Kwantcestors

De familie Kwant tot 1700

De eerste Quanten die ik kon traceren zijn de broers Johan en Henric die op 10 oktober 1478 een erf bij Weerdinge kopen. Hieronder een deel van de transcriptie van www.cartago.nl (ik heb wat harde returns weggehaald):

10 oktober 1478, Copia littere Johannis und Hinrici Wennekinck quae tenent annue XX modos silignis.
Wy Johan und Hinrick Quants anders Wenekinck geheiten Enken [ende?] gebroderen bekennen und betugen in dossen openen besegelden breve vor onss und all onssen erffgenamen dat wy gekoft hebbn van de men Ersamen gheistliken heren Hinrick van den Berghe priori und Ghemenen Convente Orden des hillighen Cruces to Apell een Erve toe Oderen belegen Wordinghe Erve geheiten myt sy ner alyngher tobehore na inholt des breves ....

In deze brief staan een paar opmerkelijke zaken. Er waren twee broers, Johan en Hendrik, die kennelijk Wenekinck heetten maar ook Quant genoemd werden. Kennelijk was het hof/erf Wenekinck het hof/erf Quant. Mogelijk is dit het goed Wanekynge bij Borger. In 1436 is er sprake van een Egbert Wanekynge, in 1465 een Willem en in de periode rond 1483-1491 was Wicher Wanekygne Schulte van Borger. De broers Quant waren kennelijk zo rijk dat ze het erf Weerding bij Emmen konden kopen of pachten tegen een aantal mudden rogge (zie bij Johan, Henrik en Rollof). In die tijd hoorde dat erf kennelijk bij Odoorn (Oderen) en was het van het convent Orde van het Heilige Kruis in Apell (Ter Apel), een convent wat pas in 1465 gesticht was, nadat het door Jacobus Wiltingh aan de kerk gegeven was. Overigens staat er ook een Johan Quants als getuige genoemd bij de stoklegging: is dat de vader van de broers?

Een andere(?) Quant die in de buurt van Gramsbergen genoemd wordt is Johan Quants in een document van 11 februari 1482, die een 'gegoed' te Ees heeft, tussen Borger en Odoorn (zie www.cartago.nl voor de afbeelding van het origineel):

Henrick Wiltynge, Herman Dillige, Johan Quants en Arent Campynge verklaren dat zij hebben bemiddeld tussen Grete Olde Huzynge en haar zoons Lambert en Johan enerzijds en haar zoon Bole Huzynge anderzijds, in dier voege dat Grete krijgt de helft van Nije Huzyngehues met het bijbehorende Olde Wiltynge deel en Hermynge hofstede, al wat bij haar dood zal vererven op haar zoons Lambert en Johan, en dat Bole krijgt de helft van Olde Huzyngehues, alles gelegen in Drenthe.

En de tweede die genoemd wordt is rond dezelfde tijd (4 april 1483) Ro(e)loff Quant, 'kerkheer' (pastoor) in Gasselte:

Jacobus van Runen, vicaris te Gasselte, verklaart dat hij met toestem ming van zijn patroon Henrick van Munster, heer van Runen, en van zijn kerkheer Roloff Quant een landruil heeft aangegaan met het convent van Essen bij Gronyngen en bij stoklegging heeft overgedragen een huis met stede, geheten de Blankeborch en gelegen vr de vicarie, dat vroeger door Ghele Havynge geschonken is, in ruil voor een land in de hof van de vicarie.

In het Markeboek van Holtheme tot 1599, bij de 'historiekamer' in Gramsbergen wordt de naam Quant nog niet genoemd (voor zover ik het kon nagaan) en dat betekent dat de Quanten mogelijk van elders komen.

Daarna is de eerste Herman Quants (geboren voor 1587) die in 1611 één van de 'Etten' is in de Staten van Drente (ref). In 1627 is Roelof Quants (geboren voor 1602) de ette die in Odoorn woont, een karspel ca. 40 km noordelijk van de stad Coevorden en die bij het Dingspel Zuidenveld hoort. Hij heeft mogelijk Herman opgevolgd. We kunnen hieruit concluderen dat de eerste Quanten mogelijk leefden in Ees en in het karspel Odoorn in Drenthe. Ze hadden daar zoveel bezit dat ze 'eigenerfden' waren, een status in het rijtje 'edelen, eigenërfden, meyers, pachters'. Ze hadden vrijheden die lagen tegen die van de edelen, maar ze waren niet van adel.

