|
In 1988 nam ik in
mijn bundel Voor mevr. en men. Naaktgeboren
een vertaling op van 'Minnena ser mig', 'De
herinneringen zien me', een gedicht van de Zweed Tomas Tranströmer.
Dat deed ik niet zomaar. Enkele jaren daarvoor had ik via vertalingen
van Bernlef kennis gemaakt met zijn werk. Dat was me niet in de kouwe
kleren gaan zitten. Het gaf voor mij de doorslag om Zweeds te gaan studeren.
Toen ik dat een beetje onder de knie begon te krijgen, besloot ik te proberen
of ik een verblijf in Zweden kon combineren met een gesprek met de man
die anno 2002 door velen als een van de grootste levende dichters wordt
beschouwd. Hieronder volgt de weerslag van dat gesprek uit 1987 zoals
het in 1988 is gepubliceerd in het tijdschrift Bzzlletin.
Ik heb geprobeerd
heel discreet te zijn
Een gesprek met een ernstige, lachende schrijver
Toen Penguin begin
jaren zeventig een nieuw deeltje in haar reeks 'Penguin Modern European
Poets' wilde uitgeven met gedichten van de Finse dichter Paavo Haaviko,
dreigde het een te dun bundeltje te worden. Naarstig ging men op zoek
naar nog een Scandinaviër. Uiteindelijk vond men in de la van vertaler
Robert Fulton een paar gedichten van Tomas Tranströmer. Die moest het
dan maar worden.

uitgave uit 1985
van De Verloren Tijd (later Perdu) in een oplage van 15 xemplaren
t.g.v. van een avond met Tranströmer en Bernlef |
Twintig jaar eerder,
in 1954, verraste een jonge Zweedse dichter de Zweedse lezers en critici
met zijn debuutbundel 17 dikter (17 gedichten). Zijn naam: Tomas
Tranströmer. Zijn poëzie was zo opvallend dat hij daarvoor al enige bekendheid
had verworven met enkele gedichten in tijdschriften. De acht bundels die
tot nu toe op het debuut volgden, maakten hem tot een van de belangrijkste
dichters van Zweden, zo niet Scandinavië. Een Zweedse recensent schreef:
'Als geen ander in de Zweedse poëzie is hij in staat de lichtbogen tussen
dingen en woorden te laten ontstaan, waardoor er nieuwe verbindingen zichtbaar
worden. Alle poëzie die na 1954 in Zweden is geschreven, heeft op de een
of andere manier met Tranströmer te maken. Hij heeft altijd veel epigonen
gehad - tegenstanders, vooral tijdens het hoogtij van het engagement in
de zestiger jaren, zelfs nog meer. Maar niemand heeft hem links kunnen
laten liggen, iedereen heeft zijn plaats ten opzichte van hem moeten bepalen.'

het was een tweetalige editie |
Langzamerhand is ook
het buitenland onder de indruk geraakt van de dichter die slechts weinig
en dunne bundeltjes schrijft. Inmiddels is hij de meest vertaalde Zweed.
Bernlef is degene die dat werk in Nederland doet en dat het hem daarbij
niet zozeer om brood op de plank te doen is, blijkt uit wat hij schrijft
in het nawoord bij de bundel Zwarte ansichten, vertalingen van
gedichten uit twee van Tranströmers latere bundels:
Het is mij maar
hoogst zelden overkomen dat het werk van een dichter mij zo 'op het
lijf geschreven voorkwam. De schok der herkenning is dat wel eens genoemd.
Maar het is geheimzinniger. Het had meer te maken met een zogenaamde
déjà-vu-ervaring dan met een vorm van herkennen. Het was een gevoel
alsof de gedichten op de een of andere manier al ergens in mij bestonden,
dat ik ze al eens ergens gelezen had, al wist ik dat dat onmogelijk
was, en dat alleen het lezen van Tranströmers tekst nodig was geweest
om wat als vage vermoedens en intuïties al in mij aanwezig was, naar
de oppervlakte te brengen. En misschien is dat ook zo, halen sommige
gedichten als hengels iets in ons naar boven. Het is moeilijk dat déjà-vu-gevoel
van toen onder woorden te brengen, misschien wel omdat het in eerste
instantie een fysieke sensatie was: het gloeien van wangen, kriebel
in de nek, niet meer in staat de benen stil te houden.
