Kwantcestors

Familie KWANT

De start van het terugvinden van een Kwanten-familielijn was een boekje wat mijn opa, Jan Kwant, lang geleden gemaakt heeft. Veel extra informatie over Kwant-en heb ik via internet gevonden, bijvoorbeeld via www.historiekamer.nl, www.genlias.nl, www.hardenberg.nl, www.cartago.nl en een aantal andere sites waar ik in hoeveelheid minder, maar wel erg nuttige informatie heb gevonden. Met name de plaatjes van de DTB boeken van Gramsbergen/Hardenberg op bij de Kwant <1700 en 1700-1800 komen van de Hardenberg site.

Stamboom Kwant

De lijn van voorouders is, met erachter de geboortedata:

Johan Quants (ca. 1450), Roloff Quants (ca. 1450), niet zeker of dit familie was

Herman Quants, ca. 1575 (onzeker)
Jan Quant, ca. 1600
Gerrit Quant, ca. 1640
Jan Quant ca. 1686, getrouwd met Aaltje Hendrikx
Hendrik Klaasen/Gerrits Quant 22-05-1718 ( getrouwd met Jennigje Janssen Quant* 14-11-1709)
Gerrit Kwant 21-01-1745, getrouwd met Berendje Egberts
Hendrik Jan Kwant 18-08-1785, getrouwd met Geesje Stroeve
Gerrit Jan Kwant 19-12-1824, getrouwd met Wilhelmina Hutten
Hendrik Jan Kwant 26-10-1864, getrouwd met Sjoukje Haveman
Jan Kwant 15-11-1894, getrouwd met Anna Duinkerken
Johan Aleid Kwant 31-10-1933, getrouwd met Geertje Makkinga
Gerard Jan Kwant 11-06-1964, getrouwd met Monique Hermans
Peter Johan Cornelus Kwant 04-08-1998 en Robert Anne Geert Kwant 11-01-2001

* Jennigje Janssen in de dochter van Jan Quant! Hendrik Klaasen/Gerrits is dus geen familie van de eerdere Kwanten.

Herkomst van de naam Kwant

De herkomst van de naam Kwant is onduidelijk maar, na onderstaande, lijkt het te verwijzen naar een groot, fors huis.

Het meest voor de hand liggend om naar de betekenis te zoeken is beginnen met het woordenboek. Volgens de van Dale:

1kwant (m.;-en) [mogelijk <me. Lat. quantus (een zeker iemand)], 1 (jonge) vent, syn. gezel: een vrolijke, losse kwant; 2 snaak, snuiter, gast: een vreemde rare kwant.

Uit van Dales ethymologisch woordenboek:

kwant [vent] middelnl. quant [gezel, kameraad, eind 15e eeuw als bn. : vals, sluw], quantelaeer [knoeier, bedieger], mogelijk <me. lat. quantus [een zeker iemand ] klass.lat. quantus [hoe groot, hoe veel].

Dit soort oorsprong van de naam lijkt vooral voor de hand te liggen als aanduiding van een eigenschap van één persoon, zie bijvoorbeeld hieronder.

Arie Pietersz van NOORT, bouwman onder Hof van Delft, geboren te Noorthoorn. Zoon van Pieter Adriaensz QUANT GESEIJT van NOORT (zie 1604) en Leentje Jansdr van Leeuwen (zie 1605).
Note: Op 22-12-1675 verklaarde Adrien Pietersz van Noort enig erfgenaam te zijn van zijn vader Pieter Ariensz Noort alias Quant, wiens weduwe Leentje Jansdr van Leeuwen toen nog in leven was.

De naam Quant lijkt niet verder voor te komen als achternaam in die familie maar latere websites geven aan dat dit wel zo is (volgens Ellen Kwant, waarvoor dank, komt de naam wel verder in de familie voor, want zij is er een afstammeling van! Ik laat dit toch maar even staan als illustratie voor wat ik bedoel maar.... het is kennelijk niet correct).

De naam kan ook iets van doen hebben met het werk wat de Quanten deden. Quant betekende ook handelaar in kleine zaken (vergelijk verkwanselen). Het zou dus kunnen zijn dat er op de Klokhenne, de boerderij/herberg waar Kwanten lange tijd woonden, ook gehandeld werd in kleine zaken. En dat klinkt best logisch als je je realiseert dat tot rond 1960 een caféhouder nog kleinhandelaar genoemd werd. De Kwanten hadden een herberg dus dat zou kunnen kloppen, maar de naam wordt ook al los van de Klokhenne gebruikt in de omgeving van Odoorn (ca. 1470, 1611).

In het Engels wordt een 'punting pole' (vaarboom) een quant genoemd en 'quanting' is het varen met een vaarboom, een betekenis die dicht bij Duitse(?) 'staak' of 'stelt' ligt (zie link voor uitgebreide tekst). De naam kan dus ook een oude vorm van 'veer' of 'veerman' betekenen en dat past bij het feit dat de Quanten een veerstal hadden bij de herberg. Maar… zoals aangegeven komt de naam komt los van de veerstal voor in de omgeving van Odoorn.

Volgens een tweede betekenis in de van Dale betekent Kwant in het Bargoens 'flink':

2kwant (bn.), (Barg.) flink: dat vind ik kwant van hem.

Deze betekenis is ook terug te vinden op een aantal websites waar de taal van voyageurs (woonwagenbewoners, reizende handelaren) wordt besproken.

De naam van de boerderij waarop de Kwanten rond 1600-1700 woonden is de 'Klokhenne' en een synoniem hiervoor is 'kloek' wat ook weer een synoniem is voor 'flink'. Dit lijkt via een vreemd omweggetje te passen met een betekenis van de naam Kwant. Daarnaast zouden de Quanten in Odoorn ook een versterkt huis kunnen hebben gehad (ook omdat ze veel grond hadden). Het zou dus kunnen dat hun huis versterkt was en daarmee 'moedig' of 'flink' als een vooruitgeschoven verdedigingswerk stond. Of was het omdat er veel eigendom was (‘een flinke hoeveelheid grond’)?

In het gebied van het Limburgs dialect wordt kwant ge-associeerd met 'mooi':

Ut zoel kwant zien as geej opniej in groeëte getale mei kómp genete. (Het zou mooi zijn als jullie in grote getale mee komen genieten, GK)

Later in deze site kun je zien dat de naam Quant al rond 1470 in de omgeving van Odoorn voorkomt en gebruikt wordt door twee broers die kennelijk relatief rijk waren (ze kopen een stuk grond) en naast de naam Quant ook de naam Wenekinck gebruiken. Of en waar de boerderij Wenekinck bestaan heeft is niet helemaal duidelijk. Er is een verwijzing in het latijn naar een dergelijke naam in een stuk over het graafschap Bentheim, vlak over de grens in het Münsterse land.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) wordt aangegeven dat Quant slechts eenmaal is gevonden:

Waarsch. het lat. woord quantum. Slechts eenmaal aangetroffen in de verb. op quant slaan, opkoopen (eig.: in groote hoeveelheid bijeengaren?). 

Na al deze bespiegelingen lijkt het mij het meest voor de hand liggen dat Quant zoveel betekende als ‘sterk, flink huis’ of 'grote hoeveelheid gekochte grond'. Ik houd het maar op een sterk, flink huis.