Zie, de woorden kruipen uit het blauw


MEDEDELING: IK BEN VERHUISD NAAR EEN ANDERE LOCATIE. VOOR MIJN NIEUWSTE GEDICHTEN VERWIJS IK U NAAR: Weblog Hans Limbeek

 

 

GEGROET ZIJ DE LEZER!

Op deze site kunt u kennis maken met mijn 'doorlopende' bundel Hoog in de Zwiepende Toren (2005). De publicatie bestaat uit zevenentwintig gedichten waarvan er maandelijks één wordt vervangen door een nieuwe. Daarnaast kunt u een selectie van gedichten uit mijn eerdere bundels De Zee van Willekeur (1995) en Berichten uit het Lome Land (2002) aantreffen.

Hebt u vragen, op- of aanmerkingen, mail dan naar: luru83rk@kpnmail.nl (Hans Limbeek, Zelhem 1959)


Hans Limbeek (foto: RJ Douwes, zie link Platenpakhuis)

Aanbevolen links: www.jaapmajoor.com , www.sibylleklemp.tk en http://platenpakhuis.blogspot.com

INHOUD SITE: 1. Hoog in de Zwiepende Toren (2005), 27 gedichten, met elke maand een nieuw gedicht. 2. Berichten uit het Lome Land (2002), een selectie van 16 gedichten 3. De Zee van Willekeur (1995), een selectie van 3 gedichten.

 

Hoog in de Zwiepende Toren

 

 

COPYRIGHT © Hans Limbeek, digitale publicatie, februari 2005

  1. INHOUD: -1- Dit nu op deze boot -2- Zilverberg -3-Emmerich -4- Aldags roes -5- Voor moeder -6- Traag -7- Voetbal en wierook -8-:April II (herinnering aan het niets) -9- Dat ik -10- Curtis -11-De glazen middag -12- Anders dan gedacht -13- Ik heb niets gewild -14- Nacht van aankomst -15- Het hete eind -16- April -17- Mijn aangespoeld lichaam -18- Dichters droom -19- Sprookje -20- Allerzielen -21- Bootje in het blauw -22- Feest -23- De uit stof gekropenen -24- Draaibed van de dronken droom -25- Geen getal -26- Sanatorium -27- Het koord -28- Groot geel

________________________

 
 
-1-
 
DIT NU OP DEZE BOOT (Nieuw, geplaatst op 12 februari 2011)
 
er was niets
niets wat ik wilde
 
slechts spleen & wereldvlucht
kende ik
nooit was er iets wat ik wilde
 
maar nu met proviand aan boord, ons gedeeld verleden,
deze dronk in zilver
 
nu in het voorbijgaan over de groene stroom
in geratel
in ritmiek
 
nu die machine
die hallucinerende dreun
 
nu het groen en de stroom
nu het nu
het groen en het blauw en de stroom
nu in het nu zonder eind
fluistert de vredezon
dat ik haar ken
 
-2-
 
ZILVERBERG (Nieuw, geplaatst op 12 februari 2011)
 
Op de rug van een ezel in het maanlicht
gaat het kind de zilverberg op
 
Het kind dat brood at
aan tafels onder bomen
en vroeg
Van wie zijn de kamelen?
Van wie de dromen?
 
De zon scheen er in limonadeglazen
De tafel was van sprekende monden
En de ruis van blauwe fonteinen
liet de nacht opklinken
 
Het laken was lang
in het zoete dal zonder wetten
 
Het kind zal aankomen
en zeggen:
Vader hier is je zoon
noem mij
noem mijn naam
 
(drinken we op een nieuwe tijd)
 
-3-
 
EMMERICH
 
hangend staal
roze
 
de hemelen
 
-4-
 
ALDAGS ROES
 
De hond had te vreten
er was niets vergeten
 
Met knikkers in de buil
liep je naar het plein
 
Dood was ver weg nog
het graf was van anderen
 
Ik sliep in seringenlucht
jij zwom in blauw water
we dronken koel bier
achter de hoge bergen lag het witte later
 
Dood was ver weg nog
kinderen kresen; de hemel was hier
 
Je aaide de hond
en sprak haar toe
 
Ik likte het ijs
op het terras van zon
 
Jij zwom in blauw water
ik blies rook in de zoele nacht
de kinderen schaterden
 
Op het plein
bruiste mijn zachte knikkerzee
 
-5-
 
VOOR MOEDER (Gedicht bij de dood van mijn moeder)
 
Hand in hand liep ik met je naar het kippenhok.
We gingen kuikens voeren, kuikens onder het rode licht van de broedlamp.
De wereld ging open,
het leven ontlook.
Het is lang, heel lang geleden,
ik was jouw kind, jij mijn moeder.
 
