebeurtenissen 10 mei 1940  beschreven op website;’’war Over Holland’’. (update die is toegevoegd aan de tweede druk)
 

Dit hoofdstuk is een toevoeging die in de tweede druk toegevoegd is. Tijdens voortgaand onderzoek op internet na de eerste uitgave kwam deze uitleg van de gebeurtenissen op 10 mei 1940 te Moerdijk in beeld.  De gegevens zijn van de volgende site overgenomen; http://www.waroverholland.com/zfh/index.php?page=bruggenhoofd-moerdijk-2

Ook hier wordt J.A. van Houdt vernoemd, echter als ‘’van ‘t Houdt’’, dat duidt dat er informatie is verkregen uit officiële stukken zoals  het rapport dat in H3.2 te zien is. In dit hoofdstuk zijn de betreffende zinnen rood aangeduid.

Er wordt zeer diep en uitgebreid ingegaan op de gebeurtenissen van 10 mei 1940 te Moerdijk.

Wat ik zelf wel typisch vind is dat de foto’s die zijn gebruikt op de site veel overeenkomsten hebben met de foto’s die ik zelf ter plaatse in Moerdijk (2006) heb genomen bij de haven. Verder zorgen deze extra gegevens voor een nog veel duidelijker beeld van wat zich daar heeft afgespeeld.

Na de eerste versie van de site gegevens , heb ik ook enkele aanvullingen toegevoegd, die na 18 december 2009 op de site zijn toegevoegd

De alinea's met aanvullingen zijn in wit weergegeven in dit hoofdstuk.

Auteur  van deze informatie is Albert Goossens;

Het Bruggenhoofd Moerdijk was zwak bezet, zo werd al duidelijk in de proloog. De bezetting door een compagnie infanterie [3-III-28RI] met ondersteuning van een MC [12MC] en twee stukken 6-veld [sie 28 Bt 6-veld] werd een voorlopige bezetting geacht [1, 100c]. Zou de oorlog uitbreken dan zou 6.GB – na haar taken aan de grens met België te hebben volbracht – het Bruggenhoofd versterken en de commandant 6.GB de nieuwe Bruggenhoofdcommandant worden [1]. In feite was de bedoeling dat er sprake zou zijn van aflossing van de veiligheidsbezetting door 6.GB. Het is niet helder of in die gedachtegang een wijziging is gekomen vlak voor de inval, en de veiligheidsbezetting gehandhaafd zou blijven naast 6.GB. Volgens de stafverslagen van Groep Kil was echter sprake van aflossing van de bruggenhoofdbezetting door het grensbataljon. Hoewel met de geprojecteerde aflossing een betere bezetting van deze cruciale positie zou worden gevormd, achtte men de veiligheidsbezetting van het Bruggenhoofd kennelijk toch te zwak. Die conclusie zou men vooral kunnen trekken uit de gebeurtenissen tussen 6 en 10 mei.

Op 6 mei bezocht Winkelman de Groep Kil en schouwde gezamenlijk met de Groepscommandant de zuidzijde van het kantonnement. Op 7 mei ontving ook Groep Kil de telex met het algemene bevel dat alle verloven ingetrokken werden. Er waren aanwijzingen dat de Duitsers ieder moment konden binnenvallen. Op 8 mei werd ineens een inspectie uitgevoerd van het Bruggenhoofd door de luitenant-adjudant [Groep Kil] D. de Vries om te bezien of en waar er eventueel versterkingen konden worden gehuisvest [100c, 192]. Eveneens op 8 mei werden bevelen uitgegeven om posten uit te zetten op het Eiland van Dordrecht tegen luchtlandingen rond de hoofdwegen [1, 8, 100c]. Ten noorden van de bruggen werden op bevel van de C-VH zware mitrailleurs bij de betonnen weg geplaatst, en een mobiele patrouille met zware mitrailleur werd bij Maasdam op constante paraatheid gehouden [1, 192]. Ten zuiden van de bruggen werd een sectie van 12MC belast met deze pikettaak [195], en zo’n 250 meter zuid van de verkeersbrug bij de weg geposteerd. Deze maatregelen dienden dagelijks gedurende de periode van 0330 – 0800 uur van kracht te zijn.

Toen op 9 mei de hoge staat van paraatheid weer werd gematigd, bleven voornoemde maatregelen voor beveiliging van de hoofdwegen van kracht. Onduidelijk is of dat op bevel van de C-VH geschiedde of op initiatief van de Groepscommandant. De luitenant-adjudant de Vries schouwde op die dag zelf de genomen maatregelen tegen vijandelijke vliegtuigen,

en verkende vervolgens opstellingsplaatsen voor waarnemingsposten die zich moesten inspannen alle in het gebied gelande vliegtuigen te melden. Of er een correlatie tussen het bezoek van de OLZ op 6 mei en de vele extra maatregelen bestond, komt niet helder uit de bronnen naar voren, maar de suggestie gaat er wel vanuit. De extra wegbeveiligingen bleven ondanks de intrekking van de status van 7 mei immers intact, en er werden initiatieven ontwikkeld om versterking van het Bruggenhoofd Moerdijk voor te bereiden. Het heeft er alleszins de schijn van dat de OLZ en zijn staf op 6 mei ingezien hebben dat de deur naar het zuidfront bepaald niet potdicht zat en dat men duurzame maatregelen ter verbetering wenste.

De op 9 mei geïnitieerde instructie aan het Veldleger dat in de loop van de nacht van 10 mei de hoogste graad van strijdvaardigheid zou moeten intreden, was door de C-VH niet aan de beide Groepscommandanten in Vesting Holland doorgegeven [1, 7, 192]. Hij achtte het zuidfront niet direct bedreigd en wilde kennelijk de manschappen aldaar maximale nachtrust bieden. Zodoende was in het Bruggenhoofd Moerdijk sprake van ‘normale’ strijdvaardigheid. Dat hield in dat er geen bijzonder maatregelen van beveiliging waren genomen. Daarbij was een uitzondering – zoals al zoeven genoemd – dat de plaatsing van zware mitrailleurs op de wegen en de wachtpiketten [bij de bruggen en in Zevenbergsche Hoek] bleven bestaan. Bovendien waren de batterijen luchtdoelartillerie wél in hoogste staat van paraatheid [8, 303], daar dit voor de luchtafweer vanwege neutraliteitshandhaving verordonneerd was.

De dislocatie der onderdelen binnen het bruggenhoofd was in de nacht van 9 op 10 mei 1940 als volgt:

Onderdeel/functie

Naam (commandant)

Dislocatie 10 mei 0400 uur

 

 

 

Commandant Bruggenhoofd

Res Kapt J. Marijnen

Bureau Steenweg, Moerdijk

Telefoonwacht 10 mei

Res Kapt A. Adriaansen*

Bureau Steenweg, Moerdijk

C-3-III-28RI

Res Kapt W. van Ingen

CP station Lage Zwaluwe

1-3-III-28RI

Res 1e Luit B. van Boxtel

Boerderij Lochtenburg, zuidwest hoek

2-3-III-28RI

Res 2e Luit P. de Jong

Hoeve Versluis, Bredasche Weg, zuidhoek

3-3-III-28RI

Vnd C. de Weerd

Westzijde dorp, Lage Zwaluwe

4-3-III-28RI

Sgt P. Zonneveld

Tegenover station Lage Zwaluwe

C-12MC

Res Kapt N. Muller

CP station Lage Zwaluwe

1-12MC

Sgt H. Voskuilen

Boerderij Lochtenburg, zuidwest hoek

2-12MC

Sgt Laarakker

Boerderij Quanjerhoeve, westhoek

3-12MC

Res Kapt A. Adriaansen*

Boerderij Versluis, bij CP Bruggenhoofd

4-12MC

Res 1e Luit J. Broekman

Op verkeersweg, 250 m zuid van brug

Sie 28 Bt 6-veld

Res 1e Luit F. de Jager

Bredasche Weg, 500 m zuid van dorp

VED Veer 2C

Res Kapt G. Janssen

Haven Moerdijk

19 Bt LuA

Res 1e Luit E. Faber

Noordoostzijde dorp Moerdijk, aan de dijk

82 Pel LuMi

Sgt Stradman

Oost van verkeersweg, 200 m van verkeersbrug

82 Pel LuMi

Res 1e luit. S. Reitsma**

Oost van spoorbaan, 100 m van dijk

Kantonnenmentswacht

Groepscommandant 3-3-III-28RI

Noordzijde Zevenbergsche Hoek aan spoor

* Res Kapitein Adriaansen was in april 1940 bevorderd. Hij zou een eigen commando krijgen, maar was in afwachting daarvan commandant rechter groep, waaronder vielen 1-3-III-28RI en 1e en 2e sectie 12MC. Tot voor zijn bevordering was hij sectiecommandant geweest van de 3e sectie en plv.c.12MC.

* *Tevens commandant luchtverdedigingspunt Willemsdorp.

Duits aanvalsplan [*][*] Aanvulling of wijziging op 18 december 2009 op basis van de in november 2009 verkregen copy van het bataljonsverslag van II./FJR1, inclusief Erfahrungsbericht, bron no. 464.


Een buitengewone deugd (voor de onderzoeker) is het dat van II./FJR1 een uitgebreide bataljonsrapportage is gevonden [464], die heel duidelijk schetst hoe het aanvalsplan tot op compagniesniveau tot ontwikkeling diende te komen. Daarom kan een helder beeld worden gegeven aan de lezer over de Duitse plannen.

[464] De Duitse overval op de sector rond de Moerdijkbruggen zou worden uitgevoerd door II./FJR.1, onder commando van de Hauptmann Fritz Prager. Het bataljon bestond uit de 5e, 6e, 7e en 8e Kompanie, waarvan de laatste de zware wapenscompagnie was. Uit het bataljonsverslag blijkt dat de vier 8 cm mortieren achter bleven in Duitsland, omdat de BC het noodzakelijk achtte dat aan beide kanten van de bruggen twee Jägerkompanies zouden opereren. De vier mortiergroepen zouden dus als reguliere Jäger worden ingezet.

[464] Ten noorden van de bruggen werden de twee laagste compagnieën afgezet, ten zuiden van de bruggen de beide andere compagnieën en de bataljonsstaf met verbindingspeloton. De exacte landingslocaties waren voor 5e Kompanie ten noorden van de verkeersbrug (noord van de bebouwing van Willemsdorp) en voor de 6e Kompanie in de velden ten oosten van de spoorbaan. Voor het zuidelijke inzetgebied gold dat de 7e Kompanie onder de beide landhoofden der bruggen zou worden afgezet en de 8e Kompanie verdeeld over een landingsterrein ten oosten van de spoorbaan en ten westen van de verkeersweg (ofwel oost van het dorp Moerdijk). De bataljonsstaf en verbindingseenheid [min de Trupps die bij de compagnieën waren ingedeeld] werden even ten zuiden van de 7e Kompanie geprojecteerd.

[464] Hoofddoel was de verkeersbrug. De 5e Kompanie zou deze vanuit het noorden benaderen, de 7e Kompanie met twee pelotons vanuit het zuiden. Aangezien alle vier de Kompanies een speciale Pioniersstosstrupp van enkele manschappen hadden, zouden die de technische aangelegenheden behartigen, zoals het eventueel opblazen of verwijderen van brugversperringen en het onschadelijk maken van de ontsteking en lading. Bij de 5e Kompanie lag terzake de taak om de verkeersbrug kazemat zo spoedig mogelijk uit te schakelen, omdat daar de ontstekingskast van de bruglading werd vermoed. Beide Kompanies moesten uiteraard in eerste instantie met de directe verdediging rondom de bruggen afrekenen.

[464] Het subsidiaire hoofddoel was de spoorbrug. Deze zou vanuit het noorden door de 6e Kompanie worden ingenomen, waarbij men de brugkazemat én de brugladingen tot doel had. Vanuit het zuiden zou de resterende Zug van de 7e Kompanie de brug bestormen.

[464] De 8e Kompanie had als enige een taak die de bruggen in het geheel niet betrof. Zij zouden met twee pelotons de weerstandnesten rond het zuidelijke landhoofd (inclusief station) zuiveren en deze bezetten en ter verdediging inrichten. Eén der pelotons, ingezet als normale Jäger zoals al gezegd, had tot taak om zich tegen het dorp Moerdijk teweer te stellen, zodat vanuit het dorp geen tegenacties richting bruggen zouden kunnen worden ondernomen. De bataljonscommandopost zou onder de verkeersbrug worden opgezet.

[464] Nadat de hoofdoelen bereikt zouden zijn, zou het zwaartepunt van de verdediging van het bereikte bruggenhoofd in het zuiden komen te liggen. Direct na het zekeren van de bruggen tegen vernieling, zou de 7e Kompanie zich samen met de reeds tegen Moerdijk aanliggende Zug van 8./FJR1 inspannen het dorp van Nederlandse eenheden te zuiveren. Vervolgens zouden zij de sector van verkeersweg tot en met het dorp ter verdediging inrichten. De beide pelotons van 8.Kp zouden de centrale as van het bruggenhoofd afsluiten, zoals zij reeds in eerste fase deden, maar in de tweede fase een vooruitgeschoven positie innemen. De 6e Kompanie zou de linkerzijde van het bruggenhoofd - van spoorbaan in een boog tot aan het Hollands Diep - bezetten. De bataljonscommandopost zou in een gunstige positie in het hart van het bruggenhoofd komen (c.q. blijven). Alleen de 5e Kompanie zou ten noorden van de bruggen de verdediging van dat deel van het bruggenhoofd voor haar rekening nemen.
 

0400 - 0450 uur: dorp Moerdijk

Het was rond 0400-0415 uur dat Duitse verkenners zich boven het Bruggenhoofd vertoonden, waarop 19.Bt LuA direct actief werd [303]. Rond 0430 kwamen de eerste aanvalsvliegtuigen, daarna een groter verband bommenwerpers en jagers, vrij spoedig gevolgd door de hele vloot Ju-52 die weer door jagers werd geëscorteerd.

Enkele bommenwerpers die ruim voor de transportvloot uit waren gevlogen namen diverse doelen onder handen. De eerste bommen vielen rond het barakkenkamp en de vlakbij gelegen batterij Vickers 7.5 tl no.1 in Moerdijk [100c, 303]. Ook rondom Zevenbergsche Hoek en Lage Zwaluwe werden de stellingen van de eenheden – die nog in hun kwartieren elders lagen – met enkele bommen bestookt [100c, 195]. Bovendien vielen de Luftwaffe bommenwerpers de pelotons luchtdoelmitrailleurs bij de bruggen aan [305]. Jagers bestookten ondertussen alles wat ze zagen lopen of rennen op de grond en mitrailleerden met enfilerend vuur alle loopgraven die ze konden onderscheiden. 

Stafkaartdeel dorp Moerdijk

De details van de stafkaart geven vrij duidelijk aan waar zich de diverse locaties in het dorp bevonden waar gebeurtenissen zouden plaatsvinden.

Het station bestond niet meer in 1939. Op de fundamenten ervan was het barakkenkamp voor 19 Bt LuA gebouwd en de stukken waren op het oude trace geplaatst.

De kaart geeft al aan dat de verkeersbrug [anno 1933] en de rijksweg nog niet af waren. Die zouden in 1936 in gebruik worden genomen.

De haven van Moerdijk is vandaag de dag een stuk minder landinwaarts gestoken. De weg langs de dijk bestaat echter nog steeds. Het met RK aangegeven punt was in 1940 een prachtig groot klooster, dat door de Duitsers nog op 10 mei gevorderd zou worden en waar alle burgers geinterneerd werden, en gewonden verzorgd. Het werd tijdens de oorlog verwoest, trouwens net als het grootste deel van het oude dorpje. Het gemaal is heden nog steeds op dezelfde locatie te vinden.

De 19e Batterij Luchtdoel Artillerie had de beschikking over drie stukken Vickers van 7,5 cm, waarvan echter het tweede stuk al een eerder gerapporteerde storing in de elektrische overbrenging vertoonde [303]. Het was daarom niet vuurgereed. De beide in de batterij aanwezige Spandau mitrailleurs voor bescherming tegen laag vliegende toestellen waren niet opgesteld omdat er nog geen munitie voorhanden was en de hoge affuiten ontbraken [303]. De batterij had een aantal stagiaires in de gelederen, en was daarom goed voorzien van (aspirant)officieren. Maar liefst twee vaandrigs [van Dalfsen, jhr. Vegelin van Claerbergen) had men in de bezetting naast de batterijcommandant, de 1e luitenant Faber en plaatsvervangend commandant, de 1e luitenant Van Teeckelenburgh. Daarnaast 99 minderen [8]. De batterijbezetting was uitgerust met karabijnen met ieder twee 5-schots clips op de man. De stukken waren opgesteld op korte afstand van het barakkenkamp, waarin de batterijmanschappen hun kwartier hadden. Dat kamp was gebouwd op de fundamenten van het oude station, aan de noordoostzijde van het dorp. De opstellingsplaats van de stukken was achter de dijk, zuidoost van de kruising Steenweg – Zwaluwsche Dijk, op het oude spoortalud. Dit was vlakbij de Havenkant die naar het haventje van Moerdijk leidde, en ook dichtbij het gemaal Schuddebeurs dat voor de inundatiestelling van belang was. 

