Zie, de woorden kruipen uit het blauw
MEDEDELING: IK BEN VERHUISD NAAR EEN ANDERE LOCATIE. VOOR MIJN NIEUWSTE GEDICHTEN VERWIJS IK U NAAR: Weblog Hans Limbeek
GEGROET ZIJ DE LEZER!
Op deze site kunt u kennis maken met mijn
'doorlopende' bundel Hoog in de Zwiepende Toren (2005).
De publicatie bestaat uit zevenentwintig gedichten waarvan er
maandelijks één wordt vervangen door een nieuwe. Daarnaast kunt
u een selectie van gedichten uit mijn eerdere bundels De Zee
van Willekeur (1995) en Berichten uit het Lome Land (2002)
aantreffen.
Hebt u vragen, op- of aanmerkingen, mail dan
naar: luru83rk@kpnmail.nl (Hans Limbeek, Zelhem 1959)
Hans Limbeek (foto: RJ Douwes, zie link
Platenpakhuis)
Aanbevolen links: www.jaapmajoor.com , www.sibylleklemp.tk en
http://platenpakhuis.blogspot.com
INHOUD SITE: 1. Hoog in de Zwiepende Toren
(2005), 27 gedichten, met elke maand een nieuw gedicht. 2.
Berichten uit het Lome Land (2002), een selectie van 16 gedichten
3. De Zee van Willekeur (1995), een selectie van 3 gedichten.
Hoog in de Zwiepende Toren
COPYRIGHT © Hans Limbeek, digitale publicatie, februari 2005
- INHOUD: -1- Dit nu op deze boot -2- Zilverberg -3-Emmerich
-4- Aldags roes -5- Voor moeder -6- Traag -7- Voetbal en
wierook -8-:April II (herinnering aan het niets) -9- Dat
ik -10- Curtis -11-De glazen middag -12- Anders dan
gedacht -13- Ik heb niets gewild -14- Nacht van aankomst
-15- Het hete eind -16- April -17- Mijn aangespoeld
lichaam -18- Dichters droom -19- Sprookje -20-
Allerzielen -21- Bootje in het blauw -22- Feest -23- De
uit stof gekropenen -24- Draaibed van de dronken droom -25-
Geen getal -26- Sanatorium -27- Het koord -28- Groot geel
________________________
-
-
Berichten uit het Lome Land
Copyright © 2002. Hans Limbeek. Digitale publicatie, februari
2002.
INHOUD:
1. In de hondenkar 2. Onrust 3. Rozen 4. Stroom 5. Onder de
berk 6. Een wandeling 7. Recalcitrant 8. Kleine zachte hunkering
9. Het misschiene schip 10. Sterveling 11. Zomerwas 12.
Andalusië 13. Genese 14. Vliegen 15. Negentienvierenzestig 16.
Muzikant!