Duizend zonnen draaiden voorbij, duizend manen.
Er was niets in deze wereld
dat tussen ons kon komen.
Ik was jouw kind, jij mijn moeder.
 
Duizend dagen draaiden weg, duizend nachten.
 
Tussen weckflessen en bonen
vertelde je kleine verhaaltjes.
We gingen samen door velden van rozen,
en in sombere tijden
sprak jij bezwerende woorden.
 
Ik hield je hand vast in je laatste bed.
Het is kort, heel kort geleden,
er zijn geen kuikens meer, geen broedlamp.
 
Jij verdient de blauwe hemel, een ander Licht.
Ik ben jouw kind, jij mijn moeder,
mijn vriend, tot in eeuwigheid.
 
-6-
 
TRAAG
 
Eigenlijk ging het traag over de paden. Verdomd traag en weifelend.
 
In verre weilanden was er gemompel over dingen die knaagden.
In zomers het achterwaarts waden door de sloten, water was genezing.
 
Er was altijd een hunkering naar de lik van de honden, bij hen werd er geslapen, hun koppen vastgeklemd in de diepste nacht, geborgen in hun vacht.
 
Eigenlijk gleed de wereldruis ongemerkt voorbij. Nooit ook was er een idee van het later. Gedraald werd er voor alle poorten, toeschouwer, in zijn wolkenhoofd, in het lome nu, met in zijn handen de geschreven woorden die niemand las.
 
In een huis zonder ramen sijpelde het langzaam uit de muren.
 
-7-
 
VOETBAL EN WIEROOK
 
Je ging verder, gewoon verder:
bal aan de voet, passeerbeweging
 
Wind blies koel
blies koel door de bomen
 
Onder de ruis sliep het water;
je kapte, je draaide
 
Er was een glooiing
een aardbeienveld
 
een stoffige zomer
Er waren drie jongens en een bal
 
Water sliep zacht en onuitsprekelijk
zacht en zoet
 
In een blauw en een niet blauw
een vlinderwit
 
een blauw op een azuurblauw
vervlogen de huiveringen van de nacht:
 
Er was geen dode dood
Geen dode dood
 
-8-
 
APRIL II (herinnering aan het niets)
 
De zon scheen staal die dag
Viel genadeloos op het grint
 
De kat zat op de hoek van het huis
Boven de bloemen hing zware hitte
 
Slechts een bijengezoem was hoorbaar
In de lome straat
 
Ik draaide
De kat keek op
 
Drukkende lucht op
Loden stilte
 
Ik draaide de poort open
 
Zweet droop
Asem kraakte
 
Ik draaide de tuinpoort open
De kat vloog om de hoek
 
Ik draaide de tuinpoort piepend open
en ze was verdwenen
 
Door de tuinen heen galmde het geratel van een bromfiets
De zon scheen staal en viel genadeloos op het grint
 
 
-9-
 
DAT IK
 
Dat ik was geboren
in een varenbos
diep in een varenbos
 
Bos van immer huilende wind
van permaregen
of bos waar geen bries ooit hoorbaar was
geen regendrop ooit viel
 
Dat ik had gewoond in de schemer van het loof
en er de wereld had bespied
het vale licht had gevangen
 
De vlucht nooit had overwogen
maar verscholen in het hout
de loomheid had gekoesterd
de loomheid van vliegen en wormen
 
Dat ik 's nachts bij het blaffen van de maanhonden
's nachts bij hun verre geblaf
me geborgen had geweten
geborgen diep in mijn grot
 
En daar in mijn zacht rozenbed
de dood glimlachend voorbij had laten kruipen
zacht slapend diep onder de dorre rozen
 
Dat ik er verlangen noch heimwee had gekend
verlangen noch weemoed
geen vliegtuigen had ontdekt
geen apparaten had gewild
maar de geheimen van vliegen en wormen
 
Dat ik daartoe was geweest
 
Vertel van het verscheurde medelijden
en van het vale licht dat ik had gedronken
het vale licht
 