Bij de eenmansuitgeverij
Marsyas van beijveraar Guy Vandeputte verscheen in 1982 de bundel Nachtzicht,
een bloemlezing uit het merendeel van de negen bundels, en in 1985 de
al genoemde Zwarte ansichten, waarin behalve vertalingen uit Tranströmers
tot nu toe laatste bundel Det vilda torget (Het wilde plein) ook
een vertaling is te vinden van het grote, uit 1974 stammende gedicht Östersjöar
(Oostzeeën). Vrijwel tegelijkertijd brachten Marsyas en Meulenhoff
eind vorig jaar weer werk van de Zweedse dichter uit. Meulenhoff deed
dit in een nieuw deel van de 'Poetry International Serie', de bloemlezing
Dit is het leven dat verder zal gaan (Twaalf moderne Zweedse dichters).
Een bundel met natuurlijk Tranströmer en andere in Nederland enigszins
bekende dichters als Gunnar Ekelöf en Harry Martinson, maar er staat ook
poëzie in van Zweden die hier als dichter nagenoeg onbekend zijn, zoals
de oude modernist Pär Lagerkvist, de gevierde toneelschrijver Lars Norén
en de Finszweedse Edith Södergran. Marsyas heeft na recenter werk van
Tranströmer gekozen voor het vroegste: Bernlefs integrale vertaling van
het debuut uit 1954.
Ondergetekende lezer,
wiens ervaringen met de gedichten wel wat lijken op die van de vertaler,
is van de zomer in Zweden geweest en heeft daar de dichter ontmoet, die
volgens een criticus zowel arend als mol is: hij beschikt over de alles
(over)ziende ogen van de arend en het onderaardse, ondermijnende gerommel
van de mol.
Muziek
Het is een enigszins
omgekeerde wereld: niet de interviewer komt op bezoek bij de dichter,
maar de laatste komt op bezoek bij de eerste. Tranströmer woont in Västerås,
ongeveer 100 km ten westen van Stockholm, maar moet toch in de hoofdstad
zijn en komt langs op het logeeradres van de nieuwsgierige Nederlander.
De cello's die in
verschillende hoeken van de kamer staan hebben de interesse van Tranströmer
gewekt. Zelf is hij een verwoed muziek-liefhebber en -beoefenaar. Muziek
keert ook vaak terug in zijn gedichten. Van de zeventien gedichten uit
zijn debuut bijvoorbeeld dragen er vier titels die aan de muziek ontleend
zijn: 'Preludium', 'Ostinato', 'Lied' en 'Elegie'. Eén van zijn bekendste
gedichten is 'Allegro'.
ALLEGRO
Ik speel
Haydn na een zwarte dag
en voel een simpele warmte in mijn handen.
De toetsen
zijn willig. Milde hamers slaan.
De klank is groen, levendig en kalm.
De klank
zegt dat de vrijheid bestaat
en dat iemand de keizer geen belasting betaalt.
Ik steek
mijn handen diep in mijn haydnzakken
en doe als iemand die de wereld in alle rust aanschouwt.
Ik hijs
de haydnvlag - dat betekent:
'Wij geven ons niet over. Maar willen vrede.'
De muziek
is een glazen huis op de helling
waar stenen rondvliegen, stenen rollen.
En de stenen
rollen er dwars doorheen
maar iedere ruit blijft heel.
Was je misschien liever
musicus geworden?
O ja, zeker. (Lacht.)
Maar misschien was ik dan te gespitst geweest op de technische kanten.
Nu is mijn verhouding tot muziek veel emotioneler, vrijer waarschijnlijk
dan wanneer het mijn beroep zou zijn.
Je
poëzie is vaak muzikaal. Toch denkt de lezer bij lezing van je gedichten
niet direct: dit is taalmuziek.
