Kwantcestors

Reis naar Schwyz in 1956

Jan Kwant is van 24 juli-23 augustus 1956, nu 50 jaar geleden, met een busvakantie naar Schwyz in Zwitserland (Schwyz in der Schweiz) geweest. Daarvan heeft hij een dagboek bijgehouden wat hieronder is weergegeven. Het dagboek is in een ringband vervat en op een aantal tabbladen zijn foto's, tekeningen, toegangskaartjes etc. geplakt. Het is waarschijnlijk achteraf pas definitief opgeschreven.

Het geheel heb ik hieronder uitgetypt. Hier en daar heb ik foto's etc. gescanned en toegevoegd (niet alles gescanned, wel alles getypt). ik heb zoveel mogelijk de tekst van mijn opa aangehouden maar er zal wel eens af en toe een typefout tussen staan. Overigens is niet elke fout een type fout: ook hij schreef niet helemaal foutloos en soms kon ik een woord niet lezen.

De nummers zijn bladzijde nummers (81 stuks), in vet heb ik zelf de datum weergegeven wanneer die veranderde, soms heb ik zelf commentaar gegeven in kleine letters, commentaar van Jan staat in de tekst of voetnoot. Als eerste plaatje is de eerste bladzijde van dit boek weergegeven


 

1

Dag 1, 24 juli 1956

Dinsdag 24 juli 1956

Het is dan zover. De dag waarop we al meerdere weken hebben gewacht, eerlijk gezegd met enige vrees dat er nog iets tussen kon komen, is dan eindelijk aangebroken. Voor mij is de nacht gedeeltelijk slapeloos voorbij gegaan. Een komende emotie heeft nog al vat op mij. Maar toch heb ik nog enige uren geslapen als ik om half zes wakker wordt. De voorbereidingen nemen nog al enige tijd in beslag maar ‘k behoef me niet zo te haasten, want om 1030 behoef ik pas in Hengelo te zijn. Dat is voor de mensen die in Groningen instappen anders, die moeten om 6 uur al reisvaardig zijn. Ik neem afscheid van de familie en stap om half 10 in de bus. Sinie en Pauline doen me uitgeleide met de ukkepukken. Opa gaat op reis, op reis naar het land der bergen, naar Schwyz in der Schweiz.

Adju wij moeten elkander groeten. Adju tot ziens, tot wederziens.

 

 

2

Om 10 over 10 sta ik al op die Tiemensbrug, dat helemaal geen brug is, niets meer dan een doodgewone bushalte in Hengelo. Het motregent. Triest weer, zal het zo blijven, de hele reis door? We weten het niet. De andere passagier, iemand uit Hengelo, Leerkotte, komt spoedig opdagen. We maken kennis. De bus is laat. Elf uur, daar komt hij, de grijsblauwe Mercedes Benz, op de voor en achterruit staat

Z w i t s e r l a n d

De koffers worden ingeladen. Ik treed binnen en bekom een grote schrik!!!!!! Maar gelukkig voor niks! ’t Was prima in orde, daarbinnen. Daar zaten de toeristen keurig netjes achter elkaar. Ik kende er 3 van: Roelie-Lini-Tite. Titi had ik voor zover ik weet nog nooit eerder gezien. Ik geef de hele troep de hand en zeg: ik ben Jan Kwant. 

3

Binnen is het beter dan buiten. Daar buiten een druilerige regen met overjagende wolken. O, wat een trieste natuur. Hoe anders zou ’t geweest zijn door zonovergoten landouwen te rijden. Als we de fabrieken van Storck gepasseerd zijn, slaan we links af naar ’t Zuiden, de zon en zomer tegemoet. Tenminste, dat hopen wij allen. Ik heb me neergelaten, achter in de bus, naast collega Russchen, hoofd van een openbare school in Noordbarge. Met deze man, die ook zijn vrouw verloren heeft, zal ik in deze 10 dagen nader kennis maken. Het is een aardige kerel, die het wel heel erg eenzaam heeft. Ik heb Gert en Sinie bij mij, Sinie die in zorgzaamheid voor mij voor een eigen dochter niet behoeft onder te doen. En dan Joop, en niet te vergeten die kleine lieve ukkepukken, Carla, Anita en Henk en de kleine lieve schattebout Ansje, zij allen betekenen in het dagelijks leven, met Piet en Pauline zoveel voor mijn gezelligheid. En als ik bij al de rijkdom me  

4

 

zo vaak alleen voel, hoeveel te meer hij, die zonder hulp in de huishouding zit en in een hôtel gaat eten. Stop, dit hoort niet bij de reis. 

Links van mij, in de andere rij zit Roelie en naast haar Mevr Glazenburg, een weduwe uit Assen. Dan zijn er verder nog:

De fam de Haan uit Dokkum, onderwijzer aan een ulo.

De fam Swaak uit Groningen (adm rijks teken(?) bureau)

De onderwijzer Voorsmid, ook uit de stad van de Martini toren.

De fam Schol uit Balinge (h.e.s.) met hun zoon Jaap (kwekeling)

De fam Withaar uit Donderen, hoofd v.e. school

De fam Boelens uit Ekehaar, hoofd v.e. school

Mevr. Franken, 75 jaar, weduwe van een gedeputeerde van Drente uit Assen.

Tite en Titi uit Assen en Groningen

Juffrouw

Uit Ter Apel, huishoudster

De fam Goes uit Stadskanaal (fabr. confectie)

De reisleider heette Beek een onderwijzer uit Emmen en

dhr. Leerkotte is in dit rijtje vergeten [GK]

 

5

de chauffeur Warringa. We rijden langs Beckum-Neede-Groenlo naar Winterwijk. Daar de hoofdweg naar W tengevolge van reparaties opgebroken is, maken we een kleine omweg, maar toch zijn we om 12 uur aan de douane post Kotten.

Hier zijn we aan de grens.

We drinken in het hôtel, of liever café-restaurant Holstegge onze morgen koffie en eten er een deel van ons proviand bij op.

Om 1245 rijden we de grens over; noch bij de Nederlandse, noch bij de Duitse douane hebben we oponthoud van betekenis.

Daar gaan we weer. Nu Duitsland binnen en Duitsland door.

Even over de grens het gehucht Oeding en 5 km verder Weseke. Hier kwam ik zaterdag op mijn reis naar Essen met Schweitzer, op de weg die wij volgen naar Borken, door Raesfeldt, een oud stadje met een waterburcht uit de middeleeuwen en bereiken om ±125 Dorsten een stad met kolenmijnen. Hier splitst de weg zich.

Links naar Essen, rechts naar Bottrop. De laatste nemen wij, en bereiken

 

6

Bottrop en tevens de autobaan naar Stuttgart, voor 140

Bij Dorsten waren we over de Lippe gereden.

Stuttgart, ja daar zijn we nog niet. Dat zal nog wel enkele uren duren.

Bij Bottrop in de buurt passeren wij het Rijn-Hernekanaal, van groot belang voor de industrie en kolentransport in dit gebied.

Doorrijdend op de autobaan rijden we door Oberhausen-Nord.

We zijn in het Westelijk deel van het Roergebied, vroeger de wapensmidse van Duitsland genoemd.

Links van ons in de verte en aan de horizon tal van rokende schoorstenen. Heel in de verte ligt Essen, de stad van de Krupps.

215 We naderen de omgeving van Düsseldorf, want we zijn zo juist Ratingen gepasseerd. We zullen Düsseldorf, dat men wel eens Duits "Den Haag" noemt, niet zien.

Rechts van ons zien we het Bergische land, heuvelachtig terrein.

 

7

225 Nu passeren we het dorp Erkrath, dat te midden van bebost heuvelland, een lievelijke aanblik geeft.

Het gaat snel op deze autobaan want om 238 passeren we Wupper in welks dal we de tweelingstad Elberfeld-Barmen tegenwoordig Wuppertal genoemd, ontstond. Het Duitse Evangelische Zendingscentrum. Wuppertal was niet te zien.

240 We naderen een andere stad, die we aan de rechterhand passeren, de stad van de Bayer aspirine, Leverkusen.

De bus snelt verder over de autobaan met een snelheid van 80-100 km. We naderen Keulen, Colonia Agrippina, dat door de Romeinen als nederzetting aan de Rijn gegrondvest werd.

De stad van “4711”, de stad van de beroemde Dom, met zijn 2 torenspitsen, die hoog in de lucht priemen. We zien ze, evenals de bekende brug over de Rijn.

Het gaat nu snel op onze eerste rustplaats na Kotten, aan

Siegburg

3 uur ongeveer, en we zijn er.

Op een heuvel ligt een oud Benedictijner klooster (1064), dan nu als gevangenis dienst doet. Vroeger een gevangenis voor vrijwilligen, nu voor gedwongen.

Toch nog wel enig verschil.

De heuvel heet Michaëlsberg.

Siegburg is een beroemde oude potten

 

8

pottenbakkers stad, reeds bekend in de Middeleeuwen.

In het Rasthaus “Zur alten Poststrasse“  drinken we onze koffie. Fijn om onze benen eens evens te kunnen strekken.

Roelie en Linie hebben er nu al ongeveer 250 km op zitten.

Een km of 10 naar het Westen moet de oude historische stad Bonn liggen (waar Martin Luther zich in 15… voor de Duitse Rijksdag moest verantwoorden)In de kantlijn staat “Onzin in Worms”[GK] en dan een km of 25 zuidelijker dan Bonn, eveneens aan de Rijn, of liever over de Rijn, de brug van Remagen, die de Amerikanen in 1945 in een bliksemsnel aanval konden nemen voor hij door de Duitsers opgeblazen werd. Toen kon de stoot gericht worden op het hart van Duitsland.

Siegburg is een stad van ±30 000 inwoners en ontstaan om een oude ridderburcht aan het riviertje de Sieg.

345 We stijgen weer in.  Ik ben een illusie armer. Ik had me, om er eens een beetje sportief uit te zien in Enschede een mooie lichte pet gekocht, die me erg flatteerde, dat zeg ik zelf. Toen ik in Hengelo in de bus instapte zag Tite me

 

9

voor een Amerikaanse Nabob aan.

Welnu dan, die mooie pet was ik kwijt. Ik bemerkte het in Siegburg. Ik had hem in Kotten, in het café …., aan de kapstok laten hangen. Dat was de eerste stomme daad. Er zouden er meer volgen, helaas.

Achtereenvolgens passeren we de dorpjes Hennef-Birling-Uthweilen.

In het Westen aan de Rijn moet Königswinter liggen met de bekende “Drachenfels” (Drakenrots). Maar zien doen we het niet.

420 We rijden over het riviertje de “Wied”. De brug over deze rivier heeft nu een dubbele baan, aangelegd na het vreselijke ongeluk van verleden jaar, toen een Nederl. Chauffeur van een vrachtauto uit Holland, tengevolge van het plotseling weigeren der remmen, een ongeluk veroorzaakte dat een paar mensen het leven kostten en hem zelf gevangenisstraf. 

Het dal van de Wied is een prachtdal. Nu links, dan weer rechts verheffen zich de heuvels als lage begroeide bergen, aan de Wied ligt Neustadt.

Wij rijden nu door het Westerwoud bekend om zijn schone natuur. Wij, die nog weinig gewend zijn, genieten intens van deze schoonheid.

De Wied is niet breed, ongeveer als de Dinkel bij Gronau.

 

10

We zijn het Rijnland uit en rijden nu door Rheinland Pfalz, een mooi land, waarvan we volop genieten, want het weer is goed en de zon breekt door de wolken heen.

5 uur We rijden door het Kermäkker land het land van de pottenbakkerijen =Keramik, links een dorpje met zo’n fabriek.

We naderen Montabauer een aardig stad, tegen de heuvels en in het dal gebouwd.

En niet lang daarna aan de

530 Lahn de stad Limburg, ook lievelijk gelegen. We rijden nu door de Taunus.

God heeft zijn schepping hier met bijzondere schoonheid gezegend.

540 We rijden langs Carnberg, een “kolenort”.

Links van onze weg ligt het dorpje Ippstein met zijn “Heksentoren”. Door het dal trekt een puffende locomotief moeizaam een kolentreintje voort. Onze dartele Mercedes Benz doet het beter.

We rijden langs Ittstein, dat links van ons laag in het dal ligt, bij de afbuiging van de

 

11

autobaan naar Frankfort am Main.

Wij zijn nu bij Wiesbaden-Niederhausen. De eigenlijke stad Wiesbaden ligt meer naar het Westen. De stad van de geneeskrachtige bronnen. Links zien we op Frankfort.

610 ’t Is een grote stad. We rijden over de Main, een tamelijk brede rivier, die straks zijn water zal ontlasten in de Rijn, bij Mainz. Links zien we, in de volle zon, de grote stad nu vlak bij.

615 We passeren Frankforts Flugplatz, het grote vliegveld van continentaal Europa. “Frankfurt”. Er staan tientallen vliegtuigen aan de grond. Verkeerstoestellen zowel als militaire vliegtuigen, op aparte afdelingen.

630 In de buurt van Darmstadt, dat we links zien liggen, ligt even verder naar het zuiden een aanlegplaats n.l. “Rasthaus Pfungstadt”. Hier stappen we uit om koffie te drinken en uit te rusten van het zitten. Die restaurants liggen langs de autobanen op afstanden. Ze liggen links zowel als rechts.

De koffie smaakt uitstekend en het gebak evenzeer. Onze maag is dan ook zeer voldaan als we ongeveer 715 weer in de Mercedes klauteren. De koetsier op de bok neemt de teugels en daar gaan we weer, het zuiden tegemoet. We zijn in het oude koninkrijk Hessen, dat zijn koninklijke waardigheid verloor na de eerste Wereldoorlog. Nu is het gewoon “Hessen”.

 

12

Links van ons ligt de oude verkeersweg “de Bergstrasse” aan de voet van het Odenwald. Het is machtig mooi weer en de volle zon werpt haar gouden stralen over bergen en dalen.

Een pracht effect op de groenbegroeide hellingen met boerenhoeven.

