
|
- Insekt
- Sociale Insekten - Het Vliegen - Het Ademen - Voortplanting - Metamorfose - Signaalstoffen ![]() Meer dan 500 miljoen jaar geleden verschenen de eerste insecten op aarde.
Insekten behoren tot de klasse van de Arthropoda (geleedpotigen), verreweg de grootste klasse in het dierenrijk. De insekten zijn verder onderverdeeld in twee onderklassen. Dit zijn de Pterygota (gevleugelde insekten, onderverdeeld in vier groepen) en Apterygota (ongevleugelde insekten, onderverdeeld in 27 groepen). Er zijn ongeveer 900.000 soorten beschreven, maar entomologen vermoeden dat er minstens nog eens zoveel soorten te ontdekken zijn. Insekten zijn over de hele wereld te vinden; van de polen tot aan de tropen, op het land, in zout en zoet water en in hete bronnen. In de tropen komt echter het merendeel voor. De afmeting van insekten is ook heel gevarieerd. Van parasieten van 0,025 cm tot de wandelende tak van circa 30 cm. Insekten zijn ook de hoogst ontwikkelde ongewervelde dieren, waarschijnlijk geëvolueerd uit een primitieve klasse ringwormen. De verscheidenheid aan insekten is enorm. Er zijn er met een sociale structuur waarin ieder individu in een kolonie een speciale taak krijgt toegewezen. De één wordt volwassen door groei, de ander door metamorfose. De meeste soorten moeten minimaal 2 stadia doorlopen tot volwassenheid. Ook in hun eet- en leefgewoonte zijn de verschillen groot. Over het algemeen zijn de insekten speciaal aangepast aan hun leefomgeving en zijn ze vaak afhankelijk van één bepaalde plant of bepaalde delen van planten. De relatie tussen insekt en plant is vaak noodzakelijk voor de voortplanting van de plant, door middel van bestuiving. Een aantal insekten echter leeft niet van levende planten, maar gedragen zich als aaseters; zij eten dode planten of het karkas van een dier. Hun activiteiten versnellen het afbraakproces van dood materiaal. Parasieten komen ook veelvuldig voor. Zij betrekken hun voedsel van andere levende insekten en dieren; op of in het lichaam van hun gastheer. Er zijn zelfs parasieten die op andere parasieten parasiteren, de zogenaamde hyperparasieten. Soms is de relatie tussen insekten symbiotisch. Een mierenkolonie bijvoorbeeld deelt zijn voedsel met een bepaald kevertje dat met hun samenleeft. Als tegenprestatie consumeren de mieren een vloeistof die het kevertje afscheidt. Top ![]() De sociale insekten vormen een bijzondere groep. Zij leven in tegenstelling tot de meeste insekten in georganiseerde groepen.
Deze klasse bevat ongeveer 800 wespensoorten, 500 bijensoorten, en de mieren en termieten. Deze insektgemeenschappen worden gevormd door één of twee ouders en al hun nakomelingen. De afzonderlijke leden van de gemeenschap zijn verdeeld in groepen, elk met een gespecialiseerde functie. Vaak hebben deze leden een verschillende lichaamsbouw, toegespitst op hun functie. Top De meeste insekten dragen minstens een gedeelte van hun leven vleugels.
Om te vliegen worden de vleugels 'aangedreven' door twee paar spieren die onafhankelijk van elkaar de op- en neergaande beweging controleren. De frequentie van de vleugelslagen loopt van 4 slagen per seconde tot 1000 slagen per seconde! Insektenvleugels bewegen zich niet alleen op en neer, maar ook voor- en achterwaarts in een ellips of een 'acht'; dit geeft lift en voortstuwing. Gezien de vorm en de snelheid van de vleugels heeft men eigenlijk nooit goed begrepen hoe deze genoeg kracht kunnen ontwikkelen om in de vlucht te blijven. Recent heeft men ontdekt dat de vleugels een vortex genereren, een luchtwerveling in spiraalvorm, langs de hoofdzijde van hun vleugels. Deze vortex stroomt in wijdere spiralen naar de vleugelpunt. De draaiende luchtstroom boven ze houd ze in de lucht. Top ![]() Bepaalde insektensoorten ademen door hun buitenlaag door middel van diffusie, maar in het algemeen bestaat het ademhalingssysteem uit een netwerk van buisjes, tracheae, die lucht door het lichaam vervoeren naar kleinere buisjes, tracheoles.
In de tracheoles wordt door de bloedstroom zuurstof opgenomen en kooldioxide afgegeven. De uitwendige openingen van de tracheae heten spiracula. Deze zijn aan de zijden van het insekt gelegen, meestal tien paar; vier op de thorax, zes op de abdomen. Top ![]() Er is een enorme variatie in de manieren van voortplanting.
De honingbij bijvoorbeeld, het vruchtbare vrouwtje, de koningin, produceerd duizenden vruchtbare eieren gedurende enkele jaren, hoewel het mannetje, de dar, kort na het paren sterft. Van andere soorten sterft zowel het vrouwtje als het mannetje kort na het paren. Van een aantal keversoorten paren zowel de mannetjes als de vrouwtjes meerdere keren. Weer andere soorten ontwikkelen zich uit onbevruchte vrouwelijke geslachtscellen. Dit noemt men parthenogenesis. Afhankelijk van het feit of de eicel al wél of nog géén reductiedeling heeft doorgemaakt, ontwikkelen zich uit de eicel diploïde (vrouwelijk, identiek aan de moeder) respectievelijk haploïde (mannelijke) individuen. De ontwikkeling van de eicellen kent ook veel verschillen tussen de soorten. Er zijn levendbarende (vivipare) insekten; bij deze insekten vind de complete embryonale ontwikkeling van de eicel in het lichaam van het vrouwelijke insekt plaats. De meeste insekten echter dragen hun eieren buiten hun lichaam. Bepaalde soorten hebben een unieke vorm van embryonale ontwikkeling; er kunnen honderden embryo's voortkomen uit één enkele eicel, door deling in de eicel. Top ![]() Metamorfose, gedaanteverwisseling, is de fase waarin insekten vrij plotseling van het ene ontwikkelingsstadium in het andere overgaan, meestal gepaard met een grote in- en uitwendige vormverandering.
Er zijn twee soorten metamorfose; volkomen en onvolkomen metamorfose. Volkomen metamorfose Het insekt komt als een larve uit het ei gekropen waarna hij veranderd in een pop, pupa, vaak omsloten door een cocon, puparium. Uit de cocon komt uiteindelijk het volwassen insekt, imago, tevoorschijn. Onvolkomen metamorfose De larve wordt geboren in een vorm die al veel op het volwassen dier lijkt; dit wordt een nymf genoemd. De nymf veranderd door één of meerdere vervellingen in een imago, na elke vervelling begint het dier steeds meer op een volwassen exemplaar te lijken. Top Signaalstoffen, feromonen, zijn chemische stoffen waardoor vrouwelijke insekten mannetjes aantrekken.
Het vrouwtje scheidt een geringe hoeveelheid krachtige chemische stoffen af, dat door de mannetjes zelfs op kilometers afstand wordt herkend. In een experiment wist een vrouwtjes vlieg op deze manier 11.000 mannetjes te lokken. Top |
|
|