Rond 0400-0415 verscheen een eerste hoogvliegende verkenner boven het Bruggenhoofd, welke direct door de batterij onder vuur werd genomen. Het betrof hier vrijwel zeker een staftoestel van KG4 [van de taskforce Gruppe Putzier] die de bombardementen rond het zuidfront op zich zou nemen. Spoedig volgden de eerste aanvalsvliegtuigen die de instructie hadden de luchtafweer, stellingen en de legeringen te bombarderen en mitrailleren [59, 500]. De batterij stond tijdens de parate nachtbezetting onder commando van vaandrig (jhr.) Vegeling van Claerenbergen. Hoewel de batterij conform centrale instructie in hoogste graad van gevechtsgereedheid was, waren zowel de batterijcommandant als zijn plaatsvervanger in hun kwartier aan de Steenweg – hetgeen apert tegen de geldende instructies was [8]. De commandant had kennelijk in de aanwezigheid van de beide aspirant-officieren een kans gezien om de batterijofficieren meer rust te gunnen, in plaats van aan beide luitenants een stagiair te koppelen die de dienst van de dienstdoende batterijofficier lerendewijs meeliep.

Toen na 0430 uur de eerste aanvalsvliegtuigen boven het bruggenhoofd verschenen, waren de luchtafweerstellingen de eerste doelwitten die gezocht werden. De batterij was niet beschermd en niet ingegraven omdat de opstelling ervan een neutraliteitsopstelling was. Het tweede stuk [in de batterij opstelling werden de stukken genummerd hetgeen voor geleid vuur essentieel was] had een storing die veroorzaakt werd door slecht contact in de sleepringen die voor verbinding met de kaarthoekklok vanuit de vuurleiding zorgden. Zodoende kon het stuk niet geleid vuren, en was als daarom niet in gebruik. Na enkele salvo’s kreeg bovendien het eerste stuk een vastloper. Zodoende bleef slechts het derde stuk over.[303]

Moerdijk

Moerdijk anno 2007, op de locatie waar het barakkenkamp lag, met vlakbij [rechts buiten beeld] de batterij 7.5 tl. De afstand tot de bruggen is zichtbaar klein. Aan de rechterzijde ook het gemaal bij Moerdijk dat een rol had in de voorgenomen inundatie van het gebied. De Duitsers zouden later op de ochtend onder andere via deze dijk de mannen bij de haven insluiten.

19.Bt LuA werd als eerste doelwit in de sector aangevallen door een Ju-88 (¹), die de batterij in duikvlucht bombardeerde. Twee bommen vielen midden in de batterij en schakelden door kabelbreuk de vuurleiding uit. De batterijmanschappen vlogen in blinde paniek uit elkaar, en het kostte de vaandrig de nodige moeite een ieder weer in het gareel te krijgen. Gewonden liet hij direct afvoeren naar het barakkenkamp. Met getrokken revolver herstelde hij de tucht.[303]

(¹) Het is een aanname van auteur dat dit vermoedelijk een Ju-88 betrof. In principe waren het de Ju-88 bij III/KG4 die primair waren geïnstrueerd met duikaanvallen de luchtafweer uit te schakelen. Hoewel vaak van Stuka [een term die in de regel met een Ju-87 wordt verbonden] werd gesproken in verslagen, was er slechts één Gruppe Stuka’s actief boven Nederland op 10 mei [IV/LG1] en die had vooral taken op te treden in de regio Rotterdam. Zij waren niet verbonden aan de Gruppe Putzier die was bedoeld om de luchtlandingen direct te ondersteunen. Bovendien wordt in verslagen telkens gesproken van het lossen van twee bommen per duikaanval, hetgeen voor een Ju-87 hoogst ongebruikelijk was. Het markante gehuil van de cyclonen in de landingsgestellen van de Ju-87 wordt ook in geen enkel verslag gemeld. Alles bij elkaar duidt het niet op een Ju-87, maar meer op een Ju-88 aanval. Het is echter niet uit te sluiten dat het desondanks wél een Ju-87 was.

[303] Vlak na deze gebeurtenis arriveerden de beide luitenants per fiets in de batterij, en 1e luitenant Faber nam direct het bevel van de vaandrig over. Hij nam persoonlijk het stukscommando van het laatste werkende stuk, dat nu slechts ongeleid stukkenvuur kon geven. Dat vuur was alleen voor het moreel van belang, want met tijdontstoken granaten was er zonder vuurleiding slechts een zuiver theoretische trefkans. Toen vervolgens een tweede bomaanval op de batterij werd ondergaan, met een serie van zes 50 kg bommen, was de koek op . Luitenant Faber was bij deze aanval zelf door een scherf gewond geraakt. Plaatsvervangend commandant (res.) 1e luitenant van Teeckelenburgh nam het effectief commando over, en liet na afstemming met luitenant Faber de batterij onmiddellijk evacueren toen hij de inmiddels landende parachutisten waarnam. Men zou zich vanuit het barakkenkamp verder verdedigen. Het derde stuk werd onklaar gemaakt door de slagpin uit te nemen. Het ontbrak de batterij aan een lang aftrekkoord om de stukken met een granaat te doen exploderen. Bovendien stond het defecte tweede stuk nog onder dekzeilen en was het eerste stuk wegens de vastloper op geen enkele manier middels de klassieke methode te vernielen. Luitenant van Teeckelenburgh schoot wel twee revolvermagazijnen leeg in de vuurleiding, zodat deze duurzaam vernietigd leek. Ook werd de hoogtemeter met enkele karabijnschoten onklaar gemaakt. Hierop werd de batterij geëvacueerd en trokken de laatst overgebleven manschappen richting barakkenkamp, waar de rustploeg [die de dagploeg was voor de 10e mei] onder leiding van vaandrig van Dalfsen al met de karabijn op de

overvliegende vijand had geschoten. De schaarse munitie op de man – drie karabijnmagazijnen – was zo goed als verschoten. De kist met karabijnmunitie die in het kamp nog voorhanden was kreeg men in de opwinding niet open, mede omdat de schroeven verroest waren. Het paste allemaal in een plaatje van een onderdeel dat op geen enkel punt gereed en paraat was voor oorlog …

Daarmee was ten zuiden van Moerdijk een vroegtijdig einde gekomen aan de luchtdoelartillerie.

[100c] De Bruggenhoofdcommandant, de kapitein Marijnen [oorspronkelijk C.11MC], werd gewekt door de eerste schoten van 19 Bt. LuA die gericht waren op een Duitse verkenner boven het Bruggenhoofd. Marijnen achtte het niet direct noodzakelijk zich aan te kleden, omdat het wellicht een routinematige neutraliteitshandhaving betrof. Pas toen minuten later het eerste grote eskader aanvalsvliegtuigen verscheen, besloot hij zich onmiddellijk van zijn kwartier naar zijn bureau aan de Steenweg [no. 44] te begeven. Dit was gelegen aan de zuidoostzijde van het dorp, een paar honderd meter van de KMAR kazerne aan de Steenweg. Onderweg nam de kapitein de landing waar van parachutisten in het gebied tussen de landhoofden en het dorp, alsmede ter hoogte van Lage Zwaluwe.

[100c, 195] Op het hoofdkwartier had de plv.C van 12MC, de reserve kapitein A. Adriaansen, telefoonwacht (²) en deze was dus ter plaatste om de eerste berichten te ontvangen en eventueel te kunnen verzenden. Het Bruggenhoofd was via Moerdijk verbonden met het hoofdkwartier van Vak Wieldrecht bij Amstelwijck, dat op zijn beurt middels de PTT grondkabels en een zinker verbonden was met de Groep Kil. Bij aankomst op zijn hoofdkwartier constateerde Marijnen dat er door Adriaansen nog geen telefonische contact met de Groep Kil was gemaakt, en benadrukte dat dit essentieel was. Via Amstelwijck kon tenslotte contact gemaakt worden met Groep Kil en werd rapport gemaakt van de Duitse activiteiten binnen het Bruggenhoofd. Er werd geantwoord dat stand moest worden gehouden.

(²) Reserve Kapitein Adriaansen was sectiecommandant bij 12MC en commandant van het rechter gedeelte van het Bruggenhoofd bij de Rode Vaart. Wegens deze telefoonwachtdienst tijdens de landing dus niet op zijn eigen post. Hij was vlak voor de meidagen bevorderd en stond op de nominatie om MC commandant te worden bij een ander onderdeel.

Terwijl men telefonisch rapport maakte van de gebeurtenissen, meldde de vlakbij de Haven ingekwartierde 1e luitenant F.P. de Jager van de sectie 6-veld zich bij de Bruggenhoofdcommandant en verzocht om instructies [100c, 130]. Deze werd te verstaan gegeven dat hij zich werkzaam moest maken ‘waar hij dat nog kon’. Ondertussen besloot Marijnen dat het zaak was zijn geheime stukken direct te verbranden, en zulks geschiedde. Daaronder waren instructies van 9 mei voor de commandant van 6.GB en geheime telefoonlijsten [1]. In de kachel op het bureau werden ze tot as verstookt.

[100c] Na deze eerste spoedmaatregelen besloot Marijnen dat het wijs zou zijn zich naar zijn Bruggenhoofdcommandopost bij de Hoeve Versluis aan de Bredasche Weg te begeven, zo’n 1,500 m zuid van het dorp Moerdijk. Zijn sergeant-toegevoegd en hij begaven zich per fiets langs de Steenweg en Bredasche Weg richting het zuiden. Aan het einde van de Steenweg, in open terrein, werden beiden direct in dekking gedwongen door een mitraillerende Messerschmitt jager. Terwijl de kapitein in de berm dekking zocht, nam hij een massale dropping van parachutisten waar ten noorden van de Moerdijkbruggen. Hierop besloot de kapitein dat dit direct aan de Groep Kil gemeld moest worden, en keerde terug naar zijn hoofdkwartier. Kennelijk achtte hij het niet zinvol zijn sergeant-toegevoegd deze missie op te dragen en zelf zijn weg naar de CP te vervolgen.

Opnieuw bij zijn bureau aangekomen maakte hij melding aan de commandant Groep Kil wat hij had waargenomen.

[171] De groep pontonniers van veerdienst 2C – onderdeel van de veerdienst Hollands Diep [VED Hollands Diep] die gevormd werd door veer 2C te Moerdijk en veer 1B te Willemsdorp – werd gealarmeerd door haar eigen wachtpiket bij de schepen. De manschappen hadden een onderkomen in het gevorderde schip ‘Mathilde’ dat in het haventje lag. De gewekte veercommandant [sergeant der pontonniers D. Visser] trommelde de pontonniers direct op. De commandant van de veerdienst was de reserve kapitein der pontonniers G.M. Jansen, die in Hotel van Kinderen in het dorp zijn kwartier had. Hij begaf zich onverwijld naar de haven toen de eerste salvo’s van de luchtdoelbatterij hem ter oren waren gekomen. De sergeant Visser had onderwijl de manschappen uit laten rusten met rantsoenen, wapens en munitie.

[171] De kapitein instrueerde sergeant Visser de manschappen aan de wal te brengen en een beveiligde perimeter uit te zetten. Hierop posteerde de sergeant enkele manschappen bij de (twee) uitgangen van de haven waarbij de enige beschikbare lichte mitrailleur werd ingedeeld, en de rest achter de havenloodsen. Met bouw- en slooppuin in de haven liet Visser weringen maken. De grotere schepen [woonark ‘Mathilda’, motorboot ‘Amazon’, de ‘Jan’, de ‘Johan’ en de sleepboot ‘Bona Spess II’(4)], de stoompont [‘Dordrecht’] en de vlotten waarover men beschikte werden ondertussen door personeel van de veerdienst vaargereed gemaakt, zodat onmiddellijk vertrokken kon worden indien dit gewenst was.

(4) De Bona Spess II, een sleepboot, komt later nog prominent terug bij de gebeurtenissen op de Oude Maas bij Barendrecht. Deze sleepboot bestaat heden nog altijd.

Bijzonder genoeg waren het de niet-gevechtstroepen van de maritieme genie die zich het best voorbereiden van alle onderdelen binnen het Bruggenhoofd. Spoedig zou blijken dat die degelijke voorbereiding gevolgd zou worden door bijpassende onverzettelijkheid.

0400 – 0450 uur bij de bruggen

[305] Vlak ten zuiden van de landhoofden stonden de twee pelotons luchtdoelmitrailleurs. Beide pelotons hadden de vier beschikbare M.25 Spandau mitrailleurs opgesteld in putten met een aarden walletje rond de opstelling. Daarmee was enige bescherming tegen scherfwerking van bommen geboden voor de bediening. Beide pelotons hadden een dubbele bedieningsbezetting [van tweemaal acht man] voor de stukken plus een onderofficier als commandant. Bij 83 Pel LuMi waren echter 19 in plaats van 17 man aanwezig.

Moerdijkbruggen

Voor de PK-film van de reconstructie van 10 mei 1940, moest de heldhaftigheid van de Duitse parachutisten bij de verovering van de Moerdijkbruggen worden versterkt met enkele blokjes trotyl. In werkelijkheid heeft Nederlandse artillerie wel geprobeerd om de Duitsers schade toe te brengen vanuit de Hoekse Waard. Dus het beeld is authentiek..... (PK-foto)

 [305] Circa 250 meter ten zuidoosten van de verkeersbrug stond 82 Pel LuMi in stelling onder leiding van de sergeant Stradman. Toen rond 0400-0415 uur het vuurbevel werd gegeven wegens laag overkomende vijandelijke toestellen bleek slechts een van de vier mitrailleurs probleemloos te werken. De andere drie wapens haperden aanzienlijk. Vrijwel tegelijkertijd met het nabij gelegen 83 Pel LuMi werd de opstelling van 82 Pel LuMi door een bommenwerper aangevallen. Enkele 50 kg bommen explodeerden rondom de opstelling. Geen schade werd aangericht, maar de schrik sloeg in de benen. Omdat de andere stukken slecht werkten besloot de pelotonscommandant om alleen het goedwerkende stuk bediend te laten en de overige manschappen achter de dijk in dekking te laten gaan. Naast de opstelling landde een groep van ca. 12 man onder Oberjäger Michel van het eerste peloton van 7./FJR1 [458]. Toen de parachutisten even ten zuiden van de opstelling geland waren, en zich waarneembaar richting opstelling van het peloton begonnen te verplaatsen, was het pleit echter snel beslecht. Tijdens de korte strijd sneuvelde niemand. Desondanks sneuvelden later op de morgen twee man van het peloton [31]. De korporaal Abrahams kwam om tijdens een artilleriebeschieting door (vermoedelijk) 25AA op het inmiddels door de Duitsers bezette barakkenkamp in Willemsdorp, waar ook vele krijgsgevangenen waren ondergebracht. Soldaat Verheul sneuvelde tijdens het krijgsgevangenentransport vanuit Moerdijk naar Willemsdorp. Door Nederlands artillerievuur werd hij dodelijk getroffen op het noordelijke landhoofd.

Cord Tietjen
Leutnant Cord Tietjen (op de foto in de rang van Oberleutnant) kreeg het Ritterkreuz voor zijn moedige optreden als Zugführer in 7./FJR1, dat bij Willemsdorp de strijd begon.
In 1943 werd hij in Tunesië gevangen genomen en verdween naar de VS als krijgsgevangenen. Hij bleef daar na de oorlog, werd civiel ingenieur en keerde in de jaren zestig naar Duitsland terug. Hij overleed in 2005.

 

[305] Oost van het spoor en direct aan de dijk stond 83 Pel LuMi opgesteld. Toen op de eerste laagvliegende toestellen werd gevuurd, bleek ook hier dat het materieel weinig betrouwbaar was. Slechts één Spandau werkte naar behoren, een tweede haperde en de andere twee stukken werkten in het geheel niet. De storingen konden niet worden opgelost, zodat de vuurkracht direct gehalveerd was. Vaandrig van Mourik – toegevoegd aan de commandant van het Luchtverdedigingspunt Willemsdorp [reserve 1e luitenant S. Reitsma], die puur toevallig in de stelling was – reed ondertussen richting Willemsdorp om extra karabijnmunitie te halen. Kans om terug te keren zou hij niet krijgen. De manschappen bleven zodoende slechts met twee clips karabijnpatronen per man uitgerust en dat zou spoedig te weinig blijken.