Nee,
dat is waar. De muziek in mijn gedichten is meer te herkennen in de vorm,
in het geheel. Poëzie en muziek hebben een begin, een middendeel, een
slot. Beide ervaar je in de tijd, beide kennen thema en variatie. Een
aantal van mijn gedichten zou heel goed in compositie-termen beschreven
kunnen worden. 'Langs stralen van de cirkel' bijvoorbeeld: adagio en pianissimo,
dan een crescendo in een steeds sneller ritme, pauze, adagio en als slot
een heel korte repetitie. (Hij pakt de uitzonderlijk goedkope pocketuitgave
van zijn verzamelde gedichten van tafel en laat voorlezend meteen horen
wat hij bedoelt.) Poëzie en muziek zijn nauw verwant. Het is moeilijk
te beschrijven, maar ik heb, omdat ik zoveel met muziek bezig ben, luister,
speel, een gevoel voor muzikale vormen ontwikkeld dat ik ook in mijn gedichten
gebruik. Het is dus meer vorm, compositie dan klank.
In het gedicht 'Korte
pauze in het orgelconcert' noem je het geluid van het verkeer buiten,
van de buitenwereld 'het grote orgel'.
Ik weet niet of ik, toen ik aan dit gedicht begon, wist hoe het af zou
lopen. Het begon in ieder geval in de kathedraal van Västerås. We zaten
te luisteren naar een orgelconcert, er was een korte pauze en plotseling
hoorde ik het geraas van het verkeer buiten. Zo simpel ligt het. (Lacht.)
Bovendien had ik toen een vrij hoge bloeddruk en hoorde ik mijn eigen
bloed stromen. Dat was het vertrekpunt, een soort trampoline voor de sprong
naar al het andere, het meer filosofische vervolg van het gedicht.
De Linnaeus-traditie
De gedichten van Tranströmer
stoelen altijd op eigen ervaringen en observaties. Robert Bly, zijn Amerikaanse
vertaler, schreef in dit verband: 'Mallarmé was van mening dat poëzie
een raadsel dient te bevatten, en maande de dichters aan daar voor te
zorgen, zo nodig door de banden te verbreken die het gedicht verbinden
met de aanleiding ertoe in de bestaande wereld. In Tranströmers poëzie
wordt de band met de aanleiding koppig vastgehouden. En toch,' voegt Bly
eraan toe, 'zelfs na vele lezingen blijft er een raadsel en een verrassing.'
Het is voor mij noodzakelijk
wanneer ik schrijf om die band te ervaren. Ik weet eigenlijk niet waar
het vandaan komt. Misschien is het een Zweedse traditie: proberen dicht
bij de natuur te zijn, te observeren. (Lacht.) Je zou het misschien de
Linnaeus-traditie kunnen noemen. Er zijn bij mij twee polen: dicht bij
de werkelijkheid blijven en de verbeelding, en die gaan hand in hand.
Ik ben niet zo geïnteresseerd in gedichten of romans die louter verbeelding
zijn.
Mijn gedichten beginnen vaak met notities die ik gemaakt heb al, eh, rondbanjerend
op de wereld. De voor mij meest typerende manier van schrijven is, zeker
als het om langere gedichten gaat, dat er veel tijd over heen gaat en
dat het gedicht gebaseerd is op fragmenten die her en der vandaan komen,
die ik verzamel. Die fragmenten kruipen naar elkaar toe, als mieren op
weg naar de mierenhoop. Ze dragen van alles aan, allerlei notities, observaties.
(Lacht.) Dit beeld klopt niet helemaal, want elke mier wordt aanvaard
in de mierenhoop, maar niet elk fragment is welkom in het gedicht.
Bundeling van krachten
Is deze schrijfwijze
ook de reden dat er in je gedichten vaak zoveel verschillende zaken en
gebieden samenkomen, meestal op zo'n manier dat het lijkt alsof ze altijd
bij elkaar gehoord hebben? Ik word vaak verrast door wat je samenbrengt.
(Opnieuw lachend.) Het doet me goed dat te horen. Poëzie is voor mij het
tegendeel van de conventionele, gangbare manier van omgaan met de werkelijkheid.
We brengen er een patroon in aan. Dit hoort hier, dat hoort daar enzovoort.
Maar de werkelijkheid zelf is zo complex en vol verbanden tussen het ene
en het andere; en in poëzie kun je samenbrengen, bundel je krachten. Natuurlijk
niet alles, maar een nieuwe combinatie van deeltjes werkelijkheid is in
zekere zin een scheppende daad. En dat is wat er soms gebeurt, als we
ons in een vreemde situatie bevinden en iets meemaken dat van uitzonderlijk
belang voor ons is. Dan komen we tot de ontdekking dat delen van de werkelijkheid
die we altijd gescheiden hebben gehouden, samen zijn gekomen.