Vertel hem dat
 
-10-
 
CURTIS
 
Macclesfield
rook en regen
 
nachtprins
in blauwe nagalm
 
krochtenbariton
van de diepe ziel
 
verdoemde trooster
uit rook en regen
 
don't ever fade away
 
-11-
 
DE GLAZEN MIDDAG
 
De zon scheen alweer op de stenen
De zon blonk alweer op het torrenpad
Het water kolkte nog in de goten
Het water stroomde nog door de pijpen
Een bries liet onze roestige schommels bungelen
En wij, wij dronken limonade
Limonade gulzig uit lange glazen
 
En later -in dit held're licht- later in het geelgroene veld
Toen we hand in hand
En ik de bloemen
Jij het lied en
De zoevende auto's over de verre weg
 
Die benauwde kus
 
De duizeling
De zon
En de zindering
-12-
ANDERS DAN GEDACHT
 
Lopend door het regenbos
hoorde ik de specht het hout slaan
mijn ziel was nat
mijn kleren doorweekt
 
Lopend door de zoom van het regenbos
vond ik de tovenaarshoed
 
Vannacht is de wetenschap doodgeslagen
vannacht in de kroegen van de stad
hief men de glazen
fluisterde de wind
 
Alles bleek anders dan gedacht
het was als je meisjesglimlach
in de warme parken van Spanje
het was als het opentrekken
van de vergeten kast
de geur van het bloemenkind
 
Onder de witte tafels van de dood
lag een paaslam
 
De specht sloeg het hout
 
En ik riep het naar je
terwijl mijn ogen braken
ik riep het naar je
en brak mijn stem
 
-13-
 
 
IK HEB NIETS GEWILD
 
Vergeef me; ik heb niets gewild dan dralen langs de natte stenen
Er waren dagen dat ik uit sloten de duikers inkroop, dat ik niets dan modder rook
Tijden dat ik rokend door de bossen doolde, op zolders in de vergeten boeken zocht, maar taal nog teken vond
 
Regens striemden de hoge herfstramen, tractoren gromden grimmig over de glibberpaden
In m'n eeuwig achterland trokken de wolken traag en oneindig over de dingen
Ik stond erbij en keek ernaar
 
Glasscherven rinkelden in de nachten dat door de dronken straten bad
En altijd weer was er die schuilplaats in mijn hut van doek en strokarton
Spleen is immer m'n beste vriend geweest, ik geef het toe
De wereld en de anderen, ik heb ze vervloekt, het is waar
 
Ik heb de meikervers in het gras zien kruipen, meikevers in gras dat groeide
En in zomerluchten heb ik lusteloos in het zoetig hooi gelegen
Me laten vangen in dichtersduizeling, dat alles is waar
 
Heer, ik heb niets gedaan dan dralen langs de natte stenen
Niets dan dromen van de cipressen waaronder ik mijn graf al zag schaduwen
Vergeef me
 
-14-
 
NACHT VAN AANKOMST
 
Bloesem in het hoofd
woord uit de ziel
heilig woord uit mijn koele tuin
 
Bloesem op het zijn
dit kleine ding
adem op adem
zin op zin
 
Bloesem op het water
de dronk op de dood
deze rozen van de maan
 
De tafels van genade
in het onuitsprekelijk toen
deze sprong over de toren
in al het onvermoede licht
 
De ledikanten der liefde
in de loofsneeuw van beukenlanen
 
En in de paarse bloesemhemel
dit huis der wanen
 
-15-
 
HET HETE EIND
 
In het ruisend populierenbos
hing de hitte zwaar onder het lover
 
Een mensenleven had ik er doorgebracht
hier was niets dat ik niet kende
niets
 
Maar deze wereld
liep in een huivering
 
De bomen schoven
het kruid sidderde
en al mijn paden hielden op
 
Naast de eeuwige waterplas
viel tachtig kilo mens op het mos
verschenen de kruinen in het oog
 
(Uit een onzichtbaar verder
klonk een vrouwenstem, zacht en iel)
 
Een vreemde lichtheid liet zich voelen
padden en vliegen kwamen
 
Sta op, dwaze dwaler, riep je nog,
sta nou op!
 