[305] Zonder zichtbare uitwerking werd inmiddels vanaf 0415 uur op de laagvliegende toestellen gevuurd tot dat rond 0445 uur een bombardement op de opstelling werd ondergaan waarbij een 50 kg bom op slechts enkele meters van de opstelling viel. Hoewel geen slachtoffers vielen, waren de twee werkende mitrailleurs vernield. Vlak na dit voorval [tussen 0450-0500] lieten drie Ju-52 hun parachutisten [2e Zug 7./FJR1] uit vlak boven het peloton [305, 458], waarop de pelotonscommandant direct de manschappen richting dijk dirigeerde voor de verdediging met een gedekte rugzijde. De spoedig opdringende Duitsers [Zug van Leutnant Lehmann][458] overmeesterden de manschappen echter nadat de schaarse munitie was verschoten. Het peloton had geen slachtoffers te betreuren. Later die dag zou echter de soldaat G.L. Wolf van het peloton omkomen [31]. Hij raakte dodelijk gewond in krijgsgevangenschap in het barakkenkamp Willemsdorp door artillerievuur van (vermoedelijk) 25AA uit de Hoekse Waard. Tijdens transport naar een verbandplaats in Tweede Tol overleed hij. 

Moerdijkbruggen

Dit was het beeld direct na de landing op 10 mei 1940 van Duitse parachutisten ten zuiden van de Moerdijkbruggen. In de achtergrond zijn links de verkeersbrug en rechts de bogen van de spoorbrug herkenbaar. Deze PK-foto is niet in de meidagen gemaakt, maar bij latere filmopnamen. De PropagandaKompanie (KP) maakte een gefilmde reconstructie van de verovering van de Moerdijkbruggen.

 [305] Even ten zuiden van de opstelling van 82 Pel LuMi stond een sectie zware mitrailleurs als paraat piket naast de rijksweg opgesteld. Tot 9 mei was deze taak aan de 3e sectie toebedeeld geweest, maar op de 9e was besloten door de C-12MC dat de 4e sectie deze taak zou uitvoeren [195]. De sectie was met drie ongedekt opgestelde M.18 machinegeweren aan weerszijde van de weg gepositioneerd. Toen de bommenwerpers en jagers op de posities in het Bruggenhoofd neerdoken, waren de manschappen in dekking gegaan, en dus op geruime afstand van de stukken. Voordat zij zich weer bij de stukken hadden kunnen begeven, waren deze door de eerste Duitse parachutisten – die bijna bovenop de positie landden – al ingenomen, en besloot 1e luitenant Broekman onmiddellijk tot de overgave. Dat gebeurde rond 0415-0425 uur.

[458] Ook de piketten bij de brug zelf waren kansloos tegen de overmacht van vele tientallen goed bewapende parachutisten die direct na hun landing en bewapening de sector rond de brug professioneel van weerstand zuiverden. Bij de verkeersbrug trad een deel van het eerste peloton van 7./FJR1 onder Oberjäger Michel direct op tegen de paar wachten bij het stenen gebouw dat als wachtlokaal fungeerde. Deze gaf zich direct over, en hierop doorzochten de Duitsers het gebouw op slagsnoeren, die uiteraard niet gevonden werden. Manschappen van het eerste peloton onder Leutnant Tietjen drongen daarop voorwaarts over de brug. Deze eenheid, met enkele pioniers in haar midden, had als taak de ladingen onschadelijk te maken. Deze eenheid zou verliezen lijden bij haar voorwaartse beweging, maar dit wordt bij Willemsdorp nader besproken.

[458] Bij de spoorbrug was het tweede peloton [Leutnant Lehmann] direct betrokken bij de overrompeling van de wacht aldaar, die zich vrijwel onmiddellijk gewonnen gaf. Een groep onder Oberjäger Gajewski – dezelfde die 83 Pel LuMi had uitgeschakeld – drong onmiddellijk hierna op via de spoorbrug. Deze groep werd daarbij sterk gehinderd door zwaar mitrailleurvuur vanuit de noordelijke kazemat bij de verkeersbrug, maar halverwege de spoorbrug was dat vuur niet langer mogelijk daar het uiterste (linker) bereik van dat  wapenpunt was bereikt.

Hierop drong men verder voorwaarts en kwam ter hoogte van de pier – op tweederde van de brug vanuit zuidelijke richting – in contact met manschappen van 6./FJR1 die noordelijk van de brug het landhoofd inmiddels hadden ingenomen.

Rond 0515 uur waren de bruggen zelf geheel vrij van Nederlanders en hergroepeerden de Duitse parachutisten zich - met uitzondering van de taakgerichte groepen op de bruggen zelf - rond het zuidelijk landhoofd [458]. 

0450 - 0500 uur de luchtlanding

 

Moerdijk luchtlandingen

De Duitse luchtlandingsterreinen in rood aangegeven [Kaartfragment Stafwerk]

Tussen 0450 en 0500 kwam de grote golf Ju-52 [volgens sommige tellingen 21 stuks] [100c] transporttoestellen over het bruggenhoofd, en dropte twee compagnieën parachutisten [7 en 8/FJR1] midden in het bruggenhoofd, achter de buitenverdediging. Er waren drie concentraties waar te nemen. Eén ten westen van Lage Zwaluwe precies ten zuiden van beide bruggen, één kleine ten zuidoosten van het het dorp Moerdijk en de grootste concentratie tussen de verkeersbrug en het dorp Moerdijk. De gelande Duitse sterkte was rond de 250 man sterk [458], mogelijk nog iets minder. De Duitsers concentreerde zich snel en verdeelden zich daarna in eerste instantie in twee groepen. 7./FJR1 trok offensief richting landhoofden, en 8./FJR1 beveiligde richting het dorp Moerdijk en Lage Zwaluwe [458]. Nadat de bruggen vrij van verdedigers gemaakt zouden zijn, zou een derde aanvalsgroep richting Station Lage Zwaluwe trekken en zou een deel van 7./FJR1 bij de aanval op Moerdijk assisteren [458]

Click here for a larger picture

luchtfoto Moerdijk meidagen 

[Het voortbestaan van het gehele Bruggenhoofd was al direct na de Duitse landing in groot gevaar. De in de kwartieren gewekte manschappen verzamelden zich zo goed en zo kwaad dat ging, en onder leiding van de aanwezige officieren werd aan alle kanten geïmproviseerd. Door de landingen van de parachutisten midden in het bruggenhoofd, was het verdedigingsplan direct failliet. Alle stellingen waren gebouwd met de doctrine in het achterhoofd dat er buitenwaarts verdedigd zou worden. Bovendien waren artillerie ondersteuningen voorbereid op afsluitingsvuren buiten de Bruggenhoofd perimeter. Richting hart van het Bruggenhoofd – waar nu juist alle parachutisten waren geland – was nauwelijks gedekte vuurpositie mogelijk. Bovendien waren er wegens het ontbreken van de hoogste graad van strijdvaardigheid, met uitzondering van de manschappen van de 4e sectie 12MC alsmede enkele piketten bij de bruggen en bij het station te Lage Zwaluwe, geen troepen paraat in de stelling. [100c, 195]

De strijd zou vanwege de landingen binnen de perimeter een sterk excentrisch patroon volgen. Daarom wordt per sector en per tijdseenheid de ontwikkeling gevolgd zodat een ruimtelijk en chronologisch beeld ontstaat.

0400 – 0530 uur rechter deel Bruggenhoofd

[100c, 195] Het rechterdeel van de stelling werd gewekt door de eerste schoten van de luchtafweer en de detonerende bommen. In dit gedeelte van het Bruggenhoofd waren twee secties van 12MC geplaatst die de open vlakte en toegangswegen richting Zevenbergen [het zuidwest front] dekten. De 1e sectie had kwartier in hoeve de Lochtenburg, west in het bruggenhoofd tegenover de Losekaatspolder. De 2e sectie had kwartier bij de Quanjerhoeve in de zuidwest hoek van het bruggenhoofd langs de Lapdijk. Daarnaast was de 1e sectie van 3-III-28RI [1e luitenant W. Haars] – ook ingekwartierd in Hoeve Lochtenburg – bedoeld om de infanteriestellingen langs de westzijde van het bruggenhoofd te bezetten.                                                                                            [195] Ook in deze sector zochten de Luftwaffe roofvogels naar prooi. Enkel bommen werden afgeworpen op de stellingen van de eerste sectie MC, maar deze bommen ontploften niet, vermoedelijk omdat zij te laag waren afgeworpen. En hoewel de stellingen eveneens werden gemitrailleerd, was er geen sprake van slachtoffers of schade, omdat de manschappen nog bij de kwartieren waren tijdens deze eerste aanvalsgolf.

0400 – 0530 uur linker deel Bruggenhoofd

[100c, 195] In het dorp Lage Zwaluwe (5) werd de 3e sectie van 3-III-28RI – de enige bezetting die op deze locatie nog aanwezig was – gewekt door de eerste oorlogshandelingen. In deze sector werden eveneens rond 0400 uur enkele onbezette stellingen aan de oostzijde van de Schuddebeurspolder gebombardeerd en gemitrailleerd.

(5) Het dorp Lage Zwaluwe lag circa 3 km oostelijk van de spoorbrug aan het Hollands Diep. Het station met de naam Lage Zwaluwe lag niet bij het dorp, maar lag circa 2 km ten zuiden van de spoorbrug.

In de westrand van het dorp bevond zich, wegens ontstentenis van de (4e) sectie Vickers zware machinegeweren, alleen de kleine 3e sectie van de infanteriecompagnie. Deze sectie had een geweergroep afgestaan voor de stationswacht, en had dus slechts twee lichte mitrailleurgroepen over. Tezamen zo’n 25 man. De sectiecommandant was echter geheel ongewis van de afwezigheid van de 4e sectie 12MC, die daags ervoor de rol van MC piket op de rijksweg had opgedragen gekregen. Het toont aan dat het schortte aan duidelijk beleid en afstemming, daar de commandant van 12 MC op 9 mei zelfstandig had besloten niet de 3e maar de 4e sectie van zijn MC aan te wijzen voor de pikettaak. Kennelijk zonder enig overleg met de in de sector gelegen infanterie.

De infanteriesectie was een paar honderd meter van haar stellingen aan het oostfront van het Bruggenhoofd gekwartierd. Nadat de sectie rond 0500 uur [het zal er even na zijn geweest] voor het kwartier was verzameld door commandant vaandrig De Weerd, stelde deze zijn manschappen in een geïmproviseerde formatie front west op in afwachting van de vijand.

0400 – 0530 uur station Lage Zwaluwe

[100c, 195] Op de centrale as van het Bruggenhoofd, in het verlengde van de beide bruggen, lag de grootste concentratie onderdelen verspreid over een sector rondom de spoorweg en de rijksweg. Ten zuiden van het op de as gelegen station Lage Zwaluwe lag het zuidelijke front van het Bruggenhoofd. Ongeveer 250 meter ten zuiden van die perimetergrens waren asperge versperring op het spoor en de rijksweg voorbereid. Tussen de perimetergrens en die versperringen lag een kantonnementswacht, een piket dat het spoor bewaakte. Langs het zuidfront van het Bruggenhoofd was de grootste concentratie semipermanente opstellingen geconstrueerd die allen langs de Bredasche Dijk lagen. Uiteraard was iedere opstelling front zuid gericht.

[100c, 130, 195] Binnen de sector lagen twee secties infanterie [2e en 4e sectie 3-III-28RI], de 3e sectie 12MC en de sectie 28 Batterij 6-veld [1e luitenant de Jager]. Bovendien hadden zowel de commandant 3-III-28RI [res. kapitein W. van Ingen] als de commandant 12MC [res. kapitein N.L.J. Muller] hun kwartieren bij het station. De 4e sectie was gekwartierd in de fietsenstalling bij het café Victor Buys [informatie van veteranen Jobse en Steenvoorden], direct bij het station. De Bruggenhoofdcommandant had zijn CP ingericht bij Hoeve Versluis. Bekend is dat hij echter kwartier had in het dorp Moerdijk en dus niet op post was. De sectie 12MC lag vlakbij de Bruggenhoofd CP. Deze sectie had echter deze nacht een stuksgroep voor de kantonnementswacht bij Zevenbergsche Hoek [in hotel Brabant] geleverd en was dus slechts deels ter plaatse. De 2e sectie van 3-III-28RI [res. 1e luitenant P. de Jong] lag west van het station langs de Bredasche Weg. De 4e sectie [Sgt P. Zonneveld] van dezelfde compagnie lag 50 meter van het station. De stationswacht werd op 10 mei vervuld door een geweergroep van de 3e sectie van de infanteriecompagnie.

Cafe Victor Buys

In cafe Victor Buys [Lage Zwaluwe] was de 4e sectie van 3-III-28RI onder sergeant Zonneveld gelegerd. De fietsenstalling was hun onderkomen, en lag tegenover het station. Het cafe bestaat vandaag de dag niet meer. De foto stamt uit de jaren 80.
[Bron: Dirk Steenvoorden, zoon van een 4-3-III-28RI veteraan]

 

 [130] De twee stukken 6-veld waren vlakbij de CP geparkeerd. In principe zouden de stukken de voorbereide semipermanente PAG kazematten kunnen bezetten die bij zowel de rijksweg als de spoorweg waren gebouwd. Zij zouden voorlopig echter ad hoc worden ingezet op een bedreigd frontdeel. Alles bij elkaar genomen had de versterkte sector rond het station met circa 110 man en het enige aanwezige geschut op papier de meeste weerkracht binnen het Bruggenhoofd. [100, 195] Bovendien waren beide kapitein-commandanten vlakbij de troepen ingekwartierd en dus direct beschikbaar voor bevelvoering. Met uitzondering van de stationswacht en de kantonnementswacht bij Zevenbergsche Hoek, waren er echter geen militairen paraat.

[100c] Rond 0430 uur werd een ieder vanzelf gewekt door de zware dreunen van 19.Bt LuA en de spoedig toenemende activiteit in de lucht. Zo ook de compagniescommandant van 3-III-28RI de reserve kapitein van Ingen die zijn kwartier bij het station na 0430 uur verliet en tijdens de Duitse landing aan de 4e sectie – die inmiddels aangetreden stond – en later aan de 2e sectie merkwaardig genoeg opdracht gaf de oorspronkelijke stelling [dus met front zuid] te betrekken. Zijn sergeant-toegevoegd opperde nog om juist noordelijk van de sector een provisorisch scherm te vormen, maar dit werd eenvoudigweg genegeerd door de compagniescommandant. De beweegredenen voor diens merkwaardige bevel zijn niet te achterhalen. De noordelijk van hen landende parachutisten waren door de mannen waargenomen, maar het weerhield de kapitein er niet van front zuid te vormen. Zodoende trok de infanterie rond 0530 uur naar het zuiden van het Bruggenhoofd, met de parachutisten enkele honderden meters achter hen.

[195] De commandant 12MC, reserve kapitein Muller, werd in zijn kwartier in het station pas wakker door de vallende bommen. Toen hij in zijn kwartier beneden kwam was er al een ordonnans van de commandant Bruggenhoofd met de mededeling dat de stellingen onmiddellijk bezet moesten worden. Zelf had de kapitein een drietal soldaten bij zijn kwartier en hij stuurde er eentje naar de 1e en 2e sectie 12MC, die aan de Rode Vaart kwartier hadden, met de mededeling dat de stellingen ook daar direct betrokken moesten worden. Zelf ging hij direct naar het kwartier van de 3e sectie dat noordwest van het station aan de Bredasche Weg lag, bij de Hoeve Versluis. De kapitein stuurde direct de machinegeweren en munitie per auto naar de stelling. De aanwezige manschappen werden naar de stelling gestuurd. In totaal bleven zeven man met hem achter op de naastgelegen CP Bruggenhoofd, waarvan enkele manschappen tot de compagniestaf behoorden.

