Dit is een vrij lang artikel. Geprint leest het waarschijnlijk prettiger. Beeldschermtijgers kunnen natuurlijk rustig doorlezen.



marc kregting
Uit: De Gids, maart/april 1999, p.297-301.





tekst © Marc Kregting
foto © Roeland Fossen



MARC KREGTING
Laden en lossen
'HET GEWICHT IS AFHANKELIJK'




In Pťter NŠdas' Het boek der herinneringen staat: 'In een vreemde stad aangekomen registreert de vreemdeling met zijn ogen, zijn neus, zijn tong en zijn oren allerlei verbanden die voor de inwoners niet alleen irrelevant en zinloos zijn, maar ook huiveringwekkend.' Wat onbekend heet, wordt allereerst genoegzaam van het lijf gehouden. Wie toch wil ontdekken, kan hinder ondervinden van de macht der gewoonte. Het type van NŠdas lijkt beter toegerust: 'in zo'n vreemde stad zijn de zogenaamde uiterlijke en innerlijke natuur niet zo gemakkelijk uiteen te houden als in onze eigen stad, waar we een scherp onderscheid plegen te maken tussen zogenaamde uiterlijke invloeden en de innerlijke beweegredenen.'
      Ontwenning heeft zo zijn voordelen, die eveneens staan opgetekend in Het boek der herinneringen: 'in een vreemde stad vloeien het essentiŽle en het niet-essentiŽle in elkaar over, ze lijken door een dichte nevel omhuld; gevels en gezichten, geluiden en gelaatsuitdrukkingen, trappenhuizen en bewegingen, kleuren en geuren, lichtschijnsels en kussen, maaltijden en omhelzingen, alle schijnen elkaar te overlappen en we kunnen hun oorsprong en geschiedenis nauwkeurig achterhalen, waardoor hun effect des te groter is.' Er wordt hier een impressionistisch air gesuggereerd. Ik lees tenminste een pleidooi voor precisie, zonder vooroordeel. Voor de juiste grondhouding terzake moet ik een gemeenplaats debiteren. Het betreft de verwondering, en die gedragslijn die feitelijk een verwerpen van een gedragslijn is, staat centraal in de poŽzie van Hans Kloos.
      Uit zijn vooralsnog laatste bundel De hand boven het hoofd uit 1994 citeer ik het openingsgedicht:


Neem een steen



een enigszins ronde, ter grootte
van een kadetje -
niet de gladde, de gepolijste,
de door wind, water en weer geronde
die je mee naar huis neemt,
die David koesterde
en wierp.

Neem bijvoorbeeld kalksteen,
het verraderlijke marmer misschien
of zelfs zus graniet. Het gewicht is afhankelijk
van de soort - meer misschien
van de hand.

Maar kijk voor je
je hand geeft - hij blijft -
en kijk als je hem
in je hand houdt
voor een laatste maal.