Rechts een donkere wolk waaromheen diezelfde zon een gouden rand tovert. ’t Is alles even mooi en onze stemming is best.

Boven, hoog tegen de blauwe hemel trekt een jagerpiloot witte condensstrepen. Al rijdende met een simpelgangetje, naderen we nu zo langzaamhand de omgeving van Mannheim-Ludwigshaven. Rechts van ons aan de Rijn, vermoeden we Worms, waar de Duitse Keizer Karel V in 1521 Dr Maarten Luther voor de Rijksdag ter verantwoording riep.

En dan komt de grote stad Mannheim waarvan we alleen de voorsteden passeren. Aan de Rijn, ligt deze stad, die met Ludwigshaven het Ruhrgebied in het klein uitbeeldt. In de oorlog hebbe ze beiden zware bombardementen moeten doorstaan. Op vele plaatsen in Duitsl. Zien we nog ruïnes. En dan gaat het almaar “verdan” op Karlsruhe “an”. De autobanen gaan om de grote steden heen, dus we zien Karlsruhe alleen maar liggen. Maar dat is ook voldoende. Na Mannheim passeren we de Neckar, bij Heidelberg in de buurt. De stad waar de Heidelbergse catechismus werd samengesteld. De stad van de Heidelb. Universiteit. Hier speelde zich de liefdesgeschie-

 

13

denis af van de jonge kroonprins uit het Zwabenland, student te Heidelberg, en Gretie, de dochter van een “studentensocieteitsbezitter”. Maar…zijn hoge positie liet een huwelijk niet toe. Het afscheid was ontroerend:

“Gretie, ich liebe dich, ich liebe dich mehr als mich selbst“. En zij: „Karl Heinz, Karl Heinz, mein Jungen“. En dat is dan het slot!

Het begint langzaam aan te schemer.

Als we Karlsruhe passeren is er niet veel anders te zien dan de lichten van de stad.

We buigen naar het Oosten. Zien Pforzheim liggen als een verzameling lichtpunten.

Links van ons verheft zich de “Hoher Bopser” een hoge heuvel van 482 m en daarbovenop zijnschrijffout we een verlichte mast. Ja, een mast?!!! ’t Is een Fernsehturm (televisiemast) van maar eventjes 210 m hoog, en ongeveer halfweg in dit gevaarte in kantlijn: “op 145 m hoogte” bevindt zich een restaurant. Wie durft nu nog van televisie “mast” te spreken. ’t Is nu volkomen duister. We zien slechts lichten, duizenden wellicht.

We gaan niet naar Ludwigsburg. We krijgen een ander nachtverblijf, n.l. in één der voorsteden van Stuttgart, Plieningen. We bereiken het in de late avond.

 

 

14

Ongeveer half 11.

De herbergier-hôtelhouder lijkt wel een slager. Nou hij is het dan ook. Zijn witgestreepte slagersjas ziet er nog al mondain uit.

Een “Metzger” en zijn hôtel heet Hôtel-Gasthof-Metzgerei “Post”. ’t Ziet er van buiten netjes uit en van binnen is het prima in orde. De slaapkamers zijn keurig netjes. Roelie en Linie krijgen kamer 5 aangewezen en Russchen en ik no. 1. In alle kamers vaste wastafels en de toiletten liggen bij elke kamer. Neen, ’t is prima.

Ook de warme maaltijd is goed. Soep-aardappelsen en groente, een flink stuk vlees en dessert.

We zoeken spoedig onze kamers op. Maar die dikke beddekken komen ongewoon aan.

Dag 2, 25 juli 1956

Russchen en ik worden ’s morgens vroeg door hanengekraai gewekt. Maar dat is niet zo erg, we zijn op reis en om 630 ontbijten. Dus maar gauw reisvaardig maken.

Russchen was het eerst er uit dus het eerst klaar.

Als hij weg is, doe ik mijn kleren uit en was me helemaal.

 

15

Onder dat warme dek ben ik nat van het zweet geworden. Ziezo daar knap ik van op!

Het brood is grof, maar dat geeft niet. Het smaakt al met al goed, want we gaan naar Zwitserland.

Roelie en Linie hebben goed geslapen, want ze hebben de haan niet gehoord.

Ik bel nog even de fam. van Pauline op fam Klein, Nanni en Gretel, a/d telefoon  en vertel hun waar we nu zijn.

 

Om 740 zitten we met zijn allen weer in de wagen en daar gaan we dan. Naar het zuiden, en hopelijk de zon tegemoet.

Nu zien we de Fernsehturm, met zijn verdikking, het restaurant, bij daglicht. Stuttgart heeft ook een heel groot vliegveld, voor burger en militaire luchtvaart.

We rijden door betrekkelijk vlak terrein en naderen zo langzamerhand de stad Tübingen, die in het dal van de Neckar ligt. De Neckar, nog lang niet zo breed als de Vecht.

Maar, de rivier is hier ook nog in zijn jeugdjaren, en toen waren wij ook nog niet zo groot.

De stad Tübingen ligt in het dal en deels tegen de heuvels gebouwd. Een prachtig gezicht. ’t Is een bekende universiteitsstad. De huizen zijn ook hier, even-

 

16

als elders vuilgrijs bepleisterd.

Nu we de autobaan verlaten hebben, en op gewone autowegen rijden, die nog al bochtig zijn, schieten we niet zo hard op.

830 We gaan meer langs dan door Tübingen. Een flinke stad in heuvelachtig terrein, zo ik zei.

845 Onze snelheid wordt enigszins belemmerd door de vele “Umleitungen”, want op meerdere plaatsen zijn de wegen in reparatie.

We passeren Moszingen een dorpje.

We zullen ons vandaag in zuid-duitsland nog meerdere malen verbazen, over de slordigheid. In de meeste plaatsen die we passeren, liggen de mesthopen maar zo langs de weg. Koeien voor de wagen. Rommelig bij de huizen. Neen, ’t is hier niet zo zindelijk als in Nederland.

855 Voor ons ligt (Bergen-Belzen) in de kantlijn: “Neen dat ligt in het noorden”. Een huivering loopt ons over de rug, als we er aan denken hoeveel duizenden hier in het “Konzentrationslager (Bergen-Belsen”) in de Nazi tijd onder Hitlers diktatuur en Himmlers wreedheid hebben geleden, te midden van een natuur, zo schoon, zo overschoon. We zingen wel eens “Op de bergen en in dalen, en overal is God” maar in de oorlogsdagen heerste hier, op deze bergen en in deze dalen van Bergen Belsen alleen de duivel. Wat een leed is hier geleden, hoeveel tranen zijn hier geschreid!

 

17

We moeten er niet aandenken dat we door dit “tranendal” trekken in een opgewekte stemming, het zuiden tegemoet, naar het land der bergen, om te genieten zoveel we kunnen.

Maar ja, zo is het leven! We zullen ook deze voorrechten met blijdschap moeten aanvaarden. En we doen het! Bergen-Belzen is spoedig vergeten, we zijn er door-uit!

Aan de linkerkant het hoge bergachtige heuvelland van de Zwabische Jura, ook wel de Schwäbische Alp genoemd. Het is een mooi land, met gemoedelijke Zwaoben, die in hun gemoedelijkheid met de mesthopen langs de wegen volkomen genoegen nemen.

We zien in het westen aan de gezichtseinder een donkere heuvelrug. Het is het dichtbeboste Zwartewoud. Maar het is een heel eind fut.

We naderen het vorstendommetje Hohenzollern, de bakermat van het Duitse Keizerlijke huis, dat in 1918 de benen moest nemen, en uit welk geslacht de trotse keizer Wilhelm von Hohenzollern in Doorn als balling het leven liet.

9 uur Het is 9 uur als het werkelijk trotse kasteel boven op een hoge, heel hoge heuvel zich aan onze ogen vertoont. Het overheerst de hele, wijde omtrek. Geen wonder dat dit trotse kasteel een trots geslacht herbergde. We komen er hoe langer hoe dichter bij totdat we aan de voet van de heuvel langs rijden. Trots ligt het daar, maar ook eenzaam.

Het ontlokt Roelie de opmerking: “Het is daar mooi wonen, maar je hebt geen buren”.

 

18

En ze heeft gelijk. Dit machtig bouwwerk heeft 11 torens, nl. 9 torentjes en 2 grotere.

Rechts in het dal een mooi en aardig stadje, dat zijn ontstaan wel aan dit kasteel te danken zal hebben. Aan de weg ligt het hôtel “Zollernblick”. Even daarna passeren we Wessingen een kleine plaats, maar met een groot kerkhof, vermoedelijk van gesneuvelden want de kruisen rijen zich achter en naast elkaar.

Bissingen dat nu komt is oud en slordig, ten minste slordig naar onze Nederlandse begrippen van zindelijkheid. Overal de mesthopen en de rommel.

920 We nemen Balingen, wat me daar opvalt is het keurige voetbalveld met een aardige tribune en een goede grasmat. Vlak na Balingen komt het dorpje Endingen. Hier noteerde ik de naam van een hôtel: Gasthaus zum Ochsen. ’t Is niet de eerste os die zijn wirt inspireerde om zijn gasthaus zo te noemen.

930 Dotterhausen: rechts een zwaarrokende cementfabriek. Je kunt beter naar de frisse alpenlucht reizen, dan in deze cementfabriek werken. Bij de fabriek 6 grote cementcilinders, ±20 m hoog en 8 m in doorsnee, of misschien groter. We zijn onderhand weer in Baden gekomen, dat we ook doorreden van

 

19

Mannheim tot Pforzheim.

Links vergezellen ons nog steeds de Zwabische Alpen, en rechts een lager heuvelachtig landschap. We rijden door Schömberg. Gelukkig, dat het niet Schönberg heet, want ’t is een vies dorpje, boordevol met mestvaalten, die m.i. danig zullen stinken.

945 Rottweil, prachtig gelegen op een hoogte van de Jura (Zwabische) . Het is een oude stad aan de voet stroomt de vuil-groene smalle Neckar. ’t Is nog een baby, want in deze buurt ligt zijn brongebied.

Zo breed als de Dinkel vooral niet breder. Roelie zegt: bij ons noemen we dat “een wieke”.

We rijden dwars door een deel van de stad. De Gasthaüser hebben weer zoals overal in Duitsland, dierennamen. Ik noteer: Gasthaus zum Hasen;

Gasthaus zum Adler; "Gasthaus zum Pflug"

Hôtel zum Lamm.

De stad is oud, heel oud. Ze lijkt wel wat op Münster in Westfalen.

1010 We rijden door een aardig stadje, zo in de trant van Gronau, maar dan een vergrote editie. Maar de huizenbouw is anders. Grijs-grauw. Was het maar wit, maar ’t is schmutzig. Schwenningen heet het. Hier moet de Neckar ontspringen, want op een hôtel, Gasthof zie ik “Neckar Quelle” staan.

1015 Even daarna de badplaats Dürheim. Het zal wel minerale bronnen hebben, met z.g. geneeskrachtig water.

 

20

1030 Om 1030 belanden we in de bekende plaats Donaueschingen, waar in de omgeving de Donaubronnen liggen. Warringa, onze chauffeur, zet ons neer voor de deur, en op het terras drinken we koffie.

Langs dit terras stroomt de Donau zeer ondiep, met keien op de bodem en ±10m breed. “O Donau zo blauw” is er hier niet bij. Dan moet je in Wenen zijn, de stad van de familie Strauss.

We versturen hier een paar ansichten. Ons restaurant heet: “Der Schützen” of te wel “de schutter”.

1100 Instijgen!! We rijden weer. Het terrein is betrekkelijk vlak, later wat heuvelachtiger met hier en daar een dorpje, aardig in hun typische ligging. Ja, ’t is hier toch wel mooi. Maar Roelie en Linie, die verleden jaar in Oostenrijks Tirol waren, in Steinach, maken zich ernstig ongerust. Ze hadden nu al bergachtig terrein verwacht. Lini verzucht: “Tante Roelie, deze reis is een vergissing”. "Heb maar geduld meisjes, het komt nog wel! Dit is Zwitserland nog niet."

1135 We rijden door Blumberg, dat in hoofdzaak rechts ligt en rijden dan door naar Randegg, het plaatsje waar het

 

21

Duitse Douane kantoor ligt, en dat we om

1143 bereiken. Een feitelijke pascontrôle is er niet. Een controleur komt in de bus en vraagt hier en daar de pas; douane contrôle is er in ’t geheel niet. Twee nederl jongelui op hun motor staan hier, die ook naar Zwitserland gaan.

1150 Nu contrôle bij het Zwitserse douane kantoor Bargen. Ook hier alles even gemütlich als aan de Duitse kant. Er wordt geen pas gevraagd, we kunnen na een kort oponthoud “weiter fahren”

1157 De beide contrôle posten liggen ±3 km van elkaar.

1208 Om 12 uur acht bereiken we, na door stijgend en dalend terrein gereden zijn dat voor mij enig bergachtig idee geeft, Schaffhausen. Roelie en Linie zijn echter nog niet gerust gesteld. Verleden jaar naar Steinach ging het laatste deel der reis veel meer door bergachtig terrein. Linie is zichtbaar bang dat ze met deze reis een foute keuze heeft gedaan en ook Roelie schudt nog wel een enkele keer het hoofd als ze zich omdraait naar Linie. Ik hoop zo van harte, dat ze niet teleurgesteld zullen worden. Dat zou ontzaglijk jammer zijn. Maar wat ik er over gelezen heb is voor mij overtuigend genoeg ons te zeggen: “Maak je maar niet ongerust, het komt allemaal nog wel”.

Schaffhausen is een vrij grote plaats, die in een dal ligt en tegen de heuvelhellingen is gebouwd. We rijden er door. Reeds

 

22

direkt maakt Schaffhausen een veel nettere indruk dan de steden en dorpen die we in Zuid-Duitsland zagen.

Nog wel grijze muren, maar alles, ook het terrein om de huizen is netter.