In 1636 is Jan Quant 'ceurnoot' bij het opstellen van een notariele acte door de scholt, schout of schult van Coevorden en Schoonebeek. Zie de link hierboven.

Keurnoot kon je ook alleen worden als je eigenërfde was. Dit zegt dus dat Jan Quants in 1636 een eigenërfde was die ten Landsdage van Drente(!) gekwalificeerd was: hij had een volmacht van zijn kerspel om bij de Landsdag te zijn én hij leefde dus in een karspel die hoorde bij de schult van Coevorden en Schoonebeek. Dat was toen nog niet het karspel van Odoorn. Deze Jan zal mogelijk familie zijn van Roelof en Herman, al was het maar dat het onlogisch is om twee eigenerfden Quant te hebben in een straal van een paar kilometer afstand. In bovenstaande gaat het om de verkoop van een stuk grond die op de grens met het huidige Overijssel lag en mogelijk zelfs dicht tegen het stuk grond wat de Kwanten beheerden.

Rond 1639 trouwde Jan Quant die woonde op 'de Klokhenne' in de buurtschap de Meene, onderdeel van de marke Holtheme bij Gramsbergen. 'De Klokhenne' was boerderij en herberg tegelijk, in twee aparte gebouwen en mogelijk in die tijd ook al het veer. De boerderij 'de Klokhenne' bestond al aan het einde van de 16e eeuw. Het is niet duidelijk of deze Jan Quant dezelfde is als die welke keurnoot was. We staan hier nog even stil bij de vreemde combinatie van eigenërfde zijn en wonen in de Meene, een gebied wat gezamelijk eigendom was van een marke of stad! Kortom, als dit dezelfde was dan moet Jan Quant nog elders grond gehad hebben of had de rechten van een eigenërfde gecombineerd (of laten schieten) en beheerde de Klokhenne voor …wie?

Tot nu toe ben ik stilletjes vanuit gegaan dat de voorouders van Jan Quant al jaren op de 'Klokhenne' woonden maar dat is natuurlijk helemaal niet nodig. Ze kunnen er natuurlijk al lange tijd gewoond hebben en zelf de boerderij en herberg opgebouwd, bijvoorbeeld omdat één van de voorouders het land en de doorwaadbare plaats konden pachten van de heer van Gramsbergen of van de Vilsterborg. Zo'n pacht kon je natuurlijk ook krijgen als blijk van waardering, bijvoorbeeld vanwege een bijzondere daad op het slagveld. En als de Kwanten van Odoorn al redelijk rijk waren dan kan er natuurlijk voor een broer die niet de eerste erfgenaam was, iets geregeld zijn. Dit is logischer omdat er nog geen Kwant genoemd wordt in het Markeboek van 1502-1599.

Als Jan Quant ca. 25 jaar oud is, gaat hij trouwen en hij wordt de vader van 2 jongens: rond 1640 en 1644 worden Gerrit Janson en Herman Janson gedoopt. Als de normale regels voor naamgeving zijn toegepast en Gerrit de eerste zoon van Jan is, dan is de naam van de vader van Jan ook Gerrit. Zijn vrouw was dan een Hermans. Het is logischer dat dit omgekeerd is en dat de vader van Jan Herman Quant was uit Odoorn. Dat kan ook met de naamgeving als er een eerdere zoon Herman van Jan was die vroeg overleden is.

Op 28 mei 1654 wordt Rollof Quants gedoopt als zoon van Evert Hendrix Walraven. Hoe dit precies zit laat zich niet makkelijk raden maar een latere Quant, Luitje, die oorspronkelijk uit Odoorn komt krijgt een erfenis van de familie Walraven. Zijn Rollof en Luitje weeskinderen uit Odoorn die door een oom en tante in Gramsbergen worden opgevangen?

Op 25 april 1658 trouwt er een Herman Quants met Wendeltie Hendricx in Coevorden. Zij krijgen drie kinderen nl. op 19 januari 1670 wordt Hendrick Harms Quant gedoopt, op 16 april 1671 Mechteldt, en op 5 november 1672 Jantin. Dit zal wel familie zijn maar niet de zoon van Jan die in 1644 geboren is.

Op 19 oktober 1679 trouwt er een Hendrickjen Quants uit Odoren (Odoorn) met Jan Gerrits in Emmen. In Coevorden trouwt Grietjen Quants met Michiel Jurjens op 1 december 1699.