Er is in de jaren
zestig, toen de literatuur hier in Zweden een sterk politieke inslag kreeg,
als een vorm van kritiek geschreven dat je de werkelijkheid als een gedicht
zou beschouwen.
Tja, men verweet mij toen min of meer dat ik niet genoeg aan politiek
deed, geen grote gedichten over sociale omwentelingen schreef. Maar als
met een gedicht iets heel afstandelijks en vrijblijvends bedoeld wordt,
is het natuurlijk een slechte zaak. Als je daarentegen veel wilt met poëzie,
is er niets verkeerds mee.
Ik zou poëzie en werkelijkheid eigenlijk niet zo tegenover elkaar willen
stellen. Ik probeer ze niet te scheiden, poëzie en werkelijkheid moeten
hand in hand kunnen gaan. Maar misschien zou het anders zijn als ik een
meer 'literair' mens was, een leven had omringd door het literaire wereldje.
Je vindt jezelf niet
zo 'literair'?
Nee, helemaal niet, alleen in de zin dat ik schrijf en lees, maar ik ben
geen deel van wat je misschien een cultureel getto zou kunnen noemen.
Dat idee heb ik althans niet. Dat ik nog altijd die baan heb - Tranströmer
had in 1987 als psycholoog een deeltijdbaan bij het Zweedse Arbeidsbureau
en adviseerde bij problemen rond reclassering, invaliditeit en drugsverslaving
- heeft daar waarschijnlijk ook mee te maken. (Hij lacht) Ik wil niet
compleet verloren raken.
Beschouw je jezelf
allereerst als psycholoog of als dichter?
Beide eigenlijk, hoewel ik in zekere zin eerst een dichter ben. Ik zou
me voor kunnen stellen dat iemand mijn plaats inneemt als psycholoog en
het misschien wel veel beter doet. Maar ik ben de enige die mijn gedichten
kan schrijven. Dus in dat opzicht... maar eigenlijk wil ik niet in zulke
categorieën denken. Ook in dit geval wil ik die twee werelden niet scheiden.
Soms geeft dat problemen, wanneer mensen mij zien als representant van
het een of ander, van dé dichter bijvoorbeeld. Dat ben ik niet. Ik wil
één persoon zijn, niet een representant.Tja...
Oostzeeën,
het grote gedicht uit 1974, is misschien wel hét voorbeeld van hoe allerlei
zaken en niveaus worden samengebracht. Het begint al met de almanak van
Tranströmers grootvader, de loods die alle schepen die hij loodste, erin
noteerde. Schepen uit Hull, Sandefjord, Stettin. Het is een gedicht vol
geschiedenis, persoonlijke, politieke en sociale. Aan het eind van het
derde deel - dit moderne epos telt zes delen en geen of vele helden -
schrijft de dichter:
Ik weet niet of
wij ons aan het begin of in het laatste stadium bevinden.
Er kan
geen samenvatting worden gemaakt, een samenvatting is onmogelijk.
De samenvatting is de alruin -
(zie in het naslagwerk onder bijgeloof:
ALRUIN
wonderdadige
plant
die zo'n vreselijke schreeuw gaf als zij uit de grond werd getrokken
dat men dood neerviel. Een hond moest dat doen...)
Samenbrengen is iets
anders dan samenvatten.
Het is een beetje zoals wanneer je met een legpuzzel bezig bent. Je brengt
de stukjes bij elkaar en dan komt er een punt waarop je zegt: 'Ah, nu
is hij af', om vervolgens tot de ontdekking te komen dat je alleen maar
een stukje van een nog veel grotere puzzel hebt gecreëerd. Een samenvatting
is natuurlijk vaak praktisch, maar in poëzie hoef je dat niet te doen.
Paradoxen en contradicties
In 'Korte pauze in
het orgelconcert' is iets dergelijks te lezen. Daar schrijf je: 'En ieder
abstract beeld van de wereld is even onmogelijk als het ontwerp voor een
storm.' In dezelfde bundel staat het prozagedicht 'IJslandse orkaan'.
Van die orkaan zeg je dat Turner hem had kunnen schilderen.
Turner schilderde ook werkelijk tijdens stormen. Dat was een associatie
die ik direct kreeg. Turner is in feite heel realistisch. Ook de impressionisten
hadden de ambitie op een heel directe manier met observaties om te gaan.