De vijand zelf kon de kapitein nauwelijks waarnemen. Ondanks zijn rang en functie beschikte de commandant van 12MC niet over een verrekijker …

[130] De manschappen van de sectie 28 Batterij 6-veld waren zonder kader toen men net als de andere onderdelen door de oorlog verrast werd in de kwartieren. De sectiecommandant wachtmeester B.C.A. van Werkhoven en de batterijcommandant reserve 1e luitenant F.P. de Jager waren beiden niet bij hun sectie ondergebracht. De batterijcommandant had kwartier vlakbij de haven, en spoedde zich eerst naar het bureau van de Bruggenhoofdcommandant dat hij op weg naar zijn sectie toch voorbij kwam. Daar ontving hij de vrij liberale opdracht ‘zich ergens werkzaam te maken waar dat kon’. In tegenstelling tot de Bruggenhoofdcommandant, gelukte het de artillerieofficier wél om langs de Steenweg bij de CP aan de Bredasche Weg te geraken, ondanks beschietingen door jachtvliegtuigen. Daar aangekomen had de wachtmeester de manschappen al gereed staan voor opdrachten. In gezamenlijk overleg besloten de kaderleden de stukken ter plaatse in stelling te brengen op het erf van de boerderij [waar de stukken gestald stonden] en met kartetsmunitie de parachutisten te bestrijden. Bij nader inzien echter besloot de luitenant dat het verstandiger zou zijn zuidwaarts te trekken en dan via de Lapdijk en de rijksweg zuid te trekken en vervolgens westwaarts richting Willemstad terug te trekken. Zodoende werden de stukken aangespannen en reden de bokrijders in galop richting zuiden, gevolgd door de bedieningsmanschappen op de fiets. Vlak voor de kruising van de Dirk de Botsdijk en de rijksweg aangekomen, reed de sectie echter rechtstreeks in het vuur van de parachutisten [deel 2e Zug 7./FJR1 onder Leutnant Lehmann] [458]. Men zocht snel dekking …

De eerste anderhalf uur – een tussenbalans

De eerste anderhalf uur van de oorlog was voor het Bruggenhoofd Moerdijk catastrofaal verlopen. Het feit dat de bezetting pas een maand in de positie was, deed zich gelden. Gebrekkige voorbereiding en coördinatie, alsmede een weinig doortastende commandant betekende dat direct na de landing iedere sector voor zich streed. Doordat de Duitsers midden in het hart van de positie waren geland, waren met uitzondering van de nog steeds verbonden zuid en west sector, alle onderdelen direct van onderlinge verbanden losgesneden.

Bovendien wreekte zich het feit dat een sectie zware mitrailleurs uit de toch al zwak bezette oostelijke sector voor een piketdienst was onttrokken aan zijn voorziene positie in enkele semipermanente kazematten is het oostfront. Nota bene de enige bezetting die er in de oostelijke sector over bleef – de 3e sectie van de infanteriecompagnie – had ook al een geweergroep als wachtpiket geleverd voor het station! Door de totale omissie van enige onderlinge afstemming – een zaak die de Bruggenhoofdcommandant nadrukkelijk tot zijn takenpakket hoorde te rekenen – kon het zijn dat de oosthoek van het bruggenhoofd door slechts 25 man bezet was. Die kleine groep zou zich weerbaar moeten maken tegen een overmacht aan goed uitgeruste parachutisten.

luchtfoto Moerdijk meidagen

Op deze Duitse luchtfoto die vermoedelijk vlak na de meidagen of na de aansluiting met 26.AK is genomen, zijn duidelijk de concentraties valschermen te zien die in de velden rond Willemsdorp en Moerdijk liggen.

Als men de foto verder zou uitvergroten - of de foto op een TFT scherm met een loep bekijkt - zijn duidelijk nog stellingen waarneembaar alsmede druk verkeer op de autoweg noord van de verkeersbrug. Ook is een schip te zien op de Kil. Het oude spoortalud bij Moerdijk - de diagonale lichte lijn - is ook goed te identificeren. Bij Moerdijk was daarop [op de fundamenten van het oude station] het barakkenkamp van 19.Bt.LuA gebouwd en de batterij was even verderop op het talud geplaatst.

[Bron: foto geplaatst met toestemming van Werner Müller, www.koelner-luftfahrt.de/ebenemael.htm]

In het dorp Moerdijk zelf was het al niet veel beter gesteld. Door de vrij naïeve inkwartiering van kaderleden in het dorp zelf, ver weg van hun onderdelen en commandoposten, kon het bestaan dat onmiddellijk na de Duitse luchtlanding het Bruggenhoofd zonder bereikbare commandant zat, de twee MC secties aan de Rode Vaart zonder hun bevelhebber zaten omdat deze telefoonwachtdienst in het dorp had, en het kader van de batterij 6-veld zich niet bij zijn batterij bevond. Kostbare tijd ging verloren, en de leiding van het Bruggenhoofd was direct uitgeschakeld voor de coördinerende bevelvoering.

Daarnaast bleek de compagniescommandant van 3-III-28RI in de zuidelijke sector er een merkwaardige benadering van tactisch handelen op na te houden. Als leidinggevende over de zuidelijke sector had hij twee secties infanterie en een sectie MC onder zich, en bovendien een sectie 6-veld geschut. Toen hij en zijn mede ooggetuigen de parachutisten enkele honderden meters ten noorden van het station zagen landen, besloot hij niet het logische advies van zijn sergeant-toegevoegd te volgen om front noord van het station te maken, maar hij gaf zijn secties opdracht het zuidfront te gaan bezetten alsof er geen enkele noordelijke dreiging was. Logisch was geweest het zuidfront met enkele piketten te bezetten, en de hoofdmacht front noord bij het station te laten vormen. Zodoende had hij met zijn ruim 100 man gevechtstroepen direct een zinvolle en kansrijke weerstand kunnen vormen tegen de circa 60 parachutisten die het station in eerste instantie bedreigden.
 
De toch al niet overdadige luchtafweermiddelen waren om 0415 uur volkomen uitgeschakeld. De batterij luchtdoelartillerie bij het dorp Moerdijk had slechts een ongeleid stuk over en zou worden geëvacueerd door haar personeel, en de beide mitrailleurpelotons waren uitgeschakeld door de haast boven op hun steunpunten gelande parachutisten.

De Duitsers waren zich goed bewust gebleken van de eenzijdige weerkracht van het Bruggenhoofd Moerdijk. Ze hadden spoedig erkend dat de grote zwakte van het Bruggenhoofd in haar centrum lag, en aangezien dit gebied vlak was, was het eenvoudig daar een massale landing uit te voeren. Zodoende zouden de Duitsers vanuit een geconcentreerde kracht kunnen opereren, terwijl de Nederlanders in geïsoleerde sectoren uiteen zouden vallen. Bovendien waren alle verdedigingsmiddelen buitenwaarts gericht. Omdat alles volgens plan verliep – immers de luchtafweer werd snel uitgeschakeld en de Nederlandse verdediging was compleet verrast in haar kwartieren – waren de Duitsers direct meester van de landhoofden, en konden zij de bruggen noordwaarts gaan overschrijden. Er lag nog één voorname taak voor hen. Het opruimen van de Nederlandse weerstanden binnen het Bruggenhoofd, en vervolgens de buitenverdediging voor eigen gebruik benutten.

Onverwijld stortten de Duitsers zich vanaf 0500 uur op de Nederlandse weerstandspunten.

0500 – 1100 uur Moerdijk

In het dorp Moerdijk zelf was nauwelijks sprake van een gevechtsvaardige Nederlandse militaire aanwezigheid. Er waren slechts enkele pontonniers van de veerdienst, enkele marechaussees van de Marechausseekazerne, een handvol verzorgers in het barakkenkamp en de geshockeerde bezetting van 19 Bt LuA. Daarnaast natuurlijk de Bruggenhoofdcommandant en de kapitein Adriaansen van 12MC en een handvol minderen.

458] De meeste Duitse parachutisten waren rond 0500 uur pal oost en zuidoost van het dorp geland en zij waren in staat snel bij hun wapencontainers te komen om zich te voorzien van de noodzakelijke geweren, granaten en mitrailleurs. Volgens plan was een peloton van 8./FJR1 direct na haar landing en verzamelen der wapens, tegen de bezetting van het dorp gaan ageren. Tussen 0500 en 0530 werd het dorp langs de gehele oostzijde door Duitse para’s - in beginsel ongeveer 35 man aangroeiend tot zo'n 70 man - bedreigd. Aan de zuidoostkant ontmoette ze geen enkele weerstand, en zodoende trokken al rond 0530 uur parachutisten via de zuidwest zijde richting Haven het dorp in. Tegen de oostzijde van het dorp bleef echter de Duitse aanvalsgroep van 8./FJR1 in eerste instantie liggen [464].Nadat al in het eerste half uur na de landing de opdracht rond de bruggen aan de zuidzijde van het Hollands Diep was afgerond voor de hoofdmacht van 7./FJR1, kwam voor die compagnie ruimte om aan de tweede fase van de overval haar bijdrage te gaan leveren. Een Kampfgruppe onder Leutnant Lemm - bestaande uit de Kompanie Trupp van 7./FJR1 en de Zug- en Granatwerfertrupp [5 cm mortieren] van het eerste en tweede peloton van 7./FJR1 - werd vrijgemaakt om het vastliggende peloton van 8./FJR1 onder Oberleutnant Schwarzmann [bij elkaar circa 60 man] - dat tot taak het dorp Moerdijk in te nemen - te assisteren. De Zug Kliem trok in tweede echelon via het noordoosten [langs de dijk] richting het dorp op.

[100c, 458] In het centraal oostelijke deel ontmoette de Kampfgruppe Lemm geen weerstand. Bruggenhoofdcommandant Marijnen had zich ondertussen drukker gemaakt om de paralanding aan de overkant van het Hollands Diep aan zijn Groepscommandant te melden, dan een provisorische verdediging van het dorp te organiseren tegen de para’s die in zijn eigen sector waren geland. Ook zijn telefoonwacht, kapitein Adriaansen, was vooral bezig met verbinding maken met Amstelwijck en Groep Kil. Geen der beide officieren zag kennelijk het onmiddellijke gevaar van de door Marijnen zelf waargenomen landingen van parachutisten net buiten het dorp. Men meldde het telefonisch wél aan de Groep Kil. Toen Marijnen na een mislukte poging zijn CP te bereiken terug was gekomen op zijn bureau in het dorp, was het rond 0515 uur. Nadat hij zijn eerder beschreven handelingen had verricht, besloot hij met kapitein Adriaansen een nieuwe poging te wagen om hun respectievelijke commandoposten te bereiken. Buiten het bureau gekomen werden beide heren echter direct opgevangen door twee parachutisten die hen ontwapenden, hoewel ze hun klewang mochten behouden. Een van de twee parachutisten was de Leutnant Dietrich Lemm. Hierna werden beide Nederlandse kapiteins met de optrekkende parachutisten meegevoerd, die behoedzaam noordwaarts trokken richting dijk.

[303, 458] Onderwijl hadden de enkele tientallen parachutisten van 8./FJR1 onder Schwarzmann de positie van de batterij luchtdoelartillerie aan twee zijden bereikt, waar tegenover de Duitsers gedurende het eerste uur vrij passief stil hadden gelegen. De batterijopstelling was echter inmiddels geëvacueerd. De bedieningsmanschappen waren deels terecht gekomen in het barakkenkamp. Daar probeerde vaandrig van Dalfsen zo goed en kwaad als het ging de verdediging te organiseren. Maar de munitie was zo goed als verschoten. Ongeveer een veertig tot vijftig man hadden zich in het kamp verzameld, terwijl de rest rond de batterij gevangen werd genomen of in groepjes het dorp introk. Luitenant van Teeckelenburg besloot zich bij het bureau van Marijnen te melden om te kijken of daar nog instructies te krijgen waren. Vlakbij het bureau gekomen constateerde hij verrast door Duitsers te zijn omringd. Hij mocht aansluiten bij de beide andere gevangen genomen officieren. Even later volgde de kennelijk ook naar instructies zoekende vaandrig Vegelin van Claerbergen met enkele minderen en ook zij deelden het lot van gevangenneming.

[303] Luitenant Faber had ondertussen toch de leiding behouden in het barakkenkamp, ondanks zijn verwondingen. Hij had inmiddels bevolen de geschutsmunitie in twee vrachtwagens te laden om deze via het westen te kunnen laten afvoeren. Omdat de gewonden werden verpleegd in een van de barakken besloot de luitenant de barakken niet in brand te steken. Toen ze in beeld kregen dat de Duitsers al richting barakkenkamp optrokken kozen zij ervoor naar de haven van Moerdijk te gaan, wetende dat daar eventueel schepen voor evacuatie waren. Onderwijl maakten de parachutisten onder Oberleutnant Schwarzmann en Leutnant Lemm in het dorp contact en bundelden de krachten. Gezamenlijk trokken de beide formaties langs de hoofdweg noordwaarts richting haven.

Moerdijk

Haventje Moerdijk, anno 2007. In dit haventje waren een aantal pontonniers verantwoordelijk voor de veerdienst met Willemsdorp. Diverse manschappen konden vanuit deze locatie naar de Hoekse Waard evacueren voordat de Duitsers het dorpje Moerdijk innamen.

 
Toen kwam het moment dat de Duitsers op weerstand stuitten in het dorp Moerdijk. In de haven was een detachement van de Vaartuigdienst Hollands Diep aanwezig, die de veerdienst met Willemsdorp regelde. Dit detachement had een sterkte van circa twaalf man pontonniers en een groep van vermoedelijk zo’n twintig man voor bemanning van de vaartuigen [171]. Toen de manschappen van 19.Bt LuA in het havengebied arriveerden, besloot de commandant van de pontonniers [kapitein Janssen] het commando ter plaatse over te nemen. Hij organiseerde uit de pontonniers en zo’n 25 man van 19.Bt.LuA een verdediging [171]. Het is aannemelijk dat van de enige tientallen andere batterijleden ook enkele zich hadden verschanst in de buurt van het klooster of een van de zijstraten van de Steenweg. Posities die dichtbij de haven en de Steenweg waren.

[1, 100c] Bij het postkantoor en de omgeving van de Marechausseekazerne hadden zich ook enkele andere militairen verschanst, waaronder twee wachtmeesters van de Marechaussee [J. Claasen en C. vd Werken]. Ondertussen trokken de parachutisten behoedzaam op, noordwaarts over de Steenweg. [1, 100c, 171, 303, 458] Opeens werden zij van twee zijden beschoten waarbij de Duitse Leutnant Lemm (6) dodelijk gewond raakte, en afgevoerd werd door twee parachutisten. Hij stierf vrijwel direct daarna.   

(6) De Leutnant der Reserve Dietrich Lemm was Kampfgruppeführer binnen 7/FJR1 [458]. Lemm wordt in vele publicaties [o.a. 30, 50, 52] als Oberleutnant Lamm aangeduid en deze laatste zou vijftien jaar in Zwartenberg onder Zevenbergen hebben gewoond. Lamm zou de Nederlandse zaak verraden hebben door in 1938 weer in Duitse dienst te treden en zich (als bekende der omgeving) als bevelhebber van de Duitse troepen zodanig in te laten zetten. Het lang gepreserveerde fabeltje van Oberleutnant Lamm is inmiddels door auteur ontkracht. Zie hiervoor het dossier over Lamm elders op deze site.

Moerdijk

De KMAR kazerne in Moerdijk, anno 2007. Deze kazerne aan de Steenweg lag vlakbij het barakkenkamp, en was in mei 1940 ook in gebruik. De Duitse Leutnant Lamm - die voor de oorlog lange tijd in de omgeving had gewoond - sneuvelde door Nederlands vuur vanuit deze kazerne.

 

De gebeurtenissen die toen volgden zijn niet zuiver te reconstrueren. Er zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd door de Bruggenhoofdcommandant en enkele andere ooggetuigen [100c, 195, 303]. Opmerkelijk zijn de divergerende beelden die uit twee verslagen van de Bruggenhoofdcommandant zelf spreken. Zijn eerste verslag van 15 juni 1940 is gesteld in een nuchtere beschrijvende toon, waarbij de diverse slachtoffers die onder de krijgsgevangen Nederlanders vallen worden toegeschreven aan de verwarring van het gevecht dat zou ontstaan vlakbij de haven. In een verklaring van ná de oorlog, van 25 november 1946 [en 19 mei 1947], rept de kapitein ineens van het gebruik van de krijgsgevangenen als dekking door de Duitsers, en het moedwillig neerschieten door de Duitsers van enkele Nederlandse gevangenen. Het verslag van de eveneens aanwezige kapitein Adriaansen is qua beeldvorming tussen beide verslagen van kapitein Marijnen te plaatsen. Eveneens aanwezig was de plv commandant van 19.Bt LuA, reserve 1e luitenant P.S. van Teeckelenburgh. Ook deze maakt net als Marijnen een waarlijk nieuw inzicht los in 1946 t.o.v. een eerdere verklaring in 1941.