We rijden langs het station. Er komt juist een trein binnen. Schaffhausen heeft ook hoogbouw. We passeren de Rijnbrug. Rechts, midden in de Rijn een afgetimmerd zwembad.

Nou, ‘k zou er wel even in willen, want het is erg warm in de bus. De zon is ons wel gezind.

Links van ons over de Rijn een ijzeren spoorbrug, waar juist een trein overgaat. Rechts van ons ligt nu een deel van Schaffhausen in de laagte. Ook zien we een stuwdam in de Rijn, ten dienste van de electrische centrale, zoals hier zoveel in Zwitserland zijn, dat zullen we in de komende dagen nog wel zien.

We gaan niet, zoals ik gedacht had, over Winterthur, maar over Benken, Amelfingen, waar we de weg naar Winterthur verlaten,  dat geloof ik ten minste. In elk geval, de weg is nog al bochtig en ….geen hoge bergen, maar heuvels op afstand. De ongerustheid bij Roelie en Linie neemt toe. We zijn toch in Zwitserland, en onwillekeurig wordt ik er door aangestoken. We passeren

 

23

1255 het dorpje Embrach en vlak daarop het gehucht Lofingen. De weg gaat stijgen.

105 Om 1 uur 5 min passeren we het grootste vliegveld van Zwitserland, Kloten. Het is het vliegveld van Zürich.

Kloten is een aardig stadje. Alles is hier veel netter, zindelijker dan wij in Zuid Duitsland zagen. De wegen zijn in prima staat.

We naderen de grote stad Zürich en om 110 zijn we er.

Een grote stad, met electrische trams, grote zaken, ongetwijfeld een stad als Utrecht. We rijden er vlot door en onze chauffeur Warringa aarzelt geen moment. ’t Is net of hij er geboren en getogen is.

En als we dan de stad door zijn, dan rijden we langs de Züricher See of meer van Zurich. Dat is mooi. Links van ons het langgerekte meer.

Minstens 10 km volgen we de oever aan de Z.W. zijde. Op het meer wemelt het van plezier zeilbootjes en tegen de helling aan de overzij tal van plaatsjes. ’t Is een aaneenschakeling van huizen, die tegen de helling zijn gebouwd. Zollikon, Küsnacht (niet Küssnacht aan het 4 woudsteden meer waar koningin van België verongelukte), Erlenbach (elfenbeek) Herrliberg, Meilen, Männedorf.

’t Schijnt dat er geen eind aan komt. Iedereen vindt dit adembenemend mooi. Het is prachtig, in één woord..prachtig. Maar de bergen, de bergen waar we naar toe gaan, die zijn er nog niet. Maar ze komen wel!

 

24

We rijden nu via Horgen, Wadenswil, Baar naar Zug, aan de N.O. punt van het mooie Zugermeer.

Dat meer volgen we gedurende 13 km. Nu beginnen Roelie en Linie tegen elkaar te knipogen en te lachen. ’t Is in orde. Hun vrees met deze reis in “de aap gelogeerd” te zijn, wordt hoe langer hoe meer beschaamd. Bij Zug begint het al, links, ’t hoofd moet in de nek, de Zugerberg 992 m. Aan de andere kant van de “Zugersee” komen hogere bergen in ’t zicht.

De lach op de beide gezichten wordt breder en als dan de Rigi komt, de grote steenkolos, bij Arth aan de zuidpunt van het meer zo vlak bij, dan knikken ze elkaar toe en zeggen: nu is ’t in orde.

’t Is een prachtige aanblik, de Rigi. Verder op neemt de bergachtigheid toe. ’t Zijn nu allemaal bergen. Aan de voet van de Rigi ligt Goldau, vanwaar een tandradbaan naar boven voert. Ik heb me vast voorgenomen, de Rigi te “betandradbanen”.

We rijden nu langs de Lauersee. Rechts van ons rotsgevaarten. Daar zullen we nog wel vaker kennis mee maken. We passeren bij Seewen de St.Gotthart spoorlijn en dan in eens zien we beide Mythen, de kleine en daar

 

25

rechts de grote Mythen. Kale rotsen die bijna 2000 m naar boven priemen. En aan de voet, dwz. aan de langzaam afdalende voet, ligt ons vakantieverblijf

Schwyz

 

3 uur Woensdag namiddag, 25 juli van het jaar onzes Heren 1956, rijden we met onze trouwe Mercedes Benz tot voor het hôtel, waar we 8 dagen zullen verblijven.

We worden allerhartelijkst ontvangen, door de meneer, die de waard blijkt te zijn, door de jongedame van de keuken en niet te vergeten, door de groep, die straks weer naar Nederland zal terugreizen met de wagen waarmee wij kwamen.

We hebben medelijden met de chauffeur Warringa. Hij zal een uurtje kunnen uitpaffen, en eten, en dan zal hij de “oudegroep” weer in 2 dagen naar ’t Vaderland moeten terug brengen.

We schrijven allen gauw onze kaarten, voor huis. Die zal Warringa meenemen.

Even daarna krijg ik een 2e schrik, niet zo groot als ’s morgens in de wagen, maar toch een schrik. Ik ben mijn portefeuille kwijt. Niet in mijn zak, niet in mijn overjas. Maar waar dan. D’r zit al mijn geld in, en o mijn pas. Ik weet dat ik hem straks nog had. Daar komt Boelens mee aan. Ik had hem op de tafel laten liggen toen ik de kaart schreef. Janneman, je moet oppassen. Eerst de pet, en nou de portefeuille. Roelie zegt: “Geef hem

 

26

maar hier dan zal ik hem wel in de tas doen”. Maar dat zal toch moeilijk gaan.

Zo zitten we dan te zitten in ons hôtel “Schäfli”. Het gerucht doet al gauw de ronde: hier kunnen maar 4 mensen op 2 kamers logeren. De anderen moeten naar dépendances.

De leider Beek heeft het druk met de huisvesting.

Roelie en Linie komen ergens op één kamer aan de voet van de Mythen. Russchen en ik in de Martinstr. Bij de familie Beda Büggelin. Een oude vrouw en haar dochter. Ze wonen dicht bij het hôtel. We krijgen elk een knappe kamer. Russchen gelijk vloers. Ik “erster stock”.

Roelie en Linie moeten nog al een heel eind lopen, voor ze er zijn. En de wegen stijgen hier bijna allemaal. Ze treffen het ook, want ’t is een mooi huis en de kamer is prima.

7 uur Om 7 uur is de warme maaltijd gereed. Piko Bello!! Gebakken aardappelen-sla-en veel vlees in de vorm van boterhamworst. Alles even keurig opgemaakt en opgediend.

De soep die we vooraf kregen smaakt na zo’n lange reis.

 

27

Gisteravond in Plieningen hebben we ook lekker gegeten: gebakken aardappelen, sla, en een stuk “Schweinbraten” met soep vooraf.

Na het eten gaan we met z’n zessen, de stad Schwyz verkennen. ’t Is een heerlijke avond. Hoog tegen de bergen schijnt de zon.

Roelie, Linie, Tite, Titi, Russchen en ik wandelen achter een groep zangers aan, die op het plein voor het Ratshaus gezongen hebben en nu een straat in trekken.

’t Is een jodelclub, die een ständchen geeft bij een hôtel, ter veraangenaming van de Schwyzer Lente en de vreemdelingen. Ze zingen goed en jodelen even mooi. Eén geeft een demonstratie op zo’n lange Alpenhoorn. Een “pijp” met een lange steel zou je zeggen, waaruit hij welluidende melodieën te voorschijn blaast. ’t Lijkt wel een beetje op onze Twentse midwinterhoorn.

Daarna gaan we terug. Tite en haar schoondochter zoeken hun “huis” op en wij met ons vieren Roeli, Linie, Russchen en ik gaan nog een poosje zitten in het restaurant “Rössli” aan de “Ratshaus platz”. We drinken elk zó’n grote fles appelsap, dat Roeli er de komende dagen tegen zal zijn.

Hier worden we lastig gevallen door een aangeschoten Zwitser, die half gebakken Nederlands spreekt en ons wel 20 keer vertelt dat hij in Amsterdam en Rotterdam is ge-

 

28

We raken hem eerst kwijt, als we vertrekken. Bij ons hôtel ontmoeten we de Haan’s en de Boelens.

De laatsten nemen Roelie en Linie mee, want ze wonen in hetzelfde huis. Russchen en ik gaan naar ons eigen huis. ’t Is kwart na 10 en we vallen direct in slaap. Ik ten minste.

 

Dag 3, 26 juli 1956

Donderdag 26 juli. Om 10 voor 6 wordt ik gewekt door ’t luiden van de grote klok van het grote onderwijs-internaat, waar ik van uit mijn raam het uitzicht heb. “Mariahilfe” heet deze inrichting. ’t Is een formidabel geelkleurig gebouw met een groenkoperenkoepel.

De Mythen staan beide met hun kale toppen al in het gouden zonnelicht te pronken. De steile hellingen zijn gedeeltelijk begroeid met naaldbomen. Bovenop de top moet een vlag staan, de Zwitserse, van 4 bij 4 m. Na enige moeite ontdek ik hem, maar ’t is maar een stip. Daarnaast rechts een kruis.

Tegen de helling links van de “kleine” staan verspreid, boerderijtjes. Daarvan zagen we gisteravond de lichtjes branden. We zitten te midden van de bergen. Heel hoog zien we rondom de witte sneeuw. Gisteravond toen het al tamelijk donker was, zagen we de toppen der bergen nog in een lichte schijn: het alpengloeien.

 

29

Op deze donderdagmorgen staan de Mythen in het licht blauwig waas en tegen de heldere hemel staan de beide steen kolossen majestueus afgetekend. Steenkolossen, ja, maar toch zijn ze maar ±1900 m hoog.

Daar schreeuwt een varken, gevolgd door een hels lawaai in ’t varkenskot tegenover. Daar woont een boer. Ze worden schijnbaar gevoerd.

In de weide met appelbomen lopen de grauwe koeien met bellen om de hals te grazen. Dat getingel is een leutig geluid.

In de weide rechts zijn een paar mannen bezig gras te maaien. Ze zwaaien de zeis evenals bij ons.

Ik kleed me aan en ga naar het hôtel om te ontbijten. Roelie en Linie zijn er nog niet. Ik wacht maar op ze. Ik vind het zo gezellig in ’t vreemde land samen te eten. Daar zijn ze! We gaan aan de slag. We krijgen 2 kadetjes en verder is er gesneden grijs brood. Koelhuisboter en marmelade en thee. ’t Smaakt best.

Na het ontbijt hebben we de R.K. kerk bezichtigd, vlak bij ons hôtel. Van buiten is hij niet opvallend, maar inwendig pracht en praal. Barok, alles barok wat we zien. De kansel wordt gedragen door beelden in zwevende houding. De gewelfbogen zijn met kleurige tafrelen beschilderd. Bladgoud overal. Een en al een overdadige weelde van beeldende kunst en snijwerk. Het maakt op ons vieren Roelie-Linie-Russchen en mij een grootse indruk. Wie in deze kerk zit, zal moeilijk naar de preek kunnen luisteren. Op de hoeken van de toren zien we vier draken, met uitgestoken tong.

 

30

Toen zijn we met ons groepje, waarbij zich oma en mevrouw Glazenburg voegden de weg naar Brunnen op gewandeld tot Ibach, waar we op een bank bij de brug over de Muota een snelstromend riviertje, hebben gezeten. De auto’s passeren in menigte. Halfweg Brunnen zijn we in de electrische tram gestapt. Terug in Schwyz waar we te vroeg uitstapten, heeft oma ons onder een palmboom gefotografeerd.

Om 12 uur hebben we smakelijk gedineerd. Soep-gebakken aardappelen-worteltjes-sla-gehakt en een “toetje”.

Er was meer dan we verwerken konden. We hebben ons echter aan de matigheid gehouden.

Om half 2 ongeveer gaan we als gezelschap, een enkele uitgezonderd, met de bus van de “automobil A.G. Schwyz” naar het “draadbaanspoor stationnetje” Schlattli.

Deze eerste tocht wordt voor ons allen een openbaring van schoonheid. Beneden ons de beboste hellingen en verderop in het dal het terugwijkende Schwyz en Ibach. ’t Is maar een korte tocht, maar op zich een groot genot met de geweldige aanblik der bergen en diepen ravijnen en dalen. De hellingen zijn met bomen begroeid

Berken-beuken –eiken en hoger op dennen. Bij Schlattli gaan we over op de kabelbaan, de steilste kabelbaan van

 

31

Zwitserland. Deze tocht is grotesk. Langs diepe ravijnen trekt de kabel het gevalletje naar boven. Onder ons in de diepte, zien we een bergbeek zich voortspoeden over de rotsachtige bodem, schuimend en bruisend dalwaarts. Ik vermoed dat het de Muosta is of een van de zijbeekjes.

Eindelijk zijn we dan aan ’t eind van deze kabelbaan. Stoos ±1300 m hoog. Een prachtig uitzicht op Schwyz-Ibach-Brunnen en de overal verspreid liggende huizen en boerderijen.

Stoos is een Kurort en in de winter een middelpunt voor de Skisport

Een gedeelte van het gezelschap wil graag eens met de “sessellift” naar boven, naar de Frohnalpstock. Roelie blijft liever beneden en nog meerderen blijven achter. Linie en ik gaan wel. Een machtig mooi reisje, in een stoeltje alleen, bergopwaarts, langs de draad, die al maar door draait en de stoeltjes af en aanvoert. De diepte beneden ons is helemaal niet angstwekkend. We blijven m.i. nergens meer dan 25 m boven de helling. Bij Luegi op 1750 m moeten we er uit. Maar dan is er nog een tweede lift die ons hoger voert, tot een hoogte van 1925 m. Ook daar gaan we in. We zijn nu op de Frohnalpstock. Beneden ons in de diepte ligt de Urnersee, als een gerimpelde groenachtige geleipudding, waardoor de bootjes varen, als kinderspeelgoedscheepjes.