Turners stormschilderijen zijn dan ook allesbehalve een abstract beeld
van de werkelijkheid.
'Korte pauze in het orgelconcert' is een gedicht waarin ik wat filosofischer
ben dan gewoonlijk. (Lacht en pakt het gedicht erbij.) Het is min of meer
een bekentenis. Het is een soort polemiek tegen mensen die je een blauwdruk
van de wereld willen geven, wetenschappers, theologen enzovoort. Wat ze
je aanbieden is een abstract beeld, een blauwdruk, niet de werkelijkheid
zelf.
Even verderop in hetzelfde
gedicht schrijf je over het leven als 'het boek der tegenspraken'. Je
gebruikt paradoxen in je gedichten, maar vaak laat je de contradicties
voor wat ze zijn: tegenstrijdigheden. Ze hoeven niet opgeheven te worden,
hoeven geen paradoxen te worden.
Er zijn plaatsen waar ik wel paradoxen heb. Het prozagedicht 'Funchal'
bijvoorbeeld eindigt met paradoxen: 'Een drankje bubbelend in lege glazen.
Een luidspreker die stilte uitzendt. Een pad dat achter elke stap weer
dicht groeit. Een boek dat alleen in het donker gelezen kan worden.' Dit
is zogezegd een religieus slot aan het gedicht. Het is verwant met de
christelijke, mystieke traditie die 'het grote mysterie' als een reeks
paradoxen presenteert.
Maar contradicties contradicties laten zijn, zonder de tegenstrijdigheid
op te heffen, zonder er paradoxen van te maken, dat is... ook een vorm
van realisme. (Lacht.) Ik wil de gedichten niet verwarrender maken dan
ze zijn. Dit soort opmerkingen... laat de lezer maar beslissen hoe hij
ze wil lezen. Bij gedichten is het veel belangrijker dat je iets begint
dat verdergaat en doorgaat, dat de lezer ermee aan de slag kan en gaat.
Het zijn in zekere zin verslagen van innerlijke tochten, van wat ik ontdek
als ik schrijf. Maar de gedichten geven geen verklaringen; het zijn eerder
reisverhalen dan verklaringen.
Ambities
Het probleem bij dergelijke
vragen en antwoorden is dat het je een vervormd beeld geeft van het type
schrijver dat ik ben; een beeld van iemand die er naar streeft precies
te weten wat hij aan het doen is en waarom. Alsof ik je dat haarfijn zou
kunnen uitleggen. Het is zo makkelijk om antwoorden te geven die te veel
nadruk leggen op de bewuste, plannende en rationaliserende kant van het
schrijven. Iedereen wordt zo tevreden gesteld. Maar mijn ambitie is, denk
ik, veel eerder openstaan, me openstellen voor wat juist niet bewust beheerst
kan worden. Het is een vreemde combinatie van onderzoeken, proberen te
corrigeren en tegelijkertijd volkomen passief zijn. De dingen die geschreven
willen worden, geschreven laten worden (Grinnikt.) Zelfs al weet je niet
waarom.
Aan het eind van het
gedicht 'De voorpost' schrijf je over de gebeurtenissen in een mensenleven
als 'een murmelende volksmassa buiten voor de afzetting./ Ze kunnen slechts
één voor één passeren./ Ze willen naar binnen. Waarom? Ze komen/ één voor
één. Ik ben het tourniquet.'
Ja, dit gaat voor mij inderdaad om de gebeurtenissen in je leven die je
moet accepteren, maar als je bedoelt dat dit ook van toepassing is op
mijn manier van schrijven, dan heb je gelijk, zeker. Het is een mengeling
van beheersing en absolute, eh, anarchie. (Lacht.)
Lars Gustafsson, die
andere, misschien wat bekendere Zweed, noemde je ooit 'een visionair dichter'.
Zieners kenmerken zich ook door ontvankelijkheid. Passiviteit als voorwaarde
voor de ontvangst van visioenen.