Auteur Herman Amersfoort concludeert in zijn werk ‘Ik had mijn Roode-Kruis band afgedaan’ [SDU 2005, blz 42, 43] dat eigenlijk alleen de eerste verklaring van Marijnen accuraat zou kunnen zijn, omdat geen aanleiding lijkt te zijn de tweede verklaring te geloven

wegens gebrek aan ondersteuning daarvoor. Auteur dezes deelt deze mening van Amersfoort niet onverminderd. Uitgelegd zal worden waarom.

De beide verslagen van Marijnen zijn van een matige kwaliteit, zeker voor de kwaliteit van een Bruggenhoofdcommandant. Bovendien wijkt het verslag van Marijnen ook op andere punten opmerkelijk af van dat van zijn schaduw in de ochtend van 10 mei, de kapitein Adriaansen. De laatste maakt echter eveneens melding van het gebruik door de Duitsers van krijgsgevangenen als dekking. Daarbij kan sprake zijn van afstemming door beide officieren van ‘deze versie’ van de verslagen, maar één feit is onweerlegbaar, en dat is het neerschieten van twee onderofficieren van de KMAR, de vaandrig Vegeling Claerenberg, de 1e luitenant van Teeckelenburgh en de beide kapiteins zelf; allen tijdens hun krijgsgevangenschap en allen op min of meer exact dezelfde locatie. Daarnaast werden nog een korporaal en enkele soldaten neergeschoten. De wachtmeester C. vd Werken en de vaandrig zouden beiden aan hun verwondingen bezwijken. Het feit dat zes kaderleden en enkele minderen op hetzelfde moment en op dezelfde locatie - en in krijgsgevangenschap - ernstig werden verwond door projectielen, waarbij vaststaat dat het bij kapitein Adriaansen om een schot of scherf in de rug ging, biedt toch een sterke aanwijzing dat er wel degelijk sprake was van tenminste tussen twee vuren terecht komen van deze groep krijgsgevangenen. Er was dus geen sprake geweest van afvoeren van deze gevangenen, en zij waren bovendien prominent in eerste lijn aanwezig, hetgeen ook in strijd is met het oorlogsrecht. Ook de aard van de verwondingen van de Nederlandse militairen [vrijwel allen hadden verwondingen in de torso] duidt op het feit dat men niet in dekking lag. Anderzijds liet Leutnant Lemm even eerder de officieren hun klewang behouden [100c], wat van hoffelijkheid getuigde. Lemm werd evenwel gedood, waarmee mogelijk een voor deze materie belangrijk sturend optredende persoon in het gezelschap wegviel. Enkele minuten later waren de overige drie kaderleden in de aanvalsgroep ook uitgeschakeld. Het kan aanleiding zijn geweest voor de resterende Jäger om tot impulsief handelen over te gaan. Wat in elk geval niet vast te stellen is, is of er daadwerkelijk sprake is geweest van opzettelijk dekken achter de krijgsgevangenen dan wel het moedwillig neerschieten door de Duitsers. In die zin deelt de auteur de conclusie van Amersfoort dat het verslag van Marijnen [alsmede de verslagen van kapitein Adriaansen en 1e luitenant van Teeckelenburg] op dit vlak met terughoudendheid moet(en) worden geïnterpreteerd.

Moerdijk

De verovering van het dorp Moerdijk in de ochtend van 10 mei 1940 wordt voor de Duitse film nagebootst. Figuranten als "Nederlandse gesneuvelden" op de Steenweg maken het allemaal nog echter voor de kijkers. Maar afgezien daarvan zal het beeld in werkelijkheid niet veel anders geweest zijn in het dorp Moerdijk. De film is in 2005 vertoond als Sprung in den Feind. Het gemeentearchief in Dordt heeft een copie (PK-foto).

Zoals gezegd is er geen eenduidige reconstructie mogelijk van het gebeuren dat volgde op de dood van Leutnant Lemm. Zeker is dat de troep parachutisten inmiddels een aanzienlijke hoeveelheid krijgsgevangenen had gemaakt. Daarvan werd een deel meegevoerd langs de Steenweg richting Haven. Voorbij de Marechausseekazerne gekomen werd opnieuw vuur ontvangen, en deze keer van in hinderlaag liggende pontonniers bij de Dorpstraat en de Haven [171, 458]. De Duitsers en krijgsgevangen Nederlanders trachten zich te dekken voor dit vuur in steegjes en tegen de gevels van de panden aan de Steenweg. Enkele Duitsers die om de hoek trachten te vuren werden geraakt. Oberjäger Schöbel sneuvelde door een schot door het hoofd, Hauptfeldwebel Fuchs en Oberleutnant Schwarzmann (7) van 8/FJR1 raakten beiden zwaargewond. Daarmee was het Duitse kader ter plaatse volkomen uitgeschakeld. De pontonniers hadden in de eerste fase ook hun lichte mitrailleur nog in actie. Vanaf het cruciale moment dat het Duitse kader is uitgeschakeld, is onduidelijk wat er precies gebeurde, maar enkele ogenblikken later waren tien krijgsgevangen militairen gewond, waarvan twee dodelijk. Uit de verslagen blijkt dat zowel kapitein Marijnen als de vaandrig Vegelin Claerbergen – vrijwillig of gedwongen – de Nederlandse verdedigers in de haven opriepen het vuren te staken. Beiden raken tijdens die pogingen gewond [100c, 303].

(7) Oberleutnant Schwarzmann [1912-2000] was een Olympische held van 1936. Hij won drie keer goud en twee maal zilver in atletiek. Hij kreeg naar aanleiding van de gevechten in Moerdijk het EK I en II alsmede het Ritterkreuz. De indruk dat dit vooral door zijn sportieve verleden werd ingegeven kan niemand ontgaan, want de man heeft voor zover bekend niets bijzonder verricht in Moerdijk anders dan zwaar gewond raken. Maar rond zijn persoon is een tweede uiterst curieus verhaal ontstaan in dezelfde straat en hetzelfde gevecht als waarin Leutnant Lemm sneuvelde. Er is namelijk het verhaal dat de Nederlandse Olympische schaatsrijder Siem Heiden [1905-1993] in mei 1940 het leven redde van dezelfde Schwarzmann. Hij zou opdracht hebben gekregen hem het genadeschot te geven, maar de Duitser hebben herkend van de Olymische Spelen en hebben gered. Het verhaal bleek na onderzoek een mythe.. Het onderzoek en resultaat daarvan is net als de kwestie rond Lemm uitgelicht. Schwarzmann bracht het overigens na zijn moeizame herstel tot Major bij de Fallschirmjäger en zou in 1952 nog een zilveren medailles winnen op de Olympische Spelen. Zijn dochter werd een wereldberoemd paardenturncoach.  

[458] Toen vervolgens ook Duitsers langs de dijk begonnen op te trekken [Zug van Feldwebel Kliem 7/FJR1 via barakkenkamp, Trupp van zeven man onder Oberjäger Göttach vanuit westelijke zijde] en de bezetting van de haven daardoor dreigde te worden ingesloten, besloot de kapitein der pontonniers Janssen dat het moment van aftocht voor de Nederlanders was gekomen. Hij gaf aan vijf pontonniers opdracht de aftocht te dekken. Terwijl zij de Duitsers op afstand hielden, scheepten zo’n 20 man van 19.Bt. LuA en de overige pontonniers zich in [171]. De nadringende Duitsers wisten soldaat Sijs van 19 Bt LuA aan boord van de ‘Mathilda’ nog te doden, en luitenant Faber ontving nog een schampschot aan de arm [31, 303] . Een pontonnier sneuvelde achter de stenen muur voordat de schepen vertrokken waren. Maar de andere vier hielden moedig stand. Gevangen in kruisvuur sneuvelden nog twee pontonniers en spoedig daarna was de munitie van de laatste twee verdedigers op. Ze werden tenslotte gevangen genomen. In het hevige vuurgevecht sneuvelden drie [Sld. Hooft, Mann en Vlot] van de vijf pontonniers door het Duitse verweer [31], en gaven de laatste twee [sld F. Brondsema en sld J.A. van Houdt] zich tenslotte gewonnen nadat alle karabijnmunitie was verschoten (8). De drie gesneuvelde pontonniers zouden voor hun bijzonder moedige optreden postuum met het Bronzen Kruis worden onderscheiden. De beide overlevenden zelfs met de hogere Bronzen Leeuw.

(8) Het is door J. Wilson - in Vijf dagen oorlog en zijn twintigjarige voorgeschiedenis - gesuggereerd dat er naast de vijf hierboven genoemde pontonniers, nog twee pontonniers aan het laatste gevecht deelnamen en dat gevecht overleefden. Dat zouden de soldaten C. Ruissen en H. van der Plas zijn geweest. Ook zij werden met een Bronzen Kruis [bij KB van 17 maart 1947] onderscheiden, waarmee overigens direct een opvallend verschil wordt getoond met de beide andere overlevende pontonniers Brondsema en van Houdt, die de (hogere onderscheiding) Bronzen Leeuw kregen en zich kennelijk (dus) nog meer onderscheiden hebben. Auteur dezes onderzoekt momenteel waar de beide andere pontonniers waren ten tijde van de climax aan de haven in Moerdijk. Mogelijk zaten zij aan de westzijde van de haven, in of bij een huis en werden zij eerder - door de Gruppe Göttbach die via het westen de haven naderde - gevangen genomen. In de bij het NIMH gearchiveerde verklaringen van de pontonniers van Veer 2C en hun kader worden de zesde en zevende pontonnier in elk geval niet genoemd als betrokken bij de 'last stand'. Wel is duidelijk dat de kwestie eerder werd onderzocht, maar is Wilson zijn conclusie van zeven betrokken pontonniers niet gevolgd door bijvoorbeeld het later verschenen Stafwerk Zuidfront [1] en Brongers [30]. Mogelijk dat echter herziening van de beschrijving van het gevecht binnenkort noodzakelijk blijkt als onderzoek aantoont dat Wilson op het goede spoor zat. Overigens blijft het sowieso opmerkelijk dat deze situatie niet helder in de Nederlandse krijgsverslagen wordt geduid, wat maar weer eens aangeeft hoe incompleet de nationale archieven (regelmatig) zijn.
 

De climax van de strijd op deze locatie in Moerdijk eindigde met de overgave van de laatste twee pontonniers, met zes Nederlandse doden [w.o. twee dodelijk gewonden] en enkele gewonden [31, 100c]. Ondertussen hadden de overige pontonniers en een deel van de batterijbezetting van 19.Bt LuA zich onder dekking van de vijf moedige pontonniers succesvol kunnen losmaken van de haven, en zij wisten veilig de overkant te halen [171, 303]. De weerstand in het dorp Moerdijk was met deze actie echter afgelopen.


I
n Moerdijk waren enkele manschappen aanwezig van het inundatiepunt Moerdijk. Onbekend is hoeveel dit er waren en onder leiding van wie zij stonden. Vermoedelijk bestond het groepje uit niet meer dan vier of vijf manschappen. Zeker is dat het inundatiepunt Moerdijk aan inundatiestation Willemstad rapporteerde. In de vroege morgen, nadat duidelijk was dat de oorlog was uitgebroken, heeft men op eigen initiatief getracht de inundatiesluizen open te zetten. Dat is slechts aan het westelijke frontdeel geslaagd, en daar zijn inderdaad enige weilanden ondergelopen. Dat 'resultaat' was overigens uiteraard vooral in Duits voordeel na de inname van het Bruggenhoofd. De pogingen elders in het bruggenhoofd mislukten. Gegeven de gekeerde kansen nadien, was dat een geluk bij een ongeluk, zij het dat de Nederlanders (zoals vermoedelijk reeds bekend) Moerdijk ook zonder de inundaties niet zouden kunnen heroveren. Een korporaal van het inundatiepunt Moerdijk wist op 10 mei overigens Willemstad te bereiken [53]. De rest was gevangen genomen.


.  [50, 458] De Duitsers handelden na inname van het dorp snel. De commandant van 7./FJR1 [Oberleutnant Pagels, zelf licht gewond] vorderde het grote klooster voor gewondenverzorging en internering van de ingezetenen van Moerdijk. Twee Duitse legerartsen werden ingezet [w.o. de Oberarzt Hartmann] om de gewonden te verzorgen, wat zonder aanschijns des persoons en nationaliteit met toewijding werd verricht. De Nederlandse en Duitse doden werden in de kloostertuin gelegd en zouden later aldaar ter aarde worden besteld. Duitse grondigheid, in de wetenschap dat het Bruggenhoofd al spoedig in staat van verdediging zou moeten worden gebracht. Burgers lopen daarbij in de weg, en dus werden die in het schoongeveegde dorp door Duitse para’s effectief en snel ondergebracht in het klooster. Onder de burgers waren bij de strijd in het dorp vijf doden gevallen [50]. Twee van hen jongemensen, de kinderen van de beheerder van het stoomgemaal Schuddebeurs.

0500 – 1100 uur Rode Vaart

Aan de rechterkant van het front, langs de Rode Vaart, hadden de 1e sectie 3-III-28RI en de beide secties van 12MC zich inmiddels, snel improviserend, front noordoost gekeerd [100, 195].

De groep Nederlandse verdedigers had een uitstekende positie. Men dekte zowel de weg naar Moerdijk als de velden ten zuiden en oosten van het dorp. Aangezien men over voldoende zware mitrailleurs beschikte zou het voor de Duitsers uiterst bezwaarlijk worden deze positie zomaar te veroveren. Daartoe deden zij dan ook geen poging, hoewel daarbij zal hebben geprevaleerd dat voor de Duitsers maar drie hoofdaanvalsrichtingen opportuun waren: de bruggen – welke zij direct konden bezetten – het dorp, dat zij ook spoedig innamen, en de concentratie van Nederlandse troepen bij het station Lage Zwaluwe op de as van het Bruggenhoofd. De locatie aan de Rode Vaart was voor de Duitsers van beduidend ondergeschikt belang. Los van enige korte vuurcontacten, deed zich van Duitse zijde weinig activiteit jegens de secties voor [458]. Deze contacten beperkten zich tot een groepje Duitsers [van de Kampfgruppe van Leutnant Lemm] dat de zuidzijde van het dorp verkende.

Rond 0800 uur ontstond een situatie waarbij in de verslagen van de sergeant H. Voskuilen, sectie commandant van 1-12MC, en de 1e luitenant W. Haars, meldingen worden gemaakt over diverse ordonnansen. Daaruit volgt helaas geen eenduidig plaatje, en een reconstructie is daarom lastig. We doen toch een poging.

Sergeant Voskuilen meldt om 0800 uur een ordonnans aan te hebben gehouden van de regimentscommandant van 34RI of 39RI in Willemstad. Deze zou als bestemming hebben gehad de CP van Marijnen. Hem wordt te verstaan gegeven dat zijn rit zinloos is met de mededeling dat het dorp reeds bezet was. Om twee redenen een merkwaardig verslag. Allereerst was er geen regiment in Willemstad [slechts een met MC versterkte compagnie] en

bovendien had de regimentscommandant van 39RI [onder Groep Spui] niets van doen met Moerdijk. 34RI was helemaal niet in beeld, maar dat zal een denk- of schrijffout zijn geweest. Het is eventueel mogelijk dat het een ordonnans van 1-I-39RI was, omdat 1-I-39RI de scepter zwaaide in het bruggenhoofd Willemstad, maar daarvoor bestaat geen enkele nadere aanwijzing noch lijkt voor zo'n ordonnans een logische bestemming te bestaan. Daarbij was het ook nog eens zo dat de CP van het Bruggenhoofd helemaal niet in het dorp zat, maar bij de Bredasche weg [het kwartier zat wél in het dorp]. Veel aannemelijker is het daarom dat de ordonnans helemaal niet uit Willemstad kwam, maar simpelweg de sergeant van de Broek was die van de CP van C-3-III.28RI [kapitein van Ingen] kwam. Deze werd ook door 1e luitenant Haars gemeld rond diezelfde tijd [100c]. Bovendien was het de luitenant Haars die deze sergeant naar Willemstad stuurde met het verzoek om versterking. Sergeant Voskuilen [195] meldt hetzelfde te hebben gedaan in zijn verslag! Uiterst curieus …

Luitenant Haars gaat verder. Hij meldt dat de sergeant van de Broek zich bij een onderdeel van 34RI [sic] meldde, en vanuit Willemstad rapport van de situatie zei te hebben gemaakt aan het stafkwartier van de Groep Kil en aan luitenant Houwen van staf 28RI. Reserve 1e luitenant O. Houwen was inderdaad toegevoegd officier op de staf van 28RI [1]. De verslagen echter van beide staven maken geen melding van dit contact. Groep Kil meldt zelfs in haar verslag pas in de middag van 10 mei weer iets te vernemen van het Bruggenhoofd Moerdijk na de vroege berichten van de Duitse landing. Die melding kom dan ook nog eens vanwege enkele vluchtelingen die in de Hoekse Waard zijn aangekomen – de secties onder luitenant Haars! Een onderdeel van 34RI lag overigens ook niet in Willemstad, maar dergelijke schrijf- of geheugenfouten zijn verklaarbaar. Er zal 39RI zijn bedoeld.