Een machtige aanblik bieden ons de omliggende wit besneeuwde bergtoppen. Voor ons de Rigi, rechts van het vierwoudstedenmeer en links de berklomp Pilatus en achter ons tal van toppen

 

32

met hun witte hoeden op. Het is in één woord: overweldigend. Zo’n voorstelling kan men zich vooraf niet vormen.

Dat moet men zien en met zal het nooit meer vergeten.

Telkens denk ik: “O Joop, o Joop, mannetje, wat zul jij ogen opzetten. Wat hoop ik voor jou dat je volop van de schoonheid van dit scheppingswerk zult genieten, even als wij, met een brandende zon aan een wolkenloze hemel”.

De reis naar beneden met de lift is nog mooier, het panorama daar beneden ons is fantastisch mooi. Onvergetelijk. Ik vind het erg jammer, dat Roelie dit niet meemaakt.

Ik zit in de lift achter Linie. Plots: stop.

Daar zitten we te zitten, met ons goeie gedrag. Beneden ons de groene helling, boven ons de blauwe lucht. Is ’t apparaat kapot?

Is de stroom verbroken? Hupsa, daar gaan we weer. Beneden blijkt, dat er een”ouwe kerel” van ±90 jaar uit een stoeltje getild moest worden. De 2e lift ging vlot en als we weer op de begane grond zijn, gebruiken we nog wat en kopen souvenirs.

Er staat een kapel, die we nog even bezichtigen. Een kapel gewijd aan Maria.

In het voorportaal hangen verschillende dankbetuigingen aan de wand, voor verleende hulp ontvangen na de voorbede van Maria.

33

“Kinderen gered van een zware typhus”. “Gered uit gevaar van lawines”.

De Californische zwitsers laten 1X per jaar een mis bedienen voor alle zwitsers in de vreemde, daarvoor o.a. is deze kapel gesticht.

We hebben veel bloemen geplukt. Alpenroosjes, gentianen (alpenklokjes) en andere exemplaren. Roelie kreeg de “opdracht” van haar petekind, alpenbloemen mee te nemen en dan oom Jan die maar drogen. Nou, wij doen beiden ons best.

(Laat ik nou ’s avonds die bloemen verliezen, op de terugweg van Roelies kwartier naar mijn huis!! Schande!)

Toen we van het kapelletje terugkeerden, moesten we ons haasten met de afdaling, want het vertrek van de “kabeltrein” naderde met rasse schreden. Bonjour Stoos, Kurort, goeiendag Sesselbaan. Jullie hebben ons een buitengewone middag bezorgd.

Behalve de bloemen, heb ik ook nog een beetje klei van de Frohnalp meegenomen. Echt klei, zo wij dat hier per rivier uit die Schweiz ontvangen hebben, jaar in, jaar uit, duizenden jaren aan een!

Daar komt de wagon. We stappen in en dalen even snel, of langzaam zo je wilt, naar Schattli terug. En dan in de bust naar Schwyz. We hebben een fijne, fijne middag gehad!

Om 6 uur zijn we weer in het hôtel, waar we allen zeer smakelijk hebben gebroodmaaltijd. Iedereen had trek. De tafel is wel

 

34

voorzien. Kadetjes, brood (grijs), veel boterhamworst, boter, koffie. Ik heb een goede verzorgster naast me zitten, die me een flinke portie worst toeschuift: “Je hebt het betaald”.

“Dank je wel.”

We blijven ’s avonds met een man of 7 op het terras zitten. Roelie, Linie, Russchen, Voorsmid, ik en ik meen Tite en Titi, maar dat weet ik niet precies meer als ik dit opschijf. We vragen om een glas wijn, maar als we horen dat dat ons totaal op 5 Franken komt, vragen we naar de prijs van een hele fles. 7 Franken, nou, dan zouden we toch dwaas zijn die niet te nemen. We kiezen Vermouth. Het smaakt ons best. En we hebben het gezellig met elkaar. Tegen een uur of 10 gaan we naar huis. Russchen en ik vergezellen Roelie en Linie naar hun “kwartier” en dalen weer af naar de Martinstrasse, om ± half 11 zijn wij ook thuis. De weg naar het kwartiers van R en L is moeilijk te vinden. Maar ergens aan de weg staat een zwarte schoorsteen, die als ’t ware zo uit de grond komt. Deze is als een baken in zee. Een avond wandeling is altijd leuk, met al die lichtjes aan alle zijden tegen de berghellingen.

 

Dag 4,  27 juli 1956

35

Vrijdag 28 juli. Vandaag zal Joop hopelijk in Grindelwald arriveren. Vandaag zal hij beginnen de grootste ogen op te zetten. Ze treffen op de route Lahr-Basel-Bern, Thune-Interlaken mooi weer.

(Bij zijn thuiskomt blijkt, dat ze niet in Lahr maar in Denzlingen even ten N. van Freiburg overnacht hebben).

Ik hoop van harte jongen, dat je daar in ’t hooggebergte van Grindelwald en omgeving prachtige dagen zult doorbrengen en dat je genieten zult, zoals wij genieten van de schoonheid en grootsheid van het Zwitserse hooggebergte onder stralende zonneschijn.

28/8 Vandaag zullen wij de passentocht maken. Om 815 zitten we in de bus en om 915 ’s avonds zijn we weer thuis. We hebben een dag gehad, die met gouden letters in onze reisherinneringen zal blijven gegrift. De reis was van het begin tot het einde fantastisch. De bus is niet vol. Ik heb een plaatsje op de achterbank. Hier kan ik op zij zien, achteruit en naar boven door het gebogen paarse “glas”.

Hoe zou ik hier alles neer kunnen schrijven wat we gezien en hoeveel we genoten hebben, onder de indruk die dit geweldige natuurevenement op ons allen heeft gemaakt.

Ik zal  trachten deze tocht in hoofdtrekken hier neer te schrijven, opdat hij in onze herinnering steeds zal blijven voortleven als een gebeurtenis van zo’n geweldige betekenis, dat we er altijd met diep ontzag en grote vreugde aan zullen blijven denken.

 

36

We vertokken van af het “Rathausplatz” bij de kerk om 815. De chauffeurs van deze bussen zijn volkomen voor hun taak berekend. Wat dat betreft kunnen we gerust zijn. We rijden eerst naar Brunnen. Bij deze plaats buigen we rechtsaf en rijden over de beroemde Axenstrasse, een weg in de bergwand uitgehouwen. Natuurlijk is uitgehouwen niet het goede woord, want zo’n geweldig werk doet met niet met houwelen.

In elk geval, de Zwitserse technici hebben hier met hun arbeiders een gigantisch werk verricht. Vlak langs de oever van het Urnermeer, die zuidelijke uitloper van het Vierwoudstedenmeer, loopt deze weg, nu en dan door kleine tunnels, dan weer vrij langs de rotsige oeverwand, langs Sisikon, Fluëlen naar Altdorf. Altdorf, bekend uit de legende van de grote Zwitserse vrijheidsstrijder Wilhelm Tell. In Altdorf zien we zijn standbeeld, naast hem zijn zoontje. Of de legende veel of weinig waarheid bevat, weten we niet, maar de geschiedenis van de vrijheidsstrijd der Zwitserse kantons spreekt ons, vrijheidslievende Nederlanders aan. De Axenstrasse loopt onder steil hoogopstijgende rotsen door.

Aan de overzijde van het meer zien we

 

37

bergen, Seelisberg-Niederbauenstock-Oberbauenstock. Bij Seelisburg, aan de overkant ligt Rütli, met de beroemde Rütliwiese, waar de eedgenoten hun bondgenootschap sloten, en waarheen de Zwitsers trekken in stilte doch blijde devotie. De geboorteplek van het vrije Zwitserland. Aan de voet van de Uristock 2932 m. Wij rijden na Altdorf in de richting van Wassen, spoedig zullen we daar het dal van de Reuss bereiken en volgen.

Het dal is diep, de bergen hoog. En tussen deze toppen en de snelstromende Reuss gaat onze weg steeds verder zuidwaarts. Voortdurend zien we de St. Gotthard lijn, die ons door dit Reussdal vergezeld. Hier rijden heel wat treinen naar Italië en van Italië.

De Reuss is een snelstromend riviertje, dat als een dartele steenbok zijn weg zoekt tussen de rotsblokken, schuimend en bruisend. Straks zal die beek in N.Zwitserland uitmonden in de Aar en deze weer in de Rijn, zodat het water dat wij vele kilometers lang door de rotsachtige bedding zagen voortschuimen en voortbruisen, in zeer snel tempo tuimelend en buitelend tussen rotsblokken door en er overheen, na honderden kilometers bij Lobith ons land zal binnenstromen als statige Rijn, de grootvorst van Europa’s stromen, en zich verdelen in de beddingen van de Waal, Rijn en IJssel om onze vaderlandsche bodem de groet over te brengen van  Zwitserland.

De Reuss, de Rijn en de andere bergbeken

 

38

en stromen hebben de klei meegenomen, duizenden jaren door, die onze rivieroevers over grote breedte voorzagen van een dikke laag vruchtbare grond, waar tarwe groeit en de vruchtbomen volgeladen zijn met kostbaar en heerlijk fruit.

De stenen voor onze woningen, fabriceren voor een deel van Zwitserse klei, en de Zwitsers zelf maken hun huizen van natuurstenen en hout.

Maar waartoe dit uitweiden. We zijn op reis, op reis door dalen en over passen!

We passeren kleine dorpjes en grotere plaatsen. De weg gaat slingerend door het Reussdal, naar het zuiden, richting St Gotthard. We rijden nog steeds nagenoeg evenwijdig met de Gotthard baan, die via Seewen-Brunnen-Altdorf-Wassen-Andermatt door de St Gotthard tunnel naar Italië rijdt.  Een trein zien we die naar het zuiden gaat. Een paar wagons uit Amsterdam S.S. Het is als een groet uit het Vaderland.

Bij Gurtnellen even voor Wassen zien we de buisleidingen boven van de bergen komen. Ze dienen voor de aanvoer van water dat de kracht levert voor de opwekking van electrische stroom. Aan de voet het Krachtstation van Gurtnellen. Amstech ligt er even voorDe opmerking staat er vanwege de foto.

 

39

Even voor Gurtnellen zagen we een kunstmatig watervalletje, heel mooi. De zon tovert in de wegstuivende waterdruppels de kleuren van de regenboog. Het imponeert ons allen.

De val heet: Der Plattenssprung.

Wij rijden door Wassen. Hier zullen we van avond weer uitkomen uit de Sustenpas. Bij Andermatt verlaten we de Gotthardbaan en rijden nu in de richting van de Furkapass door het Urserental.

Het wordt hoe langer hoe imposanter. Links en rechts de geweldige bergkolossen van 2400-3500 m o.a. de Galenstock een deel van het geweldige bergmassief de Damma-stock. De weg, die zich al maar bochten draaiend omhoog slingert, maakt een overweldigende indruk.

Diepe dalen en ravijnen. Tegen de berghellingen de bossen en de weiden, en daar tussen en daarin de boerderijtjes en nog hoger en eenzamer in deze majesteitelijke natuur de berghutten en de sennehutten. Tegen die hellingen grazen de grauw-grijze koeien met hun verlepte uiers waar toch nog wel melk uit zal komen. Neen, geen Hollands vee, glad en glanzend en strak gespannen uiers.

De geiten zijn donkerbruin. Sommigen in de bus zien gemzen. Ik kijk en kijk, maar ik kon ze helaas met mijn  “aftandse” ogen niet zien.

Maar enfin, d’r bleef nog genoeg interessants over om naar te kijken en van te genieten en

 

FOTO Jan Kwant

40

om er over te filosoferen of te piekeren hoe je het noemen wilt.

Het is hier zo mooi, zo overweldigend, dat een mens stil wordt.

Ik dacht: hadden we dit nu vroeger ook eens kunnen zien en samen er van kunnen genieten. Maar dan: als dit al zo mooi is, hoe schoon moet het dan in de hemel zijn.

En dit stemt me dankbaar en tevens blij. Die heerlijkheid, die absolute heerlijkheid ten volle en volkomen  te mogen genieten eindeloos, eindeloos. En het is, alsof een stem me influistert: geniet maar van het leven, geniet er volop van, want het is een Gave van God.

Zie zo, daar sta ik weer met mijn benen op de grond.

 

Interessant waren ook de honderden smalle witte linten, van grillige vormen, die bergstroompjes, die door zeer nauwe spleten als schuimende beekjes met klaterende valletjes (’t klateren kon je niet horen hoor!) naar beneden snelden, alsof ze bang waren de aansluiting te zullen missen bij de bredere beek, die zich weer zal voorjachten om een nog grotere stroom te bereiken en eindelijk, eindelijk na een lange reis, zich zullen ontlasten in de zee. Daar zal het water van deze smalle schuimende  en bruisende huppelaars straks mee spelen

 

41

in het bulderend concert der opgezweepte golven, op een stormachtige dag.

We verwonderen ons ook over de begroeiing van de berghellingen.

Sommige droegen een mantel van dennebomen tot aan hun naakte halzen, waarboven de kale granieten kop weer omhoog stak. Anderen droegen bebossing tot aan hun lendenen, om dan verder omhoog te torenen in hun blote nakie van graniet.

We verwonderen ons ook, dat het mogelijk is dat deze rotsegevaarten met zulke bomen, beneden loof- boven naaldhout, begroeid kunnen zijn. Hoe houden ze zich vusvast?[GK] in de dunne laag aarde, die de rotsen bedekt.

Eindelijk daar gaan we over de Furkapas, 2430 m hoog. Een machtige weg is dat, over deze pas. Bij Gletsch stappen we uit. Hier is de Rhônegletscher, die in de ijstijd zich vele, vele km verder naar het noorden uitstrekte. Maar de klimaatwijzigingen heeft hem, de ijskolos, verder teruggedrongen, de berghelling op, naar boven 2430 m boven de zeespiegel, nou niet overdrijven, we zijn na de tocht over de Furka weer gedaald 1762 m.