Dit zijn te
grote en te vreemde woorden. Maar er zit een kern van waarheid in, als
je tenminste de nadruk op het visuele legt. Als je de eigenschap, de kwaliteit
bezit de vreemde dingen te zien die soms voor je ogen gebeuren, ben je
misschien een 'ziener'. Mensen die zich daar niet meer voor open kunnen
stellen, zullen waarschijnlijk niet van mijn poëzie houden. De gedichten
worden te zeer gekenmerkt door kijken en zien. Het is ook een van de redenen
waarom ik een beetje bang ben voor de visuele massamedia. Iedereen krijgt
alle beelden al voorgeschoteld; de mensen hoeven ze zelf niet meer te
produceren. Ik denk wel eens dat kinderen in Afrika bijvoorbeeld betere
poëzielezers zijn. Zij moeten het vaak nog zonder visuele hulpmiddelen
stellen en alles wat ze horen of lezen moeten ze zelf voor hun innerlijk
oog verbeelden. Ik weet niet of televisie echt funest is voor kinderen
die er de hele dag voor hangen, maar ik vermoed dat het vermogen zelf
beelden te produceren toch wel aangetast wordt.
Je bent als dichter
wel eens vergeleken met iemand die zich door dergelijke bezwaren niet
liet weerhouden om driftig gebruik te maken van het massamedium film,
Tarkovski, regisseur en de zoon van een dichter. Je hebt je ook wel eens
door hem laten inspireren.
Ja, maar bij hem is het heel anders. Zijn beelden produceren alleen maar
meer beelden bij de kijker. Het is al weer enkele jaren geleden dat ik
Stalker zag. En ook al verveelde ik me soms en was het soms wat
langdradig, toch ben ik nog regelmatig met die film bezig. Dat is iets
wat niet zo vaak gebeurt.
Identiteit, geschiedenis
Tarkovski's laatste
film Offret (Het Offer) is in Zweden opgenomen en is Zweeds gesproken.
Het landschap lijkt op dat uit Tranströmers bundels 17 gedichten
en Oostzeeën. Maar ook de thematiek toont verwantschap. In de film
offert een man zich op voor de anderen. Bij Tranströmer zijn er keer op
keer passages waaruit blijkt dat de eigen persoonlijkheid niet een allesoverheersend
begrip is, zonder dat er sprake is van een vage, extatische overgave.
In het gedicht 'Carillon' uit zijn laatste bundel Het wilde plein
schrijft hij 'het grote onbekende waar ik deel van uitmaak en dat zeker
belangrijker is dan ikzelf.'
Persoonlijkheid, de
eigen identiteit is bij jou vaak een niet zo vast bepaald en vastomlijnd
iets. Andere mensen maken er ook deel van uit.
Het is een probleem
uit met name Het wilde plein. Die bundel heeft
daar veel mee te maken, met de ontdekking dat je talrijk bent. Het hele
probleem van het 'ik' is zo'n mysterie. (Denkt na.) Het is een probleem,
maar het is niet altijd een negatief probleem. Misschien blijkt dat al
uit een gedicht dat ik lang geleden schreef: 'De halfklare hemel' (uit
de gelijknamige bundel die in 1962 verscheen). Daar schreef ik: 'leder
mens een halfopen deur/ leidend naar een kamer voor allen.' Eigenlijk
was ik me er toen nog niet zo van bewust, maar er zit in dat gedicht al
iets van dat idee; het idee dat er een deel van ons is waar we met elkaar
communiceren. Misschien had Jung een dergelijk idee. (Met zorgvuldigheid:)
Een kamer voor allen.
In 'Carillon' maar
nog sterker in Oostzeeën is dit besef nauw verbonden met een historisch
besef.
Het is interessant
dat in de tijd dat Oostzeeën werd geschreven, begin jaren zeventig,
in veel talen eenzelfde soort gedicht totstandkwam. Men heeft mij erop
gewezen dat bijvoorbeeld in Ierland en IJsland in die tijd gelijksoortige
gedichten werden geschreven. Het heeft waarschijnlijk iets te maken met
die heel kunstmatige, plastic orkaan die in de jaren zestig over de wereld
trok; het al te grote optimisme over de mogelijkheden van de beschaving.
Geschiedenis was toen bijna een vies woord in Zweden.
Daarna was er de noodzaak, de behoefte je achtergronden weer te onderzoeken,
om op een andere manier naar geschiedenis te kijken. Niet op de traditionele,
aderverkalkte manier, maar op een nieuwe, frisse manier.
Oostzeeën
is voor mij ook een poging om, om... een poging mezelf te beschrijven.
