Kwantcestors

De woonplaatsen 

Een groot deel van deze familiegeschiedenis speelt zich af in en om Gramsbergen en Ommen, twee steden die slechts 30 km van elkaar aan de Overijsselse Vecht liggen. De familie Kwant woonde al zeker sinds ca. 1600 in en rond de Meene in de Marke Holtheme bij Gramsbergen, aan de Vecht, aan dezelfde kant waar 'de Haandrik' lag (zie fig. 2). Mogelijk dat voor 1600 de familie rond Odoorn woonde, een kleine 40 km noordelijk van Coevorden. De familie Makkinga leefde een groot deel van de tijd in de stad Ommen terwijl de Schuurmannen in Den Ham en later Beerzerveld woonden (zie de Makkingancestors-site). Den Ham en Beerzerveld zijn beide buurtschappen die bij Ommen hoorden. Beerzerveld ontstond pas in zijn huidige vorm rond 1860 toen het kanaal de Haandrik-Vroomshoop klaar was. Dit geldt ook voor Avereest/Dedemsvaart waar de Duinkerkens na ca. 1850 hun domicillie hadden (zie plaatje hieronder). Daarvoor komen ze uit de buurt van Wanneperveen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gramsbergen en Ommen liggen beide in Salland, Overijssel, nu dicht bij de Duitse grens. Vroeger was Gramsbergen omringd door moerassen en venen; het was eigenlijk het begin van de route door de venen vanuit Münster naar het noorden (Coevorden en Groningen). Tussen de beide stadjes Ommen en Gramsbergen ligt Hardenberg (soms ook Nyestede genoemd). Alle drie de steden lagen op verkeersknooppunten of daar in de buurt. Gramsbergen is misschien wel de meest uitgesproken hiervan. Allereerst zijn er een aantal doorwaadbare plaatsen (voordes) in de Vecht bij Gramsbergen waarvan die bij de Klokhenne, een boerderij annex herberg, lange tijd de belangrijkste was. De Vecht passeert de Nederlands-Duitse grens iets noord-oostelijk van Gramsbergen. Vroeger lag hier de grens tussen de gebiedsdelen van de bisschoppen van Utrecht en Münster en het graafschap Bentheim. Vanuit het noorden komt er een riviertje van Drente/Coevorden bij Gramsbergen in de Vecht terwijl de Vecht door stroomt naar het zuiden: Hardenberg, Ommen, Zwolle Ijsselmeer/Zuiderzee. In Ommen was er ook een oversteekplaats door de Vecht die al relatief vroeg, rond 1500-1600 vervangen werd door een brug. De stad kreeg toen al het recht op een brug, iets wat niet zomaar mocht vanwege de moeilijke verdedigbaarheid (je kunt nu eenmaal met een leger gemakkelijker een rivier passeren over een brug dan wanneer je moet varen, waden of zwemmen). Net stroomafwaarts van Ommen stroomde de Regge in de Vecht, een rivier die belangrijk was voor de handel met Twente. Rond de Vecht liepen van oudsher 2 hessenwegen, middeleeuwse postwegen van Duitsland naar Utrecht. Eén liep van Zwolle naar Ommen en boven de Vecht langs naar Gramsbergen-Coevorden. De andere liep vanaf Ommen zuidelijk/oostelijk van de Vecht naar Hardenberg en daarna naar het oosten. Komend vanaf het oosten hoefde je niet per sé deze hessenweg naar Ommen te volgen maar kon je ook naar Gramsbergen om daar de Vecht over te steken als je naar Friesland of Coevorden wilde. Deze wegen door het gevaarlijke moerasgebied werden vaak door de pikmeiers of hannekemaaiers gebruikt om in de zomertijd in Holland en Friesland gras en koren te gaan maaien. Naast het vele verkeer over land werd de Vecht ook gebruikt om goederen en mensen over het water naar het noorden (Coevorden) en oosten (Nordholt/Münster) te vervoeren. Na ca. 1850 spelen ook het Overijsselskanaal (Coevorden-Almelo) en de Dedemsvaart (Coevorden-Zwolle) een belangrijke rol, mogelijk zelfs belangrijker dan de Vecht.

De Overijsselse Vecht is een regenrivier en dat heeft een aantal meer en minder belangrijke gevolgen. Rond doorwaadbare plaatsen ontstonden vaak nederzettingen, zoals Ommen en Gramsbergen, deels omdat je daar handel kon hebben, deels omdat hier de verdediging van het gebied noodzaak was. Als gevolg van de verschillen in regenval kon de rivier vrijwel droogvallen of juist extreem hoog staan hoewel de Vecht in de meerderheid van de tijd geen probleemrivier was. In de winter kon de rivier bevriezen waardoor in de lente de oversteek naar de overkant nogal hachelijk kon worden. Zo is bekend dat de eerste bruggen over de Vecht bij Ommen kapot gingen door kruiend ijs. Los drijvende schotsen konden waarschijnlijk een behoorlijke tijd na een vriesperiode een probleem zijn voor de scheepvaart en veerlieden. Daarnaast werden de steden die aan de Vecht lagen dus ook relatief vaak overstroomd, nl. als er in de regenperiode veel gevallen was. Door laagwater was de Vecht dus ook niet altijd goed bevaarbaar en daarmee gaf het geen betrouwbare handelsroute naar Münster.