Maar al wat me restte was een onbedaarlijke lach
 
 
-16-
 
APRIL
 
Er zal een regen geweest zijn
en de lange vaderloze trein
zal voortrazen in de nacht
 
En de zon zal branden nu
de zon
 
Duizend jaar na
de verdwenen liefdesprinsessen
leer ik je schrijven in het zand
 
Duizend jaar later
als de hemel groot is
en de sloten lang
 
Het waait in slierten nu
het waait stof als de tractor
slierten stof als de tractor
de ploeg trekt door het land
 
Vinkjes vliegen vinkjes vliegen op de lucht
en de bomen wuiven heet in deze onrustbarende april
 
'Roos' kerf je met je stok 'roos'
en je lacht met trots
 
Je lacht vol trots je kleine jongensmond rond
 
Vinkjes vliegen vinkjes vliegen onder het open blauw
 
Schrijf
blijf schrijven voor mij
 
In het zand
in het water
of het zout
 
-17-
 
MIJN AANGESPOELD LICHAAM
 
Mijn aangespoeld lichaam
met handen van stro
met handen van liefde
en vingers van goud
 
Het hield van
de kevers
van de vijvers en bossen
en het gras eromheen
van de giechelende meisjes
verstopt achter hagen
of slapend in bedden
van regen
en lente
 
Mijn aangespoeld lichaam
met mist om mijn mond
met merels op mijn tong
en tenen van koper
 
Het hield van de zon
van de varens
en schaduw
en de mijmering
ertussen
van gele autobussen
en hun chauffeurs met petten
hun knippen der kaartjes
en de reis der passieven
 
Door dreven
en lanen en parken
sneeuw- en hagellanden
langs sloten en honden en bazen
 
Maar op geminachte middagen
viel het met sneeuwveren kop
in water en schouw
in lucht en in leegte
of in de onwetendheid ertussen
 
Het voelde als dons en karton
het voelde als hel en als hemel
 
Mijn aangespoeld lichaam
het groette de dieren
het groette de zon
 
Het liep uit zijn zicht
en dreef naar de zee
mijn aangespoeld lichaam
het rook naar het water
en verborg al zijn namen
onder tegels en planken
 
Achter plinten en kasten
 
-18-
 
DICHTERS DROOM
 
Zon in de wereldnacht
op een hobbelpaard rijdende
onbeduidende jij
 
Poëzie moet hangen als het gebladerte
in oerwoudbomen op westerse pleinen
en druipen als de serpentineruis
zo liet je weten in wilde correspondenties
zo liet je weten uit besneeuwde landen
 
Cendrars bijvoorbeeld, schreef je,
had kurketrekkers uit Sheffield
en doodskisten uit Malmö
gevuld met blikjes sardines
 
In een stationshal in een verre stad, zo stelde je je voor,
oud, met omnibussen en gaslantaarns, oud,
wilde ook jij, wachtend, op de ultieme expres,
wachtend,
met vaganten en vagebonden,
wilde ook jij,
wachtend, met marskramers en gebochelde kooplieden
 
Maar ook als Samaritaan, schreef je,
met een luisterend oor voor medereizigers,
als de barmhartige, de met mysterie en mythe omhulde
als de trooster, de met alcohol doordesemde
o jij
 
Zon in jouw wereldnacht
onbeduidende
op je hobbelpaard rijdende

 

-19-
 
SPROOKJE
 
Plotseling gekomen kind
spelend kind van ver
kind dat slaapt in het huis aan sterren hangend
 
Aan oude fruitbomen zwierend kind
dat vlinders vangt
en door kamers schreeuwt
 
Kostbaarheden verscheurend kind
dat op een dag de kat zijn staart uittrekt
 
Plotseling gekomen kind
met snotneus slapend kind
het trommeltje van blik ligt aan je voeteneind
het aaiaaikonijn snurkt in je handpalm
 
Ach lief kind in dromenland
al dagen vliegen krijsende heksen langs ons raam
maar laat ze maar laat ze maar
ons huis hangt aan de sterren
 
 
-20-
 
ALLERZIELEN
 
Natte november
na de storm
 
aan de grote blauwe hemel
hingen de fletse zon en de witte wolken
toen we bloemen
legden op je graf
 
aan de grote blauwe hemel
hingen de fletse zon en de witte wolken
toen we wisten vader
dat het langzame verdriet voorbij was
 
aan de grote blauwe hemel
hingen de aangenaam fletse zon en de zachte witte wolken
 
Natte november
na de storm
 
en we besloten te gaan slapen
onder de varens in het schemerbos
als verliefden van het eerste uur
 
-21-
 
BOOTJE IN HET BLAUW
 
Bootje in het blauw
in de ochtendnevel
in licht klotsend water
uit de wereld
weggedreven
 
Ver weg spelen de
kinderen van het
Gracianaplein
 
Zoemvliegjes van de zon
en slaapmugjes van de maan
spelen orkestraal
in het morgenlicht
 
Door raampjes van mica
zagen we opgaan
het brandend hout
 
Bootje in het blauw
zoemvliegjes van de zon
Ver weg spelen de kinderen
van het Gracianaplein
 