(Lacht.) Dat is iets wat ik nog niet eerder op zo'n manier had geprobeerd.
Het is geen conclusie, geen definitieve autobiografie of iets dergelijks,
maar er zit meer van mijzelf in dan in de kortere, afzonderlijke gedichten.
Tegelijkertijd is het een terugkeer naar het landschap van mijn eerste
bundel, de scherenkust die in die bundel in een heel ander licht staat.
In 17 gedichten is de natuur onaangetast. Ik mythologiseer de natuur
daar: er zijn geen tekenen van vervuiling of politiek. Het is zuiver,
een soort arcadië, ook al is het wat ruiger en wil er nog wel eens een
buitje vallen. Maar het is niet menselijk, dat wil zeggen, nog niet aangetast
door mensen.
Oostzeeën is in zekere zin een polemiek met 17 gedichten.
In Oostzeeën probeer ik te accepteren dat de Oostzee als een arcadië
niet langer bestaat. Het is een plek vol spanningen in de wereldpolitiek.
(Rusland en Polen liggen aan de overkant, HK.) Het is een plek vol lijden,
vol vervuiling en alles wat met menselijke activiteit te maken heeft.
Tegelijkertijd is het prachtig. De natuur is er niet mee verdwenen. De
natuur wordt bedreigd, maar is niet verdwenen. (Met een plotselinge, maar
rustige nadruk:) En het is de plek waar ik thuishoor.
Toen ik er aan begon
had ik geen flauw idee wat het zou worden. Ik heb geprobeerd het gedicht
zoveel mogelijk zichzelf te laten schrijven. Zo lang het mogelijk was.
Ik heb het wel enigszins gecomponeerd, maar niet al te veel. Ik heb geprobeerd
heel discreet te zijn.
17 gedichten en
Nederland
Als ik, nog niet zo
lang terug van een tocht door Lapland, opper dat het Zweedse landschap
meer aanleiding geeft tot mythologisering dan bijvoorbeeld het Nederlandse,
uit Tranströmer de vrees dat 17 gedichten daardoor wel eens te
buitenissig zou kunnen lijken.'Ik
heb het idee dat het voor de gewone Nederlandse poëzielezer misschien
te onwerkelijk is, het te ver van hem af ligt. (Lachend:) Alsof hij iets
leest van een Nepalese dichter die over zijn land schrijft.'
Tranströmer vertoont een bekend schrijverstrekje: het debuut kan in de
ogen van de maker de toets der kritiek niet meer doorstaan. In een ander
interview zei hij zelfs:'Het is een egocentrische, puberale en ook ambitieuze
bundel met een poging het ik te vermijden. In werkelijkheid zit de bundel
vol met 'ik', ook al komt het woord zelf er maar één keer in voor.'
17 gedichten veroorzaakte in de Zweedse literatuur een kleine schok.
Een schok die, ook al gaat het om heel andere poëzie, qua intensiteit
en invloed misschien te vergelijken is met de ophef die de eerste bundels
van de Vijftigers, tijdgenoten van Tranströmer, in Nederland veroorzaakten.
'Ontwaken is een parachutesprong uit de droom.' 'December. Zweden is een
op land gesleept en afgetakeld schip.' Het zijn de eerste regels van het
openings- en het slotgedicht van de bundel en voor de Zweden zijn ze even
vertrouwd als voor ons Luceberts 'eenvouds verlichte waters' of 'ik ben
de schielijke oplichter'. De zeventien, vaak lange gedichten vormden een
verrassing die volgens Lars Gustafsson moeilijk door andere gedichten
geëvenaard kan worden.
Terwijl we over het debuut en de verschillende rol van het landschap voor
Nederlanders en Zweden praten, worden de rollen langzaam omgedraaid. Tranströmer
begint nu vragen te stellen. Hij wil bijvoorbeeld weten of de Nederlandse
duinen de mogelijkheid bieden op een intense manier de natuur te ondergaan.