Maar de curiositeit blijft. De luitenant Haars meldt namelijk vervolgens in zijn verslag dat de ordonnans ‘van een majoor van 34RI’ bevel had gekregen met de eenheid bij Moerdijk terug te gaan op Willemstad. De luitenant meldt hierop dat hij gehoor gaf aan dat bevel. Curieus, want allereerst was er rond die tijd geen enkele majoor van 34RI of 39RI in Willemstad te vinden [1, 53, 101, 102]. Er was wel een andere majoor, C-3.GB majoor Reijerse, en mogelijk is die het geweest die het bevel gaf, hoewel dat niet uit de verslagen van dit onderdeel blijkt. Maar nog curieuzer is dat sergeant Voskuilen een extra – zeer gedetailleerde – beschouwing [195] gaf van dit gebeuren. Hij meldt in zijn verslag dat sergeant van de Broek slechts meldde dat er geen versterking kon worden gezonden en dat daarop in gezamenlijkheid [met C-1-3-III-28RI] wordt besloten om een eigen ordonnans naar Willemstad te sturen om de situatie nader uiteen te zetten. Dat werd de sergeant Laarakker die met een auto naar Willemstad werd gestuurd. Deze kwam na ongeveer een uur terug met de mededeling dat op Willemstad diende te worden teruggetrokken, dat men met wagens zou worden opgehaald en dat men dan bij Numansdorp zou worden overgezet. Tevens meldde deze sergeant Laarakker dat de Nederlandse artillerie het Bruggenhoofd zou gaan bestoken, en dat 6.GB was aangewezen voor een tegenaanval. Om 1700 uur zou men zijn opgehaald. Althans, dat stelde sergeant Voskuilen in zijn verslag!

Waarom zijn deze verslagen zo curieus? Dat is simpel. Ze staan vol met ‘feiten’ en ‘gebeurtenissen’ die niet kúnnen kloppen; althans dat ze niet accuraat kunnen zijn. Meest opvallend is natuurlijk de melding van de sergeant Voskuilen dat ze om 1700 uur werden opgehaald door vrachtwagens en naar Willemstad vertrokken. Dat is bewijsbaar ver bezijden de werkelijkheid. Rond die tijd was men namelijk allang in Numansdorp aangekomen, en om 1830 uur had de gehele groep zich zelfs bij C-III-28RI gemeld [100c, 192]. Overigens was zelfs laat in de ochtend de sectie van 3-6GB al bij Lochtenburg gearriveerd en vond de positie door de Nederlanders volkomen verlaten [123]. Duidelijk was dus dat de secties onder

luitenant Haars rond 1100 uur al vertrokken waren. Ook de hardnekkige melding bij de sergeant en de luitenant van een majoor van 34RI of 39RI is merkwaardig. Het is zelfs een compleet raadsel!

Hoe men het ook wendt of keert, het feit dat ‘iemand’ de circa 100 man bezetting bij de Rode Vaart instrueerde naar Willemstad te vertrekken is de meest voorname kwestie. En het is een kwalijke kwestie. De honderd man met hun zes zware mitrailleurs waren immers bijzonder van pas gekomen voor C-6GB. Een welkome versterking. Het mocht niet zo zijn.

Maar wie gaf nu dat bevel tot terugtrekken? Uit de verslagen van 3.GB, I-39RI en de diverse staven blijkt niets van dat bevel. Toch is er een aanwijzing. De betreffende ordonnans sergeant Laarakker moet rond het middaguur zijn teruggekomen bij de secties aan de Rode Vaart [die toen vermoedelijk al westelijk daarvan verkeerden]. Zeker is [122] dat sergeant van de Broek om 0930 uur zich meldde bij de kapitein A.J. Dorreman, commandant van 2-3GB, die op dat moment te Tonnekreek was [ca 5 km oost van Willemstad]. Deze zond de sergeant door naar Willemstad. De sergeant zou zich later terugmelden aan de Rode Vaart met de mededeling dat van versterking geen sprake kon zijn. Logisch, want een ordonnans van 6.GB was even daarvoor met hetzelfde antwoord heengezonden [122], hoewel deze nog meekreeg [het bevel aan 3.GB tot oversteek naar Numansdorp was nog niet gegeven; dat ontving men pas om 1300 uur] dat eventueel een sectie zou worden gezonden naar 6.GB als 3.GB zijn posities rond Willemstad zou hebben ingenomen. In elk geval had de nagezonden sergeant Laarakker te maken met een Bruggenhoofd Willemstad dat ondertussen onder bevel van de C-3GB viel. En C-3GB was de enige autoriteit in Willemstad met de rang majoor en bovendien vestingcommandant. Hoewel in de vele verslagen van 3.GB veel details worden gemeld over de 10de mei, is nergens enige melding te vinden omtrent een bevel aan de groep bij de Rode Vaart om zich op Willemstad terug te trekken. Wel wordt gemeld dat er uiteindelijk enige losse verbanden – sommigen met zware mitrailleurs – vanuit Moerdijk zich meldden binnen de stelling.

Moerdijkbruggen

Duitse parachutisten verzamelen zich kort na de landing nabij de Moerdijkbruggen. Vermoedelijk is dit een latere reconstructie tijdens de filmopnamen van de PropagandaKomapnie (PK-foto).

Het is een merkwaardige zaak. Het bevel dat aan de 1e luitenant Haars en consorten zou zijn gegeven is ontraceerbaar. Het meest aannemelijk is dat de ordonnans Laarakker tussen de bedrijven door geantwoord is met zijn eenheid - waarvan men vermoedelijk de aanzienlijke sterkte niet kende - op Willemstad terug te trekken en dat dit niemand als een belangrijke kwestie bij bleef en als zodanig buiten verslagen bleef. Maar het is ook niet uitgesloten dat de luitenant zelf besloot dat terugtrekken op Willemstad ‘het verstandigste’ besluit was of dat de door hem uitgezonden ordonnans dit besloot te melden. Hoe het ook zij, de drie secties

vertrokken naar de vesting Willemstad, en zouden in de late middag worden overgezet naar Numansdorp en zich vervolgens – onafhankelijk van elkaar – melden bij C-III-28RI.

Er is echter een vage aanwijzing dat er toch een majoor van 39.RI in beeld is gekomen. In het dagboek van Groep Kil is namelijk een opvallende melding [inkomend bericht no. 31, 10 mei 1055 uur van Groep Spui] te vinden. In het dagboek staat een aantekening dat door Groep Spui gemeld werd dat een onderofficier van Moerdijk in Willemstad was aangekomen. Deze meldde dat de kapitein Marijnen gevangen was genomen, dat het bruggenhoofd door de Duitsers bezet was, dat alleen de secties langs de Rode Vaart nog intact waren en dat de Duitsers de wegen en het station in handen hadden. Helaas niets van een bevel aan de onderofficier terug te vinden. Daarom blijft onduidelijk op basis van welke van de ordonnansen deze melding tot stand kwam. Het lost het vraagstuk van het terugtrekkingsbevel niet op, maar bewijst wel dat Groep Kil al om 1055 uur gedetailleerde informatie van de status van het bruggenhoofd Moerdijk had. En - dat moet worden gezegd - zeer accurate informatie! Overigens had men eerder al informatie gekregen, zoals om 1015 uur van manschappen van 19.Bt.LuA die per boot waren gearriveerd.

De sterke positie aan de rechterzijde van het Bruggenhoofd werd ontruimd door de 100 man Nederlandse troepen, zonder hiertoe door de tegenstander te zijn gedwongen. Sterker, men was nauwelijks in contact gekomen met diezelfde tegenstander. Het was een weinig verheffende slotserenade van de laatste georganiseerde verdedigers van het Bruggenhoofd Moerdijk ...

0500 – 1100 uur Station Lage Zwaluwe

[130] De sectie 6 veld met twee aangespannen stukken van het oude 57 mm veldgeschut en bestaande uit slechts 15 man werd op de Bredasche Weg bij de kruising met de Dirk de Botsdijk opgevangen door vuur van de oostelijk daarvan gelande parachutisten, exact ter hoogte van de CP van de Bruggenhoofdcommandant. De manschappen van de batterij dekten zich aan de zuidzijde van de Dirk de Botsdijk. Ondanks het feit dat de weg onder vuur lag besloot de luitenant zijn beide stukken af te spannen en in stelling te brengen.

Ondanks het Duitse vuur dat over de dijk lag gelukte het de paarden af te spannen en de stukken schietgereed te maken. Het stuk aan de zuidzijde leende zich het beste voor inzet omdat dit niet direct door de tegenstander beschoten kon worden. Terwijl de luitenant met zijn kijker de Duitsers observeerde, bracht plaatsvervangend sectiecommandant wachtmeester B.C.A. van Werkhoven het rechterstuk in gereedheid.

Nadat het rechterstuk met assistentie van de luitenant zelf gericht en geladen was, werd liggend vanuit het gras afgetrokken, maar behalve de ontzetting van de percussie inrichting gebeurde er niets. Met enkele manschappen werd toen met de karabijn op de tegenstander geschoten, terwijl de luitenant met twee manschappen het linkerstuk aan de noordzijde in gereedheid bracht.

Het gelukte de luitenant en zijn assistenten om twee schoten af te geven langs de rijksweg, zonder waarneembaar resultaat. Vervolgens werd naar het oosten gericht, waar in Binnen Moerdijk [bij kp.2] parachutisten in huizen waren gaan zitten en de batterij beschoten. Het waren manschappen van het 2e en 3e peloton van 7./FJR1 onder Leutnant Lehmann [458]. Een schot werd gelost dat miste, waarop de luitenant over de loop van het stuk zorgvuldig wilde richten.

 Die overmoedigheid werd hem onmiddellijk fataal. Een kogel trof hem in het hoofd en deed hem enige momenten later sterven.

[100c, 195] Na deze voor de manschappen schokkende ervaring werd het stuk verlaten en begaven de manschappen van de batterij zich in de vlakbij gelegen boerderij Versluis, waar de CP was. Hier bevond zich ook de C-12MC, kapitein Muller. Samen met de zeven man op de CP verweerde het groepje van in totaal circa 20 man zich nog enige tijd, maar al spoedig wisten enkele parachutisten de boerderij aan drie zijden te omvatten. Om 0700 uur besloot de kapitein Muller dat het genoeg was, en gaf de CP over aan de Duitsers. Die laatste waren van het (3e) peloton van Leutnant Lehmann, dezelfde manschappen die de spoorbrug een uur eerder hadden veiliggesteld [458].

[1, 195] De kantonnementswacht [13 man van 3-12MC], die ten zuiden van de Bredasche dijk – voor de frontlijn – was geplaatst en kwartier had in Hotel Brabant, werd rond 0500 door de kapitein van Ingen [C-3-III-28RI] geïnstrueerd een patrouille naar een neergestort Duits vliegtuig te sturen [100c]. Dat toestel zou ten zuiden van Zevenbergschen Hoek zijn neergekomen. De sergeant (stuks)commandant die als wachtcommandant fungeerde stuurde een groepje van 4 man onder een korporaal naar de locatie. Inderdaad werd bij een boerderij [Van den Bosch] ten zuiden van Zevenbergschen Hoek een neergeschoten He-111P [5J+DN van 5/KG4] aangetroffen [33]. Uit nazoekingen is gebleken dat deze vermoedelijk [261] door een G-1 van het 3e JaVA [de 330 van SM-vl J.J. Buwalda] van Waalhaven was neergeschoten. Drie (9) man werden door de Nederlandse patrouille gevangen genomen, een Duitser bleek gesneuveld te zijn. De Duitsers werden afgevoerd naar het wachtlokaal, maar daar bleek spoedig dat de Duitsers al naar het Hotel opdrongen. De groep van 12MC is daarop naar Roosendaal gereden, en heeft de Duitsers bij de KMAR post aldaar afgeleverd. Overigens is de groep daarop heel plichtsgetrouw teruggereden naar Zevenbergen. Toen men daar vernam dat het Bruggenhoofd inmiddels in Duitse handen was is men via Willemstad in de Hoekse Waard gekomen.

(9) Oberfeldwebel Helmuth Ganss gesneuveld; Oberleutnant Rolf Ganzert, Oberfeldwebel Emil Tischer en Hauptgefreiter Heinz Dertinger werden gevangen genomen. Zij zouden via Engeland in Canada in krijgsgevangenkampen terecht komen en voor de rest van de oorlog dus uitgeschakeld zijn.[32, 33]

[100c] Resteert nog de bespreking van de gebeurtenissen rond het station. Aldaar waren twee secties [2e en 4e] infanterie gelegerd onder direct bevel van de compagniescommandant van 3-III-28RI, de reserve kapitein W. van Ingen. Nadat de aangetreden secties door hun sectiecommandanten gereed waren gemeld, kwam de kapitein van Ingen met de merkwaardige instructie om de stellingen aan het zuidfront van het Bruggenhoofd te bezetten. Zijn sergeant-toegevoegd vroeg hem of het niet verstandiger was om front noord te maken en de waargenomen landingen van parachutisten in de Ketelpolder zodoende te weerstaan. De kapitein wuifde die verstandige suggestie weg, en liet de manschappen naar de stellingen aan het zuidfront trekken. Wellicht was hij in de veronderstelling dat de parachutisten in de Ketelpolder wel door andere eenheden zouden worden aangepakt. Hoe het ook zij, dan had hij slechts verstandig gehandeld als tenminste een deel van zijn troepen naar de noordzijde waren gestuurd als rugdekking. De kapitein overwoog anders.

Terwijl de secties zich zuidwaarts begaven richting Bredasche dijk, trokken de parachutisten - inmiddels een verband van zo'n 70 man van de 2e en 3e Zug van 7./FJR1 [458]- eveneens zuidwaarts, en hadden binnen enkele ogenblikken de stationssector volledig bezet. De 4e sectie, met daarbij de 1e luitenant van Boxtel, werd daarna direct van twee zijden in de rug besprongen, en moest zich direct overgeven. Een man raakte gewond.

[100c] De 2e sectie [reserve 1e luitenant P. de Jong] was – samen met de compagniescommandant – op het waarnemen van de overrompeling van de 4e sectie, direct richting Lapdijk getrokken. Aldaar hergroepeerde men bij de boerderij Wilhelminahoeve, op de uiterste hoek van de stelling. De kapitein achtte het toen verstandig om naar het noordwesten te trekken om bij de Lochtenburg de secties van 12MC en zijn 1e sectie bijeen te brengen. Dit leek inderdaad een verstandig besluit, maar de parachutisten waren hen al gevolgd. De sectie werd overvallen en volledig uiteen geslagen. De schermutseling die volgde kostte zowel de kapitein als een soldaat [D.Graafland] het leven. Enkele soldaten die tot bij de Quanjerhoeve geraakten werden ook door de Duitsers beschoten, waarbij de sergeant Vuurpijl en de soldaat Vink beiden sneuvelden.

De rest van de infanteristen gaf zich over, met uitzondering van een groepje dat zich samen met de sectiecommandant luitenant de Jong wist schuil te houden. Zij zouden zich enkele uren later bij 6.GB aansluiten.[123]

Wat er met de geweergroep [12 man] van de 3e sectie van 3-III-28RI gebeurd is, is onbekend. Zij vormden de stationswacht en zullen vermoedelijk met een der beide secties naar de Bredasche Dijk of Lapdijk zijn getrokken. Hoe het ook zij, ze zullen gevangen genomen zijn met de overige manschappen.

De aanzienlijke strijdmacht van circa 90 man infanterie en compagniestaf bij het station had door verwijtbaar onjuist handelen door de compagniescommandant geen enkele positieve invloed op de strijd kunnen uitoefenen. Had dit verband zich echter noordelijk van het station weerbaar gemaakt, dan waren zij vermoedelijk voor de Duitsers een bijzonder vervelend weerstandspunt gebleven, en had hun aanwezigheid enkele uren later 6.GB alle kans geboden aan te sluiten. Nu was het gehele verband zonder enige weerstand van betekenis door vermoedelijk een ondertal aan parachutisten eenvoudig opgerold.