Eet hem op,
haastig, de schoenen aan de voeten.
Beklim een berg




Een avontuur van verwondering wordt de lezer voorgesteld. In de openingsstrofe formuleert Kloos wat premissen aangaande het te gebruiken object. De door hem geopperde steen hoeft niet in je vertrouwde huis te passen. Ook niet omdat de vergelijking wordt getrokken met een kadetje, dat je onderweg wel kunt opeten. De steen hoeft evenmin een ellenlange geschiedenis te hebben. Mocht die er toch in schuilgaan, dan suggereert Kloos in zijn afwijzing van de ten bijbel gesanctioneerde David een apocrief verhaal.
      De tweede strofe beweert dat kalksteen, marmer of graniet in aanmerking komen. Maar ook dat uiteindelijk de hand het gewicht bepaalt. Dit doet denken aan het kinderlijke geloof dat een kilo lood zwaarder is dan een kilo veren. Gewicht is, dus een kwestie van verbeelding; de mens beÔnvloedt. Het gedicht zegt dat je de wereld in alle opzichten in de hand kunt hebben.
      In de derde strofe komt dan de precisie aan bod. Kloos zet er een enjambement voor in, zodat de lezer moet aarzelen. Moeten we 'kijk voor je, je hand geeft' lezen of 'kijk, voor je je hand geeft?'. Waarnemen of schenken? Ik vermoed het eerste. Schenken is immers ook wegdoen, het opruimen van verantwoording op het moment dat je de wereld even beheerst. Voor een avontuur is de precisie vereist van een scherpe blik. Vandaar dat Kloos verderop in de strofe nogmaals het kijken naar de steen adviseert wanneer die in je hand ligt.
      De vierde strofe openbaart wat er gebeurt als aan alle voorwaarden voldaan is. Er staat dat je de steen kunt opeten. Deze notie straalt over twee termen uit het voorafgaande een ander licht: 'kadetje' en 'maal' Het woord is brood geworden. Tegelijk zal de tred worden vergemakkelijkt, want in de schoenen aan de voeten kan geen lastig steentje meer zitten. Wie door middel van de verbeelding heel Kloos' traject heeft gevolgd, beklimt vervolgens soepeltjes een berg - die van steen is gemaakt.
      Het gedicht lijkt gehouwen uit een aantal illustere prefiguraties, het schrijft voort op een traditie. Kloos, die sowieso de stukgeredeneerde erfenis van Vijftig opneemt, geeft bijvoorbeeld gehoor aan de befaamde passage van Kouwenaar: 'Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:/ het zacht maken van stenen'. Het marmer zal naar Michelangelo verwijzen en de voorkeur voor kalksteen wordt gedeeld door Auden (wiens In Praise of Limestone Kloos heeft vertaald).
      Aan 'Neem een steen' vallen in het algemeen twee dingen op. In de eerste plaats dat de lezer zowel inhoudelijk als taalkundig wordt uitgenodigd. De imperatief is echter niet dwingend. Met veel zelfkennis omschreef Hans Kloos zichzelf - in het beginselverklaringenboekje Openbaringen (1989) - als 'leverancier van mogelijkheden'. Zijn toon is slechts overredend voor wie vatbaar wenst te zijn, niet tegen iemand met gezond verstand die weet dat een steen godsonmogelijk een kadetje kan worden. Kloos, richt zich, om vergissingen van New Age-achtige omvang te voorkomen, tot mensen die bereid zijn te experimenteren en daarvoor hun intelligentie inzetten.
      Het gedicht als geheel vertoont een kalm ademen, is zacht, meegaand. Daarmee kom ik op een ander punt, Kloos' frequente gebruik van de herhaling met lichte variaties. Hij is, om een onderscheid van hemzelf toe te passen, een zinnenrijger en geen woordenstapelaar. De stromende aard van deze poŽzie wordt in De hand boven het hoofd ondersteund door de vormgeving van Melle Hammer. Soms eindigt een gedicht boven aan de pagina en ontspringt onderaan alweer het volgende.
      In veel van Kloos' gedichten stroomt het eveneens, tussen personen. Een blik kan voldoende zijn om door te dringen van het ene lichaam in het andere. Metamorfoses werken dan bevrijdend. Met het lichaam kom ik op een bijzonder, in de recente poŽzie overigens vaker opdoemend motief, dat van het anatomisch detail. De hand boven het hoofd rept van sleutelbeen, tepelhof, ballenhaar, kraakbeen en zelfs, heel mooi, van lippenhaar. Bij Kloos gaat dat allemaal speels, in elk geval minder gestreng dan in de gedichten van zijn collega's Reugebrink en Van Daalen. Evenmin heeft Kloos' aanpak iets te maken met de esthetiek van in bepaalde kringen gevierde liflafdenkers van veelal Franse makelij, die ontdekten dat textus behalve tekst ook weefsel betekent en voor wie de huid 'metaforisch' moet worden opgevat, als palimpsest. Bij Kloos is het allemaal concreet, menselijk. En liefdevol.