-
-
_________________________
- -1-
-
- IN DE HONDENKAR
-
- honderd honden trekken de kar
- over de klinkers
- van de hoge laan
-
- boomtoppen trekken voorbij
- als onder gehijg en gepuf
- het geroffel
-
- het onweert bovendien
-
- de lange lange laan
- met aan het eind de maan
- legend languit liggend
-
- achterlatend de asmens
- uitstrooiend kleine gedachten
- als boeken van lood
-
- op naar de zeepier
- in het Groningse woud
- op naar de hondsdagen
- om te voetballen in de eb
- om te ontvangen op de vloed
_________________________
- -2-
-
- ONRUST
-
- Dagenlang hadden
- woeste ontploffingen opgeklonken
- uit het verre achterland
-
- en werkelijk overal werd er gesproken
- over materie en antimaterie
- spiegelbeelden
-
- o nachten volgestort
- met energie uit de zoete hel
-
- ergens moet er een ochtend geweest zijn
- met een vluchtig ontbijt
- en gordijnen die open gingen
-
- toen ze stonden
- plotseling en overal
- in de tuinen voor de huizen
-
- toen ze stonden
- achter de bomen in de parken
- in de onvergetelijke weilanden
- onder de ademloze wolken
-
- toen ze stonden
- diep onder de witte bruggen
- op het oneindige ijs
-
- wij kleine sneeuwpoppen
- toen we stonden
_________________________
- -3-
-
- ROZEN
-
- Het was
- na het onweer
- en de grond was nat en warm
- en duidelijker dan ooit
- scheen de wereld
- te zijn
- die in het oog is
-
- De rozen met insekten kropen langs
- en wij die er stonden verloren
- met schepnetten in het slootwater
- onder heel hoog het vliegtuig met de
- witte strepen
-
- De wereld en de zon
- ze waren van ze waren in het oog
- toen alles stilstond
- zo kort na de dood
- in de zandweg naar de hemel
_________________________
- -4-
-
- STROOM
-
- In die zoete geur
- zitten we met opgetrokken knieën
- in het ondoorgrondelijke meidoornveld
- waar we zonder weten wachten op de zandstorm
-
- Later als de hitte ondraaglijk wordt
- kruipen we in het verbazingwekkende hol
- met de duizend glazen limonade
-
- Net als in de Luxemburgse regendagen
- als de glimwormen ons de afgrond markeren
- begrijpen we niet
- o alcoholkoppen die we zijn!
-
- In een hoofdstad bezoeken we alle hoge cafés
- slaan we zattemans taal uit
- o jonge helden die we zijn!
-
- En ach wat hebben we ons druk gemaakt Alles wat waarheid
- leek gleed immers uit ons weg maakte plaats voor stille
waan
- het onophoudelijk lopen van witte paarden
- achterwaarts de zee in
_________________________
- -5-
- ONDER DE BERK
-
- In het dwarrelend zaad
- zitten we loom in de vroege
- zomeravond rokend aan tafel
-
- We zwijgen
-
- De verre woorden
- over het Duitsland
- voorbij Asschaffenburg
- klinken nog vaag na
-
- En als nauwelijks bewust
- mijn schoenzolen halve
- cirkels in het zand tekenen
-
- Verveling zich meester maakt
-
- En het geraas over de wegen
- langzaam wegsterft
-
- Zie ik de zwaluwen dansen
- eerst hoog in het grijsblauw
- dan afdalend naar de vier draden
-
- Elektriciteit van paal naar paal
- transporterend het geluk van het niet-weten
_________________________
- -6-
- EEN WANDELING
-
- Verscholen in het riet en
- gedoken in het leger van een dode haas
- in een oud geruis of eendagssneeuw
- de lompen zien verweren in het prikkeldraad
- en telkens weer vermoeden hij die er niet staat
- bemost over heel zijn onderlijf
- krankzinnig en stokstijf
- kloppende pols
- ruikend zijn
- starende groenheid
- in vogelkreten
- in een levenslang waaien
- onder honden
- onder maanlicht
- onder donder
- die steeds weer in niets zijn grond vindt
_________________________
- -7-
- RECALCITRANT
Zoals de zon
- die surrealistisch Spanje
- in je ogen weerkaatste
- in je ogen
- een werkelijkheid toonde die was.
- Of zoals het binnenvallende licht
- op de dag van bedrog
- het binnenvallende licht
- dat verhulde wat niet meer was.
- Zo wil ik weer proeven
- de bittere smaak
- het bitter van zoete zinnen.
- Of aanschouwen de duistere schijn
- het duister van verraad.
-
- Wat gisteren vast stond
- moet vandaag los
- los om morgen de vastgezogene te zijn.
- Of de verlorene die bidt
- die bidt om de verloren hand.
_________________________
- -8-
- KLEINE ZACHTE HUNKERING
-
- Op het water stond je tussen gele lissen
- onuitsprekelijk groen te wezen.
- Met je rechterhand gaf je korte strelingen
- over mijn kwetsbaar moede schouders,
- over mijn geknakte rug,
- over mijn huid, mijn harde oude schilferhuid.