0500 – 1100 uur Lage Zwaluwe dorp 


[100c] Vaandrig C.M. de Weerd had met zijn twee mitrailleurgroepen – die hem van de 3e sectie resteerde – front west gemaakt toen hij de landingen van de parachutisten in de polders en landerijen west van het dorp Lage Zwaluwe had waargenomen. Na aanvankelijk aan de noordwest zijde van het dorp positie te hebben gekozen, werd hem spoedig door burgers die uit het zuidwesten kwamen verteld dat de parachutisten het station overmeesterd hadden. Hij besloot daarop front zuidwest te maken.

Ondertussen realiseerde de vaandrig zich dat hij met zijn 25 man geheel geisoleerd was. De sectie van 12MC die hem organiek vergezellen zou in het oostfront van het Bruggenhoofd, was nergens te bekennen. De vaandrig was niet verwittigd door C-12MC noch door de commandant van 3-12MC dat de sectie piketdienst had op de rijksweg. Dat nieuws vernam de vaandrig pas na de strijd.

De vaandrig verdeelde zijn beide groepen over twee sectoren. Een mitrailleur liet hij de Keizersdijk bestrijken, de ander de Groene dijk. Een logische opstelling met een kleine groep, maar kwetsbaar omdat de tegenstander – zeker vanuit het noorden – de positie eenvoudig zou kunnen omtrekken. Dat gebeurde ook spoedig. Tegen 1000 uur werd de positie van de vaandrig in de rug beschoten, terwijl de vijand ook welbewust vanuit het front vuurcontact maakte. Spoedig vielen de eerste slachtoffers in de gelederen, en nadat twee man [de korporaal A. Heuser en de soldaat I. Ouwerkerk] gesneuveld waren [31, 100c]

en nog twee andere manschappen gewond raakten, besloot de vaandrig dat verdere weerstand weinig zin meer had. Hij stak de handen in de lucht. De mannen werden krijgsgevangen afgevoerd. Het was wederom het 2e peloton 7./FJR1 van Leutnant Lehmann dat de beslissing forceerde [458]. Dat peloton zou daarna bij Lochtenburg een voorpost gaan bezetten.

Falende bevelhebbers

De verdediging van het Bruggenhoofd Moerdijk had op alle mogelijke punten gefaald. Vrijwel alles wat en iedereen wie kon falen faalde, en onder de officieren en overige verantwoordelijken waren er weinigen die zich positief onderscheiden hadden. Opvallend is dat juist zij die zich onderscheiden hadden aspirant officieren waren [19 Bt LuA, 3e sectie 3-III-28RI] of geen gevechtstaak hadden [Pontonniers].

Allereerst was er natuurlijk de kwestie dat de commandant Vesting Holland het niet noodzakelijk had geacht het zuidfront Vesting Holland in gereedheidsgraad 3 te brengen. Daardoor kon de Commandant Groep Kil dit ook niet aan zijn bevelhebbers doorgeven, hoewel hij dit wellicht op eigen initiatief had kunnen doen. Daarnaast was het gehele Bruggenhoofd evident ingericht op een buitenwaartse verdediging. Met een belangrijke vijandelijk luchtlanding was totaal geen rekening gehouden.

De Bruggenhoofdcommandant had er populair gezegd ‘weinig van gebakken'. Uit alles blijkt dat deze officier geen enkel gezag (ver)toonde over zijn Bruggenhoofd en zowel vooroorlogs als tijdens de – voor hem korte – strijd weinig onder controle had. Tactisch en operationeel inzicht vertoonde de man ook niet. Hij leek geshockeerd door de plotselinge overval en lijkt te hebben gehandeld in een 'frozen state of mind'.

Zeer voornaam was het feit dat hij geen cohesie en afstemming in zijn bevelketen had aangebracht. Zo kon het dus gebeuren dat de commandant van 12MC zelfstandig besloot om een bepaalde sectie van zijn MC aan te wijzen voor een piketwacht, zonder dat dit met de naastgelegen infanteriesectie werd kortgesloten. Die ene sectie aan het oostfront van het Bruggenhoofd had daar nooit weggehaald mogen worden. De compagniescommandant van 3-III-28RI besloot als klap op de vuurpijl ook nog eens een geweergroep aan de ene overgebleven sectie infanterie te onttrekken voor stationswacht. Dat terwijl hij aanpalend aan zijn CP in het station nota bene twee secties gelegerd had liggen! Bovendien hielden de C-12MC en de C-3-III-28RI samen kwartier. Maar van overleg onderling kwam het tussen de beide kapiteins kennelijk niet. Zo kon het gebeuren dat het oostfront van het Bruggenhoofd bij de Duitse aanval welgeteld 25 militairen kon mobiliseren.

De CP van de Bruggenhoofdcommandant was ook onbezet. Een faux-pas voor een sectorcommandant. De kapitein Marijnen dacht kennelijk alle zaken vanuit zijn comfortabele bureau in Moerdijk te kunnen regelen zolang het geen oorlog was. Nu kan men daar tegenin brengen dat met het voorval van een luchtlanding natuurlijk geen rekening was gehouden. Dat is een feit, echter een Bruggenhoofd CP zonder officier laten tijdens een periode waarin de internationale spanningen extreem hoog waren, was een fout die een verantwoord bevelhebber niet zou maken.

Vervolgens persisteerde Marijnen in het maken van fouten als bevelhebber toen de strijd ontbrande. Toen hij zich naar zijn bureau begaf – wakker geworden door de aanval op 19.Bt LuA – achtte hij het bovenal noodzakelijk zijn papieren te verbranden. Kennelijk toen al in de veronderstelling dat de positie onhoudbaar is.

 Vervolgens werd toch besloten een poging te wagen de gevechtscommandopost te bereiken. Een poging die na een beschieting direct werd opgegeven, onder het mom van het rapporteren van zijn waarneming van landende parachutisten ten noorden van de Moerdijkbruggen. Niet de hem vergezellende sergeant-toegevoegd werd met deze melding terug naar het bureau in Moerdijk gestuurd om vervolgens zelf naar de CP door te gaan, maar zelf keerde hij naar zijn bureau terug. De even later op zijn bureau arriverende luitenant van de sectie 6-veld werd een volkomen onsamenhangende opdracht gegeven ‘zet u zich maar in waar dat zin heeft’. Kennelijk in de veronderstelling dat de Bruggenhoofdcommandant de boel al had opgegeven besloot de luitenant zich naar zijn batterij te begeven – wist daartoe wel levend de Bredasche Weg af te zakken – om vervolgens zich een weg naar Willemstad te willen banen. Door roekeloosheid werd hem echter even later het leven ontnomen.

De Bruggenhoofdcommandant nam niet het logisch lijkende besluit om – teruggekomen op zijn bureau in het dorp – onmiddellijk de lokale verdediging te organiseren. Hij achtte het kennelijk interessanter om aan de overkant van het Hollands Diep te melden dat in vak Wieldrecht parachutisten geland waren. Welke onwerkelijkheid maakte zich van de kapitein Marijnen meester? Deze landing – voor de ogen van de gehele Groep Kil – behoefde door hem niet met dergelijke prioriteit te worden gemeld. Bovendien zat ook de kapitein Adriaansen nog op het bureau met de ambitie de telefonische meldingen te plegen. Geen enkele poging deed de Bruggenhoofdcommandant om zijn defensie te organiseren. Uiteindelijk werd hij op zijn bureau gevangen genomen, en was zijn rol als commandant uitgespeeld.

Zijn verslag van het gebeuren van die dagen vertoon eveneens weinig consistentie. Hij schrijft tenminste twee divergerende verslagen. Een vlak na de capitulatie, en eentje na de oorlog. De verslagen geven twee verschillende beelden van de gevangenneming en de behandeling daarna. In het ene verslag geeft hij aan zich in krijgsgevangenschap uit de dekking te begeven en de weerbarstige pontonniers bij de haven te sommeren de wapens te strekken, in het andere verslag werd hij vermeend als levende dekking gebruikt. De divergerende verslaglegging is consistent met de wankele beleidsvoering van deze officier. Een weinig verheffend beeld …

Alle andere gebeurtenissen vertonen evenzo bijzonder weinig positiefs over de verantwoordelijke bevelhebbers. De commandant van 12MC begaf zich naar de CP Bruggenhoofd in plaats van persoonlijk leiding te nemen over zijn beide secties aan de Rode Vaart vlakbij. Ter verzachting kan worden aangevoerd – hoewel hij dat niet in zijn verslag meldt – dat hij als enige officier op de CP aanwezig was en bleef. Hij deed echter geen enkele poging van daaruit leiding te geven. Ook dat beeld is consistent met zijn onverantwoord handelen op 9 mei als hij de 3e sectie van 12MC op de rijksweg posteert zonder enige afstemming met derden.

De commandant van 3-III-28RI maakte het helemaal bond. Hoewel hij zelf waarnam dat vijand rechtstreeks in zijn achtertuin landde, en dus noord van het station, beval hij zijn beide secties infanterie het zuidfront van het Bruggenhoofd te bezetten! Het volmaakt logische advies van zijn sergeant-toegevoegd om juist front noord te kiezen wuift hij arrogant weg. Rechtstreeks gevolg van zijn irrationeel en onverantwoord handelen is de spoedige uitschakeling van de helft van de compagnie door gevangenneming, en zijn eigen sneuvelen.

Aan de rechterzijde van het bruggenhoofd besloot de luitenant Haars dat zijn opdracht tot het behouden en verdedigen van het Bruggenhoofd ondergeschikt was aan een instructie van een door hem niet geïdentificeerd officier elders.

Op een niet te valideren bericht van een ordonnans besloot de luitenant zijn niet aangevallen doch strategisch sterke positie in het Bruggenhoofd te verlaten en zich met nota bene twee volledige secties zware mitrailleurs en een onaangetaste sectie infanterie naar Willemstad te begeven. Ook deze officier trad op zonder enig initiatief en zonder enige zelfstandigheid te tonen.

Bij 19.Bt LuA besloten de beide vaste kaderleden dat de instructie van de Commandant Luchtverdediging dat de neutraliteithandhavende batterijen LuA te allen tijde een volwaardige batterijofficier in de gelederen moesten hebben niet voor hen gold. Het feit dat twee aspirant officieren in de batterij waren werd gebruikt om aan extra nachtrust te komen. Zodoende had in de nacht van 9 op 10 mei een aspirant officier het bevel over de batterij en kwamen de beide batterijofficieren pas in de batterij toen deze al een half uur in actie was. Hierna nam de batterijcommandant luitenant Faber opeens persoonlijk leiding bij de stukken, kennelijk ter compensatie van diens eerdere afwezigheid. Na gewond te zijn geraakt bij een luchtaanval, werd de batterij chaotisch ontruimd. Een lokale verdediging tegen de parachutisten nam de batterijcommandant niet op zich. Toen tenslotte de batterij werd geëvacueerd was het een der vaandrigs die de lokale verdediging op zich nam. Ondertussen ging van de batterijcommandant zo weinig leiding uit dat het gros van zijn batterij uit ekaar raakte en gevangen werd genomen verspreid over vele locaties. Zelf ontsnapte de batterijcommandant wel ...

De door roekeloosheid gesneuvelde commandant van de batterij 6-veld werd naoorlogs onderscheiden. Hij ontving zelfs een MWO4 voor zijn handelen. Vermoedelijk heeft bij het kapittel de doorslag gegeven dat deze officier zich zeer moedig onderscheidde. Maar dat hij de beleidstoets voor de MWO doorstond kan op zijn zachtst gezegd opmerkelijk genoemd worden. Zijn gedachten was geweest - zo bleek uit het verslag van zijn sectiecommandant - zich aan de sterkte van het bruggenhoofd te onttrekken en helemaal te Willemstad nieuwe orders te gaan halen. Die gedachte kwam bepaald niet over als congruent met de instructie om het Bruggenhoofd te verdedigen, en was evenmin in overeenstemming met de opdracht van de kapitein Marijnen zich in te zetten waar dat kon, daarbij duidelijk doelend op een locatie binnen het Bruggenhoofd. Bovendien koos de luitenant wel een heel ongunstige positie om zijn stukken af te spannen. Hoewel men kan opvoeren dat onder vuur liggend verplaatsen risicovol was geweest, was het onder vuur afkoppelen, immobiliseren en bedienen van de onafgeschermde stukken nog veel gevaarlijker. De luitenant zou verstandig hebben gehandeld als hij zich zuidelijker had verplaatst – wat ook betekende ‘weg van de tegenstander’ – of zich bij de boerderij op had gesteld. Hij koos er echter voor op de kale dijk zijn stukken op te stellen en deze zelf te bedienen. De kapitein Muller die het alles waarnam vanuit de boerderij noemde het ‘roekeloos’, en zo komt het ook over. De luitenant was beslist moedig en gaf in die zin het voorbeeld voor zijn manschappen. Zijn beleid echter geeft aanleiding tot kanttekeningen.

Geslaagd beleid door lokale bevelhebbers wordt maar op enkele locaties waargenomen. Allereerst de kapitein-commandant van de Vaartuigendienst. Deze officier onderscheidde zich door verstandig handelen. Hij regelde als eerste bij aankomst het vaargereed maken van zijn vaartuigen en de beveiliging van zijn eigen positie in de haven. Bovendien bleef hij volkomen bij de les en handelde ook hierna rationeel. Ook zijn troepen onderscheidden zich door grote moed en vastberadenheid. De pontonnierssectie - non combattanten - waren het enige verband in het gehele Bruggenhoofd die met slechts enkele manschappen en wapens de tegenstander werkelijk dwongen tot omzichtig handelen. Uiteindelijk sneuvelden drie van de vijf moedige pontonniers die als laatste weerstand de aftocht dekten, maar wisten zij daarmee niet alleen de tegenstander werkelijk te treffen,

 maar ook de ontsnapping van het detachement vaartuigendienst met medeneming van een twintigtal militairen mogelijk te maken. De vijf pontonniers werden overigens onderscheiden.

De vaandrig Vegelin van Claerbergen van 19.Bt LuA onderscheidde zich door moedig optreden tijdens de strijd rond zijn batterij. Samen met de vaandrig Dalfsen, die de organisatie in het barakkenkamp voor zijn rekening nam, redde hij het blazoen van 19 Bt LuA. Van de beide vaste batterijofficieren, de luitenants Faber en van Teeckelenburg, ging nauwelijks iets uit.

Tenslotte het optreden van de vaandrig de Weerd van de sectie 3-3-III-28RI. Deze aspirant officier trad ook verstandig op. Hij anticipeerde op de gebeurtenissen om hem heen, en zorgde voor een rationele aanpassing van zijn verdedigingsopdracht. Dat deze bevelhebber door de numeriek sterkere Duitsers tenslotte tot overgave werd gedwongen mag hem niet worden verweten.

Slotbalans

Het bruggenhoofd Moerdijk viel in feite binnen een uur in Duitse handen. Dankzij buitengewoon slecht leiderschap over vrijwel de gehele linie der bevelvoerders vielen de 500 man Nederlandse bezetting vrijwel geheel in Duitse handen zonder dat het – met uitzondering van het gevecht in de haven van Moerdijk – tot een werkelijk gevecht van enige importantie was gekomen. Slechts het verband van drie secties aan de rechterzijde van het Bruggenhoofd kon zich aan gevangenschap onttrekken, maar deed dit op een weinig verheffende wijze.

Klooster Moerdijk

Een blik op het vooroorlogse klooster in Moerdijk. Het werd in de oorlog beschadigd tijdens een Geallieerd bombardement en op 7 november 1944 door Duitsers in brand gestoken tijdens de bevrijding van Moerdijk en omgeving. Het zou niet worden herbouwd.

Voor de Duitsers was het een buitengewoon eenvoudige klus gebleken. Veel eenvoudiger dan men vermoedelijk verwacht had. Hoewel de dropping niet geheel volgens plan verliep, was het Nederlandse verzet minimaal geweest. Dat weinige verzet was gebroken met niet meer dan zo’n 200 man gevechtstroepen die in eerste instantie ingezet konden worden. Door snelle manoeuvres binnen het Bruggenhoofd konden de Duitsers de weerstand in het dorp Moerdijk alsmede die bij de bruggen binnen anderhalf uur oprollen. Het kleine Duitse verband bij het station was zelfs in staat om een numeriek sterkere tegenstander in de zuidelijke sector van het Bruggenhoofd razendsnel op te rollen. Daarna resteerde slechts het opruimen van de restanten, wat door de Nederlanders zelf bijzonder werd gefaciliteerd door de zuidwesthoek van het Bruggenhoofd eigenmachtig te ontruimen.