Gerrit Janson Quant trouwt op 12-04-1668 met Jantien Geerdtson, de dochter van Geert op den Kijft.

12 april (1668) Gerreit Janson sone van Jan Quants opt' veer  te Holtheme

Jantien Geerdtson dochter van Geerdt op de Kijft

 

 

 

Zij krijgen 2 kinderen, Jann Quant (28-08-1670) en Geertruidt (10-11-1672).

den 28 Augusti Jann sone van Gerreit Janson Quants wonende op de Vilsterborgh

 

Geertruidt dochter van Gerreit Quants op 't veer in Holtheme

 

 

Ook nu kun je op basis van de naamgevingsregels 'vaststellen' dat de moeder van Gerrit en Herman Geertruidt heette. En de broer van Gerrit, Herman Janson Quant trouwt in 1670 met Anna Geerdtson. Het is onwaarschijnlijk dat zij familie is van Jantien Geerdtson, de schoonzus van Herman, maar niet onmogelijk.

Er worden op Midwinter 1671 twee vrouwen aangenomen als lidmaat van de kerk.

Anno 1671 op middewinter

Geessien Roelofs weduwe van salige Jan van de Holte opt Quants veer wonende

Anna Geerdtson huisvrouw van Herman Quants

 

 

 

 

Uit dit huwelijk komen ook twee kinderen: Jan (17-03-1676) en Jann (18-06-1682).

 

 

 

Onder de opmerkingen "Vrouwen naemen dewelcke ick gevonden hebbe alhijr in de gemeinte tot Grammesbergh" wordt een hele rij vrouwen aangenomen waaronder Hendricktemplatien Quants.

Op 19 februari 1669 verkochten Harmannus Quants en Gesina Catharina Swart het huis "De Dobbe" in de Brugstraat te Groningen, bewoond door Jan Crijns, aan Wilhelmus Homan en Geertruida Rotgers.

Voglens het boekje van mijn opa wordt er in 1672 weer een Gerreit Quant gedoopt en in 1676 een Harmen maar zij komen niet voor in de DTB gboeken van Gramsbergen. Datzelfde geldt voor het tweede huwelijk van Gerrit Janson Quant met Janna Goorits.

Op Michaelis 1677 (29 september) wordt Herman Janson Quants t'Holtheme aangenomen als lidmaat van de kerk in Gramsbergen.

Op pasen 1678 wordt Jenna Geerdtsson, huisvrouw van Gerreit Janson Quant aangenomen als lidmaat van de kerk in Gramsbergen.

 

Op pasen 1679 wordt Gerreit Janson Quant t'Holtheme, veerman aangenomen als lidmaat van de kerk.

 

Rond 1680 hertrouwt(?) Gerrit met Janna Goorits en uit dit huwelijk komen de 3 kinderen Margien (18-01-1685), Gerreit (15-11-1685) en Jan (ca.1687??). Deze laatste is niet in het doopboek van Gramsbergen terug te vinden.

 

De geboorte van Gerreit op 15-11-1685 moet nogal wat los gemaakt hebben gezien de aantekening in het doopboek:

den 15 november

Gerreit, soone van Gerreit Quant, veerman t'Holtheme, sulx qualijk mij berigt, verstae daerna, desen de son t'sijn van Gerrit Quants swager, genaemt Gerreit Kijft, wonende opt Eggengoor

Het zal wel niet helemaal meer goed gekomen zijn met de drie Gerreits...

Geschreven met inkt (ook van de site met archieven van Hardenberg, een recept uit 1681):

om goeden inckt te maken neeme te mengelen regenwater, doet daerin 10 loot galnooten en 4 loot coperroot, grof gestooten en dickwijls omgeroert neemt dan een oort wijn edick ende 6 loot Arabisse gummi, laet die daerin smelten, slaet dan 2 witte van eijer kort, en doet dit alles bij het voorschr(even) water en galnoten en coperroodt, ende lat het alles eenige dagen staen ende roert het somtijts om, fiet attramente

De overbuurman van de Quanten, Derrik Hendriks Haanriksman, geeft op 18 oktober 1693 een hypotheek van 1000 gld. op zijn huis en hof aan de Vecht waarop hij jaarlijks 4% rente heeft betaald aan een bakker in Amsterdam! Wat doet hij met dat geld?