      Liefde is een besmet woord geworden - van ironie doortrokken of gedevalueerd door blinde toepassing op niet ter zake doende situaties. Bij Kloos is het woord liefde, denk ik, vooral op te vatten als zorgvuldigheid, een geduldige manier van kijken. En in verband met de verwondering: verwonderd zijn dat iets afwezig wordt, niet inschikkelijk accepteren dat iets voorbij heet te zijn. Liefde slaat dan zowel op mensen als op dingen, de grens tussen levend en levenloos wordt illusoir. Het lijkt me werkelijk een clichť dat alleen kinderen zo'n blik of houding kunnen hebben. Toegegeven, mijn neef schreef op zesjarige leeftijd 'potloot is doot hij moet naar het sikhuis', maar nu is hij paleontoloog en staat hetzelfde tegenover de dingen en de mensen. Ik bedoel dat Kloos een optimistisch maar gedempt engagement ambieert. Dat je jezelf en anderen moet toestaan, dan wordt de term grens vanzelf onnodig want beperkend.
      Tenslotte stroomt het bij Hans Kloos tussen diverse kunstvormen uit alle tijden. De hand boven het hoofd releveert bijvoorbeeld, soms cursief gezette, citaten van Nijhoff, Olivia Newton-John en Huygens. Misschien moet ik dat sampling noemen, al is dat inmiddels wat goedkoop postmodernistisch gaan klinken. Maar goed, ik doe het ervoor en wil de sampling van Huygens naar voren halen om te getuigen van het raffinement waarmee Hans Kloos te werk gaat. Het betreft hier het gedicht Wie sal mijn Leser zijn. Dat is een fragment uit Huygens' grote vers Dagh-werck. Kloos citeert even verderop ook uit Ontwaeck, daarna weer uit Dagh-werck, enzovoort. Ook de volgorde in Huygens regels wordt aangepast. Dit kun je allemaal nog als sampling betitelen. Tot je belandt over de helft van Kloos' gedicht: 'Maer wie staet neffens U? wat spreeckt U, en waer henen? / Uw Leser, uw Sterre, valt in slaep'. Hier heeft Hans Kloos het citaat bewerkt, onder andere door Huygens' my te veranderen in U.
      Ik veronderstel dat hij dus letterlijk en figuurlijk een dialoog met zijn zeventiende-eeuwse voorganger aangaat. Dat is prachtig. Het spreekt me vooral aan omdat dit gepaard gaat met een ongegeneerdheid jegens de doden die respect verraadt. Hun woorden bestaan Łberhaupt pas als ze worden gehoord. En het resultaat is nieuwe poŽzie, andermaal een bewijs dat door een secure individuele verbeelding over de drempel tussen leven en levenloosheid kan worden gestapt. De hand boven het hoofd demonstreert het.
      Nu wordt het tijd het omslag van de bundel erbij te nemen. Het toont een sterk uitvergrote hand. Dat verwijst uiteraard naar de titel. Wat dan opvalt is dat je het hoofd niet ziet. Er is zogezegd geen ratio die troostende opvattingen balkt. Daarbij beschermt de hand het hoofd tegen wat zich in traditionele zin daarboven bevindt, de hemel. Een wilsbesluit tot metafysica wordt versmaad. De uitdrukking iemand de hand boven het hoofd houden staat voor redden. Tegelijk is het een gebaar van zegenen dat ook in de bundel voorkomt, door 'kruimels beschuit met hagelslag' (tevens een toespeling op de televisiereclame van Venz in de jaren zeventig?).
      Al klinkt het wat pathetisch, ik vermoed dat Kloos in laatste instantie de poŽzie wil redden. Daarbij heeft hij onderkend dat poŽzie niet zonder leven kan: 'dat papier geen honger stilt / zelfs geen huid is'. Metafysica brengt wel de dood in de pot of, meer algemeen, tevoren bepaalde gedachten over hoe de wereld in elkaar steekt. Van intellectuelen bijvoorbeeld die vanuit een fauteuil het leven 'tragisch' achten. Wellicht bepleit Kloos een wezen als van Marc, van Van Ostaijen, die de werkelijkheid groet in plaats van afweert. 'Wat moet je met blauw? / Gaan we essentieel doen?' Deze losjes geformuleerde stelling van Kloos impliceert ook dat we maar beter eens kunnen gaan kijken naar de wereld, in plaats van er theorieŽn over afsteken. Nu is dat op zichzelf ůůk een theorie, zij het een minimale waarvoor de wereld sterke bewijzen aanvoert: er zijn oneindig veel gradaties blauw.