-22-
 
FEEST
 
feest in de laatste nacht
van warmte en koelte
van geen leven geen dood
 
van de ware meesters
van het ware lawaai
in ware waarheid
 
molens in het hoofd
dronken de vlinders
in hoge gele kamers
 
ijs roze en groen
op zilveren schalen onnoemelijk
 
vrouwen in bloedblauw
als minnaressen van alle tijden
mist kruipt langs hun heupen
 
achter glas het borrelend bier
als de levende zee
van de filosofie
 
molens in het hoofd
dronken de vlinders
in hoge gele kamers
 
feest in de laatste nacht
van warmte en koelte
van geen leven geen dood
in de gloedvolle leugen
 
-23-
 
DE UIT STOF GEKROPENEN
 
We openden onze ogen
op een zaterdag
en zagen witte vlokken
dwarrelen
boven witte aarde
witte aarde van onnoemelijke kou
 
Alles wat we aten
alles wat we dronken
alles wat we leerden
had ons tot hier gebracht
 
Dit winters plezier
onder de hoge hemel
ergens in een lege provincie
ergens tussen atoom en kosmos
tussen gerolde ballen
tussen gebouwde poppen
kleunend met roodkoude handen
 
We dansten pasjes en rolden
met heel ons sap en vlees
met heel ons vel en been
 
Wij de uit stof gekropenen
we verlangden niets
wij de zielen zonder zorg
wij die van het grote taal noch teken
 
en de zondag die wachten kon
 
-24-
 
DRAAIBED VAN DE DRONKEN DROOM
 
Soms staat er
onder het zoete kindermaantje
tussen brem en brem
zomaar op zoele zomeravond
ergens in een berm
het draaibed van de dronken droom
terwijl krijsapen van de ondeugd en kleine gemene eekhoorns
er spelen op een berg van flessen
ligt in het draaibed van de dronken droom
een ander iemand
soms als nachtelijke voetstappen
er het grindpad doen opklinken
vraagt een ander iemand zichzelf
wie ben ik die ligt
op dronkendromendraaibed?
 
-25-
 
GEEN GETAL
 
Er is geen getal broeder
dat ik je geven kan
Maar laat ik je dit zeggen
 
Toen de snijdend gure wind
de kop opstak
verschool ik me in kreupelhout
Lang heb ik er gezeten
en ik bespiedde een wereld
waaraan
ik geen deel had
 
Tegelijkertijd zag ik
de borrelende onderstromen
in het zwarte diep
Troebel en gedachteloos eerst nog
 
Maar later na heftige uitbarstingen
-o hoe wild kropen de woorden!-
was het soms zo helder
zo helder
 
Ik school onder kreupelhout
En toen de klok het uur sloeg
voelde ik
de schone pijn
van een gekwelde ziel
 
Ik zong kinderwijsjes
en liep aan vaders hand
langs een vergeten rivier
 
Maar nee zuster
er is geen getal
dat ik je geven kan
 
 
-26-
 
SANATORIUM
 
In die middagen
van het liefdevolle oog
 
Met tussen oude muren
het smetteloos wit van de lakens
het bed in de boenwassenlucht
 
Het aangenaam ziek zijn
tussen zusters en dokters
die in gangen en zalen
met geflirt en gelach
 
In die middagen
dat genezing kon wachten
waarin smart uitgesponnen lust werd
toen wij met onze verstrengelde lichamen
in een koortsen rozensneeuw
 
In die middagen
toen het felle licht
door de hoge ramen
 
Het stof liet dansen
boven ons ziekelijk geluk
en het verontrust bezoek
al lang weg was
 
In die middagen
 
-27-
 
HET KOORD
 
Tussen de Keiberg en het Mariëndal
de wegen van stof en de vaalten
van tulpenrood
de zindering
de molen immens in populierenruis
 
Philip en Nathan slingeren
er aan het duizelkoord
de meisjes en katjes kijken toe
de molenaar en knecht ze
slapen wit in het meel
 
Tussen de Keiberg en het Mariëndal
schenen jonge zonnen
schenen hoopvolle manen
maar eindigden alle tochten naar het nut
in dronkenschap
 
Philip en Nathan lachen er aan het duizelkoord
De meisjes aaien er de katjes
De molenaar en knecht snurken er wit
in het meel
En door het raam kijkt een vreemde snuiter
 
Langs de wegen van stof tussen de Keiberg
en het Mariëndal hangt een koel koord van verlangen
 
-28-
 
GROOT GEEL
 
Groot geel op het glooiend veld
Groot geel ons speelgoedkarretje is vol
We duwen het zwaar
we duwen het onaangenaam zwaar
 
Hier staan wat sprieten
Daar staat wat kruid
Een rode regen
valt uit het onpeilbaar blauw
 
We groeten de mieren
en trappen ze dood
zeggen hoi tegen boer Gert
zeggen hoi tegen boer Jan
 
'Zie ginds,' zeg je, 'de zwarte veulens
van Federico, zie hoe ze draven!'
 