- Urenlang blies je fluisterzinnen tegen de wind,
- terwijl onophoudelijk kevers voorbij kropen.
-
- Toen werd huid ziel en hoorde ik de stille kosmos
- schreeuwen.
- _________________________
- -9-
- HET MISSCHIENE SCHIP
-
- Misschien was het
- het zicht in ander licht
- dat het gemaskeerde gezicht tranparant deed lijken
- toen we stonden aan de boeg
- lang voor ons vertrek
- of kwam het juist van hem zonder gezicht
- in de nacht op de achtersteven
- waarvan we een plotseling inzicht kregen
- net na ons vertrek
-
- Was dit het sein misschien
- ideeën te verbranden en meningen terecht te stellen
- om deze onbekende haven te verlaten
- en met dit misschiene schip zonder balast te varen
- naar de eeuwenoude onmogelijkheden van het onnut
- of van de denkbeeldigheden in het duistergroen
- of het eiland der kindvogels
_________________________
- -10-
- STERVELING
-
- Onder de gezaagde berg
- zweven de stegen van de middeleeuwen.
- Onder de stegen vaart
- de rivier met het halfwater.
- In de rivier flarden van de slang.
-
- Ver er boven wordt de massa mens
- langs zware kabels omhoog getakeld.
-
- Er is een zwart beeld dat in stilte wacht en
- een achterblijver die zich verliest in de
- bewijzen van Thomas.
-
- Dan stort het water in de metrogangen.
- Aftakkingen, duizend maal! En kruipen, kruipen, o
mierenvolk:
- geeuwende, slapende, levenloze hoofden flitsen in
glasblik
- voorbij.
-
- In de kathedraal dicht bij zee ontwaakt men
- tussen de ganzen onder de palmen.
- _________________________
-
- -11-
- ZOMERWAS
-
- En deze rijke kinderen in
- het zonovergoten rijke land
- tussen de drogende was
-
- wie ooit dacht
- in de toevalligheid
- wie ooit dacht
- in het groeiend gras
-
- of bade in het genot van mijmering
- in de lome krekelmiddag
- met rijen appelbomen
- als wachters
-
- ergens ver weg
- was er een moord gepleegd
-
- en twee tuinen verderop
- liep traag een hond
- bij een watersproeier
________________________
- -12-
- ANDALUSIË
-
- Over
- de hoogvlakte
- vol van
- verlatenheid en
- windmolens
- in vreemdheid
- gleden we af
- naar heet Albacete
- Later
- op een zaterdag
- trokken de bruinroden
- de vaalgroenen
- voorbij
- En
- in de stad
- van de arena
- zagen we kloof en brug
- witheden en grote gelen
- In de stad
- van de arena
- dronken we verlangen
- draaide de zon
- ons dronken
- Maar
- in het park
- van verveling
- schoot een duizeling
- een wond in ons
- Wat restte was
- als zand uit het zuiden
- dat droomt van witte rozen
_________________________
- -13-
-
- GENESE
-
- Van het groen in het blauw
- wiegt het huis in de stroom
- van het dal dat je doet dralen
-
- In een enorm rood rusten hier
- onvoorstelbare taboes en zwarte verboden
- maar ook het latere oplossen
- in een compleet vaalgrijs
-
- Geen van ons weet van de okeren
- boom die woorden laat vallen als rijp fruit
- niemand weet van niemand
- en zekere atmosferen zijn onvermoed
-
- Kwamen ze uit een langdurig paars nevelland
- de maat- en willoze berichten?