En dan zijn we nou bij de Rhônegletcher. Hier begint dan de rivier, die in de Middellandse zee zal uitmonden. ’t Is een geweldige ijsmassa. We zijn hier aan de punt. Maar ver naar boven gaat de ijsmassa tot 3400-3600 m.

Op de achtergrond verheft zich de Mutthorn. Een prachtige aanblik, deze gletcher

 

42

die al duizenden jaren de Rhône haar oorsprong heeft gegeven.

Duizenden? Tienduizenden jaren? In de “ijstijd” strekte hij, de gletcher, zich veerveel [GK] verder uit naar beneden. Maar de klimatologische veranderingen hebben deze eeuwige ijskolossus terug gedreven in zijn hol, tussen de bergmassieven. De Rhône komt als een borelingske uit zijn gletcher poort tevoorschijn. Als een dartel veulentje slingert deze baby zich tussen de geweldige graniet keien, die in zijn smalle bedding liggen[,] door[,] richting West! Steeds zal ook deze baby groeien, totdat ze een volwassen stroom geworden is. Groeien door de honderden en honderden neerstortende bergbeekjes, totdat ook een Rhône eindelijk het overtollige water der aarde zal hebben uitgestort in de zee, de Middellandse zee. De Rhônegrot. Een door mensenhanden uitgeslagen smalle grot in de ijsmassa van de gletcher. We wandelen er door voor éne Frank. Dat is deze sensatie wel waard: op een stralende warme zomerdag door een tunnel te kunnen wandelen van ijs. Een violet licht dringt door het ijs heen en tekent op de gezicht een violette kleur, alsof ze allen ernstige hartpatiënten zijn. Het smeltwater lekt langs de wanden en stroomt onder de planken door, die de vloer vormen.

Geen van ons had dit willen missen.

 

43

Men hoort hier allerlei talen spreken. Achter mij lopen een paar Belgen, uit Vlaanderen. Bij onze Gletcher ligt de sneeuw, als op zoveel plaatsen, aan de kant van de weg. We kunnen sneeuwballen gooien op een prachtige zomerdag, in zomerjurk en sporthemd. Hoe bestaat het!!!

We stijgen weer in, we moeten weer verder. Onze ogen zijn “des kijkens nog niet verzadigd”.

Nu gaan we straks over de Grimselpas. De hoogte waarop deze pas over de berg heen voert is 2164 m boven de zeespiegel.

Een klein meer, de Totensee,  ligt als een groene geleipudding tussen de bergen. Op de achtergrond de bergen met eeuwige sneeuw.

De Grimsel pas is even majestueus, ja misschien nog koninklijker dan de Furkapas.

De berggevaarten met hun eeuwige sneeuw, waarvan sommigen nog wel 12-1500 m, ruw geschat, boven de pas uitsteken, blijven ons omringen en beneden, steil in de diepte, de lieflijke dalen met hun houten huisjes en hoger op de berghutten. ’t Is alles even groots en indrukwekkend. Als we de Grimselpas over zijn, leidt onze bergweg, door het dal van de Aar, de beroemde Aareslucht, het Aar-ravijn. Een schitterende tocht is dit. De beroemde weg door het even beroemde ravijn. In de diepte schuimt de Aar, die straks door het Brienzer-Thunermeer  zal stromen om daar haar dartelheid iets te laten kalmeren en daarna verder door de Zwitersehoogvlakte, naar het Noorden om op te gaan in de Rijn, om deze stroom te helpen grootmaken.

 

44

Links van ons verheffen zich de bergreuzen van het Berneroberland: die wij op de achergrond ontwaren: Finsteraarhorn 4275 m, Jungfrau 4166 m, Schreckhorn 4000 m, Wettterhorn 3700 m, Grote Scheidegg 2000 m.

Bij Innerkirchen, Z.O. van Meiringen, nemen we de richting van de Sustenpas. De Sustenweg gaat weer door een rivierdal. Misschien is deze Sustenweg en straks de Sustenpas over Sustenhorn nog mooier dan de beide vorige. Maar vergelijkingen zijn zeer moeilijk te trekken, omdat alles zo ontzaglijk mooi en groots is.

De oude Sustenweg ligt beneden ons. De Sustenpas is in de jaren 1940-’45 gemaakt. De Zwitserse regering heeft hiervoor geïnterneerde Polen gebruikt. Ergens op de kant staat in een rots steen gegrift:

In schwerer Zeit,

den Frieden geweiht

We rijden over de eigenlijke Sustenpas 2262 m hoog. Het is weer draaiend naar boven.

Men moet dit zelf beleven, anders is er ten naaste bij geen voorstelling van te maken.

Mooi? Hoe zou dit woord al de schoonheid en grootsheid van deze Schepping Gods kunnen uitdrukken.

Ik denk aan het gezicht op de Stein-

 

45

gletcher, een ijs en sneeuwmassa in juli, met de hoogste top de Gewächtenhorn 3428 m. En dan de watervalletjes op de Steinalp, vlak voor het tunnel ijs.

Bij hôtel Steingletcher staat het vol met auto’s en bussen. We rijden door. Onderweg kunnen we er even uit, om koel water te drinken dat uit de rots tevoorschijn komt. Alles, alles is even mooi. Als ik dan denk aan de stuwdam bij Grimsel-Hospiz 1960 m boven de zeespiegel, dan komt men ook onder de indruk van het menselijk “kunnen”.  Als wij bij Wassen weer op de weg, die we vanmorgen reden, terugkomen, dan slaken we een zucht. Bij Wassen is het rusten. Een kwartier of 3. We drinken boven op een terrasje onze koffie, met gebak en gaan dan nog even rondkijken in het dorp. Daar zien waarlijk de “St Gotthard lijn bij Wassen”, zoals die op een wandkaart in school wordt uitgebeeld. Precies!! 2 bruggen (viaduct). Dat was ook bij Gletch, toen we in de bus dit Kurort bij de Rhônegletscher passeerden. In Wassen worden we door Diederich meegesleurd naar een Roomse kerk. Deze juffr. is altijd aan ’t woord en rent van ’t ene punt naar het andere. De kerk is werkelijk mooi. Alweer Barok. Maar ze kan niet tippen aan onze kerk in Schwyz. ’t Was een aardige klim er naar toe en we maken de opmerking dat het vooroude mensen en hartpatienten wel moeilijk zal zijn om telkens deze klim te maken. Maar ja, gewenning doet heel wat. We rijden weer! De weg terug naar Schwyz

 

46

’t is niet anders geworden. In Altdorf rijdt de chauffeur wat langzamer opdat we het “Tell Denkmal” beter kunnen zien.

Om 8 uur zijn we thuis. De warme maaltijd na deze mooie en zware tocht smaakt uitstekend. We gaan allen vroeg naar ons kwartier.

 

Dag 5, 28 juli 1956

 

Zaterdag 28 juli.

We maken een boottocht van Brunnen via Tellsplatte naar Fluelen en terug.

Daar de leider er niet bij is, wordt mij opgedragen te trachten voor ons gezelschap een gezelschapsbiljet te krijgen. Nou, dat ging vlot genoeg. De man die dit verzorgde, een kleine dikke kerel, stopte me een Frans 5 Frankstuk in de hand. Ik moest Titi terugbetalen en gaf, zonder dat ik me er nog van bewust was, terug. Later bemerkten we het en in Brunnen kreeg ik een goede Zwitserse 5 Frank terug, na die mijnheer met de Fremdenpolizei gedreigd te hebben. Nou, dat was dat!!

We zitten dan op de boot. Aan de Westoever van de Urnersee-Vierwaldstättersee staat een brok steen in de vorm van een hoektand. Het is de Schillerstein, ter ere van de Duitse dichter Schiller, die "de Wilhelm Tell sage" in een dramatisch dichtwerk vereeuwigde.

De boot doet Rütli aan, waar vandaan men boven de Rütli wiese kan bereiken.

 

47

Dan steken we weer over naar de Tells kapelle. Hier gaan we aan land. Deze kapel is een half ronde hal, met een tafel en links en rechts eiken houten banken. De voorzijde is open en afgesloten met een mooi ijzeren hek. Deze half ronde koepel ter ere van de legendarische vrijheidsheld, heeft muurschilderingen. 4 tafrelen:

  1. op de eerste zien we in scherpe kleuren Gessler, de Oostenrijkse landvoogd, gezeten op zijn paard, met een verbeten gezicht, links. Rechts, te midden van de mensen een fikse gestalte, de boog en een pijl in de hand. Naast hem zijn zoontje, die de appel in de hand houdt, welke met een pijl doorboord is.

  2. De tocht op het meer. Tell, die na de episode boven gevangen genomen werd en naar het kasteel te Küssnacht al gevangene zal worden gebracht, springt uit de boot. Het stormt. Het water is onstuimig. Met zijn linkervoet duwt hij de boot af. In de volgeladen boot ontzette gezichten. Op de achtergrond een bliksemflits. De Föhn was losgebroken.

  3. Gessler hoog op zijn paard, een pijl, afgeschoten door Tell, zichtbaar tussen de bomen, in zijn hart. Voor het steigerend paard van Gessler een vrouw met haar twee kinderen in knielend smekende houding.

  4. De eedgenoten op de Rüttliwiese, trouwzwerend aan het vaderland en de belofte afleggend de gehate Oostenrijker te zullen verdrijven

-

Sommigen van de groep gaan naar boven, de trap op, om te zien wat daar te doen is. Wij blijven op die Platte en gaan in het

 

48

restaurant daar wat drinken.

Oma is al gauw eigen met de vriendelijke vrouw van dit restaurant. Het weer wordt slechter. Het ontweert in de bergen. Laag hangende wolken dalen langs de hellingen tot op het water. Het regent. En toch is ook dit interessant. We zien één bergtop, met zijn voet in de wolken, die tot zijn hals reiken. Rondom witgrijze wolken en daarboven uit een zware steenmassa, die als ’t ware in de lucht schijnt te hangen.

Dan komt de boot in de verte van Rüttli het meer oversteken. We wachten in het kille regenweer. Roelie heeft geen andere kleren bij zich dan haar zomerjurk. Ze heeft kippevel. Ik bied haar mijn colbertjas aan, maar dat vindt ze te gek staan. “Arme meid, wat doe je in de kou.”

De boot brengt ons eerst naar Sisikon, en dan naar Fluëlen. We gaan niet meer aan land, ook in Fluëlen niet. Juffr. Diederiks is een beetje verbolgen.

D’r zegt iemand: “er zij er al een paar van de boot gegaan.” Ik zie aan de wal bij een souvenir kiosk een dame in een rood rokje. En daar Roelie die dag een rood rokje aanhad,  meen ik dat zij het is, die met Tite aan land was gegaan. Ik roep: “Roelie, Roelie” en wenk dat ze komen moet. De boot wacht

 

49

nog even en dan klikt er een gelach achter me. Daar staan Roelie en Tite beiden achter me, algemene vrolijkheid!

Wij varen terug naar Brunnen. We zien een grote roofvogel in ’t water duiken. Dat zal wel een visarend zijn, of niet misschien. D’r vliegen hier van die vogels rond ter grote van een torenkraai. De snavel is geel en de poten oranje, de veren zwart. Ze maken een schreeuwend geluid en nestelen in de spleten van de rotsen. Ik zag ze het eerste op de Frohnalp. Ze zijn tamelijk mak. Ze worden bergtholen genoemd. ’t Zijn geen roofvogels. Hun snavel is die van een merel en de poten idem.

Als we in Brunnen "ontscheept" zijn, ga ik direct naar het passagekantoor, waar ze me het 5 franse Frankstuk in de hand stopten. Na de eerste weigeringen om het terug te nemen bezweek de dikke baas toen ik zei: “Dan ga ik naar de vreemdelingenpolitie”. Zie zo, dat was oké, ik kreeg een “echte”.

In Brunnen hebben we een poosje gezeten en koffie gedronken met gebak. Ja, waarom geen gebak. We zijn toch uit.

We kochten in één van de vele souvenirwinkels cadeautjes om mee te nemen “. ‘t Is in Zwitserland alles even duur en je krijgt vaak de indruk dat je afgezet wordt. We gaan naar huis met de tram. Hé, “chanst” Lini met Russchen of hij met haar, of “zij met hem en hij met haar”.

Ga je gang maar “kinderen”. Men kan zich te

50

midden van de mensen, te midden van de gezelligheid toch soms zo eenzaam voelen. Een handdruk kan zoveel goed doen. O, begrepen alle mensen dat!

De zaterdagavond brengen we, met nagenoeg het hele gezelschap, ook de reisleider, gezellig door in het “Conditorei-restaurant””Hang” door.

Eén ontbrak, de Hengeloer Leerkotte. Deze jongeman gaat nooit met ’t gezelschap mee. Een rare vent.

Bij Hang is het wel gezellig, al zit er weinig vaart in. Oma maakt een klein flesje rode wijn “soldaat”. Die oma is een feestnummer. Ze redt zich best met haar mengelmoes van Nederlands-Duits.

Om half 11 gaan we naar huis.

 

Dag 6, 29 juli 1956

 

Zondagmorgen 7 uur, de klokken luiden in Schwyz de zondag in. Om half 9 een herhaling. Rondom beieren de klokken. Een mooi gelui, die zware klanken, weergalmend over Schwyz en het Muotadal.

Om 9 uur ontbijt. Na het ontbijt gaan we een wandeling maken. Roelie-Linie-Oma Franken-Mevr. Glazenbrug en ik. We lopen de weg op achter ons hôtel, waar Russchen en ik elke avond tegenop zwoegen.

De wandeling is niet ver, maar aardig.

 

51

Op verzoek van Roelie maak ik een foto van een mooie Zwitserhuis. Twee meisjes komen op het balkon, die vinden ’t schijnbaar leuk op een plaatje te komen.

In de kantlijnNee! niet gelukt!

’t Zal me verwonderen of het gelukt is met dat “gammelfotoapparaat”. We maken een omweggetje, gaan een poosje zitten op een bank en wandelen dan terug om via een brede plank over een beekje met dikke keien in de bedding weer op onze heenweg terug te komen. Bij dit beekje neemt oma van Roelie-Linie en mij en foto.