Ach we zochten troost
maar wisten nauwelijks hoe
 
Groot geel
We gingen naar het woud
naar het hol van de vos
naar de burcht van de das
 
Groot geel geur van het koolzaad
we vonden de droom
van de diepe aarde
en keerden nooit terug
 
We zongen slechts:
'pam' 'pam' 'pam' 'pam' 'pam' 'pam' 'pam' 'pam'
 
 

 

Berichten uit het Lome Land

 

Copyright © 2002. Hans Limbeek. Digitale publicatie, februari 2002.

 

INHOUD:

1. In de hondenkar 2. Onrust 3. Rozen 4. Stroom 5. Onder de berk 6. Een wandeling 7. Recalcitrant 8. Kleine zachte hunkering 9. Het misschiene schip 10. Sterveling 11. Zomerwas 12. Andalusië 13. Genese 14. Vliegen 15. Negentienvierenzestig 16. Muzikant!

 
 

_________________________

-1-
 
IN DE HONDENKAR
 
honderd honden trekken de kar
over de klinkers
van de hoge laan
 
boomtoppen trekken voorbij
als onder gehijg en gepuf
het geroffel
 
het onweert bovendien
 
de lange lange laan
met aan het eind de maan
legend languit liggend
 
achterlatend de asmens
uitstrooiend kleine gedachten
als boeken van lood
 
op naar de zeepier
in het Groningse woud
op naar de hondsdagen
om te voetballen in de eb
om te ontvangen op de vloed

_________________________

-2-
 
ONRUST
 
Dagenlang hadden
woeste ontploffingen opgeklonken
uit het verre achterland
 
en werkelijk overal werd er gesproken
over materie en antimaterie
spiegelbeelden
 
o nachten volgestort
met energie uit de zoete hel
 
ergens moet er een ochtend geweest zijn
met een vluchtig ontbijt
en gordijnen die open gingen
 
toen ze stonden
plotseling en overal
in de tuinen voor de huizen
 
toen ze stonden
achter de bomen in de parken
in de onvergetelijke weilanden
onder de ademloze wolken
 
toen ze stonden
diep onder de witte bruggen
op het oneindige ijs
 
wij kleine sneeuwpoppen
toen we stonden

_________________________

-3-
 
ROZEN
 
Het was
na het onweer
en de grond was nat en warm
en duidelijker dan ooit
scheen de wereld
te zijn
die in het oog is
 
De rozen met insekten kropen langs
en wij die er stonden verloren
met schepnetten in het slootwater
onder heel hoog het vliegtuig met de
witte strepen
 
De wereld en de zon
ze waren van ze waren in het oog
toen alles stilstond
zo kort na de dood
in de zandweg naar de hemel

_________________________

-4-
 
STROOM
 
In die zoete geur
zitten we met opgetrokken knieën
in het ondoorgrondelijke meidoornveld
waar we zonder weten wachten op de zandstorm
 
Later als de hitte ondraaglijk wordt
kruipen we in het verbazingwekkende hol
met de duizend glazen limonade
 
Net als in de Luxemburgse regendagen
als de glimwormen ons de afgrond markeren
begrijpen we niet
o alcoholkoppen die we zijn!
 
In een hoofdstad bezoeken we alle hoge cafés
slaan we zattemans taal uit
o jonge helden die we zijn!
 