      Hans Kloos debuteerde in 1986 bij uitgeverij Kruiwagen met Legioen. Ik heb die dichtbundel nooit te pakken gekregen. Wel zijn opvolger: Voor Mevr. en Mr. Naaktgeboren, in 1989 verschenen bij Perdu. Er staat een vroegere versie in van 'Neem een steen'. Met name frappeerde het boek door een onbekommerde mengeling van poŽzie met andere kunstvormen. Popmuziek blijkt voor Kloos een belangrijke bron. Ook bevatte zijn dichtbundel verhalen, essays en, als primair werk, vertalingen (later bracht Kloos bij dezelfde uitgeverij Thomas Tidholms Ik was een slechte hond uit). Het leuke is dat Voor Mevr. en Mr. Naaktgeboren een vertaling uitspeelt van een gedicht van Gunnar EkelŲf, dat in De hand boven het hoofd zonder formele verantwoording als helft van een gedicht onder Kloos' naam terugkomt. Kunnen persmuskieten nu gaan zoemen van plagiaat? Inhoudelijk is er, hoop ik te hebben aangetoond, wel degelijk verantwoording. Bij Kloos is het onderscheid tussen het eigene en het andere permeabel.
      Ik geloof niet dat Kloos erg bekend is. Dat is curieus, ook omdat hij in de jaren tachtig eigenlijk behoorde tot de kring rond de publiciteitsslurpende Maximalen. Nu was het de tragiek van deze bent dat dichters die er niet bij hoorden de gewenste praktijk toen benaderden: Arjen Duinker, Elma van Haren en K. Michel (die wel Maximaal heette maar zich actief passief hield).
      En Hans Kloos dus. Omtrent de deels door hem onderschreven opvattingen van de Maximalen heerst nog immer wanbegrip. Weliswaar kantten ze zich tegen epigonen van Faverey en Kouwenaar, hun hoon sloeg niet louter op het 'academisme'. De afkeer betrof risicoloosheid in het algemeen, werk van figuren als Van Toorn, Vroman, Herzberg, Otten, Kopland. Ik moet constateren dat met name dit essentialistisch werk het nog altijd goed doet. Zoveel is zeker, je kunt er rustig op slapen; de recensies bewijzen het. En met het aanraken van de beschouwende kant van die zaak kan ik Hans Kloos weer opvoeren. Naast dichter was hij, eerst voor het Maximale partijorgaan de Held en daarna voor De XXIe Eeuw, tevens poŽziechroniqueur - het waren de jaren van Lieske in Tirade. Hij maakte over jong, voor mijn part marginaal werk betrokken stukken, echt goed (zie over zijn kritische praktijk een interview in Adem IV/3). Geleidelijk vond er echter een sanering plaats. Sommige poŽziecritici verdwenen van het toneel. Omdat kwaliteit geen maatstaf bleek, was Kloos een van hen.
       Het gevolg strekt verder en laat zich voelen tot op de dag van vandaag. Er verschijnen zoveel dichtbundels dat de bespreekruimte snel is gevuld - voor en door essentialisten die, van de baby boom-generatie of al jonger, met als Waarheid het ontbreken van ťťn waarheid naar zingeving zoeken. Met het restant, de mede voor de toekomst belangwekkender poŽzie, gebeuren in blessuretijd drie dingen. Ze wordt haast onder referte van het SIRE-spotje Duidelijke taal verstaan we allemaal afgepoeierd, ze wordt onder een preliminair verbod op onsamenhangendheid met irrelevante maat gemeten, of ze wordt superieur genegeerd. Men wil kortom niet beter weten. In dat verband is de organisatie rond de publicitair aantrekkelijke VSB-poŽzieprijs onthullend. Eerste viool speelden respectievelijk De Coninck en Van Deel. Wat mag er dan redelijkerwijs worden verwacht? Als Willem Duys een rockconcours beoordeelt krijgt Thijs van Leer de cup.
       Het wedervaren van Hans Kloos, geboren in 1960, acht ik anders gezegd representatief voor een bedenkelijke ontwikkeling, in de infrastructuur van de recente poŽzie. Met dit soort uitlatingen bevestig ik het beeld van jongeren die, al dan niet obligaat, tegen ouderen aan trappen. Maar duidelijke taal verstonden we allemaal en zo jong ben ik ook weer niet en volgens mij betreft het een maatschappelijke tendens. Baby-boomers zijn met enig ludiek protest vrij makkelijk op goedbetaalde zetels terecht gekomen. Vervolgens verstomde het protest en hielden ze hun zetels stram bezet (dat moet ook wel, want van vergaderen word je moe). De universiteit, voorheen een domein van kennisdoorgave en -ontwikkeling, geeft hiervan de pregnantste proeven en wel met een dermate zelfbewust ontplooide onbeschoftheid dat het bijna weer leuk wordt. Jongeren krijgen amper nog een kans, en voorzover ze ergens mogen aanzitten stromen ze niet door. Tenzij ik poep in mijn ogen heb, ontwaar ik een algehele constipatie.
       Mogelijk zijn de baby-boomers vergeten hoe ze hun plaats hebben verkregen. Of willen ze zich dat niet meer herinneren? Die notie vind je terug in De hand boven het hoofd. De bundel bevat een tussen aanhalingstekens gezet gedicht dat 'Off the record' heet, waaruit je mag afleiden dat machthebbers hun posities vooral bestendigen door verzwijgen, door hun onofficiŽle taaldaden. Kloos beschrijft bellen die op de wind de stad in waaien en zich onmerkbaar in het leven nestelen. De slotstrofen gaan zo:


Het was toen ze plotseling begonnen te lekken,
dat ook de problemen pas echt begonnen.
Dit waren de eerste dagen,
waarover we al snel spraken
als de Tijd der Olifanten

die zeepbelnaam,
ik heb me vaak afgevraagd hoe we
hoe ver we op onze ironie
zijn weggedobberd.



Tamelijk op het eind van De hand boven het hoofd staat er een vraag zonder vraagteken: 'hoe herken je / wat je niet kent'. Door te erkennen, bevroed ik inmiddels, en door het onbekende met de grootst mogelijke precisie voor het voetlicht te halen. Het laatste is een kwestie van democratie. Maar dan echte, geen laissez faire onder het mom van tolerantie.
       Ik zit in de zware woorden, merk ik. Misschien ontstond namelijk de indruk van een jeu pour le jeu. Pťter NŠdas bericht daar ook over: 'door onze gebrekkige kennis en ons lacuneuze inzicht worden we teruggeworpen in de paradijselijke toestand van de onbewogen kinderlijke beschouwingswijze met de bijbehorende ontdekkingslust, die in de eerste plaats een gelukzalig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel is'. Ik geloof echter niet dat een aansprakelijkheidsontwijken aan de orde is. Hoe kan anders van het onbekende worden vernomen, laat staan dat het wordt geŽffectueerd?

Hans Kloos: De hand boven het hoofd. Contact, Amsterdam 1994.



naar centrale paginanaar centrale recensiepaginae-mail
© 2004 hans kloos