De Amsterdamse daklozenkrant, het straatmagazine Z, wilde weten wat de straat betekent voor een dichter. Dat resulteerde in dit stuk (en een gedicht):


 

Waar de straat begint



"Het beste moment was het duister van drie tot vier in de donkere ochtend. Ik wist dat er nachtzusters waren, nachtwakers, -portiers en andere mensen die om wat voor reden dan ook hun brood verdienden als in de woningen de lichten uit waren, de verwarming omlaag was gedraaid en de gordijnen gesloten voor de ramen hingen. Maar als ik door de straat liep langs al die huizen met hun geloken vensterogen, was het soms alsof heel de stad in slaap lag gedompeld en ik de enige was die de wacht hield over die onwetende duizenden. Slaap, kindje slaap, daar buiten loopt een schaap.
Het is een vreemd uur, zo open. En stil. Het grote gedruis van de stad is verdwenen. Elk geluid is alleen.
In een esdoorn een spreeuw die is wakker geschrokken van het fladderen en zwoesjen van een door de straat waaiend huis-aan-huisblad, de zachte voetstappen van mijn sportschoenen, mijn vreemd rustige ademhalen, ver weg soms het plotselinge aanslaan van een hond of het door merg en been gaande geile krijsen van een krolse kat vanuit de binnentuin van een huizenblok. Of het wrede – zo ervoer ik het echt – afgaan van een verkeerd afgesteld autoalarm.
De wereld was op die momenten een ei, een zacht donkerdoorschijnende vrucht waarin het leven traag kloppend lag te wachten op zijn geboorte. Alles was nog mogelijk, het was het uur voor de wereld begon, de stilte, niet voor de storm, maar voor het grote feest. Alles staat klaar, straks komen de gasten…"
Vertelde de rechercheur van de Sociale Dienst uit Schaap van de slapers, mijn toneelmonoloog uit 2001+2. Al raakte hij zelf in zijn plichtsbetrachting het spoor nogal bijster, zijn weergave van de nachtelijke straat was niet slecht. Maar het beeld is groter. De straat begint binnen.

Als ik het dekbed over me heen trek, hoor ik door het slaapkamerraam de nachtbus stoppen aan de andere kant van het huizenblok en even later weer optrekken. Alle winkels zijn slagerijen en door de hele straat galmen hun ijscomannenbellen. Ik krijg een beker vol groen pistache-ijs van mijn Marokkaanse slager die me altijd 'buurman' noemt, herinner ik me mijn droom als ik 's ochtends het dekbed van me af sla terwijl buiten het gejoel van kinderen klinkt en het geroezemoes van ouders die de jongsten naar de school naast mijn huis hebben gebracht. Op de achtergrond het geronk van vrachtwagens die de winkels bevoorraden en het geluid van een trein die honderd meter verderop langs komt denderen. Zo nu en dan zet de schrille krijs van een meeuw een felle stip op het klankenbehang, een duif koert een smoezelig lijntje. De straat heeft een goede akoestiek.

"Beam me to that park in the city." Star Treks Captain Kirk kon Scotty oproepen om hem naar de plek van zijn keuze te 'beamen'. Maar wij zijn nog altijd aangewezen op de straat. Al is het maar naar de bakker om de hoek, wij moeten de straat op om er te komen. Geen mens – ook niet van de soort die men dichter noemt – kan er omheen. De straat is onontkoombaar
Als ik straks op de fiets stap en de straat uitrij, begint ie om de hoek weer. Hij brengt me naar de andere kant van de stad, naar de oude Diemer Zeedijk waar de wind voor één keer me voortduwt naar de Wakkerendijk van Eemnes en als ik maar door blijf trappen, komen we langs de bakker op het kerkplein in Deventer, voert ie me naar Bremens Bahnhofplatz, verder dwars door Kopenhagen naar de brug over de Sont Zweden in langs de sluizen van Stockholm door de bossen over de toendra van Lapland en dan rechtsaf bij de Noordkaap Finland door Rusland in – hij weet van geen ophouden. De straat is eindeloos, een web dat blijft uitdijen zonder dat er een spin aan te pas komt.

De straat kent geen grenzen, geen nationale die sommige mensen proberen dicht te spijkeren met papieren en procedures, maar ook niet die grens die mij en de meeste mensen het heiligst is, die van het lichaam. De straat begint niet alleen binnen, hij zit binnen in ons. Kijk, zei de cardioloog, de slagaders zijn de snelwegen, de kransslagader de ringweg en dan vertakken de hoofdstraten zich in zijstraten en nog smallere steegjes. En de neuroloog zong de lof der zenuwbanen. De snelheden die er behaald werden, wat voor ongelukken er gebeurden als een verkeersbord plotseling naar rechts in plaats van naar links wees.
De straat zit in ons hoofd want we hebben hem nodig als beeld om te begrijpen hoe wij in elkaar zitten.

We gebruiken straatbeelden als we praten over ons leven. In christelijke, en misschien ook islamitische kringen wordt nog wel eens gesproken over de brede weg van de wereld en de smalle weg van het geloof. Een gemiste kans is een gemiste afslag, een heilloze onderneming een doodlopende weg. Zo is er ook het beeld van één straat – hij kan lang zijn, hij kan kort zijn – die op den duur letterlijk doodloopt, het leven zelf.
Dichters zijn altijd op zoek naar die beelden, naar nieuwe beelden, om te kijken of ze iets zeggen over ons. En ze vinden ze overal: in brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan, verkeerde raadhuizen, twee hondjes die samen spelen, chrysanten, roeiers, het wilde plein, de deur, een lege plek om te blijven, enzovoort. Zo haal ik mijn materiaal ook uit alle hoeken en gaten, maar soms dient het zich gewoon aan. Soms wordt het beeld weer werkelijkheid. Dan stap ik de deur uit en ligt het voor me, op straat.

 


Lees het gedicht dat hierop volgt.

 

 

naar centrale paginanaar de centrale stadsdeeldichterpagina e-mail

uit het poëzienummer van de Amsterdamse daklozenkrant, het straatmagazine Z
(jaargang 12, nummer 3)
© 2006 hans kloos