En ach wat hebben we ons druk gemaakt Alles wat waarheid
leek gleed immers uit ons weg maakte plaats voor stille waan
het onophoudelijk lopen van witte paarden
achterwaarts de zee in

_________________________

-5-
ONDER DE BERK
 
In het dwarrelend zaad
zitten we loom in de vroege
zomeravond rokend aan tafel
 
We zwijgen
 
De verre woorden
over het Duitsland
voorbij Asschaffenburg
klinken nog vaag na
 
En als nauwelijks bewust
mijn schoenzolen halve
cirkels in het zand tekenen
 
Verveling zich meester maakt
 
En het geraas over de wegen
langzaam wegsterft
 
Zie ik de zwaluwen dansen
eerst hoog in het grijsblauw
dan afdalend naar de vier draden
 
Elektriciteit van paal naar paal
transporterend het geluk van het niet-weten

_________________________

-6-
EEN WANDELING
 
Verscholen in het riet en
gedoken in het leger van een dode haas
in een oud geruis of eendagssneeuw
de lompen zien verweren in het prikkeldraad
en telkens weer vermoeden hij die er niet staat
bemost over heel zijn onderlijf
krankzinnig en stokstijf
kloppende pols
ruikend zijn
starende groenheid
in vogelkreten
in een levenslang waaien
onder honden
onder maanlicht
onder donder
die steeds weer in niets zijn grond vindt

_________________________

-7-
RECALCITRANT

Zoals de zon

die surrealistisch Spanje
in je ogen weerkaatste
in je ogen
een werkelijkheid toonde die was.
Of zoals het binnenvallende licht
op de dag van bedrog
het binnenvallende licht
dat verhulde wat niet meer was.
Zo wil ik weer proeven
de bittere smaak
het bitter van zoete zinnen.
Of aanschouwen de duistere schijn
het duister van verraad.
 
Wat gisteren vast stond
moet vandaag los
los om morgen de vastgezogene te zijn.
Of de verlorene die bidt
die bidt om de verloren hand.

_________________________

-8-
KLEINE ZACHTE HUNKERING
 
Op het water stond je tussen gele lissen
onuitsprekelijk groen te wezen.
Met je rechterhand gaf je korte strelingen
over mijn kwetsbaar moede schouders,
over mijn geknakte rug,
over mijn huid, mijn harde oude schilferhuid.
Urenlang blies je fluisterzinnen tegen de wind,
terwijl onophoudelijk kevers voorbij kropen.
 
Toen werd huid ziel en hoorde ik de stille kosmos
schreeuwen.
_________________________

 

-9-
HET MISSCHIENE SCHIP
 
Misschien was het
het zicht in ander licht
dat het gemaskeerde gezicht tranparant deed lijken
toen we stonden aan de boeg
lang voor ons vertrek
of kwam het juist van hem zonder gezicht
in de nacht op de achtersteven
waarvan we een plotseling inzicht kregen
net na ons vertrek
 
Was dit het sein misschien
ideeën te verbranden en meningen terecht te stellen
om deze onbekende haven te verlaten
en met dit misschiene schip zonder balast te varen
naar de eeuwenoude onmogelijkheden van het onnut
of van de denkbeeldigheden in het duistergroen
of het eiland der kindvogels

_________________________

-10-
STERVELING
 
Onder de gezaagde berg
zweven de stegen van de middeleeuwen.
Onder de stegen vaart
de rivier met het halfwater.
In de rivier flarden van de slang.
 
Ver er boven wordt de massa mens
langs zware kabels omhoog getakeld.
 
Er is een zwart beeld dat in stilte wacht en
een achterblijver die zich verliest in de
bewijzen van Thomas.
 
Dan stort het water in de metrogangen.
Aftakkingen, duizend maal! En kruipen, kruipen, o mierenvolk:
geeuwende, slapende, levenloze hoofden flitsen in glasblik
voorbij.
 
In de kathedraal dicht bij zee ontwaakt men
tussen de ganzen onder de palmen.
_________________________
 
-11-
ZOMERWAS
 
En deze rijke kinderen in
het zonovergoten rijke land
tussen de drogende was
 
wie ooit dacht
in de toevalligheid
wie ooit dacht
in het groeiend gras
 
of bade in het genot van mijmering
in de lome krekelmiddag
met rijen appelbomen
als wachters
 
ergens ver weg
was er een moord gepleegd
 
en twee tuinen verderop
liep traag een hond
bij een watersproeier

________________________

-12-
ANDALUSIË
 
Over
de hoogvlakte
vol van
verlatenheid en
windmolens
in vreemdheid
gleden we af
naar heet Albacete
Later
op een zaterdag
trokken de bruinroden
de vaalgroenen
voorbij
En
in de stad
van de arena
zagen we kloof en brug
witheden en grote gelen
In de stad
van de arena
dronken we verlangen
draaide de zon
ons dronken
Maar
in het park
van verveling
schoot een duizeling
een wond in ons
Wat restte was
als zand uit het zuiden
dat droomt van witte rozen

_________________________

-13-
 
GENESE
 
Van het groen in het blauw
wiegt het huis in de stroom
van het dal dat je doet dralen
 
In een enorm rood rusten hier
onvoorstelbare taboes en zwarte verboden
maar ook het latere oplossen
in een compleet vaalgrijs
 
Geen van ons weet van de okeren
boom die woorden laat vallen als rijp fruit
niemand weet van niemand
en zekere atmosferen zijn onvermoed
 
Kwamen ze uit een langdurig paars nevelland
de maat- en willoze berichten?
 
