Stam:
Klasse:
Orde:
Onderorde:
Familie:
Geslacht:
Arthropoda (geleedpotigen)
Insecta (insekten)
Hymenoptera (vliesvleugeligen)
Apocrita
Apoidea
Bombus (hommel)
Een hommel is een harig, meestal zwart-geel gestreept insekt met een gladde angel ter verdediging, vergelijkbaar met zijn naaste familie, de honingbij.
Hommels komen hoofdzakelijk voor op het Noordelijk halfrond.
Er zijn op de wereld ruim 300 hommelsoorten bekend; in Europa circa 30, in Nederland circa 20 soorten.
Hommels behoren tot de weinige insekten die hun lichaamstemperatuur kunnen regelen. Ze wekken warmte op met hun vleugelspieren die door hun harige 'jas' goed wordt vastgehouden.

Hommels leven in een kolonie geleid door een koningin, die de eieren legt, en haar dochters, de werksters.
In de zomer legt ze ook onbevruchte eieren waaruit, voor de voortplanting, mannelijke hommels (darren) komen.
De vrouwelijke hommels die in deze periode ter wereld komen zijn de nieuwe koninginnen.
Als in het najaar de temperatuur zakt sterven de hommels.
Alleen de nieuwgeboren koninginnen gaan in winterslaap en stichten in het voorjaar nieuwe kolonies.
In het vroege voorjaar zoekt de koningin een ruimte, meestal onder de grond, om haar kolonie te stichten.
De koningin verzamelt in haar 'broedkamer' een kleine hoeveelheid stuifmeel, legt hier een aantal eitjes tussen en dekt de eitjes af met een laagje was; de eitjes hebben zo ieder hun eigen cel.
Bij de ingang van het nest maakt ze van was een klein potje en vult dit met nektar; ze hoeft dan tijdens het 'uitbroeden' van de eitjes niet het nest te verlaten voor voedsel.
Als de larven uit het ei komen eten ze eerst het stuifmeel in hun cel op. Na enige tijd voedt de koningin de larven door een opening in de celwand.
Als de larven volgroeid zijn spinnen zij een cocon waarin zij tot de eerste werksters metamorferen.
Met deze werksters als hulp om de larven te verzorgen begint de koningin steeds meer eieren te leggen.

Voor de bestuiving van planten zijn hommels onontbeerlijk.
Op bezoek bij een bloem voor zijn nektar nemen zij met hun harige vacht stuifmeel mee.
Ze verzamelen ook stuifmeel in 'mandjes' op hun achterpoten voor de larven in het nest.
Iedere hommelsoort heeft zijn eigen voorkeur voor een bepaalde bloemsoort; zo vermijden ze concurrentie.
Ze zijn vaak aangepast aan een bepaalde bloem door hun grootte en de lengte van hun tong.

Een aparte orde van de hommel is de koekoekshommel, geslacht Psithyrus.
Deze broedparasieten leggen hun eitjes in nesten van andere hommelsoorten.
Ze vallen het nest binnen, doden de koningin en dwingen de werksters hún eitjes te verzorgen.
Koekoekshommels hebben geen stuifmeelmandjes aan hun achterpoten; zij hoeven geen immers geen stuifmeel te verzamelen.