-
- In de natte zon wapperden fletse vlaggetjes
- en mannen zaagden bomen in de mist toen er zich achter
- het slaapkamerraam van een kleine hond
- een geheime zelfwording voltrok
_________________________
- -14-
- VLIEGEN
-
- O ja je vloog
- reusachtig roeiende
- wieken van hout
- droegen het zware lichaam
- over de lucht naar
- seizoen 1: God is een guerrillero
-
- En elke dag regende zijn tekst
- je las: boven het terras met
- witjonge vrouwen wuiven de platanen
- en direct daarachter
- grond 2: Drieduizend jaar marmer
-
- O ja je vloog dwars door geesten van
- muzikanten, verlorenen en reactionairen
- je las bergen van kranten en
- toen, in het dal
- hemel 3: Hier nu kathedralenlicht
-
- Na worstelingen met het vijandige
- de dood en haar gedachten, koffie, de donkerste nachten
- en alle journaals was er tot slot
- fase 4: Schuivende continenten en een glijdend zijn
-
- We vielen
_________________________
- -15-
-
- NEGENTIENVIERENZESTIG
-
- Je spijkert de flessedoppen tegen
- de balk aan de achterkant van de schuur
- als marihuanarokend Amsterdam
- feestviert.
- Voor jou de stille rite in een regenbui.
- Je hebt gisteren in
- het rode avondland van Keppel
- de rooiende boeren gezien.
- Achter op vaders fiets zat je.
- Nog hoor ik de kwakende kikkers
- onder in de put.
- Nog huist er in het hoofd
- geen vijand.
_________________________
- -16-
- MUZIKANT
-
- Maar wat wil je
- als je de hoorn blaast
- nauwelijks hoorbaar
- in deze lange voortreffelijke leegte
- als de horizon je plakt
- En later in het hels lawaai van dit
- drukke café met warme koppen
- en schuimend bier
- Als je door het raam buiten
- de molens van zweven en draaien ziet
- en in de cakewalk het sijpelende bloed
- uit je knie
- Want hoe lang is je mond
- hoe kort je roes
- o hier dichtbij
- nu
- Als we
- als tienjarigen bijeen
- tussen de suikerspinnen
- die druipen langs de witte muts van de ijscoman
- o als wij hier allen
- hier allen zwevend op jouw klanken
- hier allen bijeen gebracht zijn
De Zee van Willekeur
Copyright ©, Hans Limbeek, september 1995.
INHOUD:
1. Onder ons 2. Augustuslicht 3. Drasland
- -1-
-
- ONDER ONS
-
- Een eeuwigheid
- heeft hij doorgebracht
- in het onderruim.
- Daar verscholen
- achter oude vaten,
- praat hij met muizen en
- schreeuwt hij tegen spinnen
- om zijn vervloekte tijd
- door te komen.
- En niemand heeft er
- ooit weet van gehad,
- nee niemand,
- dat hij het vocht van
- de muur likt
- dat hij de gore lucht
- inslikt.
-
- En hoor hem nu weer
- te keer gaan,
- ja nu op dit moment,
- tegen het kolenkonijn
- raaskalt hij:
- 'Geef antwoord of
- ik vreet jou!'.
__________________________
- -2-
-
- AUGUSTUSLICHT
-
- Vang het augustuslicht
- en stop het in een
- aarden kruik.
-
- Bewaar het.
- Bewaar
- het.
- Voor mij.
-
- Pas als de dag is gekomen
- dat ik ben gaan liggen
- om niet meer op te staan,
- wil ik dat
- je me overgiet
- met het
- bewaarde.
-
- Zomergras en fluitende vogels;
- een augustusdag
- voor de eeuwigheid.
_________________________
- -3-
- DRASLAND
-
- Stemmen en zwanen in het oeverriet.
- Middag, door God verlaten.
- Zij van weleer, ze roepen.
- Witte vogels als engelen, ze wenken.
-
- Hier in het halfwater,
- hier is het waar ze wonen.
- Zij van de voortijd,
- van bechoocheling,
- van het onbewust verlangde en
- het verwachte onvermoede.
-
- Ze gebieden
-
- om mijn waden te verzinken
- in dit drasland.
-
- Hier is het, waar ik zocht.
- Het is hier, waar ik loslaat
- en vind de ontregeling der zinnen.
_________________________