'Ik ben zo gefascineerd
door dit verschil tussen landen in hun verhouding tot de natuur. Naar
mijn idee is er in de oude Nederlandse schildertraditie een sterke band
met de natuur. Er zijn wel altijd mensen in het landschap, maar die mensen
maken er ook altijd deel van uit. Soms ervaar ik de Nederlandse steden
ook als een soort natuur. (Lacht.) Als je in plaatsen als Delft of Amsterdam
rondloopt, heb je de hele tijd de geschiedenis om je heen. Het verschil
met het lopen door een landschap vol traditie is niet zo heel groot. Ik
voel me erg op mijn gemak in Nederland, ben nogal gesteld op Nederland.'
(In een korte, aan het interview voorafgaande briefwisseling schreef Tranströmer
dat hij eigenlijk besloten had dat jaar geen interviews te geven, maar
voor Nederland wel een uitzondering wilde maken.)
Risico's
Muziekliefhebber die
hij is, blijkt hij over een flinke kennis van de Nederlandse muziek te
beschikken. De naam Willem Pijper valt en zo komt het gesprek op poëzie
die op muziek gezet wordt. (Pijper heeft onder andere teksten van Verlaine
getoonzet.) Vrij recent is er een compositie gemaakt op de korte cyclus
Langs stralen van de cirkel. Tranströmer is er zeer tevreden mee.
'Het is een gelukkige uitzondering op de regel dat getoonzette poëzie
onbenullige, suiker-zoete liedjes oplevert. Het gebeurt maar al te vaak
dat componisten het gedicht met hun muziek ontkrachten, er een vrijblijvend
luisterliedje van maken.'
Lars Gustafsson schrijft
ergens dat jouw poëzie verre van vrijblijvend is, dat er risico's in worden
genomen.
Voor mij is
schrijven altijd een risico. (Lachend:) Ik vind dat ik zoveel pretenties
heb. Ik wil zo verschrikkelijk graag dat het waar is wat ik schrijf, maar
ik kan het nooit zeker weten. Ook het literaire bedrijf is een risico.
Voor mij is het dat niet meer, maar toen ik begon te schrijven was het
dat wel. De houding tegenover de schrijver is in Zweden, zoals vermoedelijk
in Nederland, zo tweeslachtig. Als je slaagt als schrijver ben je een
belangrijk iemand, maar als je mislukt ben je plotseling de belachelijkste
persoon ter wereld. Ik denk dat het risico vooral schuilt in het betreden
van gebieden waar je uitzonderlijk plat kunt zijn of al te ambitieus.
Voor mij is het grootste risico waarschijnlijk de meer interessante en
gevaarlijke zaken te ontwijken, er misschien knap, maar vrijblijvend vakwerk
van te maken. Het is altijd een kwestie van evenwicht. Je kunt niet te
wild zijn en je kunt niet te beschaafd zijn. Je moet altijd het evenwicht
bewaren. Maar je kunt ook weer niet te evenwichtig zijn... er is altijd
zoveel dat verkeerd gaat. Ik weet niet of Lars op iets specifieks doelde,
maar ik ben het met hem eens. (Lacht.) Roerend met hem eens.
Als
we gaan lunchen, is het weer de omgekeerde wereld. Voordat ik het weet,
heeft hij al voor ons beiden betaald en met een vriendelijk 'ik krijg
genoeg geld' weigert hij het geld aan te nemen dat ik hem wil geven.
Hij heeft geen bezwaar
tegen foto's, maar wel haast. Wat onwennig staat hij bij zijn 'stukje
Nederlands erfgoed', een echte DAF 66. Maar als hij op het punt staat
om in te stappen, gebeurt het weer: de Zweedse dichter, wiens gedicht
over de Nederlandse schilder Vermeer eindigt met de regels
De heldere hemel
staat tegen de muur geleund.
Hij is als een bede tot het lege.
En het lege wendt zijn gezicht naar ons toe
en fluistert
'ik ben niet leeg, ik ben open.'
lacht, dit keer om
een lezer met een camera voor zijn snufferd.
Met uitzondering van
het citaat uit 'Funchal' komen alle vertalingen uit de bundels Nachtzicht,
Zwarte ansichten en 17 gedichten die Bernlef in de jaren
tachtig heeft uitgegeven bij de kleine uitgeverij Marsyas. Anno 2002 is
Tranströmers werk integraal door Bernlef vertaald in De herinneringen
zien mij, verzamelde gedichten / memoires, een uitgave van De Bezige
Bij.
Voor meer informatie,
ook over ander Zweedse auteurs, kun je hier
terecht en op de site van Poetry
International.
|
|