Porselein Oorsprong & Techniek
Porselein is een bijzondere vorm van keramiek. Porselein is hard, doorschijnend en klinkt helder. Het materiaal is een goede isolator en een slechte geleider. Porselein is reuk- en smaakloos en verkleurt nauwelijks, ook niet als het enkele eeuwen in een scheepswrak op de bodem van de zee heeft gelegen.
Het was Marco Polo die in een Chinees reisverslag uit 1296 voor het eerst melding maakte van het porselein. Hij noemde het porcella naar een weekdier met een witte schaal. Het belangrijkste productiecentrum was vanaf de achtste eeuw de Chinese stad Jingdezhen. Hier waren de grondstoffen kaolien (porseleinklei) en petunse (een sediment van kiezelwieren en veldspaat) voor het maken van porselein voorhanden. Deze grondstoffen werden vermalen en gekneed waarna op de draaischijf een object werd gevormd. Hierna werd het voorwerp met kobaltverf beschilderd en voorzien van een laag veldspaatglazuur. De objecten werden gebakken op een temperatuur van 1280 tot 1350 ° C.
In Lissabon maakten Hollandse kooplieden aan het einde van de zestiende eeuw kennis met het porselein. Het porselein was echter in tegenstelling tot vandaag de dag alleen betaalbaar voor de Europese elite.
Het porselein wat u op deze site ziet word in principe van dezelfde grondstoffen gemaakt als 700 jaar geleden, echter de manier van vormen is anders.
De klei word tot dunne platen gewalst, daarna wordt er met pigmenten gekleurde klei doorheen gerold. Hierdoor zit de kleur in de scherf en niet in of op het glazuur.
Vervolgens worden de platen aan elkaar geplakt met kleislip. Na de biscuit stook worden de objecten in glazuur gedompeld en opnieuw gebakken op hoge temperatuur.
Door zijn grote hardheid kan porselein veel dunner gemaakt worden als gewoon aardewerk.