Het verzet in het Bruggenhoofd Moerdijk was daarmee voor de Nederlanders een blamage van formaat geworden. Een - weliswaar pluriforme - bezetting van 500 man was binnen enkele uren uitgeschakeld door hoogstens 250 parachutisten, waarvan slechts een deel tegen de Nederlanders ten zuiden van de bruggen werd ingezet. Het enige wat de Duitsers daarna tot tegen het middaguur nog merkten van de Nederlanders was sporadisch artillerievuur dat op het Bruggenhoofd viel.

De Duitsers handelden snel. Er werden allerhande verkenningspatrouilles uitgezonden naar de buitengebieden om af te tasten of er tegenmaatregelen zouden worden genomen. Met gevorderde voertuigen reden de Duitsers de hoofdwegen af, en bezetten ze Lochtenburg, Zevenbergschen Hoek en Lage Zwaluwe met voorposten. De Nederlandse stellingen werden op strategische punten met machinegeweren bezet. Krijgsgevangenen werden afgevoerd naar Willemsdorp. De zelf lichtgewonde Oberleutnant Pagels vorderde het grote klooster, en interneerde er alle burgers van Moerdijk. Bovendien werd een grote verbandplaats ingericht om de vele tientallen gewonden aan beide zijden goed te kunnen behandelen. De bataljonsarts arriveerde spoedig vanaf de noordzijde van de Moerdijkbrug om de verbandplaats te bestieren.

Nog voor het middaguur zouden de Duitsers echter zelf in het defensief worden gedrukt. Want al vroeg in de morgen was de C-6GB geïnstrueerd de verloren bruggen te hernemen.

Voor de balans qua gesneuvelden wordt verwezen naar de bespreking onder 6GB, die vanaf het middaguur de strijd om het Bruggenhoofd zouden overnemen.

 

 
 
H2.3.9 Duitse turnkampioen betrokken bij gevechtshandelingen te Moerdijk.
 

Bij het zoeken naar meer informatie betreffende de gevechtshandelingen te Moerdijk waar J.A. van Houdt bij betrokken was , kwam ik op een site terecht met van de VPRO. Op deze site wordt een Duitse turnkampioen beschreven die betrokken was in de strijd om Moerdijk op 10 mei 1940

Naar alle waarschijnlijkheid is de Duitse turnkampioen gewond geraak door het vuur  van de vijf  pontonniers , waarvan |J.A. van Houdt bij behoorde.

Onderstaande tekst is overgenomen van de site;   http://geschiedenis.vpro.nl/artikelen/39880407/

Duitse turnkampioen viel in 1940 Nederland binnen

Beste turner van de twintigste eeuw gewond bij gevechten rond Moerdijk

De Duitse turner Alfred Schwarzmann heeft de nodige onderscheidingen. In 1936 kreeg hij vijf Olympische medailles. In 1940 werd hij militair geëerd voor zijn bijdrage aan de Duitse inval in Nederland. En in 1952 kreeg hij opnieuw Olympisch eremetaal.

Karl Alfred Schwarzmann is van 1912. Toen hij 24 jaar oud was, waren in zijn land de Olympische Spelen. Hij won drie keer goud: turn landenteam, turn parcours en paard. Ook eindigde hij op de derde plaats bij de brug en evenwichtsbalk. Schwarzmann was daarmee met Eugen Mack, Konrad Frey en Jesse Owens de meest succesvolle deelnemer van deze Spelen.                                                                                                                                              Olympisch kampioenen zijn altijd populair en Schwarzmann in 1936 al helemaal. Mede omdat turnen in Duitsland onder Hitler een nationale sport was, genoot hij van de nodige voordelen. Die kwamen van pas in het leger, waar hij sinds 1935 onderdeel van uitmaakte. Als dank voor zijn kampioenschappen kreeg hij meteen de rang van 'Leutnant', alhoewel hij daarvoor geen opleiding had genoten.                                                                                              Albert Goossens deed onderzoek naar Schwarzmann. Op de site War Over Holland schrijft hij over de turnkampioen: ‘Na de Olympische hoogtepunten zwaaide hij echter spoedig af, werd reservist en werd aangesteld aan de legersportschool in Wünsdorf als sportinstructeur. In Wünsdorf zat toevallig ook de compagnie van de landmacht parachutisten. Het was Fritz Prager, die in 1939 Schwarzmann benaderde om de ‘Fallschirmjäger’ te komen trainen.  Dat had een goede reden. Het aantal blessures onder de springers was enorm groot en wie beter dan een turnkampioen zou de manschappen kunnen leren om goed neer te komen, door te rollen en zo de enkels en knieën te sparen.’ Aldus Goossens, die nog opmerkt dat Schwarzmann tot Oberleutnant werd gepromoveerd. In die hoedanigheid werd hij in mei 1940 afgeworpen boven Moerdijk, waar hij kort daarna gewond raakte.                                                                                                                                                                                                                                   Goossens meldt hierover: ‘Het waren de kogels van de Nederlandse pontonniers aan de kop van de Moerdijkse haven, die Schwarzmann uitschakelden. ‘Feldwebel’ Kühl, die vlak naast hem lag, sleepte Schwarzmann tegen de gevel van een huis aan. Enige tijd daarna was het pleit voor de Nederlandse pontonniers beslecht. De mannen werden omsingeld doordat van de west en oostkant ook Duitse groepen hen begonnen in te sluiten.                                                                                                                                                                                                                                     Toen de munitie spoedig daarna op was, gaven de resterende mannen zich over aan de Duitsers. De strijd ter plaatse was voorbij. Het klooster werd gevorderd en de gewonden werden verzorgd, onder wie Schwarzmann. Hij zou daarna via Tweede Tol tenslotte in het ziekenhuis in Dordrecht terecht komen.’                                                                                                                                                                                                                                        De Nederlandse schaatser Siem Heiden beweerde later dat hij Schwarzmann tijdens de gevechten zou hebben ontmoet, maar volgens Goossens zou van dat verhaal weinig kloppen. Daar komen we in een volgend artikel op terug.                                                                                                                   Ondanks de geringe bijdrage aan de gevechten, kreeg de turnkampioen drie militaire onderscheidingen: het EK-I en EK-II en zelfs het Ridderkruis. Goossens: ‘Die laatste onderscheiding kreeg hij mogelijk omdat zijn gezondheidstoestand zodanig was, dat men zijn spoedig overlijden verwachtte. Desalniettemin wist de atleet zijn zware verwondingen te overleven en had zo drie onderscheidingen gekregen – waaronder het toen nog zeer unieke Ridderkruis – voor in feite onopvallende prestaties. Althans, naast het feit dat hij in de strijd zwaar gewond was geraakt, was hij niet opgevallen tussen onderofficieren en manschappen die wél voor hun krijgsinzet waren gezien onder collegae, maar niet in de eer van Schwarzmann deelden.’

In juni 1940 werd Schwarzmann uit het ziekenhuis ontslagen, waarna hij naar Kreta en de Sovjet Unie werd gestuurd. Vier jaar later speelde zijn oude wond weer op en moest hij opnieuw worden opgenomen. Na de oorlog werd hij Brits krijgsgevangene, maar eind 1945 alweer vrijgelaten. Zijn laatste onderscheiding was in 1952, toen Schwarzmann opnieuw meedeed aan de Spelen. Eigenlijk had hij goud op de brug verdiend, maar de jury wilde die medaille niet aan hem geven vanwege zijn Duitse nationaliteit.                                                                                                                                     Goossens: ‘Het is een mogelijkheid binnen een jurysport, maar zou Schwarzmann zijn Ridderkruis hebben gehad in 1940 als hij geen topatleet was geweest? Mag met enige ongepaste valsheid worden vastgesteld dat er dus enige vorm van gerechtigheid in deze zilveren medaille lag?’                                                                                                                                                                                                                                                    In maart 2000 is Schwarzmann overleden. Hij werd uitgeroepen tot de beste Duitse turner van de twintigste eeuw.

 

 

Op deze geschiedenis site van de VPRO staat ook de site ;Zuidfront Holland doorgelinkt   .Alfred Swarzmann wordt hier uitgebreid omschreven.

Onderstaande informatie is afkomstig van de site http://www.waroverholland.com/zfh/index.php?page=heiden-versus-schwarzmann

Karl Alfred Schwarzmann

In maart 1912 werd in Fürth Karl Alfred Schwarzmann geboren. In 1935 kwam hij op bij de Reichswehr, waar in datzelfde jaar de dienstplicht weer in ere was hersteld. Hij kwam bij IR.13 en werd spoedig Unteroffizier wegens zijn atletenstatuur. De meeste tijd stak hij in sport, want Schwarzmann was een zeer getalenteerd turner. In Hitler-Duitsland was de topsporter de verpersoonlijking van de Arische suprematie en daarmee werd een uitstekend klimaat in het leger geschapen voor dergelijke exponenten van de Nazi ideologie.

Tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn werd Schwarzmann de superheld van de Duitsers. Hij veroverde maar liefst drie gouden [turn landenteam, turn parcours, paard] en twee bronzen plakken [brug en evenwichtsbalk]. Daarmee werd Schwarzmann naast de Duitser Konrad Frey [3 x goud, 1 x zilver, 2 x brons] en de beroemde Amerikaan Jesse Owens [4 x goud] de meest gedecoreerde Olympische deelnemer in 1936. Duidelijk dat Schwarzmann een absolute held was in Duitsland.

Als beloning voor zijn sportieve prestaties, die op Duitsland afstraalden, werd de nauwelijks militair geschoolde Schwarzmann zelfs tot Leutnant bevorderd. Na de Olympische hoogtepunten zwaaide Schwarzmann echter spoedig af, werd reservist en werd aangesteld aan de legersportschool in Wünsdorf als sportinstructeur. In Wünsdorf zat toevallig ook de compagnie van de landmacht parachutisten die op dat moment nog niet naar Stendal waren overgeplaatst. Het was Fritz Prager [in mei 1940 commandant van II./FJR1] die in 1939 Schwarzmann benaderde om de Fallschirmjäger te komen trainen. Dat had een goede reden. Het aantal blessures onder de springers was enorm groot en wie beter dan een turnkampioen zou de manschappen kunnen leren om goed neer te komen, door te rollen en zo de enkels en knieën te sparen?!

Schwarzmann haalde zelf ook zijn brevet en na enige tijd werd hij aangesteld bij de 8e Kompanie als pelotonscommandant. Op 1 april 1940 werd hij zelfs tot Oberleutnant gepromoveerd en plaatsvervangend compagniescommandant. Als zodanig zou Oberleutnant Schwarzmann boven Moerdijk afspringen en kort aan de gevechten deelnemen. Schwarzmann sprong overigens af in Heer uniform. Net als enkele andere uit de reguliere landmacht overgekomen (onder)officieren was hij nog niet in Luftwaffe blauw gekleed.

Naar aanleiding van zijn inzet in Nederland in mei 1940, dat al na korte tijd eindigde met zijn zware verwondingen in borst en bovenarm, kreeg Schwarzmann het EK-I en EK-II uitgereikt. Enkele dagen later zelfs het Ridderkruis. Die laatste onderscheiding kreeg hij mogelijk omdat zijn gezondheidstoestand zodanig was, dat men zijn spoedig overlijden verwachtte. Desalniettemin wist de atleet zijn zware verwondingen te overleven en had zo drie onderscheidingen gekregen – waaronder het toen nog zeer unieke Ridderkruis – voor in feite onopvallende prestaties. Althans, naast het feit dat hij in de strijd zwaar gewond was geraakt, was hij niet opgevallen tussen onderofficieren en manschappen die wél voor hun krijgsinzet waren gezien onder collegae, maar niet in de eer van Schwarzmann deelden. Het werd de Oberleutnant niet gegund dat hij zo overdadig was gedecoreerd en vrijwel een ieder zag hem vooral als een propaganda decorandus.

In juni 1940 werd Schwarzmann uit het ziekenhuis ontslagen. Schwarzmann nam daarna deel aan de strijd rond Heraklion [Kreta] en later in de Sovjet Unie. In juni 1942 werd hij tot Hauptmann bevorderd en kreeg hij het bevel over 8./FJR1 dat hij tot 1943 aanvoerde. Nadien kreeg hij twee staffuncties, vermoedelijk wegens het feit dat zijn prestaties in het veld niet overdreven goed waren.

In maart 1944 moest Schwarzmann in het ziekenhuis worden opgenomen omdat zijn oude longwond uit de meidagen hem wederom parten speelde. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis werd hij tot Major bevorderd, maar raakte spoedig daarna in Brits krijgsgevangenschap. Eind 1945 kwam hij vrij.

In 1952 presteerde Schwarzmann het om voor Duitsland in Finland op de brug wederom een medaille in de wacht te slepen. Hij kreeg zilver, maar de Zwitserse winnaar [Jack Günthard] zou later verklaren dat het goud naar Schwarzmann was gegaan als deze niet een Duitse atleet was geweest en zodoende het juryoordeel niet mee had gekregen. Het is een mogelijkheid binnen een jurysport, maar zou Schwarzmann zijn Ridderkruis hebben gehad in 1940 als hij geen topatleet was geweest? Mag met enige ongepaste valsheid worden vastgesteld dat er dus enige vorm van gerechtigheid in deze zilveren medaille lag ...?

Naoorlogs was Schwarzmann snel uit beeld bij de Fallschirmjäger. Hij kwam na enige – vermoedelijk minder prettig verlopen – reunies niet meer opdagen en onderhield geen contacten met de Fallschirmjäger met uitzondering van gewezen Feldwebel Kühl. In 1992 bezochten Kühl en Fallschirmjäger fanaat Eric Queen [Amerikaans auteur] Schwarzmann en bij die gelegenheid probeerde Kühl hem nogmaals over te halen mee te gaan naar een reunie. Schwarzmann had ‘de gebruikelijke smoezen’ om niet mee te gaan.

De aanleiding daarvoor ligt voor de hand. Uit vele persoonlijke verslagen van Fallschirmjäger veteranen bleek dat men Schwarzmann weliswaar niet (meer) kwalijk nam dat hij wegens propaganda doeleinden het Ridderkruis had gekregen, maar men nam hem zeer kwalijk dat hij er desondanks gedurende de oorlog zwaar prat op was gegaan het te hebben verkregen. Hij zou te pas en te onpas het uit zijn kraag hebben gehaald en het mensen onder de neus hebben gewreven. Dat terwijl hij alles behalve om zijn militaire prestaties werd herinnerd. Zoals men wel zei ‘er war kein herausragender Kämpfer oder ein sogenanntes Frontschwein … er hat gerne lang geschlafen, Sport getrieben und früh Dienstschluss gemacht. Schwarzmann war mehr Sportler als Soldat’.

In maart 2000 overleed Schwarzmann, vlak voor zijn 88ste verjaardag (!). Zijn dochter [Helma] werd een van de meest succesvolle bondscoaches paardgymnastiek met 30 wereldtitels voor haar pupillen.

Moerdijk, mei 1940

[458] Oberleutnant Schwarzmann was door Hauptmann Prager toegevoegd aan de Kampfgruppe die door Leutnant Dietrich Lemm zou worden aangevoerd met als doel het dorpje Moerdijk in te nemen en van Nederlandse troepen te zuiveren. Nadat Lemm op de Steenweg bij de KMAR kazerne was gesneuveld, was Schwarzmann de opvolger geworden van Lemm. Dat op zich mag al een markante kwestie heten. Als Oberleutnant was Schwarzmann immers bij voorbaat de hogere rang ten opzichte van Lemm, en toch had de laatste het commando gehad. Overigens was het niet geheel ongebruikelijk dat de commandanten van de Schwere Kompanie functioneel ondergeschikt werden aan die van Jäger Kompanies, zo leert navraag bij de BDF.

Het waren echter de kogels van de pontonniers aan de kop van de Moerdijkse haven die minuten later Schwarzmann uitschakelden. Feldwebel Kühl, die vlak naast hem lag, sleepte de officier tegen de gevel van een huis aan.

Zoals vermoedelijk bekend was enige tijd daarna het pleit voor de Nederlandse pontonniers beslecht. De mannen werden omsingeld doordat van de west en oostkant ook Duitse groepen hen begonnen in te sluiten. Toen de munitie spoedig daarna op was, gaven de resterende mannen zich over aan de Duitsers. De strijd ter plaatse was voorbij. Het klooster werd gevorderd en de gewonden werden verzorgd, onder wie Schwarzmann. Hij zou daarna via Tweede Tol tenslotte in het ziekenhuis in Dordrecht terecht komen.