In Schwyz drinken we samen bij Hang een heerlijk kannetje koffie. De koffie was uitstekend en ’t gebak lekker. De hele mikmak kostte ons per persoon slechts fr 1.65, dwz. 1 frank en 65 rappen. Want de Zwitserse “centen” worden “rappen” genoemd. Vandaar het nederl. gezegde: “dat ik kan ik niet berappen”.

’t Is tot nu toe lekker warm weer, maar de Zwitserse “weermakers”willen ons tegen de avond regen bezorgen. Hoe zal dat aflopen?

We maken ons daarover geen zorgen. We weten wel wat “regen” is.

1230 Om half één zitten we aan het diner. Om hier van maaltijd, doodgewoon warme maaltijd te spreken zou een kleine belediging zijn aan het geval zelf. Luister maar:

Evenals iedere middag ’n bord soep vooraf. Daarna “petatsfrits”+sla en doppertjes met worteltjes. Een stuk vlees zo we het thuis niet gewend zijn met kaas er tussen gebakken

FOTO Schwyz

 

52

dat als lange sliertjes aan onze tanden blijft hangen. En alles gepaneerd. En een witte en rode ijskogel na. Dit was werkelijk een diner in optima forma!!

Om 2 uur ongeveer gaan we met een groepje een middagtocht maken. Naar Stoos op de helling, van de Frohnalp. Een “tochtje”, ja, dat meenden we tenminste..

Linie en Russchen, zijn even naar “haar” huis gegaan, om de regenmantels te halen van Roelie en haar zelf. Maar ze komen niet terug. Ze verlaten zich. Waarom? Och, zeer menselijk en begrijpelijk!

Welnu dan zonder hen. De autobus van de automobil A.G. brengt ons langs dezelfde weg van Donderdag naar Schlattli en dan weer met het kabelbaantje naar boven. Het is even interessant nog als Donderdag.

Bij Stoos nemen we het afdalingspad naar Brunnen, dat ons door het Stooswald op de helling van de Frohnalp zal voeren naar Nägelisgärtli en verder langs de helling, over een goed bewandelbaar pad, naar Morschbach.

Het was in één woord een machtige mooie wandeling en door de voortdurende daling ook niet zo inspannend. We doen kalm aan, om zoveel mogelijk te kunnen genieten van “de doorkijken”.

 

53

Naar boven en beneden. Bij Stoos was de aanwijzing van de weg met de toevoegen stunden. Nu, het is wel 2½ uur geworden.

Nu en dan even rusten op de bank in een schuilhut. De tocht leek wel een verkleinde editie van de Sustenweg. Links naar boven, de steile rotsen of een glooiende helling, met hun begroeiing van loofbomen en daar boven uit en tussendoor het naaldhout. Alles, bomen en planten in weelderige overvloed. We hebben gezien hoe het leven in deze grootse natuur zich in standhoudt. Varentjes en andere plantjes, tot piepkleine dennetjes toe, die hun leven hadden opgebouwd in rotsspleetjes van één cm breed, uit een daarin neergedwarreld zaadje.

We zagen een boom, gegroeid op een grote, brede stamstronk van een gesneuvelde reus.

Dennen, die als lange masten naast elkaar waren opgeschoten, 20-30 m omhoog, om licht van de zon te ontvangen.

Bergbeekjes klaterend omlaag en beddingen bezaaid met keien, maar droog, wachtend op nieuwe toevoer van bovenaf.

Bij een doorkijk naar boven, naar de Frohnalpstock, en een “neerblik” naar het dal, was in de rotsen een gedenkplaat aan gebracht, waarop een skyer was uitgebeeld en daaronder:

An Siegen Tenfel, aus Strassburg in Elsas, der Ostern 1913 hier durch eine niedergehende Lawine in die Tiefe gerissen wurden,

Seine Freunde

 

54

De afdaling gaat verder. Je voelt het in je kuiten en schenen.

De lucht wordt buiiger. In de verte gromt de donder, weerkaatste tegen de bergen. De regen dreigt. Als we dicht bij Morschbach zijn, begint het licht te regenen uit een grijze hemel. Het is nog een half uur lopen naar Brunnen, en dat in neerstromende regen. Niet aanlokkelijk. We gaan maar even schuilen in het restaurant van een groot hôtel. Roelie heeft geen regenmantel bij zich, daar immers Linie niet op tijd verschenen is.  Maar dat is minder. Ik heb mijn nylon regenjas bij me, nu kan ze die nemen, ik had toch mijn colbertjas aan en daar kan wel een emmer water overheen gestort worden voor het erdoor is.

In het restaurant drinken we een lekker glas koffie. En daar horen we, dat vlak bij, een 100 m van ’t hôtel een stationnetje staat van de kabelbaan Brunnen-Morschbach-Axenstein. Dat is een uitkomst!!!

We snellen er heen. Juist gaat een “gammelopenstelletje” naar boven, naar Axenstein. Als dat terug keert stappen wij in. We varen in deze “nieuwe gewaarwording” omlaag, naar Brunnen. Buiten stroomt de regen neer en laag hangende wolken ontnemen

 

55

ons ieder uitzicht op de bergen. Ofschoon we er niet over “in” de wolken waren zaten we er toch midden in. Net een treintje in de mist. Maar ’t is maar even, dan klaart het al wat op. Door een tunneltje van 300 m lang bereiken wij Brunnen.

Langs het impossante Grandhôtel met zijn 400 kamers, kwamen wij bij de elektrische naar Schwyz. Het was onderhand half 8 geworden en we zouden om half 7 eten. Hier in Brunnen kwamen plotseling Linie en Russchen tevoorschijn. Ze glunderden van genoegen en niemand die hun de desertie kwalijk nam.

Onze wandelgroep bestond uit:

Roelie-Oma-Mevr. Glazenbrug de beide Boelens en de beide Withaars en mijzelf.

We hebben ons verwonderd over oma, die 75 jaar flinke dame, die de tocht mee maakte, zonder een spoor van vermoeidheid te tonen. In het hôtel hebben we in het restaurant gegeten en nog een poosje “na” gezeten. In de zaal was vergadering van een R.K. vereniging+film en “een kapelaan”.

Een intermezzo voor ons in het restaurant was het binnenkomen van 2 mannen. Of Leun zo je wilt, van wie de oudste hem erg om had. Hij leek wel wat op de clown Croqus. Hij maakte allerlei dwaze buigingen en danspassen en herhaalde telkens weer:

Wir sind Schwyzer, urechte Schweizer.

 

56

Sind sie alle Holländer? Ja! Ich war in Boesoem (Bussum) Amsterdam und Rotterdam. En dan maar weer van voren af aan.

Om kwart over tien brachten Russen en ik Roelie en Linie naar hun huis. Russchen had de regenjas in de Martinstrasse laten liggen en duikelde in het hôtel een paraplu op en zo stapten onder Schäfli’s paraplu, deze beide kindjes, Lini en Russchen. In mijn gedachten neurie ik het kinder- of grote mensen versje:

Leve de Russchen, die de meisjes kussen.

 

Dag 7, 30 juli 1956

 

Maandag 30 juli. Na de avondregen die tot diep in de nacht doorduurde is de morgen koel. Elke morgen kijk ik van uit mijn bed, naar buiten en denk: een donkere hemel. Maar als ik uit bed stap en naar buiten kijk zie ik die donkerte: het zijn de Mythen. De lucht is zwaar bewolkt, maar toch breekt de zon door. Nou, die kunnen we gebruiken vandaag. We gaan naar Luzern, een tocht van 2½ uur over het Vierwoudstedenmeer. De weerberichten beloven ons verbetering met zonneschijn.

Om half 10 vertrekken we met het tremmetje naar Brunnen.

 

57

Daar stappen we op de boot en beginnen onze “Vierwaldstättenrseereise”, waar van we veel verwachten. Jammer, dat het te koel is om buiten te zitten. We passeren verschillende plaatsen achtereenvolgens: Treib-Gersau-Beckenried-Kurort Buochs (Boeos)-Ennetbürgen-Vitznau met zijn tandradbaan naar de Rigi, die we zich hoog zien verheffen tegen de tamelijk blauwe hemel, Weggis-Herten-Stein. Aan onze linkerkant zien we de machtige Pilatus in de verte en dan naderen we de grote stad Luzern. Van uit het meer, dat tussen 2 haakjes groenwater heeft, zo als de zwembassins in Enschede, lijkt Luzern wel op Scheveningen, maar dan veel meer hôtels. Trouwens al de plaatsjes die wij aandeden zijn toeristen plaatsen, met hôtels en pensions.

Luzern is groter, veel groter dan Scheveningen. We gaan de stad in en krijgen de opdracht, om tegen 5 uur weer aan de aanlegsteiger te zijn, daar de boot om 510 vertrekt. De boot waarmee we kwamen heet “Rigi”.

We wandelen over de mooie rede Seebrücke. Op de achtergrond zie je der Bahnhof en daar achter een prachtige blik op de witbesneeuwde Alpen. De Roomse kerk die we bezoeken, en die we 2 stenen trappen op, bereiken, is mooi, ongetwijfeld mooi. Maar niet zo overdadig met barok versierd als “onze” kerk in Schwyz. We gaan met z’n vieren, het bekende klaverblad van 4, de stad in, en drinken

 

58

ergens in een restaurant koffie en eten er een gedeelte van onze lunch. Dan gaan we verder op verkenning uit. We kopen nog wat souvenirs, waar onder 2 klokjes met muziek, heel aardige, mooie uurwerkjes, Roelie één en ik één. We raken Lini en Russchen kwijt. Met z’n tweeën gaan we de Gletchertuin binnen. Een interessant tuin, met restanten van het oude gletcher veld (zo zal ik het mar noemen).

Zie het prospectus hierneven, waar ook de inhoud van het museum staat ingeplakt prospectus [GK]

We hadden geen tijd om dat alles te bezichtigen. Als attraktie was er een labyrinth, een doolhof met spiegels aan verbonden, die zo opgesteld waren dat je jezelf telkens tegen het lijf liep, en je al tastende de weg moest zoeken. Het gelach weergalmde door het zaaltje om de gekke situaties. Roelie zette zich op een bankje tegen de pilaar en daar zaten, in een kring om de pilaar 6 Roelies en dan nog een stuk of wat in andere spiegels. Het hoofdspieren deden pijn van het lachen. Nadat we het museum hadden afgelopen op zoek naar L en R, vonden we ze hen eindelijk terug, buiten de tuin, zittende op een bank, aan een miniatuur vijvertje. Daarachter was een

 

59

leeuw, diep uit-gebeeldhouwd in een groot rotsmassief. Een herinnering aan de Zwitserse soldaten die gesneuveld waren bij de verdediging

1792 van de Tuilerien te Parijs, toen het gepeupel van de revolutie een aanval deden op dit koninklijk paleis, om de Koning Lodewijk XVIII en Maria Antoinette gevangen te nemen.  Zij vormden de Koninklijke lijfwacht.

Lini en Russchen gaan nu de tuin nog even in en Roelie en ik kopen nog wat souvenirs. Het is een kleine kunst om in Zwitserland je geld kwijt te raken.

Gevieren wandelen we nu nog over de eeuwen oude houten Kappellbrücke met zijn dak dat met schilderingen versierd is.

Het wordt tijd om weer naar huis te gaan, dwz naar de aanlegsteiger, waar bij onze aankomst de boot juist meert. De terugreis maken we grotendeels in het restaurant. Daar is het behaaglijk, want buiten is het te kil.

Tegen 8 uur zijn we in Schwyz terug, waar na zo’n lange tocht de warme maaltijd goed smaakte. Daar Lini en Russchen reeds vertrokken waren, brachten Tite, Titi en ik Roelie naar huis. Het duurde maar even of de beide vluchtelingen kwamen opdagen. Op onze terugtocht verloor ik mijn wollen vest, dat door 2 achter ons lopende Zwitsers gevonden werd. Ze zouden mij wel kunnen noemen de man, die alles verloor. Pet-portefeuille op de tafel laten liggen,

 

60

fotoatlas in de bus laten liggen bij de passen tocht, de wandelstok zondag in de bus, en nu het vest.

Maar ‘k kreeg alles terug, behalve de stok.

Toen ik in huis terug kwam stond op het nachtkasje een schôteltje besuikerde rode bessen. ’n Kleine hartelijkheid van vreemden in het vreemde land. Zo’n hartelijkheid doet zo goed, juist op deze avond, na zo’n mooie tocht.

 

Dag 8, 31 juli 1956

 

Dinsdag 31 juli.

De zon heeft de hele dag ons overgoten met haar stralen.

Met ons vijven, Roelie, oma, Tite, Titi en ik naar het Nationale museum geweest, aan de weg naar Seeuwen. De voormuur van dit witte gebouw is beschilderd. Met een grote en breed stenen trap ga je omhoog. Een grote hal en daarachter de zaal, met de dokumenten van 23 kantons, en oude vlaggen. In de tuin staat een groot beeld van een man, die zijn jas uit trekt. Hier wordt door oma een foto gemaakt, die waarschijnlijk mislukt zal zijn. Het bezoek aan dit museum was in zoverre interessant dat we kunnen zeggen: dit heb ik gezien. Dat beeld in de tuin was opgericht door buiten hun Vaderland wonen-

 

61

de Zwitsers, ter gelegenheid van het feit, dat 650 jaar geleden Zwitserland onafhankelijk werd. Na de middagmaaltijd zijn we naar Seewen gewandeld, om wat te gaan zitten aan de oever van de “Loauersee” een klein meer. Wandelend zijn we er heen gegaan.

O ja, ik vergat nog te zeggen, dat we bij Tite ’s morgens thee hebben gedronken.