In de natte zon wapperden fletse vlaggetjes
en mannen zaagden bomen in de mist toen er zich achter
het slaapkamerraam van een kleine hond
een geheime zelfwording voltrok

_________________________

-14-
VLIEGEN
 
O ja je vloog
reusachtig roeiende
wieken van hout
droegen het zware lichaam
over de lucht naar
seizoen 1: God is een guerrillero
 
En elke dag regende zijn tekst
je las: boven het terras met
witjonge vrouwen wuiven de platanen
en direct daarachter
grond 2: Drieduizend jaar marmer
 
O ja je vloog dwars door geesten van
muzikanten, verlorenen en reactionairen
je las bergen van kranten en
toen, in het dal
hemel 3: Hier nu kathedralenlicht
 
Na worstelingen met het vijandige
de dood en haar gedachten, koffie, de donkerste nachten
en alle journaals was er tot slot
fase 4: Schuivende continenten en een glijdend zijn
 
We vielen

_________________________

-15-
 
NEGENTIENVIERENZESTIG
 
Je spijkert de flessedoppen tegen
de balk aan de achterkant van de schuur
als marihuanarokend Amsterdam
feestviert.
Voor jou de stille rite in een regenbui.
Je hebt gisteren in
het rode avondland van Keppel
de rooiende boeren gezien.
Achter op vaders fiets zat je.
Nog hoor ik de kwakende kikkers
onder in de put.
Nog huist er in het hoofd
geen vijand.

_________________________

-16-
MUZIKANT
 
Maar wat wil je
als je de hoorn blaast
nauwelijks hoorbaar
in deze lange voortreffelijke leegte
als de horizon je plakt
En later in het hels lawaai van dit
drukke café met warme koppen
en schuimend bier
Als je door het raam buiten
de molens van zweven en draaien ziet
en in de cakewalk het sijpelende bloed
uit je knie
Want hoe lang is je mond
hoe kort je roes
o hier dichtbij
nu
Als we
als tienjarigen bijeen
tussen de suikerspinnen
die druipen langs de witte muts van de ijscoman
o als wij hier allen
hier allen zwevend op jouw klanken
hier allen bijeen gebracht zijn

 

De Zee van Willekeur

 

Copyright ©, Hans Limbeek, september 1995.

INHOUD:

1. Onder ons 2. Augustuslicht 3. Drasland

-1-
 
ONDER ONS
 
Een eeuwigheid
heeft hij doorgebracht
in het onderruim.
Daar verscholen
achter oude vaten,
praat hij met muizen en
schreeuwt hij tegen spinnen
om zijn vervloekte tijd
door te komen.
En niemand heeft er
ooit weet van gehad,
nee niemand,
dat hij het vocht van
de muur likt
dat hij de gore lucht
inslikt.
 
En hoor hem nu weer
te keer gaan,
ja nu op dit moment,
tegen het kolenkonijn
raaskalt hij:
'Geef antwoord of
ik vreet jou!'.

__________________________

-2-
 
AUGUSTUSLICHT
 
Vang het augustuslicht
en stop het in een
aarden kruik.
 
Bewaar het.
Bewaar
het.
Voor mij.
 
Pas als de dag is gekomen
dat ik ben gaan liggen
om niet meer op te staan,
wil ik dat
je me overgiet
met het
bewaarde.
 
Zomergras en fluitende vogels;
een augustusdag
voor de eeuwigheid.

_________________________

-3-
DRASLAND
 
Stemmen en zwanen in het oeverriet.
Middag, door God verlaten.
Zij van weleer, ze roepen.
Witte vogels als engelen, ze wenken.
 
Hier in het halfwater,
hier is het waar ze wonen.
Zij van de voortijd,
van bechoocheling,
van het onbewust verlangde en
het verwachte onvermoede.
 
Ze gebieden
 
om mijn waden te verzinken
in dit drasland.
 
Hier is het, waar ik zocht.
Het is hier, waar ik loslaat
en vind de ontregeling der zinnen.

_________________________