Bij “die Lowersee” dan hebben we een tijdlang gezeten, de dames lezend of “peinzend” over het waarom der dingen en ik heb in de brokkensteen bij de “Sprengung” naar bergkristal gezocht. Geen kristal, maar wel een paar aardige stenen met kwarts. Het bergkomplex aan de weg heet Urniberg en Ottenfels.We zijn hier al eerder geweest. Zaterdagvoorm. Toen hebben we slechte koffie gedronken in het restaurant bij de overweg.

Dat zal ons nu niet weer gebeuren.

Bij tijds gaan we op de terugweg, wandelend naar Seeuwen, om daar het tremmetje te nemen. De weg langs het meer is zeer erg druk. ’t Is een der hoofdwegen van Zwitserland. Zürich-Brunnen-Axenstrasse u.s.w. naar Italië. Uitkijken is hier de boodschap.

Over de overweg hebben we in een restaurant koffie gedronken met gebak erbij en een “vredescigaret” gerookt. Zo’n gezellig zitje doet niet alleen de moede leden, maar ook het hart goed. Tjonge, tjonge, wat een drukke lijn is die Gotthardbaan. Treinen rijden af en aan!

 

62

Het trammetje brengt ons thuis en de broodmaaltijd om 7 uur valt er lekker in. Hoe opgewekter de stemming, hoe lekkerder het eten. Spoedig kwamen ook Linie en Russchen opdagen, die die dag dezelfde tocht maakten via Stoos als wij zondag.

Aan tafel werd door mij, als oudste der mannen aan de reisleider Beek een reisklokje aangeboden met een nietszeggend toespraakje, terwijl oma Franken, als oudste van het gezelschap het overhandigde.

’s Avonds kwamen wij als reisgroep samen bij Hang, om onze laatste avond in Schwyz gezellig door te brengen. ’t Was gezellig, maar een echte stemming wou er maar niet inkomen. We dronken wat witte wijn en we aten wat gebak. Beek droeg een gedicht voor: Mens durf te leven. Ik vertelde het spookverhaaltje van de 2 vlooien. We zongen wat en praten wat, en maakten ons van binnen nat. Tegen een uur of 11 gingen we naar huis. Eerst “oma” nog even op de stoel omhoog. Zij leven hoog! Hoepla!

Om kwart voor 12 ongeveer waren Russchen en ik weer thuis.

De bessen staan er weer. Dank u wel familie Düggelin.

 

63

Dag 9, 1 aug 1956

 

Woensdag 1 aug 1957. De nationale feestdag der Zwitsers. Al heel vroeg beieren de klokken de feestdag in. De Mythen staan om 6 uur al met een grijze wolken kraag om de kale kop er boven uit. Boven op de grote kun je als een vlekje de Zwitserse vlag zien. Het is koel, maar het is nog vroeg. Ik kleed mij aan en tegen half 8 ga ik op weg naar “mijn” hôtel. De koffie is gepakt en zwaar van de stenen. Vanmiddag zal ik van de Düggelins afscheid nemen. Ik heb een prachtig gedroogde edelweis met een paar hartelijke letters erbij geschreven. Roelie krijgt er ook nog één vanmiddag en een boeketje Alpenroosjes.

Daar zal ze blij mee zijn.

In mijn koffer zit een verzameling tussen kranten gedroogde bloemen, voor Roelie Kip.

Na het ontbijt, dat ik voor de eerste keer alleen nuttig, omdat de familie zo laat kwam, gaan we bij Tite op bezoek. Koffiedrinken in ’t prieël. Roelie heeft voor lekkere koeken gezorgd en Tite had zelf ook gebak. Dus we smullen.

De morgen gaat snel voorbij. Ik zal bij terugkomst in de “city”voor Roelie even een flesje met pillen “Gave Got” halen bij de apoteek. Maar mis nietje, vanwege de nationale feestdag zijn na 12 uur de meeste zaken gesloten.

Dàt is jàmmer! Nou zal Tite, die met oma nog 8 dagen blijft, er voor zorgen.

Om half 1 gebruiken we ons galgenmaal en ’t is even smakelijk als zuvor. Ik probeer nog een open fruitwinkel te vinden, maar alles is dicht.

 

64

Tegen 2 uur ga ik nog even de Düggelins in de Martinstrasse groeten. Voor Roelie krijg ik een boeketje alpenroosjes en een gedroogde “edelweis” met bijschrift. Tegen 3 uur, half 4, komt de autobus met nieuwe gasten. Bij Roelie, Linie en Oma gaat een gilletje van “Plezier”, want daar stapt uit de bus de forste gestalte, met wangzakken en pruillippen zwart gefronste wenkbrauwen niemand minder dan …..Rebekka, zo’n half legendarische figuur uit de reis naar Steinach anno 1955. Rebekka. Ik had er al zoveel van gehoord, dat ik haar op de straat zou herkend hebben. Dan zou ik gevraagd hebben, bent u Rebekka, de zuster van Laban, de vrouw van Izaäk, de moeder van Ezau en Jacob? En ongetwijfeld had ik dan van haar met haar sterke knuisten een oplawaai gekregen. Rebekka. Oma was verheugd, maar misschien ook wat bang, dat zij haar invloed op de nieuwelingen zo moeten delen met Rebekka. Misschien ja, maar ik geloof niet dat Rebekka zo’n stuurse matrone is, als ze eruit ziet. Er waren nog een paar bekenden voor de “dames” bij.

Het lijkt me lang zo’n gezellig stel niet toe als onze groep, die hoewel niet uitbundig, toch gezellig was.

65

Als ik denk aan Oma, dan overvalt me een zeker ontzag. Is die dame op leeftijd 75 jaar? Hoe bestaat het! Je zou haar hoogstens 65 geven. De grijze haren wat verward, omdat ze “gekort” waren, die grijze haren hebben tal van mensen reeds als ze 60 jaar zijn.

En dan die spirit, die wil om te zijn wat je bent, een vrolijk opgewekt mens, om nog te genieten van de schoonheid van deze wereld.

Oma, die niet houdt van het conventionele. Is het te warm op je hoofd, koop dan een hoed! Flatteus hoeft hij niet te zijn, als hij maar doelmatig is en de zonnestralen tegenhoudt, opdat je geen zonnesteek krijgt. Als de mensen haar lachend aankijken, dan zegt ze met haar glunderlachend gezicht: “veur de Zonne!”  en ze begrijpen het. Ze kan zich overal verstaanbaar maken en maakt op iedereen een gezellige indruk.

Zolang ik aan deze reis denk, zal ik Mevr. Franken-Scholten oftewel “Oma” in de geest voor me zien.

Ze zal met Tite nog 8 dagen blijven. Ze is me dunkt enigszins onder de indruk nu wij weggaan. Maar dat zal maar even duren. Dames als zij hebben direct weer contact, vooral als er al een paar bekenden bij zijn.

Ik wens jullie beiden prettige dagen, volop zonneschijn en een voorspoedige reist terug naar Assen.

 

66

Ja, ’t was een gezellig stel. De Haan en zijn vrouw uit Dokkum. Hij maakt op ons een stuurse indruk. Niet gauw tevreden en zeer spaarzaam met zijn lach!

Je zou denken, dat ULO meisjes en jongens hem dat op school hebben afgeleerd.

Een echte onderwijzer. Die de eerste avond in ’t hôtel al ontevreden was over de bediening. Hij wou het nog een dag aanzien. Nou hij heeft het 8 dagen aangezien en zijn natje en droogje smakelijk naar binnengewerkt en …tevreden!

Zij! Een matrone op het eerste gezicht, die breed uit op haar stoel zit. Als je ondeugend bent zou je zeggen: een broedende kip, naast haar die “kleine haan”, trots zonder het te laten blijken, dat hij de kip broeds gekregen heeft. En toch….goede mensen, die hard meevallen al blijven ze gereserveerd.

Swaak en zijn vrouw. Hij een lange man met een kale schedel. Zij een vriendelijke dame en hij een aardige man, zo op enige afstand bekeken. Gröningers “van kop tot de tainen”.

Withaar en zijn andere helft. Of ze beter is weet ik niet. Hij is zeer bezadigd en vriendelijk, een innemend mens in beide betekenissen va het woord en ook zijn vrouw, is een aardige dame. Ze zien er zeer verzorgd uit, en zelfs hun lach is verzorgd.

 

67

Prettig om kennis te hebben gemaakt.

De familie Boelens uit Eldehaar. Bedien “gewoon” zij is wat te mager, zodat ze bij de andere dames wat in ’t niet valt. Maar beide kameraadschappelijk in de omgang, zonder joviaal te zijn.

Schol-“Scholletje” en de jonge Schol uit Balinge. Hij, ja, ik zou zeggen gewoon aardig, wat gebogen onder de lasten van ’t gezin?? Nee, ik denk het niet. Zij een grijsharige, enigszins imposante verschijning, met een vriendelijk strenge blik. Ze zal de man en de zoon wel in ’t gareel houden, mochten ze dwaze dingen gaan doen! Maar, nee, daar is hij te gemoedelijk voor. En Jaap een vlotte vent, een aardige jongen!

Mevr. Glazenburg-Borggeld. De “weduwe van de stationschef”, die met haar tong wel raad weet. Ze wil graag indruk maken en geen wonder ze zal goed 50 zijn en … wie weet.

Juffrouw Diederik, oud-verpleegster, verzorgster van een weduwnaar die gaat trouwen. Misschien wat uit ’t lood geslagen dat zij bij hem de aansluiting gemist heeft. Ze ratelt nog al veel, egocentrisch, dwz stelt zich zelf in het middelpunt. Me dunkt , haar “baas” zal wel gaan trouwen om met goed fatsoen van haar af te komen. “Want deze zwaan kleeft aan”.

De Goesen uit Stadskanaal. Een stel dat er durft zijn. Confectiefabrikant!! Hij altijd joviaal. Wie in de handel zit moet joviaal zijn. Zij met een ondeugend gezicht als ze ’t ene oog half dicht knijpt, alsof ze

 

68

zeggen wil: “Nou, wie doet me wat? . “Nou vooruit lui: Oebelepoep zat op de stoep, kom laten we vrolijk wezen.” In ’t kort een stiekeme lolmaakster.

G.D.Voorsmit, of “George” een aardige kerel, die een beetje te zwaar tegen die ouwere lui opziet, misschien, maar die vermoedelijk als hij de kans krijgt, de kat in ’t donker wel een knijpje kan geven. “Hony soit qui mal y pense”, oftewel in gewoon nederlands: schande die er kwaad van denkt.

J.J.Leerkotte, technisch medewerker in “een” zaak. Scheepsofficier, n.l. leerling 4e machinist. Lef voldoende, maar ongeschikt voor de zee. Leeft buiten ’t gezelschap, eet met ze, drinkt met ze, gaat niet met ze uit maar vrijt met het keukenmeisje. Waarom hij hier naar Schwyz gegaan is, begrijp ik niet. Dat had hij in Hengelo ook wel kunnen vinden. Als hij in Hengelo is uitgestapt, stapt hij weg, als een “kapitein” van de loopplank en kijkt niet weer om! Lucht is het gezelschap voor deze ex-zeeofficier of liever voor dit kwajongesachtige machinistje.

Russchen. Ja, Russchen. Ik vind hem een aardige vent. Rustig en bezadigd. Eenzaam en alleen, die verlangt naar lieve  vriendschap. Een ander zou

 

69

hem misschien beter kunnen beschrijven. Hij kan lachen, hartelijk lachen en dat is een bewijs van “goed gemoed”.

Tite en Titi! Ja, wat moet ik daarvan zeggen. Ze hebben de vakantie volop genoten. Ze zijn familie en daarover “roddel” je niet.

Lini. Ja, Lini is Linie, aantrekkelijk voor vreemde mannen door haar vriendelijk gezicht en haar olijke lach! Collega Russchen kan daar beter oordelen denk ik. Proficiat!

En dan lest but not least: Roelie. Ja, daar kan ik helemaal niets van zeggen. En toch zal ik haar recht moeten laten wedervaren.

Nou dan: Roelie is Roelie! Dat is alles!!

En over mijzelf kan ik weinig goeds vertellen, dat doe je toch niet van jezelf. En de verkeerde vervelende dingen? Die zouden de reis maar benadelen, het plezier nadelig beïnvloeden. Laten we het dan maar houden bij onderstaand rijmelarijtje in de trant van Reinier:

 

Jan Kwant is met zijn grijze haren,

Veel grijzer dan het aantal jaren,

Naar Zwitserland heen gevaren

En heeft daar al zijn Zwitsergeld

Nu hier, dan daar weer, neergeteld.

Zie wat de berglucht kan presteren,

Hier kon hij weer het roken leren,

Tot schade van zijn kapitaal.

Maar thuis zet hij meer perk en paal

Aan dit verderflijk geld wegsmijten;

Hij wil niet op een houtje bijten!

 

70

O, la, la! We zijn nog in Schwyz. We moeten naar huis! ’t Is ook zo. Warringa heeft stevig gegeten. Nou kan hij wel weer! Nou, we bewonderen allemaal deze taaie kerel, die het bestaat in 4 dagen even van Emmen af, heen en weer te rijden naar Schwyz. Alle respect!

Er wordt nog even een kiekje genomen. Afscheid van ’t hôtel personeel en dan

440 daar gaat hij dan, richting Nederland. We rijden weer langs de Lowersee, en langs een andere weg naar Zürich. Door Zürich naar Schaffhausen. Hier stappen we uit om de waterval even “te doen”. Neen maar, zeg, dat is gigantisch. Dat bruisende, donderende ondier dat daar een val maakt van 25 m. Hoeveel m3 water dat maximaal passeert, weet ik niet. ‘k Schreef het in de haast op een sigaretten doosje en dat ben ik kwijt. Maar wat doet het er toe. ’t Is barbaars indrukwekkend. En midden in de bulderende watermassa staat een rots, waarop vuurwerk staat opgesteld, voor vanavond, de feestavond van de Zwitserse onafhankelijkheidsdag. De dag die de Zwitsers nog overal, na 650 jaar nog in vreugdebetoon gedenken. En wij Nederlanders!!! Wij ijskoude noorderlingen. Och nee, ‘k wil met niet meer ergeren!

We rijden door naar Plieningen.

 

71

De bochtige wegen van Zuid-Duitsland maken een al te snelle rit onmogelijk. We passeren weer diverse plaatsen in de schemer en in de duisternis. We zien er dus niet meer van dan lichten en dat is ook wel interessant.

Eindelijk, het loopt al tegen elven zien we weer de roodverlichte Fernsehturm op de “Hoher Bopser”.

Om ongeveer 11 uur stappen we uit in Plieningen in ons “Hôtel-Gasthof Metzgerei Post.”

De hôtelhouder-slager Mannfred Fissler staat, in zijn zwartgestreept slagersjasje, reeds in de deur.

Uitstappen kinderen, eerst wat eten en dan naar bed! We krijgen goede koffie geserveerd en ruw gesneden grijsbrood met taaie korst en …worst! Nou ’t smaakt wel goed, hoor, al lijken die “hompen stoete” weinig op onze “fatsoenlijke" Nederlandse boterhammen. Als ’t binnen is dan naar bed!

O, speling van het lot! Russchen en ik krijgen onze “vorige” kamer niet weer. Roelie en Linie krijgen nu “onze” kamer en wij no 9. Och arme, als de haan nog leeft, dan zal hij morgen vroeg die beiden wakker kraaien.

We vallen spoedig in slaap !!

Onder onze ramen geurt de grote mestvaalt van ons hôtel. O, heerlijke zindelijkheid!!

Maar in onze slaap ruiken we het niet.

 

Dag 10, 2 augustus 1956

 

Donderdag 2 augustus 1956.

Het is al vroeg dag, om 6 uur moeten we er uit, ’t is om half 7 ontbijten.

 

72

Er komt leven in de “brouwerij”.

Geloop op de gang. De waterspoeling van de W.C. ’s duidelijk hoorbaar in actie. Roelie en Lini zijn werkelijk door “de haan uit Plieningen”, dus niet door “de Haan uit Dokkum”, wakker gekraaid.

Het ontbijt is beter verzorgd dan de late broodmaaltijd van gisteravond. Het smaakt goed! Het lunchpakket is klaargemaakt.

Ik bel nog even de familie van Pauline op: Goede reis, groeten thuis.

715 daar rijden we weer! We zien de “Hoher Bopser” weer bij daglicht. Wat we de vorige keer wegens de duisternis niet konden zien, zien we nu op de donderdagmorgen 2 aug ’56. Pforzheim, Karlsruhe, Heidelberg (ja, dat zagen we de vorige keer ook wel). Met een snelheid van 100 km “pro stunde” raast onze Mercedes over de autobaan. Mannheim, Lorsch, Pfungstad.

945 Rasthaus Pfungstad, nu aan de rechterkant. ’t Ziet er keurig netjes uit en ook niet zo boordevol. Koffie met gebak. R betaalt, de nota gaat hierbijis in boek bijgeplakt[GK], voor ons vieren. We hebben niet veel tijd, want de “koetsier" wil op tijd thuis zijn, en wij ook. ’t Feest is toch afgelopen.

73

1015 we vertrekken weer. De gebruikelijke handeling voor een lange zit worden door velen verricht. Ik dacht: het kan nog wel, maar kwam op mijn besluit terug. Even naar beneden!!

Toen ik terug kwamen zaten allen er al in en de chauffeur trachtte mij bang te maken. Maar iemand die de Mythen heeft beklauterd aan de steile zijde en de St Gotthard is over gewandeld op z’n eentje, die in een sessellift heeft gezeten als een eenzaam schepseltje in de ontzaglijk grootse natuur, over ravijnen van 100 m diepte, laat zich door een koetsier van een Mercedes niet meer bang maken.

1040 Om 20 voor 11 passeren we weer het vliegveld van Frankfort am Main.’t Staat vol met vliegtuigen.

We gaan de Main over en snellen door de Taunus. ’t Is alles wel mooi, heel mooi zelfs, maar we hebben het Zwitserse bergland gezien, en dan…ja dan zie de Taunus en het Westenwoud wel met andere ogen. Je kijkt je ogen niet meer uit maar zegt: och ja, dit is wel ook aardig, “Lieflijk”.

1135 we passeren Limburg en daarna Montabauer en dan gaat het weer op Siegburg aan.

Ergens staat er weer een “rasthaus”. Neen. ’t Is niet in Siegburg doch “irgendwo”. Rechts is geen plaats meer, dus trekken we de brug over naar het andere restaurant, aan de linkerzijde. Hier is wel plaats.

 

74

Russchen bestelt en betaalt de koffie, maar zonder gebak. Geen D.M. genoeg. Een ander betaalt het gebak van Roelie en Linie, wij beiden krijgen niks! Ja, Roelie deelt mij van het hare mee.

Weer terug naar de andere kant. Weer in de bus, weer die “Peitsche” er over en daar gaan we dan, nu aan een stuk door naar Elten waar ons”slotdiner”  zal worden genuttigd.

Maar we zijn er nog niet.

Weer zien we Keulen liggen in de nabijheid van de autobaan. We rijden langs de bekende plaatsen van “weleer”.

Het gaat snel. En niemand is er die zich verveelt.

Roelie houdt Titi gezelschap en ik zelf zweet op een rijmelarij die ik moet samenflansen in opdracht van mijn lieve nicht Lini. Het moet iets zijn over de reis. Dat is zo de gewoonte, zegt ze!

Ja accoord, maar d’r zitten meer in de bus. Maar enfin, die zitten allen zo knus bij elkaar, dus vooruit dan maar!

Maar ’t kost me nog al wat inspanning, en …’t verdrijft metéén de tijd.

 

75

Onder tussen rijdt de Mercedes het “roer”gebied door, na het zevengebergte te zijn gepasseerd. We gaan nu niet rechts af naar Bottrop, maar we kiezen de baan langs de Rijn. Bij Duisburg draaien we er op. Duisburg, de grootste binnenhaven van Europa. Ik ben klaar en Roelie is weer naast me komen zitten. Er is nog veel kapot. Een echte Duitse fabrieksstad. Vuil. Roelie zegt dat ze zich nu wel begrijpen kan dat Jantje van Oosten liever naar Nederland wou. Van de Rijn zien we niet veel. Hier en daar een dode rivierarm.

We komen door Wezel: hoe heet de burgemeester van Wézel? Ezel!

Hier hebben de Enschedeëers in 1944-45 moeten werken aan de verdedigingswerken aan de Rijn. Dwangarbeiders uit de slaventijd. En dan bereiken we Rees, waar een strafkamp was van “slaven die de vrijheid verkozen” maar gegrepen werden.

“Rees”. Menige Enschedeëer spreekt het met afgrijzen uit!

En dan naderen we Elten.

Daar is de Duitse douane al. Och, die vindt het wel goed! Passen in orde, papieren voor elkaar! Alleen de chaffeur laat even de spullen aftekenen. Vooruit, nu naar de Nederlandse paal! Een marechaussee komt binnen. We steken de passen op. Titi gaat mee er over op de pas van Mevr. Warringa! Roelie steekt ze

 

76

beide op. Oké!

En nu nog de douanecontrôle.

In Roelies tas zitten 2 mooi klokjes!

Hoe zal dat gaan?

Als éénmaal Racheltje zet ze de tas onder de jurk. Maar d’r is geen Laban in de bus gekomen, maar een gemoedelijke commis. We hoeven niets te laten zien. “Racheltje” komt er best doorheen! We zijn weer in ’t vaderland. Ja, we hebben al regen gehad onderweg. Hier is ’t goed weer. Het afscheidsdiner was prima. De verzorging van de tafel uitstekend. We doen ons te goed aan alles.

Ik bel 415 op geen gehoor; 260 geen gehoor. Dus ’t gaat niet door.

Na afloop de fooi aan Warringa en het zogenaamde “slotlied

De man van een vrouwtje uit Emmen,

Bekend dat hij bussen kon temmen,

Kreeg opdracht het land te ontlasten

Van een stelletje rare gasten.

-

Ze kwamen van hier, ze kwamen van daar:

Een tweemanschap uit Ekehaar.

En ’t behoeft niemand te verwonderen,

Ook was er een echtpaar uit Donderen.

-

Men vraagt zich af, hoe ’t kan bestaan,

Dat twee echtelieden, ze heten de Haan,

Van vakantie vreugde opgetogen

Uit Dokkum, die moordplaats, kwamen gevlogen,

 

77

Een ouderpaar en een aardige jongen,

Die nog nooit uit de band was gesprongen,

Verlieten hun Balingse veilige nest

Kusten de buren en groeten de rest.

-

Uit Groningen een man en zijn betere half,

Zeiden goêndag aan de geit en het kalf,

Lieten de “testen” voor wat zij waren

En zijn mee “nach der Schweiz gefahren”.

-

En Assen, nou, die leverde wat:

Een oma, sprak Drents en Zwitsersplat.

En bovendien nog drie dames meer;

Daar bleef het bij, geen enkele heer.

-

Een juffrouw uit het mooie Ter Apel

Verliet haar heer, want die was stapel[1]

Behield haar moed en haar plezier,

Want ’t scheelde haar voorwaar geen zier!

-

En dan uit Hengel een jonge man,

Die, naar ik meen uit Twente kwam,

Om in der Schweiz op eigen houtje

Te flirten met een schatteboutje!

 

78

Een vrolijk paar uit Stadskanaal,

Met Gröningersproak en Hollandse taal,

Lieten de fabriek van direktoirs in de steek

En togen mee, naar “der Schweiz”, voor een week.

-

En uit Noordbarge daar kwam een man

Die zo heel aardig koeren kan!

Aan de voet van de familie “Mythje”

Daar koerde hij om een aardig grietje!

-

En ’t duurde dan ook niet al te lang,

Of een duifje streek, nog een beetje bang,

Aan de zijde van de doffer neer

En zei: “Uit Coevorden, meneer!”

-

Dan was uit Coevorden nog gekomen

Een Schwägerin van die ene ome,

Vol energie en levensmoed,

Ik zeg heel vaak: wat ben jij goed!

-

Maar dan moet ik op mijn hoede wezen,

Ze houdt er niet van te worden geprezen

Maar als je haar eenmaal heel goed kent,

Dan weet je: ze wordt zo graag eens verwend.

-

Dan rest me nog de man die ons leidde

Zelfs borden afwaste met de Schwyzer meide,

Hij verzorgde de troep zo goed als het ging

En dat is toch ook al een belangrijk ding!

 

79

Wij hebben ’t in Zwitserland goed gehad!

’t Heeft centen gekost, maar wat geeft dat!

Geld is nog altijd het slijk der aarde;

Wie ’t goed besteedt, voor die heeft het waarde.

 

Wij hebben genoten, ‘k zou zeggen te veel,

We konden ’t niet af, zo véél zo véél!!

Van bergen, ravijnen en sessellift

O, ja, er werd ook nog wel eens gekift!

-

Maar och, wat geeft dat, ‘t is maar een zucht.

Een onweertje zuivert nog immer de lucht,

En dan…komt de zon achter de wolken, te voor,

De vreugde gaat verder, de lach breekt weer door.

-

De passentocht was fenominaal!

Wat geeft het dan hoeveel franks ik betaal?!

De uitbundige grootsheid is zo majestueus,

Dat het niet te betalen is, ik meen het, neen heus.

-

Het Vierwoudstedenmeer, een schoonheid apart.

Het water is groen, bij ons lijkt het zwart.

We hebben ’t bevaren, het was een genot!

En al deze schoonheid een schepping van god.

-

Nu zijn we op weg, naar eigen haard.

Och ja, dat is toch ook nog veel waard,

Al is het daar regen en al is het daar koud,

Toch is het het land, waar ieder van houdt.

-

80

En hoe zal het gaan nu, met jullie en mij?

Niemand die ’t weet. Maar werk maar weer blij.

Want werken, hard werken, daar komt het op aan,

Om ’t volgend jaar weer “auf reisen” te gaan.

-

Wie koeren wil koere en koere toch doorl

De tijd gaat voorbij, voorbij en te loor,

En dat zou toch jammer, ja jammer zijn,

Want zonder gekoer is de blijdschap slechts schijn.

-

En nou is het uit, ‘k geef toe het was “snert”.

Maar weet, dat ’t onder ’t rijden geboren werd.

En ���k heb er toch heus mijn best op gedaan.

Laat meisjes en jongens mij niet voor “Piet snot” staan!

2/8 ‘56

Dit werd door mij voorgelezen aan de dis.

-

Om half 7 ongeveer zitten we weer in de bus, en rijden via Doetinchem-Neede-Delden naar Hengelo.

Om ongeveer half 8 zijn we daar.

Een hartelijk afscheid van allen.

Adju wij moeten elkander groeten!!

En daar sta ik dan weer aan de Tiemsbrug. Gewuif in de bus, een staande figuur is het laatst, die ik zie. Dag hoor! Allemaal gedag!

En wel thuis, auf wiedersehn!!

Ja, de meesten misschien nooit weer!

Of in 1957. Ja wie weet, wie weet!

Het beeld van de vertrekkende bus blijft me bij.

 

81

Ik pak m’n koffer op en stap naar de overkant, Daar stond ik 10 dagen geleden ook, Maar Zwitserland ligt er tussen!

Tien dagen, met een ervaring en genot van 10 jaren!

Ik bel bij de politiepost daarbij, of is het de portier van de Heemaf? Daar bel ik even 415 op. “Sini, hier ben ik.” “Aan de grens?” “Nee, in Hengelo, over een uur ben ik thuis”. En zo geschied.

Blijdschap, “allomme”. Opa is er weer!

Cadeaus en vertellen!! Ansje is zenuwachtig van lijdschap, Carla slaapt al, Anita is nog wakker!

Een avond thuis, na lange reis!

 


 

[1] Want die ging weer trouwen

Dit lied is ook als stencil uitgebracht, kennelijk naar de deelnemers rondgestuurd en toegevoegd aan het boek. Daarnaast: Linie en Russchen zijn later getrouwd.